De haven

De haven. Ook wel: de blog biblotheek. Een hand picked selectie Nederlandstalige literaire blogs. U kan ons manifest lezen als u wil weten wat we daarmee bedoelen, maar nog fijner is het om van schip tot schip te wandelen, er zijn driemasters en galeiboten, stoomschepen en een occasionele onderzeeër. U vindt er vast een paar naar uw smaak.

Vindt u het onvoorstelbaar dat deze of gene blog ontbreekt? Wel, wij misschien ook: stuur uw suggestie naar aanlegplaats@gmail.com. Wij worden graag verrast, en zijn actief op zoek naar verbreding van ons aanbod. Lezers en redactie zullen u dankbaar zijn.

(en o ja, voor de – werkelijk ook uitmuntende – blogs van de redactieleden, kijk even bij de havenmeesters)

PS de volgorde waarin de blogs hier gepresenteerd worden is volstrekt willekeurig.

Op SFCDT vindt de doorwinterde kunstliefhebber een aangenaam midden tussen literair grasduinen en meeneuzen in de laatste exposities of bekende musea. Om te lezen voor, na, tijdens, of ja, zelfs zonder museumbezoek. Het is ook de plek waar Johan Velter mening en beschouwing in elkaar laat overvloeien, en via beelden en het schrijven over beelden, ook verhalen vertelt.

Maar wat een kunstenaar is Jacques Moeschal! Er is een korte film te zien waarin hij door Ludo Bekkers geïnterviewd wordt, Bekkers zijn vragen streng aflezend van een spiekbriefje, de toon eerder aanvallend dan geïnteresseerd (de ander moet zich verantwoorden, zo interviewde ook Maurice De Wilde zijn slachtoffers: de stijl van de tijd), wel met kennis van zaken en Moeschal die, leunend tegen een werk van hem, op alle vragen ontspannen, gepast, concreet en intelligent antwoordt, ook lof uitspreekt over de vakkennis van de arbeiders die zijn werk moesten uitvoeren, er zijn mensen die onmiddellijk sympathiek zijn, Moeschal is zo’n figuur, hij sigaret rokend, een kop als van Jacques Brel, een generatie die in het gezicht getekend is door armoede, miserie, kou, zichzelf omhoog gewerkt naar een verlicht humanisme.

Dit is het dan

Wat ik te bieden heb

Niets meer

Dan een sneeuwvlokje

Onderweg

Naar een plek

Om te landen

Op deze stille plek vind je parel na parel, fijnzinnig neergepend door Arne Schoenvuur – ook wel gekend als Hannes Couvreur. Ofwel kunstenaar, fotograaf, schrijver, filosoof. En hier dus in het bijzonder, als dichter. En dichter als in: dichterbij de dingen. Volledig naar eigen gevoel en verlangen. Het hoeft immers niets te worden.

Ivo Victoria was van zijn vijftiende tot zijn drieëndertigste het best bewaarde geheim van de Belgische rockmuziek. Net voor hij wereldberoemd dreigde te worden, kapte hij met muziek, verhuisde van Edegem naar het provincialere Amsterdam, begon een blog, debuteerde in 2009 met de roman Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt) en schreef sindsdien nog vier andere goed onthaalde boeken. Het is heerlijk grasduinen in de meer dan duizend artikels op zijn blog. Uit alles blijkt dat Victoria meer dan terecht een gevierd columnist voor o.m. De Morgen is. Verder strekt het tot aanbeveling dat enkele redactieleden nog met zijn oudere zus hebben gestudeerd. En ooit woonde ik een tuinconcert van hem in Boechout bij. De roman Dieven van vuur liet een verpletterende indruk na.

Er valt helemaal niks te schrijven, fantasie is in een noodtempo irrelevant geworden, schrijvers die nu met een dystopische roman komen aanzetten hebben er niks van begrepen, dit is geen tijd om vooruit te kijken, dit is een tijd om weemoedig en melancholisch uit je raam staren, naar die bomen die machtig mooi geel kleuren, een tijd om je te vervelen terwijl je in het diepst van je gedachten ‘uit eten gaat’ met Gilles van der Loo, of in de gietende regen een slimme loopactie maakt waardoor je vrij voor de keeper komt, dan de bal van de zijkant, voor je slechte voet, er is geen tijd dus het moet in één keer, je raakt de bal compleet verkeerd, de verraste keeper grabbelt vergeefs, je scoort. En wanneer je jezelf omdraait en terug naar de eigen helft loopt, zie je Rob staan die met een brede grijns zijn duim opsteekt, naar ik vermoed omdat ook hij weet dat er een wereld bestaat waarin dit allemaal nooit voorbij zal gaan – dat soort gasten zijn wij namelijk, en dat soort gasten zullen wij altijd zijn.’

Wim Oosterlinck, de Gentenaar met de zoetgevooisde stem die knettert als een uitdovend haardvuur, is fan van John Malkovich, Cat Power en Jeroen Brouwers én won in een ver verleden het Groot Dictee der Nederlandse taal. Ondanks zijn goedgevulde radio ochtenden bij radio Willy houdt Oosterlinck een blog bij waarin hij regelmatig schrijft over zijn twee kinderen, oude filmzalen en zijn liefde voor boeken. Bijzonder mooi is de podcast drie boeken, waarin mensen – vaak bijna beroemde Gentenaars – spreken over de drie boeken die volgens hen iedereen zou moeten gelezen hebben. Uren luisterplezier verzekerd. Het haardvuur moet u er zelf maar bij verzinnen.

Zo gaat het in een kleine dorpscinema. Geen overbodig personeel dat in de weg loopt terwijl je alles gewoon alleen kan doen. Geen 7 soorten popcorn, geen 5 euro voor 100 gram snoep die overduidelijk maar 6 cent per kilo kost. Geen 2 euro om naar het toilet te gaan. Geen gsm’ende teenagers in de zaal die voedsel en schrijfgerief naar elkaar gooien. Geen cosy seats waarin je gemakkelijker kan foefelen met je lief voor de bescheiden meerprijs van 3,5 euro per ticket. Geen 26 zalen met 83 verschillende films in 13 verschillende digitale formaten. Gewoon Stan & Ollie beneden in zaal 1. Dumbo boven in zaal 2. Weliswaar in 3D.’

