Ivo Victoria, het interview

Ruim vier eeuwen na de val van Antwerpen emigreerde Hans Van Rompaey op zijn beurt naar Amsterdam en luidde zo de tweede Gouden Eeuw van de stad in. Hoewel zijn geboortenaam eerder past bij een zuinige penningmeester van een politieke partij die betere dagen heeft gekend. Hans voorvoelde dat het allemaal avontuurlijker mocht klinken en bedacht daarom het prachtige pseudoniem Ivo Victoria. 

Als Hans Van Rompaey heeft hij een verleden in de muziek. Eerst als zanger bij de in Edegem en omstreken legendarische groep Kamino, die zelfs fans in Wallonië en Mortsel telde, en waarvan de platen door NME en Melody Maker met lof werden overladen. Later als persvoorlichter bij Lowlands. 

De muzikale duizendpoot vond zichzelf opnieuw uit en debuteerde als Ivo Victoria in 2009 met het spraakmakende Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Er volgden nog vier andere boeken en talloze columns voor o.m. De Morgen.

Er zijn mensen die beweren dat ze erbij waren toen Joy Division in de King Kong in Antwerpen optrad. Wel: ik was erbij toen Kamino in een tuin in Boechout een machtig concert gaf en bewees dat de echte The Beatles uit Edegem kwamen. Net zoals Ivo Victoria – toen nog Hans Van Rompaey – er op zijn beurt bij was toen Royal Antwerp FC die onwaarschijnlijke remonte tegen Vitosja Sofia maakte en in de laatste vijf minuten een 1-3 achterstand omboog in een 4-3 overwinning. Enkel de laatste vijf minuten moest Hans missen omdat hij teleurgesteld was afgedropen. Over het missen van de memorabelste minuten uit de geschiedenis van zijn geliefde club schreef Hans – weliswaar als Ivo Victoria – een van de allerbeste voetbalverhalen die ooit in Hard Gras zijn verschenen. 

We hadden in een rustige kroeg in de buurt van Amsterdam Centraal afgesproken. Hoewel we elkaar nog nooit hadden ontmoet, herkenden we elkaar onmiddellijk. Er werden handen geschud de ober nam de bestelling op en na een verkennend gesprek kwamen we meteen tot de kern van de zaak. 

Hoe gaat het met je zus?

Pardon: ik bedoel:

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Dit jaar vier ik een jubileum, want het is exact twintig jaar geleden dat ik met de blog ben begonnen. In die tijd werkte ik voor het muziekfestival Lowlands. Ik was persvoorlichter en kwam geregeld met mijn echte naam, Hans Van Rompaey, in de media. In die pioniersjaren was bloggen erg hip en vermits ik me in mijn vrije tijd een beetje aan het vervelen was, ben ik met behulp van het software programma PivotX een weblog begonnen. Het was echt knutselsoftware. Omdat ik vrijuit over muziek en de wereld waarin ik werkte wilde schrijven, heb ik het pseudoniem Ivo Victoria bedacht, want ik wenste het gescheiden te houden van mijn baan als persvoorlichter. Het idee voor de naam haalde ik uit de film Pulp Fiction waarin een van de personages beweert dat je pornoster-naam een combinatie is van je tweede voornaam én de straat waarin je bent opgegroeid. Mijn tweede naam is Ivo en ik groeide op in de Victoriastraat in Edegem.’

‘In het begin schreef ik voornamelijk korte stukjes van een honderdtal woorden. Kleine observaties. Een neerslag van de gesprekken die ik afluisterde op de trein. Gedachtespinsels. Al snel leerde ik andere bloggers kennen, want die wereld was toen veel actiever dan nu.’

‘Zo leerde ik mensen als Walter van den Berg, Merel Roze, Mirjam de Jonge, San F. Yezerskiy, of Max Molovich online kennen. Ook een van mijn beste vrienden, auteur Rob Waumans, ontmoette ik via het bloggen en Twitter. Samen hadden we tussen 2012 en 2017 Waumans & Victoria’s Groot Internationaal Literair Varieté Spektakel, een literaire varieté show waarmee door Vlaanderen en Nederland trokken. Maar andere bloggers heb ik nooit persoonlijk ontmoet en toch volg ik hun leven al twintig jaar op de voet. Al lezend heb ik vaak het gevoel dat we het goed met elkaar zouden kunnen vinden. Sommige mensen heb ik al twee decennia in de smiezen. Ik ben ervan overtuigd dat virtuele vriendschappen echt bestaan.’

