
Telkens als ik Alain Grootaers zie moet ik aan het credo van Johan Anthierens denken: Niemands meester, niemands knecht. Zijn dwarse, sprankelende geest heeft iets ongrijpbaars. Je weet dat hij denkt, maar niet op voorhand wat hij denkt.
Net als zijn gedachten dartelde ook zijn loopbaan alle kanten uit. Als student had ik een mateloze bewondering voor Alains ondernemerschap. Terwijl ik me afvroeg welk leven me in de schoot geworpen zou worden, startte hij in de jaren negentig – nauwelijks twee jaar ouder dan mij – het ene na het andere tijdschrift. Ze waren allemaal losjes geïnspireerd op de Engelse mannenbladen die toen in zwang waren. P-magazine, Ché, Teek,… Stuk voor stuk voelden ze de tijdsgeest goed aan en de aandachtige lezer begreep dat ze meer om het lijf hadden dan de prikkelende en in jongenskamers legendarische badpakken-specials. De magazines stonden vol spitse artikels en onbevangen pennen kregen er de kans om ervaring op te doen en in alle rust aan te scherpen. Een betreurde vriend werkte enige tijd op de redactie van P-magazine en vertelde me dat het er zeer kameraadschappelijk aan toe ging. Er mocht wat afgelachen worden.
Dat goedlachse heeft Alain altijd gehad. Zijn donkere ogen stralen een jeugdige schalksheid uit, ook al rukken de rimpels eronder ongenadig op. In zijn gezelschap regent het kwinkslagen en dat hoeft niet te verwonderen want een van zijn oudere broers, Walter, was de zanger van De Kreuners en de bedenker van een van de meest poëtische Belgische LP-titels aller tijden: Natuurlijk zijn er geen Alpen in de Pyreneeën.
Hoewel Alain voor luiheid als kunstvorm het grootste respect opbrengt, leest zijn biografie als die van een man met zeven levens. Niet voor niets noemen intimi hem de Leonardo da Vinci van Lier. Talentvolle doelman die voorbestemd leek om Danny Verlinden in het eerste elftal van K. Lierse S.K. op te volgen; begaafd fotograaf die uiteindelijk besliste om politieke wetenschappen aan de VUB te gaan studeren; manager van De Kreuners; eerste winnaar van de populaire quiz De Slimste Mens ter Wereld; olijfboer in Spanje; reisbegeleider; begenadigd kok die met Table d’Alain de culinaire lat in Antwerpen voor mindere goden zoals Sergio Herman op onbereikbare hoogte legde; betrokken vader; paardenfluisteraar; schrijver van een zeer divers oeuvre; maar bovenal: levenskunstenaar. Een heuse Pallieter.
Jarenlang woonden we in dezelfde straat en terwijl onze langbenige Nederlandse vrouwen de wereld rondreisden, brachten wij plichtgetrouw onze dochters naar school. Elkaar aan de schoolpoort begroeten schept een band en ik had dan ook maar wat graag met Alain op café afgesproken om het over vroeger te hebben, maar zijn drukke bestaan liet het niet toe. Daarom werd het – primeur! – mijn allereerste online interview.
Als digibeet riep ik de hulp van mijn vrouw Jolanda in en na wat gesteggel verscheen als bij toverslag Alain in beeld met op de achtergrond een staalblauwe hemel waarvan ik veronderstelde dat het de Spaanse was. Het was echter, verklapte hij me, een computeranimatie. Moet je daarvoor helemaal naar Andalusië verhuizen?
Er was wat onduidelijkheid over de beeldkwaliteit en Jolanda vroeg hem of hij ons goed kon zien.
‘Ik zie jou groot en Jo in het klein, zoals in de werkelijkheid.’
Het interview kon beginnen en vooraf vroeg ik Alain of ik het gesprek mocht opnemen.
‘Ik heb liever dat je het allemaal met de hand noteert.’
De toon was gezet.
1) Waarom ben je ooit met een blog begonnen?
‘Tijdens corona heb ik met mijn toenmalige partner Jakobien Huisman en regisseur Mark Sanders de documentairereeks Tegenwind gemaakt waarin ik wetenschappers interviewde die het niet eens waren met de maatregelen die de regering aan de bevolking oplegde en plots verloor ik al mijn werk. Ik werd gecancelled. Tot die periode schreef ik regelmatig bijdragen voor DS Weekblad en af en toe voor de website van de VRT-redactie of De Morgen. Ineens waren alle opdrachten weg.’
‘Met Tegenwind hebben we de Publieksprijs van de Ultimas gewonnen. De laatste aflevering werd in de Elisabethzaal vertoond en er was enorm veel volk komen opdagen. De eerste drie afleveringen van de reeks zijn in totaal door 7 miljoen mensen bekeken geworden. Vanaf dat moment kregen we zelf van de mainstream media veel tegenwind – met Knack, De Standaard en De Morgen voorop.’
