
Schrijvers, zo is algemeen geweten, schrijven om hun diepste angsten op afstand te houden en – dat is het gekke eraan – ze tegelijkertijd heel dichtbij te halen. Voortdurend steken ze het hoofd door de tralies van de leeuwenkooi, pen in de aanslag.
Soms keren ze daarvan terug, zoals Ivo Victoria in een werkelijk hemels stuk beschrijft, soms maken ze de angst klein door andere, nog grotere angsten op te roepen, zoals Rein Hannink in een godverlaten grot. En soms, het is niet anders, zien ze het onder ogen: ‘Tsja, wat zal ik zeggen. Ik zal er toch een keer mee moeten ophouden.’ zo legt Ingrid Van der Graaf Remco Campert in de mond.
Want het is de angst voor de dood, die tegelijkertijd – schrijvers koesteren nu eenmaal hun innerlijke tegenstrijdigheden – de angst voor het leven is.
‘Ik was zo dichtbij mijn onderwerp gekomen als maar kon, en nu stond ik daar te staan, en te kijken, en me in te beelden hoe hij daar stond en keek, en er gebeurde niets, en gek genoeg was dat prima. Er kwam geen quasi-diepzinnige platitude in me op die van pas kon komen op een literair avondje. Geen slimmig thema om bezopen te debiteren in een halflege kroeg ten behoeve van een eenzame kunstschilder. Er gebeurde niets.‘
uit: Terug van Ivo Victoria
‘Nu ontdekken ze een passage naar het droge stelsel. Ze vinden voetafdrukken. En stuiten op Peters lichaam. Hij blijkt… verhongerd. Zijn fles bevat voldoende zuurstof voor de duik terug, maar dan had hij de kabel moeten vinden. Dat risico heeft hij kennelijk niet aangedurfd. In nauwe passages worden sporen van hem aangetroffen. In een grotwand is zijn afscheid aan loved ones gekrast. Drie weken heeft Peter het uitgehouden. In complete duisternis. Omringd door geesten van de oermens.‘
uit: Duiken in je diepste angst van Rein Hannink
‘Er stond een tafel bedekt met een kleed waarop een enorme hoeveelheid boeken en manuscripten. Daartussen zag ik de dichter. Achter een typemachine. Hij was gekleed in een kamerjas met goudglans, zijn haren zorgvuldig over zijn schedel gedrapeerd. Ik wilde hem vragen of schrijven zijn levenselixer was en of het dan wel verantwoord is ermee te stoppen. Maar ik durfde niet. Zelfs in dromen kan domme bescheidenheid mij parten spelen. Wel dorst ik zwijgend een bundel papieren, wat een manuscript leek, van een hoek van de tafel te pakken. Er stond geen woord in.
uit: Steeds meer wit op Werk in Uitvoering
