Michaël Vandebril, het interview

Omdat er die dag een ware estheet bij ons thuis werd verwacht, sommeerde Jolanda me om citroentaart te gaan kopen. Want beheerst er iemand beter de kunst om gracieus door de straten van Antwerpen te dwalen dan Michaël Vandebril? Alles aan hem straalt verfijning uit. Zijn houding, zijn kleding, zijn bril, zijn taal en zijn voorliefde voor de Franse symbolisten. Als je in het midden van de nacht plots overmand zou worden door vragen over het wel en wee van Stéphane Mallarmé, weet dan dat je steeds bij hem terecht kunt. 

Sommige mensen vullen op een volstrekt natuurlijke wijze een leemte in en zo iemand is Michaël Vandebril. Als er iemand op eigentijdse wijze de kwaliteiten van het oude België gestalte geeft is hij het wel.

Bij onze voordeur werden er begroetingskussen uitgewisseld die zelfs in het fin de siècle opzien zouden hebben gebaard en ik nodigde Michaël uit voor een kop koffie maar dan, zoals het een dandy betaamt, ingeschonken in een koffiemok met een beeltenis van die andere grote Belgische estheet: Roger De Vlaeminck.

We kenden elkaar enkel maar van verre begroetingen, maar toch voelde het gesprek onmiddellijk vertrouwd aan. Nog voor we de citroentaart hadden aangesneden was er een onstuitbare spraakwaterval losgebarsten en werden er wist-je-datjes uitgewisseld. Toekomstige literatuurhistorici wil ik erop wijzen dat Michaël mijn aanbod om de citroentaart met zijn handen te eten naast zich neerlegde en keurig met mes en vork at. Zonder te kruimelen. Every inch a gentleman. 

Naast zijn faam als dichter geniet Michaël Vandebril vooral bekendheid als organisator van literaire evenementen. Zo is hij sinds 2003 werkzaam als coördinator voor Antwerpen Boekenstad en opende hij samen met Ineke Van Nieuwenhove en Carmen De Vos het Belgische filiaal van het Poëziebordeel. Verder is hij een met o.m. Andy Fierens een van de stichters van VONK & Zonen en in 2018 richtte hij samen met initiatiefnemer Jan Ducheyne de Partij voor de Poëzie op. 

‘Jan Ducheyne en Andy Fierens zijn van die oerkrachten die graag buiten de lijntjes kleuren en toch altijd goed op hun poten terechtkomen.’

‘Spinvis en Simon Vinkenoog zijn zeer belangrijk geweest voor Jan. Op een dag zei Vinkenoog tegen hem: “Dat treinconducteurschap van jou: dat is allemaal goed en wel maar je gaat het toch niet blijven doen? Je moet volledig voor je dichterschap gaan!”’

‘Het feit dat ik dichter en organisator ben hindert niet, maar het maakt wel dat ik lang heb gewacht met het publiceren van mijn eerste bundel. Toen Het vertrek van Maeterlinck werd gepubliceerd was ik al veertig. Als organisator was ik al op jonge leeftijd zeer actief en werkte ik snel samen met grote namen zoals Tom Lanoye. Daarom voelde ik een zekere schroom; ik had niet onmiddellijk de ambitie om mij tussen die reuzen te zetten. Tot ik op een bepaald moment vond dat het tijd was om ruimte in te nemen en met mijn schrijven naar buiten te komen. Het werd ineens een tweetalige uitgave bij De Bezige Bij. Het boek was gelinkt aan de Belgische symbolisten zoals Maeterlinck en Verhaeren. De liefde voor de Franse taal is bij mij gegroeid dankzij de schoolvakantiezomers in het Waalse Virton. De kennis van het Frans opende voor mij de deur naar de Franse cultuur. België is het land waar de germaanse en romaanse cultuur samenkomen. Wij Vlamingen zijn, soms zonder dat we het beseffen, overspoeld door romaanse invloeden, ook in de literatuur. Ik heb dat altijd een interessant gegeven gevonden. Figuren als Maeterlinck en Verhaeren waren Vlaamse Belgen die in het Frans schreven en ze werden in Frankrijk, vanwege hun afwijkende taal en verbeelding, als zeer exotisch ervaren.’

