
René van Densen (1978) is schrijver, dichter én (hoera!) blogger. In zijn Nederlandse periode was hij nachtburgemeester van Tilburg. In zijn Belgische periode was hij een van de bezielers van Onafhankelijk (Cultuur)Podium voor Pessimisme Droef. Op zijn website verklaart hij zichzelf mafkees. En misschien is hij dat nog wel het meest: zelfverklaard.
René van Densen is zo zelfverklaard dat hij een gevelgedicht op zijn eigen huis heeft. Hij is zo zelfverklaard dat hij VDAB-medewerkers aan werk helpt. Zo zelfverklaard dat hij al weet hoe zijn afgerond oeuvre eruit gaat zien.
“Zes stripboeken, zes verhalenbundels en zes poëziebundels, waarbij alles bij elkaar wordt gehouden door een roman. Nog een bundel kortverhalen, een poëziebundel en een halve roman te gaan. Misschien tweederde, afhankelijk van de totale lengte. En als iemand iets voor een bloemlezing wil gebruiken, ga ik natuurlijk niet moeilijk doen.”
Ik moet denken aan een mopje van Herman Finkers over een waarzegger. ‘Gebeurt er u nu nooit iets onverwachts?’ ‘Jawel hoor, morgenavond nog.’
Maar misschien moet ik volgens verwachting beginnen, met de eerste vraag.
Waarom ben je ooit een blog begonnen?
Ik ben begonnen met platformen waarop ik mensen wilde samenbrengen. Mijn eerste website was Probeersel.com, een online community voor striptekenaars. Daarmee ben ik begonnen net voor 2000; ik herinner me nog dat ik door het nieuwjaarsvuurwerk ben gefietst om me ervan te verzekeren dat de milleniumbug geen schade had aangericht. Ik deed dat vanuit een idealistische blik op het internet: mensen over de hele wereld konden ineens met elkaar connecteren en dat zonder gate keeping; iedereen kon dingen plaatsen.
In 2008 heb ik dan Kutbinnenlanders.nl opgezet, waar ik mensen zonder veel ambitie – tekenaars, schrijvers, moppentappers – aanspoor om dingen te delen. Alles kan, zolang er maar geen Holocaust wordt ontkend ofzo. Uiteindelijk zijn het vooral mensen uit mijn eigen kring, waardoor het eerder een links, absurdistisch gezelschap is. Generatie X-ers uit Brabant, die verwachten niet veel meer van de maatschappij.
Hoewel ik me hierin aan het mixen was, wilde ik mezelf tegelijkertijd ook etaleren. Daarom heb ik ook een eigen website gemaakt, waarop ik parallel publiceer. Af en toe probeer ik wel andere dingen voor de verschillende websites te schrijven, maar dat is veel gedoe.
Op sociale media doe je het wel.
Ja, daar maak ik van de mogelijkheden gebruik om meer beeld en video te gebruiken. Maar dan verandert Instagram zijn frame en versnippert alles… Sociale media grijpen in wanneer ze willen, je hebt daar geen controle over. Nadeel van mijn eigen site is dat het soms eenzaam is. Reacties zijn meer iets voor sociale media.
Heb je altijd met beeld gewerkt?
Ja, ik ben begonnen als webtekenaar, maar was eigenlijk altijd al meer met het scenario bezig dan met de tekeningen. Qua tekenvaardigheid zat ik op een gegeven moment ook aan mijn plafond, ik zag hoe goed anderen waren in vergelijking met mezelf.
En als schrijver ervaar je dat probleem niet?
Nee. Ik vind mezelf een redelijke schrijver. Ik ken betere schrijvers en slechtere schrijvers.
Hoe is je schrijven in de loop der tijd geëvolueerd?