Een man die The Code of the Woosters van P.G. Wodehouse tot zijn favoriete boeken rekent én een zwak heeft voor Frasier, heeft bij ons een streepje voor. In een trefzekere stijl schrijft Mark Cloostermans in dagboeknotities over zijn dagelijks leven. En in een al even trefzekere stijl fileert hij het literaire landschap. Noel Coward leest goedkeurend over zijn schouder mee.

Ik droomde vannacht dat ik Heleen Debruyne was. Er kwam een man van een jaar of vijftig met mij flirten, en die zei: “Volgens mij zijt gij deep down best wel een sympathiek wijveke.” “Dat laat Heleen nooit over haar kant gaan,” dacht ik nog, voordat ik wakker werd. Ik zal niet zeggen dat het gepaard ging met een angstkreet, maar het scheelde toch niet veel.’

In sierlijke stukjes schrijft Peter Zantingh op zijn blog over zaken die hem bezighouden: muziek, voetbal, literatuur en andere bijzaken die het leven de moeite waard maken. Hij publiceerde reeds drie romans waarvan één, Na Matthias, in het Duits werd vertaald. U kan Nach Matthias gewoon in Zwitserland kopen mocht u er op doorreis zijn. Verder werkt Peter Zantingh voor het NRC en bedacht hij de titel De dag dat Berry van Aerle Europees kampioen werd.

Omdat ze wist dat de docent Nederlands bij het mondeling examen zou vragen naar de rode draad, het onderlinge verband tussen de korte verhalen, ging ze vooraf bij Biesheuvel te rade. Er is geen verband, zei hij: ik vond het gewoon leuke verhaaltjes. De vraag kwam inderdaad tijdens het examen. Niets, herhaalde Merel: er is geen verband, het zijn gewoon losse verhalen. Ach kom, zei de docent, daar neem ik geen genoegen mee. Waarop ze het boek opensloeg en de eerste pagina liet zien. Biesheuvel had in haar exemplaar geschreven: de schrijver heeft hier niets mee bedoeld.’

Dit is het dan

Wat ik te bieden heb

Niets meer

Dan een sneeuwvlokje

Onderweg

Naar een plek

Om te landen

Op deze stille plek vind je parel na parel, fijnzinnig neergepend door Arne Schoenvuur – ook wel gekend als Hannes Couvreur. Ofwel kunstenaar, fotograaf, schrijver, filosoof. En hier dus in het bijzonder, als dichter. En dichter als in: dichterbij de dingen. Volledig naar eigen gevoel en verlangen. Het hoeft immers niets te worden.

De prettig gestoorde Tilburgse taalvirtuoos René van Densen (pseudoniem voor René van Densen) houdt al sinds jaar en dag een blog bij waarin het heerlijk verdwalen is. En alsof het niet op kon, is hij ook nog eens gezegend met tekentalent. Terecht verhuisde deze renaissanceman dan ook naar Gent.

‘Ah, en de conducteurs droegen bij aan de jolijt. Even meldden ze dat we in Brussel-Zuid zouden aankomen, om direct te corrigeren dat het vanzelf Antwerpen was en we niet ineens een stuk landkaart versprongen waren. Alle druk bijeengepakte mensen moesten gniffelen. Alle mensen aan boord van de trein waren maar mensen. Veel mooie mensen, zowel mannen als vrouwen, maar gelukkig allemaal maar mensen. Daar kan zich iemand mee troosten.’

Voor de Nederlandstalige lezer, die houdt van Franse literatuur en poëzie, met appreciatie voor een licht humoristische insteek, maar bovenal gedreven door een liefde voor taal, is er nu de blog van Ruud Verwaal, leraar Frans uit de Lage Landen.

Leestip voor alle Proustofielen: De Recherche in Kwatrijnen kon onze waardering in het bijzonder wegdragen.

Dat waar je onophoudelijk naar smacht,
loopt juist vertraging op door het verlangen,
maar als de hunkering het hoofd laat hangen,
voltrekt het zich misschien wel onverwacht.

Wat vindt een mens zoal in de luwte van het lawaai?

Het lijkt erop alsof het anonieme collectief achter ‘In de stilte’ geïnspireerd was door deze kunstzinnige oefening. Met een wirwar aan korte en langere teksten en overpeinzingen over kunstenaars en hun werken, maar ook een rijke schare aan illustraties, schilderijen en parodieën op schilderijen, omschrijft deze plek zich misschien nog meer als museum en doolhof, dan als blog. Geen zorgen: Er is een Wegwijzer, en daarnaast wordt ons verteld dat verdwalen niet kan…

Je zou het een brevier voor het traagzame kunnen noemen. Een binnentuin is nog een beter beeld. Hij biedt je een intro bij verschillende soorten ‘gewassen’, sommige geneeskrachtig of gewoon goed geurend. 

Wanneer dichter Anne Broeksma wandelt, kijkt ze naar beneden. En naar links, en naar rechts en naar boven. Ze hoeft niet ver te kijken om te vinden wat haar mateloos interesseert: het kleine, schijnbaar onbeduidende leven – maar dat is ons hoovaardig vooroordeel.

Maar hoe moet dat dan, je weet wel, straks, wanneer wij niet meer bestaan, de wereld een nucleaire afvalberg is geworden en nergens meer iets te eten is? Want ook rennende sissende geleedpotigen moeten toch eten? Kakkerlakken kunnen tot veertig dagen zonder. Een Bijbels getal, en dat voor de Apocalyps op stekelpootjes. En wat eten de meeste soorten dan? Alles. Gewoon, wat wij zoal eten. Plus boeken. Ik geloof dat ik me alvast gewonnen geef.

Elias is diep in gedachten. Als ik naar hem omkijk, lijkt hij het niet op te merken. Pas als ik zijn aandacht trek begint hij te lachen. De druktemaker die hij binnen vier muren is, verandert in de buitenlucht in een filosoof van amper acht maanden oud. Ik geloof dat de mens een buitendier is, en dat de personen die we binnenshuis zijn eigenlijk fictieve karakters zijn die een eigen leven zijn gaan leven. Hoe meer je binnen zit, hoe meer je gaat geloven in dat bestaan, maar werkelijk bestaan doe je binnen niet.