‘Mijn debuut Het vertrek van Maeterlinck was de vrucht van mijn fascinatie voor de wereld van de symbolisten.’

‘Je hebt gelijk: ik ben geboren in 1972 en eigenlijk te jong om de New Romantics, de titel van mijn tweede boek, bewust te hebben meegemaakt. Maar bands als Duran Duran staken hun invloeden niet onder stoelen of banken en via hen heb ik David Bowie en Brian Eno en andere gelijkgestemde muzikanten leren kennen.’

‘Hun instrumentale nummers waren atmosferische klanktapijten en dat effect wilde ik in mijn gedichten ook bereiken. Je mag ze vooral niet te begrijpend lezen, want het is associatief geschreven. Tijdens het schrijven was het voor mij vaak verrassend om te zien welke beelden er in mijn hoofd opdoken. Als je goed leest zie je dat de poëzie in het laatste deel al aan het verschuiven is; ergens leg ik al een link naar de toekomst en kondig ik mijn volgende bundel Op de weg van Appia aan. Via subtiele verwijzingen zijn mijn drie bundels met elkaar verbonden.’

‘Je vroeg me om een van mijn lievelingsboeken mee te nemen en ik koos voor Red ons van de dichters van Menno Wigman.’

‘Persoonlijk vind ik hem een van de beste dichters van de Lage Landen. Hij is ook iemand die de poëzie van Baudelaire en Rimbaud heeft getransponeerd naar zijn eigen tijd. In die zin is hij een geestesgenoot.’

‘Als je zijn poëzie leest voel je dat het geconstrueerd is maar in functie van efficiëntie. Wigman was een drummer. Ritme en klank waren belangrijk bij hem. Als je zijn gedichten leest, merk je dat hij een ritmisch wonder is en daarom is het ook niet verbazend dat hij begreep hoe bezwerende zinnen te schrijven.’

‘Bovendien was hij een dandy die steeds piekfijn gekleed ging – want hij voelde zich verbonden met Charles Baudelaire en de tijd van de romantiek. Vroeger had ik het sterker dan vandaag omdat ik heb ingezien dat dandy zijn iets arrogants heeft. Je wilt je onderscheiden van de massa en dat doe je door vormelijkheid. Het esthetiserende vind ik nog steeds belangrijk, maar je mag het niet doen om je beter te voelen dan iemand anders. Het is ook een masker natuurlijk waarachter je jezelf kunt verschuilen. Het is het doortrekken van esthetiek in taal en tegelijkertijd scherm je je af. Veel schrijvers die ik bewonder cultiveerden hun dandyisme, zoals bijvoorbeeld Jean Cocteau.’

‘Het dandyisme is ook iets typisch voor Antwerpen. Vroeger had je Paul van Ostaijen. In de jaren zeventig kreeg hij navolging van de Pink Poets, de dichters rond spilfiguur Patrick Conrad. Vandaag de dag incarneert Jeroen Olyslaegers ook wel dat grootstedelijk dandyisme.’

Michaël Vandebril betrekt een kantoor in het Letterenhuis en bibliotheek Permeke. Hij zit als het ware op het literaire erfgoed en snuistert er regelmatig rond. Of hij de aandrang voelt om een exhaustieve wetenschappelijke studie over een in vergetelheid geraakte dichter te schrijven?

‘Ik lees bijzonder graag literaire geschiedenissen of biografieën maar zelf ben ik te weinig monnik om me ertoe aan te zetten over zo iemand een boek te maken. Daarvoor ben ik niet monomaan genoeg (lacht).’

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘In een ver verleden had ik een Tumblr-blog. Die bestaat trouwens nog steeds. Tumblr is een soort van microblog waar je beeld en tekst met elkaar laat dialogeren. Wat ik daar deed was het volgende: ik maakte een foto van mijn opengeslagen Moleskine-notitieboekje waarin ik versregels in de maak bijhield en waarin ook gevonden papiertjes of gedroogde bloemen kleefden. Het was een inkijk in mijn werkboek. Ik vond het een leuke manier om aan mijn lezers iets te tonen wat je normaal gezien nooit ziet: het groeiproces van de gedichten die ik aan het schrijven was.’