‘In de begindagen was het de gewoonte om commentaar op elkaars stukjes te geven en als je het snedig deed, creëerde je interesse bij nieuwe lezers en op die manier genereerde je trafiek op je eigen blog.’

‘Walter van den Berg debuteerde in 2007 met zijn eerste roman en hij raadde me aan om wat langere stukken te schrijven zodat hij ze aan zijn agent kon voorleggen. Volgens hem hadden mijn teksten potentieel. Dat heb ik gedaan en het werd het eerste hoofdstuk van Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Ik stuurde het op en een paar maanden later had ik een contract voor een boek.’

‘In mijn jonge jaren schreef ik nauwelijks, want ik was altijd met muziek bezig. Het grappige is wel dat ik in de jaren negentig een dagboek bijhield en toen ik daar recent in bladerde, merkte ik dat ik ergens verzuchtte ooit een roman te willen schrijven. Terwijl ik me niet kan herinneren dat ik in die periode met schrijven bezig was. Dankzij de verwoede lezer Bent Van Looy van Das Pop, een groep die bij platenmaatschappij PIAS zat, waar ik rond de eeuwwisseling werkte, ben ik opnieuw beginnen lezen. Hij gaf me een leeslijst en het boek dat helemaal bovenaan stond was Girlfriend in a coma van Douglas Coupland. Het is nog altijd een van mijn favoriete romans.’

‘Wat er nu op de blog staat is een selectie van de meer dan duizend stukjes die ik ooit heb geschreven. Ik heb ze nog wel allemaal, maar ik vond geen handige technische manier om al die verhalen op eenvoudige wijze te importeren. Een aantal hebben we dan maar handmatig overgezet.’

‘Tegenwoordig blog ik slechts sporadisch. Voor mij is de functie van het bloggen: vrijuit kunnen schrijven. Het is een speeltuin waarin ik associatief te werk kan gaan en mezelf door niets of niemand laat tegenhouden. Op dat platform mag ik de mist ingaan. Ik beschouw het als een vrijstaat. Een kladboek. Bovendien is het een manier om materiaal te verzamelen. Toen ik nog regelmatig blogde herlas ik op het eind van het jaar alles wat ik had geschreven en kopieerde alle goede zinnen of stukjes in een document. Het zijn losse fragmenten die niets met elkaar te maken hebben, maar ik kan er telkens uit putten als ik het even niet meer weet of als ik een verrassende wending zoek. Soms put ik ook voor columns uit dat reservoir van losse zinnen.’

‘Bloggen heeft voor mij nog een andere functie namelijk: nieuwe lezers vinden. Volgens mij is het de ideale leerschool om te leren doorgronden hoe mensen lezen, want je krijgt vaak heel directe feedback.’

‘Natuurlijk kwam het deels ook door mijn tweewekelijkse column in De Morgen, die ik vijf jaar heb gehad, dat ik een stuk minder ben beginnen bloggen. Want het kost toch veel tijd. Ik ben ook van strategie veranderd. Tegenwoordig schrijf ik lange lappen tekst op mijn blog en dat is niet goed voor het internet dat vooral korte, snappy stukjes waardeert. Maar het interesseert me niet wat het internet verlangt. Ik wil gewoon mijn zin kunnen doen. Het boek dat ik tegenwoordig aan het schrijven ben is zeer tijdrovend. Maar de vrijheid die je in een blog ervaart is heel moeilijk te reproduceren in een roman.’

‘Hetzelfde geldt voor columns die je binnen een rigider kader schrijft. Zo moest mijn column een reflectie op de actualiteit zijn.’

‘Tegenwoordig lees ik niet meer zoveel blogs. Of er andere columnisten zijn die me inspireren? Als ik vastzit en even de juiste vorm niet meer vind, lees ik altijd een paar columns van Frank Heinen of Marja Pruis. Omdat ze allebei het talent hebben om op de kleine ruimte grote gedachtensprongen te maken. Ze vertrekken steeds vanuit hun persoonlijke leefwereld. Als ik het kleine met het grote kan verbinden, stemt met dat oprecht gelukkig; zoals die column over mijn dochter die een noodpakket in huis wil halen omdat ze zo gefascineerd is door de transistorradio. Dán kun je vanuit het persoonlijke een groot thema aansnijden. Dat is het mooiste. Marja Pruis doet dat wonderlijk goed. Vanuit haar eigen knulligheid de grote dingen des levens overschouwen en daarin grote sprongen maken. Als haar lees geraak ik geïnspireerd en realiseer ik me dat ik het ook op die manier kan doen.’