Thijs Feuth is arts, schrijver, filosoof, en marathonloper. En wat doet het deugd om hem vooral te lezen als vader, sentimenteel en doordrongen van liefde voor alles in het algemeen en zijn kind in het bijzonder.

Schiep Bouazza dan letterlijk een gevleugeld woord?

Wie zijn hoofd in De Honingpot stopt, blijft plakken. De creatieveling erachter publiceert sinds 1989 teksten in tijdschriften, kranten en boeken, en beheerde het literaire tijdschrift de Biels. Als pianist en componist verzorgde hij jazzfunkoptredens, en maakte onderweg de animatiefilm Used to be a. Op deze plek verwent Marc Kregting zijn lezer met bedenkingen over alle vormen van literatuur, muziek en politiek – kortom, het menselijk wezen – gedrenkt in recente gebeurtenissen of bekende figuren. Waarom een sterke opinie propageren, wanneer je de lezer naar eigen smaak kan doen proeven van mooie zinnen en verfrissende inzichten?

thans regent het weer stront

Anton Voloshin kreeg naar eigen zeggen de schrijfmicrobe reeds te pakken als kind van acht, en sindsdien verdwijnt hij niet alleen in verhalen maar schrijft hij ze ook. Niettemin waren wij in het bijzonder getroffen door zijn rake poëzie. Klaar of onklaar, daar zijn we nog niet uit (en dat is misschien exact het punt). Wie echter op zoek is naar humor, zachtzinnigheid, scherpzinnigheid, woede –  escheriaanse schaduwen, vlinderende geliefden, potscherven in balzalen – vindt hier het lexicon.

In meeslepende, gebalde miniaturen weet de zelfverklaarde cynicus Sam Sterckx, de poète maudit achter Kotsen op woensdag, ons zijn wereld vol lethargie en Chandleriaanse spitsheid binnen te trekken. Achter zijn zwartgeblakerde humor schuilt een romantische ziel die vaak een licht laat schijnen in de duisternis.

‘In gedachten sleep ik mijn voeten door de straten van mijn verloren jeugd. Alles stinkt hier naar onvervulde dromen en opgebrande tijd.  Mijn vingers beven en met de grootste moeite steek ik de vijfde sigaret van de dag aan. Terwijl ik mijn longen teer laat proeven, kijk ik met verkleinde pupillen naar mijn oude buurt. Mijn grootouders hadden velden en veen gekend, ik moest het stellen met betonnen appartementsgebouwen en vestimentair gefaalde marginalen die hun dun gezaaide hersencellen opzadelden met meerdere xtc-pillen per week’

Met jeugdige frisheid, typerend voor iemand die in 1966 werd geboren, schrijft Marieke Groen over haar dagelijks leven. Ze doet het zo sprankelend dat je meer zou willen te weten komen over de enige Hard Gras-medewerker die niet van voetbal houdt. En vooral: meer van haar zou willen lezen. Dat kan gelukkige want ze debuteerde in 1999 met Net als Barbapapa en publiceerde sindsdien al verschillende romans.

Die keer dat ik net een nieuwe liefde had en aan hem vroeg: ‘Wat wil je doen?’ Waarna hij met een bravoure die ik vertederend vond zei: ‘Neukend het nieuwe jaar in.’ Het was even plannen, maar het lukte, en toen we na afloop  op de wekker keken was het precies 00:02. Gelukt, glunderden we. Alleen was ik vergeten dat de wekker vijf minuten voorliep.

We zijn niet helemaal zeker dat Dirk Vekemans zich op zijn plaats voelt in onze haven. Maar omdat we met Aanlegplaats niet bepaald de ‘grote schrijver’ (M/V/X) willen verzamelen, maar eerder wie in de marge wat interessants bij elkaar schrijft, durven we toch. Op enkele schaarse uitzonderingen na is wat er heden als ‘literatuur’ op de markt wordt gebracht geheel onmachtig tekstverwerkersgepriegel van geperverteerde normopathen wiens enige bekommernis het is om ‘groot schrijver’ (M/V) te zijn en te beantwoorden aan de nieuwste profielen daartoe in de vermolmde productiehuizen.

En u zou verbaasd zijn hoeveel grote schrijvers hier toch te vinden zijn.

Zo af en toe tref je een begenadigd blogschrijver, die beter dan wij kan uitleggen wat er zo fijn is aan het bijhouden van een blog. Jan-Paul Van Spaendonck is zo iemand:

Het was een uitlaatklep voor alles wat me bezighield en het gaf structuur aan mijn dagen in die eerste stille jaren nadat ik in een kliniek in het Zuiden des lands ‘in retraite’ was geweest: dinsdag en vrijdag had ik een taak in de wereld te volbrengen. Nog in pyjama, onderbroek of kamerjas en gewapend met morgenpijp en espresso begon ik te tikken, om een paar uur, drie koppen koffie en evenveel pijpen later uit een schrijfroesje te ontwaken. Ik zocht een bijpassende illustratie, zond het blogje met kloppend hart de ether in, kopieerde alles naar een Word-bestand, plaatste een link op Facebook. Dan pas ging ik douchen en ontbijten. De rest van de dag was ik in blijde verwachting van reacties. Dat werd algauw net zo verslavend als de wijn die ik had afgezworen.

Niemand blogt sneller dan Don Vitalski. Geen gebeurtenis ontgaat hem, geen gedachte ontsnapt aan zijn drang om twee keer te leven – een keer in het echt, wat dat ook moge betekenen, en een keer op schrift.

We mogen het allemaal weten en er mee van smullen. Want het wordt ons gepresenteerd, het is ook een show, dat tweede of dat eerste leven.

… de kunst er dan bovendien ook zeker uit bestaand om juist niét toe te geven aan de natuurlyke drang tot ordening; dat vind ik zelf altyd juist erg vervelend aan dit soort van feiten-boekjes; eerst een hoofdstukje over dieren, dan een hoofdstukje over geschiedenis, dan over cultuur – horror!!
    alles byeen is zo’n alternatieve feiten-boekje toch méér persoonlyk dan je zou denken…

Jan Devriese is al een eeuwigheid of twee actief in de Vlaamse pers en op zijn blog De week van Devriese. Dat levert zinnen op als ‘Het leven is een aaneenschakeling van illusies, slechts onderbroken door kortstondige momenten van gelukzalige verdwazing‘, en dat naar aanleiding van een televisieprogramma. Daarom zijn wij fan.