‘Je kon de stukjes al liken en delen. Een bepaalde post van mij werd bijzonder populair en liet het internet bijna ontploffen. Iemand had een gedicht uit mijn eerste bundel in het Engels vertaald en in een video-gedicht gegoten en de Nederlandse videaste en fotografe Judith Dekker had daar een film bijgemaakt en gepost. Dat is bijzonder veel gedeeld geworden.’

‘In blogs ben ik duidelijk geen volhouder. Na verloop van tijd verdwijnt mijn interesse. Want bloggen bind je op een bepaalde manier. Het voelt aan als een verplichting en ik hou niet zo van verplichtingen (lacht).’

‘Mijn creatieve energie steek ik liever in mijn gedichten. Om de vier, vijf jaar publiceer ik een nieuwe bundel. Welbeschouwd is dat mijn papieren blog die dan elk lustrum in boekvorm verschijnt.’

‘Maar tegelijkertijd vind ik bloggen een zeer interessante vorm, al hangt het er uiteraard van af hoe het vogeltje gebekt is. De blogs van Jan Ducheyne of Vitalski: dat werkt perfect voor hen. Vitalski heeft een geordende chaotische geest. De potpourri die hij van Vitalski blogt maakt, is meteen ook zijn stijl. Hoge en lage cultuur. Van de foto’s van zijn bunny’s tot glasheldere analyses van het werk van Edgar Allen Poe.’

‘Vitalski is ondertussen al zo lang bezig. Tijdens mijn rechtenstudies, begin jaren negentig, had hij het dadaïstisch collectief De Ysfabrik opgericht. Ik was toen gefascineerd door het dadaïsme en was danig onder de indruk. Wat is dit allemaal? En het is iets van vandaag! Het gebeurt nu! De zotheid, het gewelddadige, het kolderieke dat zijn oeuvre zo kenmerkt: het zat er allemaal al in. Hij maakte een vluchtschrift-achtig krantje van twee pagina’s dat ook De Ysfabrik heette en in cafés werd verspreid. Wat daarin stond doet hij in wezen nog steeds met zijn blog. En de revues die hij met de Dinsdagclubs op het podium doet, deed hij toen ook al. Uiteraard was hij jonger, scherper en punkier. Vandaag is Vitalski veel respectvoller. Iedereen kan en mag zijn plek hebben. In die tijd had ik zelfs een beetje schrik van hem.’

‘Ik was met een paar vrienden eveneens met een vluchtschrift begonnen: Le Tigre Unick. De eerste keer dat ik Vitalski uitnodigde om op te treden voelde ik een zekere schroom. Zou ik het wel doen? Wat als hij alles gaat saboteren? Het was onze eerste samenwerking en die avond zat Luc Cuperus van het cultureel-programmablad Week-Up in het publiek. Hij geraakte meteen geïntrigeerd door de figuur van Vitalski. Luc vroeg me achteraf wat voor iemand hij was en of we er iets mee konden doen. Ik zei dat Vital, in navolging van Jules Deelder in Rotterdam, de nachtburgemeester van Antwerpen was. Enkele maanden later zie ik dat hij in de Week-Up zijn column De nachtburgemeester van Antwerpen had gekregen. Een podium voor roddels, weetjes en slimmigheden. Typisch Vitalski.’

‘De Achterafgedichten was een project met vier andere dichters. Het zijn ook de begindagen van VONK & Zonen, een literaire organisatie die ik in 2010 samen met Andy Fierens, Maarten Inghels en Dave van Gestel heb opgericht. In eerste instantie om eigen literaire projecten te organiseren. Een van onze eerste initiatieven waren die bewuste Achterafgedichten waar je naar refereerde. Met vijf dichters hadden we onze stoutste schoenen aangetrokken en zijn ermee naar de redactie van De Morgen gestapt. Delphine Lecompte, Ruth Lasters, Maarten Inghels, Max Temmerman en ik. Ons voorstel was om een jaar lang elke week een actualiteitsgedicht te schrijven. Afwisselend. Yves Desmet, de toenmalige hoofdredacteur, had er wel oren naar en hij gaf ons het volledige achterblad! De Morgen koos een bijpassende paginagrote-foto. Die actualiteitsgedichten hebben we ook een jaarlang bloggewijs gepost. We sloten af met een tournée langs schouwburgen met een heuse eindejaarsvoorstelling: Achterom: het jaar in gedichten.’

