Je had roomijs bij in een zak met koelelementen. Twee lepels. Ik kreeg de gele, je favoriete. Wat we gingen delen op de trein kreeg ik nu in mijn schoot geworpen op de passagiersstoel. Het smolt. Ik moest niet wachten op jou, drong je aan. Dus maakte ik vlekken, terwijl het ijs langs de kartonnen rand droop in de ondergaande zon. Een lied over de zonsopgang sprong op de radio, wij zagen het licht verdwijnen aan de horizon. Niet snel genoeg, en te veel wolken. We waren gehaast. Je ging me de sterren tonen.
Op zacht bruTaal delen Nele Bruynooghe en Wieland Heymans verhalen en gedichten waar de vonken vanaf spatten. Zinnelijke zinnen, brutalige zachtheid.
