
Eerder op de dag verkocht Maarten Inghels nog vruchteloos letterballonnen op de Antwerpse Meir voor een fotoshoot met de Nederlands krant FD. Wij hadden niets in de aanbieding en hadden gewoon afgesproken aan zijn atelier in de Wilde Zee. Maar niet zonder eerst nog langs de Groenplaats te passeren om een symbolische minuut mee een rode lijn trekken.
Op de weg terug lijken alle passanten hem te kennen.
“Dat is toeval,” zegt hij, “vrienden gebruiken mijn atelier gemakkelijk als afspreekpunt.”
Maar zo toevallig is het natuurlijk niet. Want Maarten Inghels is the hardest working man in cultuurland. Zijn roman Hannibal en Gideon ligt nog niet zo lang in de boekwinkel, hij is huiskunstenaar van het nieuwe Mercatormuseum in Sint-Niklaas, festivaldenker bij STROOM, liet onlangs nog reuzenvoetsporen na in Antwerpen en verkocht beeldend werk op Art Rotterdam. En later deze avond zwaait hij mee een verse lichting schrijvers van de SchrijversAcademie uit.
En dan ligt er, ongeveer op de plek in het atelier waar vroeger een loopband van BasicFit moet hebben gestaan, ook nog een Esselte mapje met daarin de eerste versie van zijn volgend boek. Een korte roman opnieuw, want na Het mirakel van België (over zijn relatie met een meesteroplichter) heeft hij niet direct meer de behoefte om dikke kleppers te schrijven.
“Nee, die kortere afstand, dat lijkt om een of andere reden het formaat te zijn dat mij het best ligt nu,” zegt hij. “Ik bladerde onlangs nog eens door Het Beleg van Laken, van Walter van den Broeck, en ik moet zeggen dat het verteltempo en de spanningsboog toen (1985) toch anders waren dan nu. Er was gewoon meer tijd, lijkt het. Meer bladzijden. En dat is niet alleen iets van de literatuur. Vroeger keken we films, daarna series, toen kwamen de mini series en nu is er TikTok.”
“Dat ik kortere boeken ben gaan schrijven heeft niet noodzakelijk met de aandachtspanne van de lezer te maken, dan wel met mijn beeldend werk, dat steeds meer plek inneemt in mijn leven en agenda. Mensen kopen mijn sculpturen of tekeningen omdat het beeld hen aanstaat. Dat is instant, een coup de foudre vaak. Het heeft me een beetje verbaasd, maar mensen die dat kopen zijn vaak onwetend over mijn literaire oeuvre. Het zijn bijna gescheiden werelden, elk met een eigen publiek, en een heel andere marktwerking.”