‘Wat Marja Pruis tweewekelijks in De Groene Amsterdammer schrijft lijkt allemaal heel natuurlijk, heel spontaan. Maar waarschijnlijk zit ze er lang aan te schrijven. Dat hoop ik dan toch tenminste (lacht).’

‘Voor mijn columns maak ik op dinsdagmiddag een schets en dan schrijf ik ze woensdagochtend na het hardlopen uit. Tijdens het lopen krijgt het stuk vorm in mijn hoofd en dan rolt het er zo uit. Hoewel ik er de daaropvolgende uren nog lang aan zit te pielen.’

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Over die vraag heb ik niet echt goed nagedacht (lacht).’

Denkt lang en goed na.

‘Ik heb een tijdje de betalende substack van Jeff Tweedy, de zanger van Wilco, gevolgd. Waar ik veel van heb opgestoken is van zijn dun boekje How to write one song – waarin Jeff Tweedy schrijftrucjes geeft maar ook nadenkt over het plezier dat erin schuilt om iets heel eenvoudigs te maken. Een klein gedicht. Het noteren van een observatie. In gedachten een associatiespel spelen. Het is, zou je kunnen zeggen, in een soort van blogvorm geschreven. In elk hoofdstuk snijdt hij een ander thema aan. Maar hij denkt vooral op een erg mooie manier na over wat het betekent om iets te creëren.’

‘Ik ben altijd jaloers geweest op blogs die een duidelijke focus hebben en waar het onderwerp en de vorm helder afgebakend zijn. Zelf ben ik een inconsequente blogger. Het ontbreekt me eenvoudigweg aan de discipline om het consequent vol te houden.’

‘Maar om op je vraag terug te komen: ik zou het tof vinden mocht bijvoorbeeld een Kevin De Bruyne bloggen. Maar dan: all the way. De voetbalwereld, is net als die van de muziek, gesloten. De kleedkamer blijft altijd dicht. Je krijgt er nooit echt je vinger achter. Het zijn werelden waar je vanbinnen uit eens alles over zou willen vernemen. Misschien is de materiaalman van Manchester City daarom wel een interessantere keuze dan Kevin De Bruyne. Gewoon mensen die vanuit hun perspectief de gang van zaken binnen een club belichten.’

‘Toen ik in het bandje Kamino speelde waren we allemaal fan van Mixerman, een blog van een anonieme studiotechnicus die met een grote groep in de studio zat. Zonder dat hij zei om welke het ging. Het waren allemaal enorme ego’s. Zijn dagelijkse stukjes waren pure Spinal Tap. Later bundelde hij de anekdotes in een boek dat hij in eigen beheer uitgaf. Het was zo goed, zo grappig en zo droog opgeschreven. Mixerman.net is nog altijd een cult fenomeen in de internationale muziekwereld. Studiotechnici, materiaalmannen van een ploeg: dat zijn mensen die aan de zijlijn staan en alles zien gebeuren.’

Wat maakt een blog goed?

‘Wat alle proza goed maakt. Stijl en persoonlijkheid. Vormgeving is voor mij minder belangrijk. Alleen moet de tekst voldoende ruimte krijgen zodat het prettig leest. Van belang is niet zozeer wat je vertelt, maar de manier waarop je het vertelt. Het gaat om de blik van de schrijver. Dan kan het kleinste faits divers een geweldige blog opleveren.’

‘Welke schrijvers ik graag lees? Er zijn er een paar waarvan ik in de agenda zet als er een nieuw boek van hen uitkomt. De Argentijnse Mariana Enriquez is zo iemand. Ze schrijft geweldige, donkere kortverhalen die zich grotendeels afspelen in het hedendaagse Argentinië – terwijl de schaduw van de dictatuur van vroeger op de achtergrond voelbaar aanwezig is.’

‘Alessandro Baricco is ook zo iemand waarvan ik de nieuwe boeken onmiddellijk lees. Zijn romans zijn wonderlijk sprookjesachtig. Slim, geestig, en erg goed.’

Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman heb ik gisteren uitgelezen. Heel mooi. Heftig natuurlijk.’

‘Ik lees vooral om na te denken. Ik heb steeds een notitieboekje bij de hand. Enkel op vakantie durf ik weleens een bestseller die er lekker ingaat te verslinden. Maar ik lees vooral heel veel in functie van wat ik zelf aan het maken ben. Boeken die mij verrassen interesseren me meer dan boeken die echt goed zijn. Soms hou ik liever van een mislukte poging dan van de volmaakte roman.’

‘Een kleine mislukking die me intrigeerde was bijvoorbeeld Oorlog en oorlog van Nobelprijswinnaar László Krasznahorkai. Het is een boek waarbij de zinnen en niet de  hoofdstukken zijn genummerd. Er zitten er korte tussen. Maar sommige zinnen zijn pagina’s lang. Qua vorm en schrijftstijl is het virtuoos, en waanzinnig goed gedaan. Terwijl het boek uiteindelijk niet brengt wat ik ervan had verwacht. Net als zijn familienaam vergen zijn romans heel veel van de lezer. Daar hou ik van. Het is een slimme vorm. Black Venus van Jef Geeraerts heb ik gelezen omdat ik nu met een boek bezig ben dat zich in Congo afspeelt. Die eerste pure stream of consiousness pagina’s van Black Venus zijn in technisch opzicht echt overweldigend goed. Hoewel er inhoudelijk heel veel op valt aan te merken, natuurlijk.’

‘Mijn eerste vijf boeken heb ik op tien jaar tijd geschreven. Maar aan dit laatste – dat hopelijk volgend jaar verschijnt – zal ik in totaal vijf jaar gewerkt hebben. De eerste vijf vormen een soort van cyclus. Alles is oké is in feite de afronding van Hoe ik nimmer de Ronde van van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Daar tussenin zat Dieven van vuur, een generatieroman over Antwerpen, die eindigt met mijn verhuizing naar Amsterdam. Deze drie autobiografische boeken worden afgewisseld door twee maatschappelijk geëngageerde romans over hedendaagse angst en radicalisering : Gelukkig zijn we machteloos en Billie & Seb. Daarmee was voor mij een cyclus afgerond en lag de toekomst open.’

Alvorens de tijd om afscheid te nemen is aangebroken, hebben we het over de cafés waar Ivo Victoria vroeger rondhing, zoals de Pallieter in Antwerpen. Artistiek Antwerpen verbeterde er tijdens hoogoplopende nachtelijke discussies aan de toog de wereld en de jonge Ivo was er zo’n vertrouwd gezicht dat een foto van hem samen met zijn boezemvriend er jarenlang tussen die van Jan Decleir en Koen Wauters prijkte.

Tegenwoordig bezoekt Ivo vooral Café De Druif, een van de oudste kroegen van Amsterdam. Maar tijdens zijn beginjaren hing hij regelmatig rond in Café De Pels, dé plek waar op hun beurt de Amsterdamse nachtraven al van vroeg in de middag hun Weltschmerz trachten te verzachten met cafeïne en alcohol. Kuierend door de stad wandelde ik er voorbij en aangetrokken door de talloze verhalen opende ik de deur. De kroeg zat echter afgeladen vol. Nergens was er nog een plekje vrij. En alweer bewees de Grote Boechoutse filosoof Hugo Matthysen dat hij, meer nog dan W.F. Hermans, altijd gelijk heeft. Zijn zin ‘Wie schrijft die blijft graag hangen in cafés‘ bleef de hele treinrit terug naar huis door mijn hoofd spoken.

Gepubliceerd door Jo Komkommer

Ik werd geboren in 1966 in Wilrijk, maar gelukkig verhuisden mijn ouders al vrij snel naar het mondaine Berchem. Na een onopvallende carrière als linksachter bij SK 's-Gravenwezel werkte ik enkele jaren als reisleider in de Dominicaanse Republiek en de Verenigde Staten. Daar kwam ik in de lobby van een Holiday Inn in San Francisco Jolanda Cats tegen en het was liefde op het eerste gezicht. We zwierven nog even rond, kregen een dochter Zoé, kochten een huis in Antwerpen en trouwden. Ik werk sinds meer dan twee decennia in een stijlvol boetiekhotel met een haast even mondaine uitstraling als het Berchem uit mijn kinderjaren.

Plaats een reactie