Johan De Crom schrijft sporadisch meningen en stukjes, want ‘Ik twijfel voor ik schrijf. Wat draagt het bij? Zou ik niet beter een boek lezen of een film kijken, rekeningen betalen, abonnementen annuleren, die vochtplek in mijn muur bekampen?’ Wij houden van schrijvers die mooi twijfelen.

Katrin Van de Velde, vrouw in een huis met een tuin, houdt voor ons een dagboek bij. Mijn man vroeg wat er scheelde. ‘Ik ben zo duidelijk’, zei ik. ‘Huh?’ ‘Ik ben zo duidelijk.’ ‘… O, duizelig.’ Zo begint het ongeveer, over slapeloosheid. Het gaat haar om de nuance en het bijna Proustiaanse detail, en zie, dat lezen we graag.

Herman Loos heeft een cv dat recruiters atypisch noemen, we raden ze dan ook aan om zijn blog te lezen om te weten te komen hoe een leven en een cv zich tot elkaar verhouden. Vroeger, toen hij nog tijd had, wou hij wel eens mee tweeten. Dat je een hele namiddag lang kleine slokjes tijd kan verschijten zonder ook maar één millimeter op te schieten. De ideale lockdown. En dat ik niet begrijp dat ik daar vroeger zo boos om werd, om dat soort oeverloze uitwisselingen. Misschien ben ik onderweg domweg uit het oog verloren dat leven een ernstige zaak voor ernstige mensen is.

Alles is gebaseerd op de waarheid, wat niet wil zeggen dat alles waar is. Kijk, met zo’n schrijvers en levensmotto heb je ons al half gewonnen. Ingrid VdK’s Rimpelingen onderhouden ons over het dagelijkse leven op de grens. Vanuit Hergenrath, met kinderen die de deur al uit zijn, en een papieren agenda: hij hoort in elke handtas te passen, een buigzame kaft te hebben en glad en wit papier, plus een indeling over twee bladzijden zodat je wanneer je hem openslaat meteen een overzicht hebt van de hele week, wat je hele gemoed in één klap kan doen opklaren.

Op de website van Jan Van Mersbergen is geen foto van de man te vinden. Zo’n sobere site, dat heeft wel iets, zeker wanneer de schrijver (die verder publiciteit noch controverse schuwt) de inhoud van zijn stukjes erop afstemt. Observaties, meningen, nooit verbeten, maar altijd zelfzeker en klein gehouden. Daar heb ik een heel eenvoudig plan voor, dat lukt altijd, ik moet het alleen even doen en dat kost tijd. De dingen die ik direct wil kosten allemaal tijd. Dat zal ik dit jaar iedere dag even tot me door laten dringen. Dat lukt altijd, dat leest u goed. Wij worden een beetje jaloers, want eerlijk? Bij ons lukt het eigenlijk nooit.

Zoals de bakker en de projectmanager eens in hun leven kunnen stoppen waar ze mee bezig zijn — de handen nog in het deeg, de ogen op het excel-sheet gericht — en twijfelen over hun richting in het leven, zo kunnen mensen die boeken schrijven zich een keer of twee per week aan die existentiële twijfel overgeven. Kunnen? En vergeet die boeken, dat brood en die excel. Twijfel is de modus van ons aller bestaan. Dit is het tijdperk van de twijfelaars. In Walter Van den Berg (nog zo’n sobere site) vinden we alvast een medestander van onze analyse over de stand van de wereld.

Ziezo, de Broomie is drie. Als ik cynisch was, zou ik het ‘zijn laatste verjaardag zonder gescheiden ouders’ noemen, en ja, ik ben etwas cynisch op dit moment.

Wat maakt een man met twee kinders en internet zoal mee? Wat begon als een vrolijke dagboekreeks over een doordeweeks gezin, is intussen uitgegroeid tot eerlijke en kwetsbare verhalen over de liefde van een vader voor zijn kinderen, die intussen worstelt met zijn echtscheiding.

Rob van Essen is schrijver, vertaler en recensent Angelsaksische literatuur. Via recensies over recensenten, odes aan moderne bibliotheken, interviews met zichzelf, en flarden over een schrijversleven en vriendschap, krijgen we een interessante en eigenzinnige inkijk – niet alleen in de literatuurwereld, maar ook in zijn eigen hoofd.

Rob: …Dat is wat veel lezers van literatuur verwachten: dat ze iets zegt over de tijden die we meemaken, dat ze duiding geeft, dat we doordat de verbeelding erop is losgelaten, de werkelijkheid beter gaan begrijpen, en daarom onszelf.

Journalist: Dat klinkt toch niet slecht?

Rob: Nee, nu ik het zo formuleer zou ik er zelf bijna ook nog in gaan geloven.

Schrijfster, theatermaakster, columniste voor De Morgen, occasioneel journaliste in Antwerps corona-rampgebied. Volg mee met de alledaagse observaties van Julie Cafmeyer, en kom terecht in een wereld vol wondere figuren. Haar columns bespannen het brede spectrum van het menselijk bestaan, en werpen een persoonlijke blik op hedendaagse, historische en ingebeelde gebeurtenissen.

Ik schrok me rot toen er plots een man uit een bosje tevoorschijn kwam. Een lange grijze baard, een oranje fluorescerend tuinpak en een kettingzaag in zijn hand. Er zat iets angstaanjagends in zijn blik, misschien omdat hij me langer dan één minuut aanstaarde zonder te knipperen. Ik dacht dat hij me zou vermoorden, maar hij zei: “Ik ben een nachtwerker. Ik zaag de rotte takken van de bomen. Ondertussen spot ik nachtvogels.”

David Troch spreekt tegenwoordig vooral met eenlettergrepige woorden (tiens, hoe zou hij zijn voornaam uitspreken?), maar in zijn blog is daar niks van te merken.

Daar beantwoordt hij diepe levensvragen in stukjes van maximum 100 woorden – wij houden van schrijvers die zichzelf beperkingen opleggen, dat merkt u wel.

Waarom hebben tenen geen namen en vingers wel? Omdat je met pink, duim en wijsvinger in je neus kan pulken en met tenen niet. Zo, die vraag is ook weer beantwoord. 