“Een blog past misschien wel goed bij die snelheid, dat korte, maar als ik nu al haast geen tijd heb om de tweede versie van dat nieuwe boek te schrijven, wanneer zou ik dan aan die blog werken?”
“Maar ik heb dus wel een blog gehad. Ik moet zestien of zo zijn geweest, en ik plaatste er gedichten op. Ik was toen volop de literaire wereld aan het ontdekken, maakte deel uit van de Kunstbende, bracht mijn gedichten op vrije podia … vastbesloten om ooit een boek te publiceren.”
“De blog hoorde bij dat traject. Het was een manier om mezelf in de wereld te zetten, en dat werkte. Ik volgde ook nauwgezet sites als De Contrabas of Meander. Daar ging je dan mee in discussie, en zo verzamelde ik lezers, denk ik. Samen met literaire tijdschriften was de blog een manier om je stem te laten horen. Dat is het nu allicht nog. Blogs zijn heel geschikt als experimenteerplek en als visitekaartje.”
“Ik volg nog wel een paar dingen, op Instagram of via Substack nieuwsbrieven. De flemish review de la poesie bijvoorbeeld, met essays, poëzie en een uitgebreide literaire agenda. Of de columns van Thomas Heerma van Voss in de Lage Landen, daar ben ik echt fan van.”
“Las je Het archief? De manier waarop Thomas daar de literaire wereld te kijk zet, daar houd ik van. Die zelfrelativering en kritiek op het literaire bedrijf heb ik ook geïncorporeerd in Het mirakel van België. Ik zie Thomas wel eens, hij zit ook bij DasMag, en elke keer dat ik daar een grap maak vrees ik achteraf een personage in een van zijn volgende columns te worden.”
“Wat ik zeker zou volgen zijn blogs van mijn favoriete niet Nederlandstalige schrijvers. Roberto Bolaño als eerste, ook al is die dood. W.G. Sebald. Valeria Luiselli, omwille van haar scherpe inzichten, Kate Zambreno, Alejandro Zambra, Emmanuel Carrère, en op de allereerste plaats: Enrique Vila-Matas. Dat is een beetje vals, want die heeft een blog, maar dan in het Spaans, en dat kan ik niet lezen. Dus als iemand over hem, en die anderen, een goede blog zou willen beginnen, dan graag. Met vertalingen, weetjes, inspiratiebronnen… Dat Vila-Matas niet meer in het Nederlands wordt vertaald is trouwens een grote schande.”
“Wat die schrijvers allemaal gemeen hebben, is dat ze in hun werk vertrekken vanuit de werkelijkheid, en daar laagjes aan toevoegen. Beschouwend, maar ook persoonlijk. Carrère heeft zo bijvoorbeeld een biografie over Limonov, een Russische dissident – en best wel een omstreden figuur – en dat leven is de bron voor heel wat relevante vragen en bespiegelingen.”
“Vila-Matas doet dat ook. Brengt hij verslag van zijn leven in Parijs, waar hij als jonge schrijver een kamer huurde van Marguerite Duras, dan wordt dat ook een beschouwing over hoe het is om als schrijver een plek te zoeken in die literaire wereld, en brengt hij portretten van de schrijvers die hij daar in Parijs tegen het lijf loopt.”
“Korte stukjes, naast mekaar geplaatst, die samen betekenis krijgen, als een soort puzzel. Dat vind ik boeiend – en het is eigenlijk wat ik zelf ook wel probeer te doen – en, zo denk ik, uitermate geschikt voor een blog, met dan de kladjes en inzicht in hoe dat allemaal tot stand komt.”
“Het klinkt een beetje conceptueel, en dat is mijn werk ook, zonder dat het gewichtig wordt, want daar heb ik dan weer een hekel aan. Ik verkies ook niet literaire onderwerpen, en vindt deze foto hier (haalt even de ingekaderde versie ervan), met meesteroplichter Piet Van Haut in een jacuzzi met champagne en kaviaar – en Het mirakel van België in de handen – zo ongeveer het hoogste wat je als schrijver kan bereiken. Die foto stond paginabreed in Het Laatste Nieuws. Geweldig toch? Een literaire glitch in het systeem.”

“Dat hebben we ook met de prijzen. De Vincent van Meenenprijs en Maarten Inghels prijs zijn ondertussen de oudste literaire prijzen in het Nederlandse taalgebied. Ouder en groter dan de Boon en de Boekenbon samen. We werden dit jaar door verschillende organisaties gevraagd om de prijs alsjeblieft op hun event uit te komen reiken. Ik probeer er nu subsidies voor te krijgen (lacht). Moeten jullie bij Aanlegplaats misschien ook doen, een prijs.”

“Soit. Je moet het allemaal niet te serieus nemen, de literaire wereld is ook maar een apenrots. Als het maar interessant is, en goed geschreven, dan zou ik het wel willen volgen. Blogs over een niche onderwerp, hoe absurd of serieus ook, maar dan uitgewerkt. Met encyclopedische ambities.”
“Dus die blog over Bolaño of Sebald? Heel welkom!”
“Het is dat ik er, samen met een paar anderen, al een boek over heb gemaakt, maar anders zou een verzameling posters van verloren huisdieren, met het verhaal achter de zoektocht, een ideale blog zijn. Het boek heet Gelieve in de kelder te kijken – Veuillez regarder dans la cave – Please look in the basement. Hier, je krijgt een exemplaar cadeau. Het is populair in Japan en Zuid-Korea. Daar zijn ze blijkbaar gek op dit soort dingen.”
De volgende afspraak wacht alweer op Maarten, en met het boek in de handen begeef ik me volstrekt anoniem tussen de shoppers en de toeristen. Affiches met verloren gewaande boeken, zou dat nog iets zijn, vraag ik me af. Of missende linkersokken. Grote kans dat Maarten dat al in een van zijn vele projecten heeft gedaan. Had hij ook al niet een vending machine met papieren vliegertjes, gemaakt uit niet verkochte exemplaren?
En wij bij Aanlegplaats moeten dringend nog iets doen met die kleine restvoorraad Kant & Wal #1 …?