‘Het was leuk om doen, want je had nooit veel tijd en dat stimuleerde de verbeeldingskracht. Over sommige van die gedichten was ik zo tevreden dat ik ze later in bundels heb opgenomen.’

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Hier heb ik lang over nagedacht en uiteindelijk heb ik een schrijfster gekozen. Ik zou het fantastisch vinden mocht Rebekka de Wit een blog beginnen. Voor de zekerheid ben ik het even gaan nakijken, maar ze heeft er geen – enkel een simpele website. Haar wekelijkse stukjes in De Standaard savoureer ik. Haar manier van denken en schrijven vind ik heel verfrissend en totaal niet vrijblijvend. Ze reageert als jonge vrouw die in onze stad woont op een persoonlijke manier op het soort van corporatisme – en bij uitbreiding op het kapitalisme – dat op een ingrijpende manier onze levens bepaald. Desondanks kunnen die bedrijven niet tot de verantwoording geroepen worden. Als kunstenares denkt ze daarover na en ik vind de manier waarop ze naar de problematiek kijkt verstandig, ontregelend én ontluisterend. Met behulp van taal breekt ze in haar korte stukjes de premisses en dogma’s af. Rebekka de Wit vertrekt altijd vanuit een persoonlijke ervaring.’

‘Het verfrissende is, vind ik, dat ze haar taal als wapen gebruikt tegen die van de machtige ondernemersblokken. Het is een taalstrijd. Ze probeert de constructies om iets te legitimeren af te breken. Het bekendste voorbeeld in haar geval is Shell. De multinational gebruikt taal om de dingen die het zou willen doen te legitimeren. Het is maatschappelijke brainwashing. Zij hanteert hetzelfde instrument om de onzin ervan aan te tonen en ze doet het slim en met inzicht.’

‘Bovendien zijn haar columns ook uitstekend geschreven.’

‘Milan Kundera vertelde eens in een van zijn romans het verhaal van een auteur die de overheid bekritiseert. Hij zette een metafoor in om aan te geven wat er eigenlijk gebeurt en die is zo snijdend, zo ontluisterend dat een totalitair regime, zoals het toenmalig communistische Tsjechoslowakije er een was, haast niet anders kan dan zo iemand uitschakelen. Want de macht vindt het woord gevaarlijk, omdat het ervoor zou kunnen zorgen dat de machtsconstructie onderuit gehaald wordt. Dát is de kracht van schrijvers en individuen. Het is het David & Goliath-verhaal. Hoe een goed gemikt steentje – of het nu in de vorm van een tekst of van een gedicht is – de arrogantie van de macht ter verantwoording kan roepen. Vandaag voel je heel sterk de beweging om mensen die nadenken en zaken verwoorden uit te schakelen of monddood te maken.’

‘De facto zijn schrijvers gevaarlijker voor totalitaire regimes, omdat in dictaturen de controle totaal is. Dus de impact van een tegenstem is er groter. In onze maatschappij is er vandaag de dag zo’n wildgroei aan meningen dat een tegenstem minder snel invloed zal hebben. Maar als je het goed gericht doet, kan het wél doel treffen. Het hoeft niet de taak van elke dichter of schrijver te zijn, maar het is belangrijk dat er kunstenaars bestaan die hun kracht gebruiken om dingen te verwoorden die in het gezicht kletsen. Ook in dat van ons. Niet alleen in dat van de machthebbers. Taal kan zaken duidelijk maken.’

‘De blog van Simon Vinkenoog bezocht ik vroeger bijna dagelijks. Zijn laatste post is zijn overlijdensbericht en de uitnodiging om naar zijn begrafenis te komen. Het is een fantastische blog. Het heet Kersvers. De vormgeving oogt zeer simpel. Tijdens zijn laatste levensjaren schreef Vinkenoog elke dag hele lappen tekst. Soms aangevuld met kiekjes. Ik raad je aan om die blog eens te bekijken. Simon Vinkenoog was een dichter en levenskunstenaar maar ook een strijder. Hij wilde het bewustzijn van zichzelf en van de maatschappij verruimen. Hij had zeker iets sjamanistisch over zich. Maar zijn antennes stonden haarscherp open. Wereldwijd onderhield hij contacten met vooraanstaande dichters en denkers zoals Alan Ginsberg en andere geestesgenoten die bezig waren met de idee dat de wereld naar een volgend stadium van bewustzijn moest evolueren.’