Chrétien Breukers heeft het in De Nieuwe Contrabas opnieuw veel meer over literatuur dan over het eigen leven (wat hij wel deed in de toepasselijk genaamde Chrétien Breukers), en bovendien slorpt zijn boeiende podcast veel van zijn aandacht op.

Maar toch. Zinnen als Mensen die gedichten lezen zijn vaak heel erg irritant. Ze zien de meest erge gemeenplaatsen aan voor diepe gedachten; wat bijna niet te lezen is zonder harde brokjes op te hoesten, vinden ze ‘diepzinnig’ maken van ons een fan voor de eeuwigheid.

Melancholie klinkt in de stad net iets anders dan in de natuur. Enfin, zo voelt het toch voor Tanja Wentzel, schrijfster van De Rode Valies.

Enkele dagen geleden nog heb ik aan haar gedacht. Na al die jaren mis ik haar nog steeds heel erg, bij vlagen. Nu staat ze hier na vijfendertig jaar opnieuw voor mijn neus. De tijd heeft ook haar niet helemaal gespaard. Maar ze straalt nog net als toen. Ik raak haar aan, ze voelt nog zo vertrouwd. Ik weet nog precies hoe zij beweegt, hoe ze klinkt. Ik heb haar in mijn vingers.Nu staat ze hier ineens voor me, op het Vossenplein. De kans is klein dat het écht mijn typemachine is. Maar dat maakt weinig verschil.

Omdat we zelf ook van schrijfmachines en het Vossenplein houden, daarom houden van de Rode Valies.

Caro Van Thuyne is een compromisloze schrijfster, met een geheel eigen stem. Lees haar roman Lijn van wee en wens of haar verhalenbundel Wij, het schuim, en u weet wat we bedoelen. Op het kleine kijken laat ze in haar persoonlijke kaarten kijken, toont ze in alle kwetsbaarheid hoe duur die egelachtige, weerbarstige houding wel is. En hoe noodzakelijk.

De schrijver kent vierentwintig soorten limbo. Een daarvan is de afwijzing. Een ander het gisten. Ik weet dat ik niet de enige ben die de occasionele euforie duur moet betalen. De een moet eerst weer wat gezinsgeld verdienen vooraleer zich opnieuw schrijftijd te kunnen permitteren, de ander wacht op het oordeel van nog maar eens een andere uitgever over het beste dat ze al schreef, of zoekt gezelschap online omdat de eenzaamheid van het schrijven te zwaar valt, of worstelt met een milde blokkage of raakt op drift in de pijn van het waarachtige schrijven, geen kust in zicht…

Hoe ouder hij wordt, hoe minder zekerheden er hem resten. Gelukkig voor ons schrijft Martin Pulaski zijn vragen netjes op.

Wou je mij iets zeggen, iets schrijven? Heb je mij iets te vertellen? Is dit leven nog de moeite waard om te leven? Is het verkeerd te denken dat de jongeren ons hebben opgegeven? Dat ze niet langer, zoals wij in het verleden deden, te rade willen gaan bij oudere, door ervaring wijzer geworden vrouwen en mannen? Dat ze ons liever kwijt dan rijk zijn? Vergis ik mij? Waarom hoor ik je stem niet? Ben je met verstomming geslagen of ben je even sprakeloos als ik?

Laat hem maar vertellen over vroeger – nergens vindt u de jaren ’70 beter beschreven dan in Hoochiekoochie.

Wie goed kijkt komt nooit tweemaal op dezelfde plek. Ik voel dan ook steeds minder de behoefte om andere oorden op te zoeken. Landen of bezienswaardigheden afvinken op een bucketlist? Het is aan mij niet besteed. Ik heb geen bucketlist.

Of hij het er voor doet, vraag ik me af. Zo’n Blaise Pascal verwijzing als je jezelf Pascal Digital noemt. Het doet er niet toe, niets is voor altijd, het is vooral veel en overvloedig, in het leven als voorlopige oplossing, net als zijn in eigen beheer uitgegeven autobiografie De elfde teen.

Joachim Stoop schrijft (onder andere) boekrecensies voor Humo, maar het is niet daarom dat we hem graag te vriend houden. Wel omdat hij er een heerlijk warrige blog op nahoudt, een blog waarin hij alle richtingen uitstuitert en schaamteloos sentimentele / van extreme liefde druipende brieven schrijft aan zijn zoontje. Heerlijk!

(En stiekem hopen we natuurlijk dat hij ook voor onze aanlegplaats een booksound (websound?) zal maken, zoals hij dat voor Lebowski doet)

De vraag is of we met het verzamelde puin opnieuw dezelfde luchtkastelen gaan bouwen of we onszelf en de wereld kunnen heruitvinden. 

Iedereen, of toch bijna iedereen, houdt van de zee. Vindt rust in de oneindigheid, het eeuwige af en aangerol, de tenen in het zand. We zijn bij Aanlegplaats uiteraard niet vies van een maritieme metafoor, maar houden toch nog meer van tegendraadsheid en controverse.

Enter Marc Reugebrink, die vanuit Gent de zee al ziet liggen: De zee is het toppunt van onmatigheid, vind ik, met al dat water dat nergens een einde lijkt te vinden, zodat je je al de wereldkaart in herinnering moet brengen om de zekerheid te hebben dat al dat klotsen en schuimen toch ook ergens weer stopt. Misschien is het een vorm van pleinvrees, zij het een vrees waarvan ik op pleinen verder geen last heb. 

En zo staat De Inwijkeling vol met boeiende meningen over steden en mensen, en onderweg zijn en ooit, ooit, ergens aankomen.

Philippe Clerick heeft een heerlijke pen. Vaak kijkt hij met de blik van een homo ironicus naar de meest uiteenlopende zaken: van oude Hollywoodfilms over vergeten Franse dichters en Oost-Europese filosofen met onuitspreekbare familienamen tot en met de waan van de dag. Maar dan steeds met een zekere au-dessus de la mêlee die vaak aan de opbeurende nuchterheid van Karel van het Reve doet denken. Voor iedereen die interesse heeft in Karl Marx, Tussy Marx en Groucho Marx. En alles wat daartussen zit.