Toevallig heb ik mijn archief afgelopen jaar grondig doorlopen om overal audiotracks aan toe te voegen en ontbrekende teksten die ik enkel in mijn boeken had gezet, toe te voegen. Zeker in de verhalen valt wel op dat ik pakweg tien jaar geleden iets satirischer, bozer ook misschien schreef. Alles was meer kortaf en in het belachelijke vergroot. Bij het vervolg is meer empathie in de teksten geslopen. Niet gek, ook in het dagelijks leven ben ik maar een tooghanger die ergens onderaan de maatschappelijke ladder nestelt. Nu vind ik het vooral belachelijk wat de maatschappij allemaal van je vereist. Er is niet zoveel verzet meer, eerder een koddige gelatenheid. De wereld is niet minder belachelijk geworden maar ik knuffel het wat meer in plaats van dat schoppen.
Kort nadat we begonnen met Aanlegplaats leek je blog stilgevallen. Ik herinner me de vreugdeberichten in onze redactie: ‘René van Densen is terug!’
Ja, dat waren de jaren van Droef. Dat slokte al mijn vrije tijd op: vergaderen, posters plakken, video’s monteren, … Toen dat afgesloten was kwamen er direct twee boeken uit.
Wat maakt een blog voor jou echt goed?
Absurdisme trekt me aan, dat maakt het leven leefbaar. Ik heb net een gesprek gehad bij de VDAB. Ik ben nog maar juist mijn baan kwijt en niet van plan werkloos te blijven, maar die mevrouw moet iets met mij doen omdat dat politiek van haar gevraagd wordt. Ze moet een vakje kunnen aanvinken zodat mijn dossier doorgegeven kan worden. Ik houd zeven mensen aan het werk door werkloos te zijn. Dat is toch fantastisch?
Ik ben niet zo van de sterke meningen. Ik houd meer van het beschouwende, het relativerende. Van ademruimte, ook. Ik herinner me die keer dat Adriaan van Dis Matthijs van Nieuwkerk verving bij De Wereld Draait Door. Die man schonk in alle rust een glas wijn uit: heerlijk! Je moet kunnen ademen in je hoofd, je moet je blik kunnen verruimen en ik vind het fijn als je inzicht krijgt in de ziel van de schrijver. Dat hoeft niet het volledig arsenaal te zijn, maar iets van de persoon zien is leuk.
Denk jij niet dat het klopt, dat alle bloggers eigenlijk columnisten zouden willen zijn?
Voor mij alvast niet. Ik ben in het kader van gedichtenweek begonnen elke dag een versje te posten. En dat begint nu al een beetje als productie te voelen. Een column, dat vergeten mensen vaak, is ook productie. Terwijl een echt goed stuk je overvalt. De striptekenaar Charles Schultz zei het al: ideeën zijn als katten. Als je wilt dat ze komen, negeren ze je en als je iets anders aan het doen bent komen ze om je benen draaien.
Een idee komt op de fiets, onder de douche – ik heb zelfs een keer een date onderbroken omdat ik een idee had. Ik ben een stukje papier gaan halen aan de bar. Of het komt zoals bij Charles Bukowski juist op elk moment van de dag, ongeacht hoe hard je moet werken of hoeveel kinderen je hebt, gewoon omdat het uit je vingers bloedt. Hoe dan ook moet je de regelmaat loslaten en schrijven als je iets te melden hebt.
Maar waarom doe jij dan nu die versjes?
Omdat ik wilde kijken hoever ik kwam. Ik houd van experimenten. Als ik iets in mijn hoofd heb, dan moet ik dat doen. Zo ben ik destijds ook aan mijn supermarktgedichten begonnen. Ik keek tussen die advertenties in de supermarket en zag verhalen, genre the saddest short story ‘for sale: baby shoes, never worn’. Toen vroeg ik mezelf af: waarom hangen hier geen gedichten bij? Daar ben ik toen mee begonnen.