‘In zijn blog vertelt Vinkenoog gewoon wat hij allemaal doet en intuïtief verbindt hij tal van zaken. Het is een leerrijke inkijk in zijn leven. Ergens word ik erin vermeld. Het was in het kader van Antwerpen Wereldboekenstad. René Francken van Demian kwam met het idee om de legendarische City Lights boekenwinkel in Antwerpen na te bouwen als een tijdelijke pop-up beat-bookstore. Een fantastische ingeving. Het was meteen duidelijk dat we Simon Vinkenoog nodig hadden, want hij vertegenwoordigde dat soort energie bij ons in de Lage Landen. We zijn hem in zijn volkstuintje in de buurt van Amsterdam gaan opzoeken. Achteraan had hij een houten tuinhuisje waar hij in de zomer met zijn vrouw resideerde. Een echte hippie-plek. Over die ontmoeting met ‘twee mensen uit Vlaanderen’ schreef hij een stukje op zijn blog.’

Wat maakt een blog goed?

‘Voor mij moet het een combinatie zijn van het persoonlijke dat naar een hoger niveau getild wordt door ervaring en kennis… Als een blog in pure anekdotiek blijft steken, spreekt het me minder aan. De manier van kijken naar de dingen en hoe die met elkaar te verbinden, vertrekkend vanuit het autobiografische: dát intrigeert me.’

‘Vitalski is een raar geval, maar ik hou van rare gevallen. Zijn blog is een zooi. Maar ik hou ook van zooi, dus dat is geen probleem. Wat bij hem interessant is, is dat hij aan geen enkele regel voldoet. Zijn stijl verandert voortdurend. Het is alles door elkaar: hoog-laag, goed fout zit er ook in. Tegelijkertijd toont hij in sommige stukken zijn enorme eruditie. Dát ongrijpbare maakt Vital boeiend.’

‘Er moet persoonlijkheid uit een blog spreken. Het mag niet de woordenkramerij van een praatjesmaker zijn. Je hebt blogs van mensen die zich interessanter proberen voor te doen dan ze zijn, maar die missen authenticiteit. Oorspronkelijkheid en eigenzinnigheid vind ik de allerbelangrijkste eigenschapen.’

‘Een blog is toch iets anders dan een column. Voor mij is een blog eerder een digitaal dagboek. Spontaan moet ik nu aan Jean Cocteau denken die een paar dagboekachtige teksten heeft geschreven zoals Opium, over zijn verslaving. Het is heel fragmentair neergeschreven. Soms zijn het twee zinnen, soms een stuk van een gedicht en soms een beschouwing. Het is heel divers, maar samengebracht is het geweldig. Eigenlijk is het een blog avant la lettre. Elk stukje kan een andere vorm hebben. De vrijheid van een blog  – niemand die zegt: dit is te lang of te kort – is maximaal.’

Het was tijd om afscheid te nemen en aan de voordeur regende het zoveel kussen dat Michaël en ik onze kansen om als ambtenaren voor de stad Leuven te gaan werken definitief verknald hadden. Verweesd stapte ik terug naar de keuken en zag als aandenken aan een ochtend waarin de letteren weer even mochten knetteren nog een laatste stukje citroentaart liggen.

Gepubliceerd door Jo Komkommer

Ik werd geboren in 1966 in Wilrijk, maar gelukkig verhuisden mijn ouders al vrij snel naar het mondaine Berchem. Na een onopvallende carrière als linksachter bij SK 's-Gravenwezel werkte ik enkele jaren als reisleider in de Dominicaanse Republiek en de Verenigde Staten. Daar kwam ik in de lobby van een Holiday Inn in San Francisco Jolanda Cats tegen en het was liefde op het eerste gezicht. We zwierven nog even rond, kregen een dochter Zoé, kochten een huis in Antwerpen en trouwden. Ik werk sinds meer dan twee decennia in een stijlvol boetiekhotel met een haast even mondaine uitstraling als het Berchem uit mijn kinderjaren.

Plaats een reactie