De jonge Karel van het Reve dacht dat Hemingway een échte man was, tot een meisje hem duidelijk maakte dat je het ook anders kon bekijken. Misschien deed die Hemingway er alles aan om zich als een echte man te gedragen omdat hij deep down nogal onzeker was.’ 

Als er één bodem zit in ons bestaan dan heet die vertrouwen. Ik vertrouw erop dat mijn benen me zullen dragen als ik ze uit bed zet, zelfs in de verkeerde volgorde. Ik vertrouw erop dat ik geen mes in mijn rug krijg als ik de deur uitga. Vertrouwen is de standaardinstelling van de mens en de samenleving, daar ben ik van overtuigd. De meeste mensen deugen.

Kristien Bonneure (en af en toe ook haar partner Lucas Vanclooster) verzamelen de sporen van hun leven, in de hoop er ook na het drama wat hen overkwam de zin van te blijven inzien. Dat we mogen meelezen, de blik op de wijde wereld gericht, is mooi.

Pierewit schrijft voornamelijk over (beeldende) kunst, maar af en toe ook niet.

Alles moet tegenwoordig opgeleukt worden. Je kan niet gewoon meer door de stad wandelen en zien wat je zou willen zien: een rustig, groen park waar je doorheen kan slenteren, met enkele banken en een fontein. Een plein waar je even kan vertoeven om vogels te observeren, met een kiosk en een stuk of wat standbeelden. Een straat die naar de kerk leidt met hier en daar een winkel: de bakker, de beenhouwer en een apotheek.

Misschien is het overcompensatie voor haar familienaam. Misschien ook niet. In elk geval, voor wie proza schrijft als Ze zag eruit als zo’n Parijse absintdrinkster op Montmatre; met een lang en uitgemergeld gezicht, donker omwalde ogen, en buiten de lijntjes gestifte lippen. Haar mond had de kleur van verlangen, haar wangen die van lang verloren lust. Haar figuur sprak honger en ontbering, en in haar kleren hing de geur van tweedehands en vervlogen ‘Eau de Soir’. Om haar hoofd droeg ze altijd een zijden sjaaltje, zoals Grace Kelly is het leven bijzonder kleurrijk. En daar hebben wij dan weer gewoon veel plezier in. Dank je wel, Sarah De Grauwe!

Voor wie wil weten hoe een roman ontstaat, is de blog van Arthur Umbgrove een goede bron: Hoe het wel werkt is dat ik na verloop van tijd zo gek word van mijn besluiteloosheid dat ik denk: dan in godsnaam dit onderwerp maar. Het is dus wachten tot ik genoeg heb van de stank van die almaar groter wordende berg met rottende vragen.

U kan natuurlijk ook ons gewoon een mailtje met een beleefde vraag sturen, maar dan mist u de sier van Umbgrove. En dat willen we u niet aandoen.

O tempora, o mores! Ingrid Verhelst leeft heel erg in het nu, en soms, ja soms, ook een beetje in de sixties:

‘Jakkes!’ zegt hij. ‘Die heeft haar in haar oksels!’
…‘Zo was dat toen, jongen. In de sixties had iedereen okselhaar.’
…‘Nee!’ Zijn ogen staan bol van afschuw. ‘En dat lieten jullie gewoon groeien?’
…‘Ja.’
   ‘Pfff! Hoe mega vies is me dat! Blij dat ik nu leef.’

Taal en schrijftips, heden en verleden, en altijd: taal en verhaal. Ik herinner me dat ik op mijn tiende man wilde worden, op mijn twaalfde heilige, op mijn veertiende parachutespringer en op mijn zestiende ontdekkingsreiziger. Uiteindelijk ben ik dat ook allemaal geworden.

Jan Lampo (zoon van) heeft het vooral over het verleden, kunst, en zijn vader, maar soms duikt er op zijn blog een Rob Van Essen achtige werkelijkheid op:

De opluchting heeft ook te maken met het feit dat de meneer in de witte auto het archief van pa of nonkel meeneemt naar een soortement eeuwigheid – het verduldige Letterenhuis waar archivarissen met witte katoenen handschoenen er teder de paperclips en plastic mapjes uit verwijderen omdat die niet goed zijn voor het papier.

Een blog met een Latijnse titel, dat doet ons aan iemand denken, en helemaal toeval is dat niet. Marc Vanfraechem heeft het vaak over de Vlaamse zaak, en combineert dat met een voorliefde voor het Frans en een licht absurdistisch gevoel voor humor.

Het is zeker mogelijk om bijvoorbeeld ajuinsaus of erwtensoep of hutsepot, of om het even welke stoverij* te maken zonder toevoeging van een theelepeltje Liebig Vleesextract. Velen zullen dat ook zo doen, maar zonder op hen neer te kijken: zij zijn van een andere parochie.

Eat your heart out, Ottolenghi.

Soms duiken zomaar uit het niets mensen op die er al lang niet meer zijn. Alsof ze van over het graf de herinnering aan hun vroegere bestaan levend willen houden, bang om ooit te worden vergeten. Ik ben er nog, zeggen ze, en voor altijd. De vrouw aan de overkant van de straat die verschrikkelijk op mijn moeder lijkt. De stem van mijn maatje in mijn oor terwijl ik naar een film kijk: ‘Pakt er een pintje bij.’

De wereld van De Schrijverij blinkt zachtjes in de avondzon, lijkt het, maar vergis u niet. Het is vaak op het scherp van de snee, zijn observaties en bedenkingen.

Joke Vander Laenen is een coach die zichzelf aanprijst met een citaat van Herman De Coninck, geef mij nu eindelijk wat ik altijd al had. Een coach met een onberispelijke smaak, enige kennis van het wielerleven, en een fijne pen. Meer kunnen wij niet verlangen.

Gelukkig stapten we af en toe uit, om pistolets met kaas te eten, ’s morgens nog knapperig vers, wegens zorgvuldig ingepakt door mijn moeder, maar na een halve dag in de auto, nog steeds zonder airco, slap en zompig. Een fruitsapje met rietje erbij, dat mocht toen nog. Er waren ook de meer officiële aanleidingen om uit te stappen. Om te groeten bijvoorbeeld, op de plaats waar Tom Simpson het leven liet.