Vorig jaar heb ik een project afgerond waarbij ik gedichten heb gemaakt bij een deck speelkaarten dat ik verspreid over drie continenten op de grond had gevonden. Gewoon omdat ik hier op straat eens een kaart had zien liggen. Zo wil ik de verwondering in de wereld brengen. We zijn hier maar voor korte tijd. Als je dan alleen let op kwartaalcijfers, ben je toch dood aan het gaan? We nekken onszelf met allerhande constructies, maar eigenlijk zijn we best een leuke diersoort.
Nu ben ik bezig met badeendjes. Wil je ze zien?
Is er iemand – dood of levend – van wie je graag een blog zou willen lezen?
Nee. Ik vind het wel goed zo.
Kom op.
Als Bukowski een blog zou hebben, zou ik daarvan smullen. Maar zou hij dat hebben willen doen? Hij was een schrijver die heel hard aan papier hing. Hij koos de blaadjes waar hij in publiceerde ook zorgvuldig uit. Tegelijkertijd had hij natuurlijk een enorme uitingsdrang.
Zou hij het commercieel hebben aangedurfd?
Dat denk ik wel; hij móest echt. Dat mis ik een beetje in het literaire landschap: mensen die gedreven over kunst bezig zijn. Als ik afspreek met schrijvers is de toon vaak heel zuur en gaat het enkel over wie wat naar welke literair agent heeft gestuurd en wie er allemaal niet of te laat heeft gereageerd. Zo moesten werklozen eens over hun interimkantoor spreken! Het gaat bijna nooit meer over een mooie passage, over passie voor het schrijven.
Zijn er anderen met wie je dat wel kunt delen?
Zal ik ze categoriseren? Kijk, je hebt ambiërende schrijvers, die zijn vaak nog leuk. Ze experimenteren, zijn gepassioneerd. Tot het moment dat ze manuscripten beginnen uitsturen, dan gaat er iets verloren. Vervolgens heb je de organisatoren. Hoewel ik er zelf eigenlijk helemaal niet van houd om op een podium te staan, ben ik heel blij dat ik ooit in die scène beland ben. Daar zitten heel leuke mensen. Gert Vanlerberghe bijvoorbeeld, van Ballonnenvrees. Hij heeft ook een blog trouwens. Met hem heb ik een soort van friendly rivalry omdat hij eerder wel van de felle standpunten is. En tenslotte heb je de echt dwarse, onhebbelijke mensen die moeilijk in de omgang zijn. De ruziezoekers, type Quinten De Coene. Zij zijn ook leuk.
Er ligt hier al de hele tijd een boek.
Ja, dit is mijn favoriet. Ranonkel van Jacques Hamelink, ik las het als kind. Het gaat over een klein mannetje dat een ranonkel kweekt op de zolder van zijn huis, ver weg van zijn kenau van een vrouw die planten haat. Als zij dood is, begint de plant te woekeren en neem hij het hele huis over én het huis van de buren en vervolgens de hele stad, totdat iedereen in bomen woont en terugkeert naar de natuur. Vervolgens komen er vogels, die beginnen te kakken, waaruit torens ontstaan die weer een stad vormen. Het is een rise and fall van een gemeenschap. De schrijver maakt nergens een overdreven punt; het neigt naar een mening maar het wordt hem telkens net niet. Zalig.
Tijd voor de foto’s. Foto’s waar René – zo lees ik dezelfde dag nog op zijn blog – niet veel om geeft. Dat is ook wel eens fijn.
Buiten werp ik een laatste blik op het gevelgedicht, het is van Van Densens overleden vriend Jackjohannes Hemp, die ook hier in de Brugse Poort woonde. Met mijn hoofd in de nek stap ik achteruit. Het gedicht gaat over de maan, de regen, de zon en de wind. Ze zijn er allemaal vandaag. Soms neigt er een door te breken, maar het wordt hem telkens net niet. Ik trek mijn kraag op en draai me om. Op de hoek van de straat wacht een kat. Als ik passeer, komt ze op me af. Of anders misschien morgenavond.