‘Ik ben geschrokken van die tegenreacties, want ik had enkel mensen geïnterviewd waarvan ik vond dat het nuttig was om hun stem te laten horen. Een van de kernwaarden van de journalistiek is waarheidsvinding. Als ik nu de verslaggeving over Gaza lees: daar zijn zoveel gaten in te schieten. Je herkent de pertinente leugens of de verdraaiingen van de waarheid. Ik denk dat de journalistiek daar zwaar in de fout is gegaan. En het is allemaal met corona begonnen. De kritische houding van de journalistiek is toen verdwenen. Sindsdien is ze volgzaam geworden en loopt ze gedwee aan de hand van de overheid mee. De huidige pers is een beetje de Pravda van vroeger geworden.’
‘Maar om op je vraag terug te komen: Ik ben met mijn blog begonnen om mijn pen geoefend te houden. Op basis van mijn stukjes werd ik door Doorbraak gevraagd om een column te schrijven die in het verlengde van de blog lag.’
Zet twee oudere jongeren bij elkaar en algauw worden herinneringen opgerakeld aan de tijd dat we dachten voetbalgoden te zijn die in afwachting van een gouden toekomst bij Real Madrid, na een zoveelste nederlaag, in vermolmde kantines in de Kempen Oxo dronken.
‘Dat je dat nog weet, Jo! Inderdaad: de voor mannen van onze generatie legendarische rockjournalist Marc Mijlemans woonde achter het stadion van Lierse op het Lisp. Hij kwam naar de wedstrijden van de reserves kijken en stond achter mijn goal. Hij moedigde me aan om vooral te blijven schrijven. “Je moet een nieuwe Jan Mulder worden.” Op zijn aanraden ben toen aan een boek met verhalen over de kleedkamer-avonturen van een voetbalploeg begonnen. Het waren waarachtige, uit het voetballeven gegrepen anekdotes. Spelers die in de douche tegen elkaars benen pisten en ander hoogstaand cultureel vertier.’
‘Als vijftienjarige richtte ik met mijn neef Marc Hendrickx een eigen striptijdschrift op: Clumsy’. Ik was gek van stripverhalen en we reisden het hele land af om striptekenaars te interviewen. Zelf ben ik een abominabele tekenaar, daarom dat die wereld me zo fascineerde.’
‘Wat me altijd is bijgebleven is het gesprek met Pom, de tekenaar van Piet Pienter en Bert Bibber. Achter zijn tekentafel hing een houten plankje met daarop twee boeken: een exemplaar van het Groene Boekje – want Pom was in Duitsland opgegroeid en worstelde soms met de Nederlandse taal. En Hommeles in Rommelgem uit de Robbedoes-reeks van André Franquin. Het exemplaar was door veelvuldig gebruik volledig stukgelezen. Als Pom bijvoorbeeld moeite had om handen te tekenen – een ware nachtmerrie voor de meeste schilders en tekenaars, zo verdubbelde de Spaanse schilder Goya zijn prijs als hij zijn opdrachtgever met beide handen moest schilderen, vandaar dat je op veel werken van Goya in het Prado edelmannen ziet die één hand achter hun rug houden – greep hij telkens weer terug naar het album van grootmeester Franquin, want volgens Pom tekende er niemand beter dan de geestelijke vader van Guust Flater.’
‘Of ik dankzij mijn blog nieuwe opdrachten heb gekregen? Ja en neen. Het helpt om je bezig te houden; om je pen aan te scherpen; om je te stimuleren en na te denken; om onderwerpen en invalshoeken te zoeken. Dat is belangrijk. En in mijn geval, toen ik ziek werd (Alain werd in 2023 op de motor in Malaga getroffen door een hersenbloeding), fungeerde het als een soort van dagboek waar ik later op kon terugvallen. Mijn dagboeknotities vormden de basis voor mijn recent verschenen boek Beroerd.’
‘Het aantal lezers van mijn blog schommelt enigszins. Het hangt ervan af hoeveel reclame ik er op sociale media voor maak. Maar het varieert tussen de 5000 en 20.000 per week. Een zeer behoorlijk bereik.’
‘Mijn kracht als schrijver is dat ik mezelf niet té serieus neem. Ik zal altijd proberen er wat humor in te steken. Ik tracht alles door een schertsende bril te bekijken. Mijn credo is: Jezelf niet te serieus nemen, maar je werk wél.’
2) Wie zou je willen dat een blog begint en waarom?
