
Dinsdagnamiddag, Gent. Ik denk dat het druk is in bibliotheek De Krook, maar ik zie het niet. Het grijsbruine (of taupe? zou dit taupe zijn?) decor slorpt alle lezers in zich op. De stilte doet verstommen, het tapijt doet vertragen. De lift leidt een eigen leven. Ik sta op het punt om mee opgeslorpt te worden in deze mij voorheen onbekende dimensie, als ik een digitale aanwijzing van Sarah De Grauwe, auteur achter de blog De Grauwe Gekheid, ontvang. Ze wacht op me in het café, achter een okergele boekcover. Een fractie van een moment voel ik de drie vragen die de reden voor mijn bezoek vormen, branden in mijn achterzak. Alert blijven nu. Op een drafje volg ik de pijlen met het kopje koffie, de hoek om, de trap af, tot ik verblind word door een bundel licht die weerkaatst op een stralende schrijfster met een geel boek. Hier vind ik ongetwijfeld de informatie die ik nodig heb. Ik ga zitten, kijk over mijn beide schouders en haal diep adem. Ze slaat het boek dicht.
“Oh, ik vind dit zo mooi. De Brieven van Vincent van Gogh zijn – als je het mij vraagt – werkelijk een van de kostbaarste nalatenschappen van de kunstgeschiedenis én de literatuur. Zoveel meer dan documentatie. Het zijn intieme, kwetsbare zelfportretten in woorden, vol hartstocht, twijfel, filosofische reflectie, liefde voor de natuur en kunst en een diepe drang naar zingeving. In zijn correspondentie – vooral met zijn broer Theo – zie je Vincent als mens, in al zijn complexiteit: gevoelig, eenzaam, gedreven, soms wanhopig, maar altijd zoekend naar schoonheid en betekenis. Het is pure poëzie. Hij schreef zoals hij schilderde: intens, ongepolijst en met een ziel. De brieven tonen ook dat kunst voor hem geen luxe was, maar een noodzakelijkheid – een manier om te leven, te voelen en te begrijpen.”
“Op eenzelfde manier ben ik beginnen te schrijven: van jongs af aan was het voor mij een manier om schoonheid vast te houden, in een wereld die vaak chaotisch en pijnlijk was. Ik groeide op in een erg instabiele omgeving. Schrijven was voor mij een reddingslijn. Een manier om orde te brengen in de wanorde, om een eigen taal te vinden voor wat niet uitgesproken werd. Een hoopvolle taal. Ik was een typisch ‘dagboekkind’ dat alles met zorg neerpende in een schriftje vol bloemen, uitgeknipte prenten en kleine tekeningen.”
“Mijn eerste bundel ‘Verhalen uit het Crayenest’ is eigenlijk een aaneenrijging van dagboekfragmenten uit de tijd dat ik werd opgevangen door mijn grootmoeder, Maria Craye – zelf een vrouw met schrijftalent. Het was het pre-internet tijdperk en wij schreven vaak brieven naar elkaar wanneer zij bijvoorbeeld in het hospitaal lag, of ik op kamp was. Ook naar mijn moeder schreven we brieven, met daarin een hele beschrijving van wat we die week hadden meegemaakt, vaak humoristisch.”
“De brieven heb ik nog, maar de meeste dagboeken zijn verloren gegaan met verhuizingen. Tien jaar geleden liet een vriendin me zien hoe je op vijf minuten een WordPresssite in elkaar stak. Zo kon ik alles bijhouden. Het bloggen voelde als een natuurlijke voortzetting van die kinderlijke drang om schoonheid te verzamelen. Ik vergelijk het bloggen soms met de herbaria van Emily Dickinson of Beatrix Potter. In plaats van kruiden verzamel ik ‘magische’ momenten. Verzamelen, contempleren, classificeren, bewaren, koesteren. Een kleurrijk dagboek, tegengif voor verbittering die altijd op de loer ligt.”
“Later ontdekte ik de cursiefjes van Simon Carmiggelt en Godfried Bomans en zag ik parallellen met wat ik deed. Er bleek een term voor te bestaan in de literatuur: tranche de vie, uit het leven gegrepen. Die stukjes heb ik goed bestudeerd en dan ben ik er stilistisch ook veel meer werk in gaan steken.”
Deelde je je blog toen ook?
“Nee, ik schreef puur voor mezelf. Sociale media stonden toen ook nog niet op punt. In 2016 werd ik door Knack genomineerd voor ‘beste persoonlijke blog’ en begon ik meer moed en zelfvertrouwen in het schrijven te krijgen. Tot op het punt dat ik dacht: misschien moet ik er professioneel mee aan de slag. Toen heb ik die verhalenbundel in eigen beheer gemaakt, wat werd opgepikt door uitgeverij Vrijdag. Bij hen kreeg ik de deal: eerst een paar schrijfopdrachten en daarna proza. Zo publiceerde ik in 2023 samen met Luc Van den Broeck De amazone van de Franse Revolutie over Théroigne de Méricourt en vorige maand Gaasbeekse vertellingen, achthonderd jaar geschiedenis vanuit het perspectief van kasteelbewoners en gasten. Twee dikke boeken! Ik heb nu zin in iets korters.”
Weet je al wat er volgt?
“Nee, ik heb drie-en-een-half manuscript liggen voor romans en novelles in een meer magisch-realistische stijl, zoals Verhalen uit het Crayenest. Maar ik zou ook heel graag een bundeling maken van de beste blogstukjes. Mensen die mij aanspreken kijken daar ook naar uit, merk ik.”