Babel is een buitenbeentje in onze haven. Geen persoonlijke blog, maar een magazine, gemaakt voor en door studenten van de Faculteit der Geesteswetenschappen (FGw) van de Universiteit van Amsterdam. 

De stem van de jeugd dus, en die heeft behalve sterke meningen ook gewoon nog dezelfde klunzige ervaringen als wij, lang geleden.

Wanneer we de achterbak van de grote stationwagen namelijk openklappen, blijkt de kast te hoog te zijn. Dan maar op zijn zij? Past niet. Schuin? Past niet. Via de zijdeur? Past met geen mo- gelijkheid. We kijken elkaar geschrokken aan. Het zal toch niet?

Wij houden van vrouwen met een gevoel voor humor (van mannen ook, overigens, op discriminatie zal je ons niet betrappen). Marita is zo’n vrouw. Met een nieuwe smartwatch.

Een pluspunt is dat hij (het is echt een hij) met weinig  tevreden is, een paar stappen richting de koelkast levert je al de reactie ‘perfect!’ op. Ik begin het een leuk horloge te vinden, nu nog wat meer bewegen. Op 4 januari is het ‘eindelijk’ zover; Marita zet het vermoeide lijf aan het werk. In de lunchpauze wandelen naar de bakker en na het werk een wandeling naar de bloemist. Zeventig minuten, 7407 stappen en een regenbui verder en ik herinner me weer dat wandelen niet echt mijn ding is.

Schrijven gelukkig wel.

Maartje Laterveer is een journaliste met een missie, en een gevoel voor nuance dat wij hier bij Aanlegplaats erg koesteren.

Maandag was ik op een lingeriebeurs in Parijs. Er liepen vrouwen in jarretels tussen mannen in pak. Er waren stands met kanten behaatjes en ragfijne slips die hun glans verloren aan het hardboard. Er waren verkoopsters op damesleeftijd aan plastic tafels met koekjes. En Karl Marx was er. In mijn hoofd, waar hij bij elke string herhaalde wat hij anderhalve eeuw geleden al zei: de vooruitgang van een maatschappij meet je af aan de sociale positie van vrouwen. Als dat zo is Karl, antwoordde ik, dan denk je nu vast hetzelfde als ik. De vooruitgang van de maatschappij lees je af aan heur lingerie.

Kent u Gerrit Krol (1934 – 2013) nog? Romancier, essayist en IT-er. Een van de eerste IT-ers, uit de tijd dat mainframes nog hip waren.

Verwoede Noten baat een beetje in dezelfde sfeer, de schrijver ervan is IT-er.

Soms moet een mens breken om weer écht heel te kunnen worden. Breken is los komen van gewoontes, dingen, opvattingen, patronen. Dat gaat meestal niet vrijwillig. Er moet een kleine ramp geschieden die ervoor zorgt dat je breekt en er van binnen iets knapt. Een depressie of zo. En daarna blijk je wonderwel en boven al je verwachtingen te helen en wordt je een betere versie van jezelf.

Er is een hele oceaan aan poëzie sites, facebookgroepen en podia waar dichters van allerlei slag zich laten horen. Af en toe strandt er zo’n dichter in onze haven. We hebben geen echte poëtica als richtlijn, maar kijk, Aimée Zoon’s Schrijfzooi beantwoordt aan een van de criteria waar we wel wat houvast aan hebben: ze schrijft mooie zinnen.

zomers bezochten we plekken waar mensen het leven lieten
tussen verlieven en verliezen zit een minimaal verschil

dat ik beter had moeten weten maar
je was een ramp die ik niet had willen missen

Ik ben vrouw. Ik ben alle meisjes die ik wil zijn, ik word nog elke dag alle vrouwen die ik ben. Ik ben uniek en universeel tegelijkertijd. Soms ben ik onzeker, en soms ook niet. Soms voel ik me heel klein, en soms ben ik groot, groter, groots.

Het Ministerie van Hysterie is de uitlaatklep van Laura Buelinckx, die er op vaak hilarische wijze haar zelftwijfel overschreeuwt en in alle kwetsbaarheid toont.

Vaak grappig en heel herkenbaar (jaja, ook voor mannen en andere minderheden, of dacht u dat die nooit aan zichzelf twijfelden?)

Aan een nieuw adres moet je wennen. Als je ergens pas woont, moet je eerst elke vierkante centimeter hebben aangeraakt, dan wordt het huis van jou. De eerste paar maanden loop ik zelf als het ware met een troffeltje en een paleerijzer rond, alsof ik een archeoloog ben die tekens van vroeger wil blootleggen. Van elke vondst word ik blij.

Bart Moeyaert doet verslag van zijn leeservaringen, en geeft ons, en passant, een inkijk in zijn leven. Hopelijk houdt hij ook van het kabbelende water aan zijn voeten in onze haven.

Alle mensen deugen. En Ben De Graaf al helemaal.

Mijn lief bestelt dekbedovertrekken bij KoopjeDeal. Ze zijn niet meer leverbaar, het geld wordt teruggestort. Keurig. Maar: een week later krijgen we bericht dat de dekbedovertrekken onderweg zijn. Een vergissing van de bank in uw voordeel, u ontvangt 55 euro. Pik in, ’t is winter. Maar dan begint het navelknagertje zich te roeren.

Navelknagertje. Alleen al omdat Ben De Graaf af en toe een mooi neologisme lanceert, is hij welkom in onze haven. Uit het leven gegrepen twijfels en zekerheden, geen wonder dat zich rond deze teksten een hele community van volgers heeft gevormd.

Mogen de stiltes ook een naam? Bekende stiltes kregen soms een tijd, van 1 minuut tot 4 minuten en 33 seconden. Als de klok maar niet te hard tikt en hen opjaagt tot ze weer verdwijnen.
De Stilte vandaag heet Peter. Peter, naar mijn nonkel. Al meer dan twintig jaar zwijgt mijn nonkel Peter, al meer dan twintig jaar is mijn nonkel Peter dood. 

Katrien Scheir schrijft en illustreert, en heeft een eerste roman klaar. We hopen dat ze nu terug wat tijd maakt om mooie verhalen te schrijven op Catherineciseaux …

“Carpe Diem, Quam Minimum Credula Postero”: pluk de dag, vertrouw zo min mogelijk op de volgende. Dat deel bevat een vorm van onverschilligheid tegenover de toekomst die me zelfs doet denken aan een ander gezegde: “après nous le déluge“. Nihilistischer dan dat wordt het niet, en het schenkt weinig vertrouwen. Waarschijnlijk wordt dat tweede deel daarom ook weggelaten. Hoewel het ook kan liggen aan de uitdaging om vier extra woorden latijn te citeren.