‘Ik zou weleens een blog van onze premier willen lezen. Ik heb net op YouTube zijn bijzonder intelligente voordracht in Nederland voor Elsevier Weekblad gezien. Bart De Wever is een historicus en tijdens de lezing greep hij meteen terug naar de splitsing van de Nederlanden. Hij kaderde het in een historisch perspectief en kwam uiteindelijk bij het huidige Europa uit. Die splitsing is ook een beetje mijn stokpaardje want ik ben, net als De Wever, een orangist (het orangisme is een beweging die ijvert voor het herstel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden). De Wever staat daarin niet alleen. Ook socialisten zoals ‘vadertje’ Edward Anseele zijn hem daarin voorgegaan. Volgens Anseele was de grootste historische fout uit onze geschiedenis de Belgische revolutie en de scheiding van de Nederlanden en ik ben het daar volledig mee eens. Ik zou dus wat vaker in het hoofd van De Wever willen kijken omdat ik hem een intelligent en belezen man vind en ik wil weten hoe hij zelf die spreidstand ervaart om nu als Vlaams nationalist plotsklaps ook de Belgische staat te moeten belichamen.’
‘Politiek gezien zou je mij een progressieve conservatief kunnen noemen. Ethisch progressief, maar cultureel en economisch conservatief. Ik heb politieke wetenschappen en internationale betrekkingen gestudeerd en ben Marxistisch opgeleid. Op mijn achttiende was ik uitgesproken links, maar dat is wel veranderd – ook door de geschiedenis beter te bestuderen en te zien wat het communisme ons heeft gebracht en vooral niet heeft gebracht. Op dat vlak is er bij mij mentaal een sterke verschuiving geweest. Ook in het Gaza-conflict sta ik eerder, denk ik, aan de Israëlische kant dan aan de kant van Hamas. Ik bekijk het wat pragmatischer. Ik vind de reacties op het conflict heel emotioneel. En ook hier is de rol van de pers weer in twijfel te trekken waarbij propaganda soms moeilijk van verslaggeving te onderscheiden valt. Propaganda-gewijs worden veel mensen gevoelsmatig in een bepaalde richting geduwd. Die psychologische oorlogsvoering in ons hoofd is tijdens de coronacrisis begonnen, waar mensen als kuddes een eenduidige visie werd opgedrongen. Als je niet plooide was je asociaal, of een antivaxer of een complottheoreticus. Je werd meteen gemarginaliseerd. En nu zie ik hetzelfde gebeuren met Gaza. De tragiek van 7 oktober 2023 – waar onschuldige festivalgangers werden afgeslacht – veroorzaakte een trauma in de Israëlische samenleving. Stel je voor dat op Rock Werchter zweefvliegtuigen zouden overvliegen en parachutisten neerdalen en op de massa beginnen schieten. Ga je dan nog zo reageren? Ik heb Israël een tiental jaar geleden bezocht. Het was naar aanleiding van een boek dat ik al lang had gepland over de reis die de Vlaamse Fransiskaner monnik Willem van Ruysbrouck te voet ondernam naar Mongolië om daar in opdracht van de Franse koning en de paus de grote Khan te ontmoeten. Zijn reis en dus ook mijn onderzoek, startte in Acre, het bruggenhoofd van de tempelridders in Israël, dichtbij de grens met Libanon. Bovendien heb ik tijdens dat bezoek veel van oorsprong Arabische Israëliërs ontmoet, want mensen vergeten dat 21% van de inwoners van het land van Arabische origine is en dezelfde rechten genieten. Het is de enige democratie in wat wij nog steeds het Midden-Oosten noemen – terwijl het alleen maar zo heet omdat het in het midden tussen Londen en Indië ligt. Velen onder hen werkten in de tech-industrie en vertelden me dat ze zich in een Arabisch land nooit zo hadden kunnen ontwikkelen. Ze kregen toen van de Israëlische overheid evenveel kansen, ook financieel, als de andere bewoners. Dat heb ik tijdens dat bezoek geleerd. Ik denk dat reizen een sleutelpunt is om de wereld beter te kunnen begrijpen. En uiteraard de geschiedenis kennen!’
3) Wat maakt een blog goed?
‘De kans om in het hoofd van een schrijver te kijken. Waar is hij of zij mee bezig. Hierbij gaat het niet alleen om het aankaarten van wereldproblemen maar ook om de persoonlijkheid van de auteur, om hoe hij zijn levenssfeer inkleurt. Dat was de grote kracht van een van mijn favoriete schrijvers: Godfried Bomans. Hij gaf een inkijk in zijn privé-leven en verstond de kunst om van daar uit te waaien naar bredere onderwerpen. Meestal speelden die zich dan op café af. (lacht).’
‘Als jonge tiener las ik naast Bomans eveneens bijzonder graag P.G. Wodehouse. Maar als ik zelf een boek aan het schrijven ben, moet ik goed uitkijken wie ik lees, want ik heb de neiging om een stijl waar ik van hou over te nemen. Als ik in een Dashiell Hammett bezig ben, wordt een column soms een hard-boiled mysterie uit de jaren dertig vol spitse one-liners en fatale blondines. Daar moet ik echt voor oppassen.’
‘Het visuele aspect van een blog is voor mij minder belangrijk. Het gaat om de tekst – hoewel ik er zelf wel foto’s tussenschuif om het geheel wat te verluchten. Maar in de kern draait het voor mij om het verhaal.’
‘Hoewel ik graag in België ben – en zeker in Lier waar ik opgroeide – blijf ik in Spanje wonen. Het is mijn thuisland geworden. Ik ben nu een filmscript voor een televisiereeks aan het schrijven. Samen met mijn Spaanse echtgenote Estrella, die binnenhuisarchitecte is, heb ik een productiehuis opgericht en daar gaan we mee aan de slag. Eind december moet het scenario klaar zijn. Het zal een kostuumfilm worden die zich afspeelt in het Spanje van de zestiende eeuw. Hun gouden eeuw.’
Lier is altijd mooi, en zeker op een donderdagavond in de herfst. In een goed gevulde galerij Artisjok hield Alain Grootaers er zijn nieuwste boek Beroerd boven het doopvont. In de grote ruimtes van de kunstgalerij wemelde het van gezichten uit zijn rijkgeschakeerd verleden en hoewel de neergang bij de meesten van ons aan een onstuitbare opmars was begonnen, werd er behoorlijk wat afgelachen. Iedereen voelde zich welkom: zelfs Royale Union Saint-Gilloise-supporters uit de Brusselse rand. Na de zwierige inleidingen van Liesbeth Imbo en Bert Kruismans – die zelf door een herseninfarct was getroffen en een lotgenoot was – nam Alain het woord. Zijn stem klonk nog immer krachtig en zijn gedachten waren nog steeds – zoals het motto van de Amsterdamse verzetskrant Het Parool – vrij en onverveerd. Er werd gul met grappen gestrooid maar even vaak zag je dat hij, rondkijkend in de zaal, door emoties werd overmand. Oude jeugdliefdes met wie het goed toeven was aan de oevers van de Nete waren oma’s geworden; bevriende journalisten met scherpe pennen leunden nu op wandelstokken; kortom: le tout Lier was aanwezig en inwoners van andere Metropolen konden alleen maar afgunstig toekijken op de warmte die er die avond in de Pallieterstad hing.
Na het overdonderende applaus verscheen Yarrid van uitgeverij Pelckmans met een grote bos bloemen ten tonele, waarop Alain hem verwelkomde met de woorden: ‘Yarrid dacht dat ik dood zou neervallen en heeft bloemen meegenomen voor op mijn graf.’
Yarrid bood niet alleen bloemen maar ook een helpende arm aan en ondersteunde een fier rechtopstaande Alain. Met het klimmen der jaren is hij – die ooit door een optimistisch gestemde moeder naar Alain Delon werd vernoemd – meer en meer op een Spaanse edelman gaan lijken. Slank. Trots. Maar ook breekbaar. Een man die tot voor zijn hersenbloeding met de motor de hoogste bergkammen beklom, schuifelde nu behoedzaam naar zijn signeertafel.
Op de trein begon ik Beroerd te lezen en twee avonden later was het uit. Het boek is een wervelend geschreven verslag van de ziekte die zijn leven danig overhoop gooide. Nooit wentelend in zelfmedelijden, nooit tranerig, nooit belerend. Afwisselend geestig en ontroerend vertrekt het uit een particuliere ervaring om algemene zaken over een ziekte te zeggen die in België jaarlijks 19.000 mensen treft. De toon is vintage Alain Grootaers: al monkellachend het leven en de liefde omarmend, zonder evenwel de schaduwkanten ervan uit het oog te verliezen.
‘Als ik mijn hele leven naar dit soort handelaars in angst had geluisterd, dan was ik verzekeringsagent geworden in plaats van journalist. Dan was ik nooit naar Andalusië verhuisd, de beste beslissing ooit. Of dan had ik nooit een sabbatjaar genomen om met mijn toen negenjarige dochter door India en Zuid-oost-Azië te reizen, een ervaring waar ze nu nog steeds de vruchten van plukt. Of dan had ik nooit de Himalaya en de Andes overgestoken met de motor. Ik zou mezelf beroofd hebben van levensveranderende ervaringen en herinneringen waar ik nu, in een Spaans ziekenhuisbed – trouwens ook een levensveranderende ervaring – nog steeds van geniet als ik eraan terugdenk.’