Wat maakt een blog voor jou echt goed?
“Eerlijkheid. Stijl is fijn, humor helpt, structuur ook – maar wat mensen vasthoudt, is de oprechtheid achter de woorden. Een goede blog is pretentieloos en trouw aan zichzelf. Het is een plek waar de schrijver mag thuiskomen. Geen etalage waar je kennis of kunde tentoonspreidt (nou ja, ook) maar vooral een gezellige keukentafel waar je mensen aan uitnodigt en een goed verhaal vertelt. Je moet de schrijver horen vertellen terwijl je de tekst leest. Ik houd ervan als de blogger en de mens dezelfde stem hebben. Daarnaast helpt het als een blog herkenning biedt, of verwondering wekt. Iets dat de lezer doet knikken.”
Is het dan hetzelfde als een column?
“Nee, een column gaat in tegenstelling tot een blog meestal over de actualiteit. En ik vermijd in mijn blog ook juist onderwerpen als religie of politiek.”
Omdat je er geen zin in hebt?
“Omdat ik er geen zin in heb, omdat het privé is en vooral omdat er zoveel andere onderwerpen zijn die meer verbinden. Want dat is deels ook mijn doel: mensen verbinden.”
“Weet je, een van mijn vroegste herinneringen is dat ik als kleuter op de speelplaats aan het hek aan het wachten was op mijn moeder, die niet kwam. Met achter mij een troep stoute kinderen die mij niet moest. Dat gevoel heb ik altijd gehad, tot op de dag van vandaag. Dat ik moet opboksen tegen de stoute wereld. Maar: mijn dag mag zo slecht zijn, mijn week zo rottig, als ik ’s avonds kan schrijven ben ik altijd in staat om mezelf op te peppen. Al schrijvend kom ik weer tot het besef: ‘dit ben ik, dit zal ik zijn’. Daarom vind ik Aanlegplaats ook de perfecte naam voor jullie website. Ik leg aan.”
Heb je een schrijfroutine?
“Ken je die video van Roald Dahl in zijn tuinhuis? Awel, zo. Ik trek mijn pyjama aan, zet een kop thee en nestel mij onder een deken, met mijn voeten op een poef, omringd door boeken, papiertjes met tekst en andere schatten. Echt een eksternest. Dan maakt het mij allemaal niks meer uit. Dan hoor ik niks meer, zie ik niks meer. Dat zijn de beste momenten van mijn leven.”
Wie zou volgens jou dringend een blog moeten beginnen?
“Iedereen die af en toe denkt: ‘Zou ik de enige zijn die dit denkt, voelt, meemaakt?’ – die zou een blog moeten beginnen. Sommige mensen hebben zó’n filmisch leven dat het zonde is als ze het niet opschrijven en delen. Neem Léon Lemahieu, de Antwerpse dandy-boekhandelaar in de Wolstraat – zelf een wandelend boek, eigenlijk. In zijn wonderlijke anti-quariaat word je begroet met een glas wijn, boekentips en een anekdote die altijd nét iets te goed is om verzonnen te zijn. Hij was een goede vriend van het genie J.M.H. Berckmans en heeft zich door de jaren heen altijd weten te omringen met interessante schrijvers, kunstenaars en excentriekelingen die zich geregeld verzamelen in zijn Salon Léon. Hij schrijft wel, maar hij publiceert niet. Zogezegd omdat het nooit af is. Perfect voor een blog, denk ik dan.”
Ik leg mijn pen neer en adem uit. Mijn vragen zijn beantwoord, mijn hart is verwarmd en het universum is gered. Of nee, er rest ons nog één laatste opdracht. De foto met het boek. Een eitje, met zo’n natuurlijke, goedlachse schoonheid als Sarah De Grauwe. Toch moet er nog een kleine horde genomen worden. De Brieven van Vincent van Gogh zijn namelijk niet haar enige favoriet.
“Ik vond het zo moeilijk om te kiezen! Kijk, ik heb ook nog In praise of shadows van Junichiro Tanizaki bij. Een essay uit 1933, toen de Westerse invloeden Japan binnendrongen. De schrijver pleit hierin voor de esthetiek van de Japanse cultuur. Hij beschrijft hoe in de Japanse traditie schoonheid vaak schuilt in wat niet volledig zichtbaar is: het gedempte licht in een theehuis, het patina op hout, het glanzen van lakwerk in schemerlicht, het diffuse spel van schaduw op papier of hout. Ik houd heel veel van Japanners. Vincent van Gogh ook trouwens, ook al was hij er – net als ik – nooit geweest. Zo bleef het voor hem een land van melk en honing en dat vond hij prima.”
“Louis Couperus is wel in Japan geraakt. Hij is mijn meest favoriete schrijver en heeft een grote invloed op mij. Je ziet het in de adjectieven, het uitvinden van woorden, het zintuiglijke, de melancholie. Van hem heb ik De Verliefde Ezel meegenomen: een schelmenverhaal over een minzieke kerel die door een heks in een ezel wordt veranderd tot hij de ware betekenis van liefde leert kennen. In het boek schetst Couperus op meesterlijke wijze hoe complex de liefde is. Je voelt de echo van de Griekse mythe van Apuleius’ De Gouden Ezel (ik ben gek op klassieke literatuur!), maar dan in een modernere, meer introspectieve, bijna decadente stijl. Het verhaal lijkt op het eerste gezicht luchtig, maar wie goed leest, merkt een zekere weemoed. Couperus toont hoe het verlangen naar schoonheid en liefde iets universeels is – ook al leidt het vaak tot verdriet of misverstand.”