Yves Jules De Graeve ontmaskert graag al te makkelijke waarheden – zoals het past voor wie werkt aan een thriller over een meester vervalser.

‘Ik lieg. Ik noemde de bij die je stak een wesp. Wespen sterven niet na een steek, bijen wel, maar bijen zijn goed en wespen zijn slecht. Soms is het beter om te liegen, om het narratief te beschermen.
We hebben niet alleen hun honing nodig’.

Wie voedt er wie op? Wie helpt wie volwassen worden? De vader, of de zoon? Wie zelf kleine kinderen heeft kent op die vraag het echte antwoord. Maar niemand verwoordt het zo mooi en kwetsbaar als (voormalig Aanlegplaats redactielid) Dennis Pauwels in zijn Brieven aan mijn zoon.

Is niet elke volwassene een mislukt kind? En zijn de knoeiers, de kunstenaars, de eeuwige probeerders, de charlatans en de krekels dan niet de mislukt mislukte kinderen? Soms, meestal op zondagavonden, wanneer ik mijn leven overschouw, bekruipt me dit soort sombere gedachten.

En dan lees ik Lennart Vanstaen, Het is mijn overtuiging dat de kracht van ieder mens schuilt in het kind-zijn. In het niet tegen zijn verlies kunnen bij een spelletje. In het neuspeuteren wanneer niemand kijkt. In de schilderwerkjes aan de klasmuur in de lagere school. Mijn fantasie, creativiteit en oog voor detail zijn daar geboren. Mijn passie en bevlogenheid voor het leven, maar ook mijn vanzelfsprekendheid, luiheid en snel opgeven; en weet ik weer dat mislukt maal mislukt gewoon jezelf zijn is.

Geen likes, maar geld. Viktor Frölke, schrijver, filosoof en postbode, windt geen doekjes om de armlastige positie van gratis blogschrijvers. Maar het hoofd is vol, of het hart, of de buik, geen blogschrijver heeft door waar die stukjes vandaan blijven komen. Maar komen doen ze.

Eigenlijk had hij aan boeken genoeg, zo bleek na de dood van zijn vrouw nu twaalf jaar geleden. Toch miste hij nu en dan een gesprekspartner, iemand die hem weerwoord gaf, die het niet met hem eens was – liefst een vrouw trouwens, maar ook een vermogend man kon niet te kieskeurig zijn.

(ik durf het nauwelijks te zeggen, want het houdt geen steek – maar als u van Tom Waits houdt, dan ook van Viktor Frölke)

Of Aanlegplaats nu een tijdschrift is, of een platform, of nog iets anders, een hub misschien, dat is het soort discussie dat we op het eind van een redactievergadering onbesloten afsluiten, om dan, elk in onze eigen virtuele hoek, even op Hard//Hoofd te klikken.

Een écht tijdschrift. Met vaak heerlijke teksten.

Bijna lukraak, Lies Jo Vandenhende.

Je vraagt je af of je al genoeg splinters bij elkaar heb gespaard om kUnStEnAaR te zijn of te worden of het woord te gebruiken. Egon Schiele stierf op zijn achtentwintigste en al zijn werk is doordrongen van een douleur die mede door zijn leeftijd niet enkel de zijne lijkt.

Een poging tot dagboek, noemt ze het. Zonder pretentie. Voor mezelf, in de eerste plaats. Bijhouden dagelijkse routine. Eten, drinken, slapen. Ziek, gezond. Feiten, meningen, kattebelletjes. Vallen en weer opstaan, zeker? Maar dan wel in een heerlijke stijl, drijvend op ritme en zelfrelativering.

Na de verbouwingen in zijn kop (haar man had een hersentumor) beginnen we volgende week met de verbouwingen in ons huis. Een nieuwe badkamer, met chique tegels tegen de muur en inloopdouche waarin je kunt gaan joggen. Een nieuwe ketel, een nieuwe vloer, een nieuwe trap, een nieuwe zolder. Een nieuw leven, een nieuw begin, een nieuwe lente, een nieuw seizoen.

De kat kijkt verlangend uit raam, net zoals wij allemaal. Van achter glas ziet het er allemaal heerlijk uit, maar de bomen dragen nog geen blad en voor de bijen valt er nog niets te zoemen.

Wat wist ik van het leven, 25 jaar geleden?Toch stond ik op de top van de wereld met tonnen courage, solide als een rots. Ik slidderde door ’t leven als door de boter. Ik hakte knopen per dozijn.

Ik zag mij graag. Mijzelf en haar en hem.

En hem, zolang dat ’t duurde.

Is ’t dan begonnen? De lange dagreis naar de nacht? Naar ’t duister alom?

Merel de Vilder Robier is actrice, schrijver en creatieve duizendpoot met een heerlijk eigenzinnige stem en een missie om u tegen te zeggen: jongeren van alle leeftijden aansporen de confrontatie met zichzelf aan te gaan en met een opener, onbevangener blik in de wereld te staan.

Er hing altijd vocht rond de Emma. ’s Nachts leek de verlichte en met mist omfloerste mijn uit een andere wereld te komen: een rommelend, piepend, schurend en sissend organisme, dat zich dampend in de bovenwereld drong. De Emma sliep nooit, ze wroette onder je bodem, ze beulde je af en ze vrat je op. De Grote Moeder.

In Sommerland vinden het Gothic South van Flannery O’Conner en het diepe zuiden van Nederlands Limburg elkaar in een heerlijk zintuiglijke beleving van beeld en taal. Geschreven door een schrappende, zelfverklaarde chaoot – je weet nooit wat je er nu weer gaat terugvinden.

Onze vangst elke week vers in je mailbox?

Over ons

Wij zijn Aanlegplaats – de veilige haven voor Nederlandstalige literaire blogs.

Boeiende, goed geschreven, persoonlijke blogs eindelijk samen op één plek.

Contact

aanlegplaats@gmail.com



%d bloggers liken dit: