
De allereerste keer dat ik een stuk van Philippe Clerick las, dacht ik dat Karel van het Reve uit het dodenrijk was opgestaan en naar het Vlaamse hinterland was verhuisd. Philippe hanteert namelijk dezelfde ironische schrijfstijl als de Geleerde Broer van Gerard en weet zijn lezers voortdurend te verrassen met originele gedachten en onvoorspelbare invalshoeken. Al na enkele paragrafen sloeg mijn leesplezier om in bewondering, want Philippe kan wat ik nooit zou kunnen: goed onderbouwde beschouwende stukken over de actualiteit schrijven en die larderen met heerlijke uitweidingen en faits divers uit zijn persoonlijk leven.
Hoewel er uitzonderingen zijn voelt het lezen van opiniebijdragen voor mij meestal aan als huiswerk, maar niet zo bij Philippe Clerick – wat in zekere zin ironisch is omdat hij vijfentwintig jaar lang in het onderwijs stond en zeer beslagen was in het uitdelen van huiswerk. Wat had ik graag van hem les gekregen, zeker als zijn verstrooidheid hem naar zijsporen voerde en hij zijn leerlingen verhalen opdiste over de grote en mindere grote namen uit de culturele wereld.
Op een zaterdag in januari belde ik aan bij het appartement van het echtpaar Clerick op de zeedijk in Oostende en een goedlachse zestiger verwelkomde me hartelijk. In een hoek wachtte een piano op de ultieme versie van de aria uit de Goldbergvariaties. In de bibliotheek stonden – naast werken van o.m. Willy Spillebeen en Arthur Schopenhauer – alle boeken van Karel van het Reve en toch miste ik iets…
‘Thuis in Keerbergen heb ik uiteraard ook de zeven delen van zijn Verzameld Werk staan’, stelde Philippe mij gerust over de opvallende lacune in zijn bibliotheek.
‘Wil je koffie drinken?’
Ik knikte bevestigend en Philippe toog aan het werk. Waar een doordeweekse barista genoegen zou nemen met het op de man af te vragen of je je koffie met melk of suiker drinkt, onderscheidde Philippe zich van gewone stervelingen door eerst met een zwarte kop koffie uit de keuken te voorschijn te komen en pas nadien te vragen of ik melk wenste. Eens dat vraagstuk opgelost, verscheen hij opnieuw ten tonele, sloeg op zijn voorhoofd en vroeg of ik misschien suiker in mijn koffie wilde. Pas na het derde bisnummer nam Philippe plaats en terwijl we beiden naar de Noordzee tuurden en Engeland achter de horizon zagen verdwijnen, vuurde ik de eerste vraag af.
Waarom ben je ooit met een blog begonnen?
‘Het idee voor de blog rijpte in de tijd dat ik voor de klas stond en enthousiast vertelde over schrijvers en literatuur. Mijn leerlingen vroegen me regelmatig: ‘Meneer: schrijft u zelf niet?’ Mijn antwoord was steevast: “Ik kan dat niet. Ik kan wel een zin op papier zetten, maar als ik die dan herlees wil ik mezelf ophangen omdat ik het zo slecht geformuleerd vind.” Voor mijn lessen moest ik echter veel didactisch materiaal schrijven. Hetzelfde gold voor de opdrachten waarmee ik de leerlingen belastte. Als ze een opstel moesten maken, gaf ik hen een door mezelf gecomponeerde tekst als model mee. Jaarlijks herschreef ik die en langzaam maar zeker merkte ik dat ik de neiging om mezelf op te hangen kon onderdrukken, dat ik misschien niet zo goed kon schrijven, maar wel nogal goed kon verbeteren, en zelfs dat ik in staat was een tekst zo te verbeteren dat die aanvaardbaar werd voor mij. Dat was de eerste stap in de richting van een blog: het besef dat ik iets kon schrijven dat voor mezelf min of mee door de beugel kon.’
‘Het tweede is de formule van de blog. Door er spontaan tegen te komen en ze te lezen geraak je er vertrouwd mee. Acht jaar geleden ben ik met Clericks Weblog begonnen. Ja, zo recent pas. Ik weet het nog goed want de titel van een van mijn allereerste stukjes luidde: ‘Ik ben nu zestig’ en vandaag ben ik achtenzestig. Toen is het begonnen. Eerst louter op Facebook. Maar ik wilde het beter kunnen vasthouden. Een blog situeert zich een beetje tussen het boek en Facebook. Het heeft een iets permanenter karakter. Lezers kunnen bepaalde zaken opzoeken en terugvinden. Alvorens er zelf een te beginnen heb ik eerst alles van Marc Van Fraechem gelezen. Ik was hem tegengekomen via Karel van het Reve omdat hij op zijn blog wel eens Karel vermeldde. Hij is – net als ik – een grote Karel van het Reve-bewonderaar. Een maand lang heb ik dagelijks stukjes van hem gelezen en na die maand dacht ik dat die formule me wel zou liggen – ook zijn lay-out heb ik grotendeels overgenomen.’
‘In het begin schreef ik erg korte stukjes. Ik wist nog niet helemaal zeker welke richting ik met mijn blog wilde uitgaan. De eerste maanden schreef ik hoofdzakelijk anekdotisch. Zoals bijvoorbeeld een verhaal dat mijn vader elke kerstnacht vertelde over een bepaalde gebeurtenis uit het leven van Marie Antoinette. Ik zocht uit hoe het precies in elkaar zat en schreef het neer zodat ik het zelf beter kon onthouden. Langzaam maar zeker evolueerden de stukjes. En ik denk dat het concept waarbinnen ik schrijf nog steeds aan verandering onderhevig is. Ondertussen heb ik voor mezelf wel een beeld gekregen van wat ik kan en wat ik zeker niet kan. Waar ik goed in ben zijn beschouwende stukjes. Non-fictie. Iets anders moet ik niet proberen.’
‘Binnen het beschouwende genre kan ik goed springen. Al schrijvend associaties maken en verbanden leggen tussen de meest uiteenlopende onderwerpen zoals film, literatuur, familie-herinneringen en die dan allemaal samenbrengen. Soms ben ik gedreven door een bepaalde logica en zie ik niet direct een opening om te springen. Maar ik denk dat mijn geest in het algemeen wel springerig werkt. Ik zal niet zeggen dat ik een ADHD’er ben – hoewel mijn zoon er een is, dus ik zal het wellicht ook in een lichte vorm hebben. Het van de hak op de tak springen van de geest kan een nadeel zijn, maar je kan het ook in je voordeel ombuigen.’
‘Of er mensen zijn die tijdens het schrijven in gedachten over mijn schouder meelezen? In de eerste plaats Karel van het Reve. Zeker op het vlak van taal. Wanneer ik twijfel over een bepaalde term denk ik: ‘Oei, is dat een woord dat hij zou gebruikt hebben?’ Indien het zo is, weet ik voor mezelf dat het zuiver Nederlands is, want van thuis uit ben een dialectspreker. En dus moet ik oppassen. Ook Herman Jacobs leest in gedachten mee.’
‘Soms gebruik ik, ondanks de meewarige blik van Herman Jacobs, graag Engelse of Franse en zelfs – mocht ik ze toevallig kennen – Duitse woorden of slagzinnen. Maar niet het Engels uit de managementwereld. Enkel die woorden die ik zou gebruiken als ik met mijn vrouw of met mijn zoon aan het converseren ben. Woorden die in het Nederlands bestaan, maar sneller in het Engels bij me opkomen. Maar ik ga zeker niet kids in plaats van kinderen schrijven (lacht).’
‘Hoeveel voldoening ik uit mijn bloggen haal? Dat is een moeilijke vraag, want het is tegelijkertijd telkens verschrikkelijk afzien. Terwijl ik schrijf sta ik voortdurend op en loop rond in de woonkamer. Maar het feit dat ik het doe bewijst dat ik het graag doe. Het herlezen van oude stukjes schenkt me voldoening, net als het voortdurend redigeren en herschrijven. Ach ja: ik ben eigenlijk een tevreden mens, een beetje een vulgaire optimist (lacht). Waar ik steeds naar streef is dat mijn teksten moeiteloos lezen en daarom steek ik er veel tijd in, want ik schrijf ontiegelijk traag. Het is maar door er lang over te tobben en in gedachten veel te schrappen dat ik tot het uiteindelijke resultaat kom. Kortom: het is hard werk.’
‘Ik blijf aan mijn teksten schaven. Soms pas ik ze zelfs jaren later aan. Het motto van de blog – ‘Op de fiets valt je van alles te binnen’ – geldt nog steeds, hoewel ik nu minder fiets dan vroeger. Ik ga ervan uit dat iedereen voortdurend in een monologue intérieur met zichzelf verwikkeld is – wat James Joyce in Ulysses heeft proberen te vatten. Als kind was ik een verstrooide professor die voortdurend aan banale dingen dacht en de monologue intérieur uit mijn kindertijd is nog steeds niet gestopt. Zo noteer ik aan de lopende band losse invallen, maar voor ik ze op papier zet, kan er behoorlijk wat tijd overheen gaan.’
‘Daarom zijn die ‘kortjes’ een dankbare vorm voor mij. Niet elke inval leent zich tot een langer verhaal. Zo zal ik ook nooit recensies over films of boeken schrijven, want dan moet je het geheel vatten. Meestal ga ik enkel een bepaalde gedachte – die een recensent in een alinea zou stoppen – uitwerken. En ook – en dat geldt voor de meeste onderwerpen waarover ik schrijf zoals bijvoorbeeld het Limitarisme van Ingrid Robeyns – zal ik niet proberen de hele filosofie onderuit te halen, want dat zou ik niet kunnen. Ik ga beginnen knagen aan een bepaald onderdeel daarvan. Zoals Karel van het Reve heeft gedaan met zijn kritiek op de evolutietheorie (opmerkzame lezers zullen gemerkt hebben dat voor ons elk excuus goed is om de naam Karel van het Reve te laten vallen, nvdr). Veel meer moet ik niet proberen, want veel meer kan ik niet. Ik ben niet geïnteresseerd in dossierkennis. Feiten interesseren mij slechts als ze het globale overzicht betreffen of als ze een theorie of vooroordeel onderuit halen.’
‘Hoeveel lezers ik heb? Per maand zit ik aan een tien- tot vijftienduizend, twintigduizend in een erg goede maand. Ooit was het een pak meer, maar dat hangt van de algoritmes van Facebook af. Op een bepaald moment heb ik mijn lezers op één dag zien halveren. Dat moet een verandering in het algoritme geweest zijn waardoor mijn zichtbaarheid verminderde. Vroeger had ik per stukje ongeveer zevenhonderd lezers en nu zit ik gemiddeld aan een tweehonderdvijftig. Wat mijn ijdelheid streelt is dat ook de oude stukjes blijven leven. Ze worden nog steeds gelezen.’
‘Wat ik waardeer bij anderen en waar ik zeker naar streef is: het moet redelijk geschreven zijn. Daar werk ik aan, hoewel nu minder dan vroeger. In het verleden trachtte ik bijvoorbeeld zoveel mogelijk ‘als-zinnen’ te vermijden. Nu heb ik zoiets van: ‘God ja: er staan drie ‘als-zinnen’ in en desondanks vertrouw ik erop dat de wereld gewoon blijft verder draaien. Maar ik wil natuurlijk wel helderheid en daarom schrijf ik er vaak iets bij. Dat heb ik van Charles Murray geleerd. Als je bij het herlezen van je tekst merkt dat er iets hapert, schreef hij, betekent het dat er iets ontbreekt. Wie Charles Murray is? Een Amerikaanse socioloog. Een libertariër die veel met statistieken werkt en toevallig ook het boekje Raadgevingen van een oude knorrepot heeft uitgegeven waarin hij een hoofdstuk aan de kunst van het schrijven wijdde. Naast helderheid heb ik ook graag dat het origineel is. Dat is wat ik zou verwijten aan twee totaal verschillende columnschrijvers: Marc Reynebeau aan de ene kant van het spectrum en Johan Sanctorum aan de andere kant. Ik heb geen probleem met wat ze schrijven, maar het ligt allemaal zo voor de hand. De kans dat er iets instaat waarvan je denkt: “tiens, hoe verrassend” is verwaarloosbaar klein.’
‘Als je iets probeert te weerleggen moet je het argument van je opposant enigszins au sérieux nemen. Je kunt ermee spotten, of er al badinerend mee aan de haal gaan. Maar je moet steeds de argumentatie zelf voor ogen houden. Je mag het belachelijk maken, maar je moet tegelijk het argument in zijn waarde laten.’
‘Ik wil sowieso blijven bloggen. Of ik mezelf nog ga verrassen? Ik heb al een zekere leeftijd, hè Jo. Wat ik bij mezelf wel apprecieer is mijn springerige geest en het kunnen leggen van onverwachte verbanden. Daar heb ik echt schik in. Het is een van de belangrijkste onderdelen van humor. Twee zaken met elkaar in verband brengen die eigenlijk normaal gezien niet bij elkaar passen.’
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?
‘Over die vraag heb ik lang nagedacht. Wat mis ik? In de eerste plaats zaken die in mijn verlengde liggen: opiniestukjes…’
‘Een eerste naam die me te binnen schiet is die van Luc Van Braekel. Hij is een liberale Vlaming. In de pioniersjaren startte hij met de blog LVB.net waarin hij eigen stukjes publiceerde en artikels van anderen opnam. Nadien emigreerde hij naar Amerika waar hij tegenwoordig als zelfstandig ingenieur werkt. Luc is iemand die bijzonder verstandig is en een ontzettend goed geheugen voor feiten heeft. Hij denkt ook een beetje hetzelfde zoals ik. Ik zou graag hebben dat hij af en toe iets over Amerika schrijft – tot nu toe heeft hij het maar enkele keren gedaan. Als hij zou schrijven: ‘Kijk, bij nader inzien verkies ik Trump boven Biden’ dan zou ik dat ook doen (lacht). Luc Van Braekel maakt nooit redeneerfouten en ziet, dankzij zijn logische ingenieursgeest, onmiddellijk de redeneerfouten bij iemand anders.’
‘Een tweede naam uit mijn ideeënwereld waarvan ik zou willen dat hij met een blog begint is Boudewijn Bouckaert. Regelmatig schrijft Boudewijn korte dingetjes op Facebook en die zijn vaak agressief van toon en worden ontsierd door scheldtirades, maar als hij een groter stuk schrijft – op Doorbraak bijvoorbeeld – is het juist heel afgewogen. Veel afgewogener dan wat ik zou schrijven.’
‘Er zijn er ook een paar die uit de doden zouden mogen opstaan. Spontaan denk ik aan Koenraad Goudeseune. Dagelijks verblijdde hij zijn Facebook-lezers met een sonnet en hoewel ik geen gedichtenlezer ben, las ik die van hem ontzettend graag.’
‘Verder mogen er gerust nog opinieschrijvers die liberaal of libertarisch denken beginnen bloggen. Want pas op, Jo, je kan wel zeggen dat we niet lezen om ons in onze overtuiging bevestigd te zien, maar ik vind het weleens leuk hoor, om iets te lezen dat me bevestigt in mijn overtuiging. Als ik de opiniepagina’s van De Standaard doorneem, staan daar weinig bijdragen in die mijn grote gelijk onderschrijven. Dat is ook niet altijd even prettig.’
‘Hoe mijn overtuiging bondig samen te vatten? Als ik het in één woord zou moeten definiëren is het: centrum-rechts. Al lang speel ik met het idee om een lijst op te stellen van allemaal zaken die ofwel links ofwel rechts zijn. Een verzameling van concepten als het ware zoals: jeugd: links; ouderdom: rechts. Als ik mijn filosofie iets uitgebreider moet verwoorden zou ik zeggen: op economisch vlak zo liberaal als het kan. Maar als het over de cultuurstrijd gaat dan denk ik dat ik in het midden sta, hoewel veel van mijn stukjes die over die thematiek handelen tegen woke gericht zijn. Op cultureel vlak ben ik een centrist, hoewel het niet uit mijn stukken blijkt, want die zijn niet evenwichtig verdeeld. Zo vroeg Tessa Vermeiren me eens waarom ik altijd reageer op de opiniestukken van De Standaard en zelden of nooit ageer tegen Doorbraak. Ze had natuurlijk gelijk, maar het is nu eenmaal niet mijn bedoeling om evenwichtig te zijn, misschien wel in mijn argumentatie, maar zeker niet in mijn doelwitten. Ik moet me achter mijn klavier vooral amuseren. En de mensen moeten ook niet uitsluitend mijn mening lezen.’
‘Qua sympathie ben ik in wezen een libertariër. Hoewel ik met het klimmen der jaren daarin iets gematigder ben geworden. Zoals je weet lees ik dolgraag P.J. O’Rourke. Hij is, samen met Karel van het Reve, voor mij een van de belangrijkste schrijvers geweest om me uit het communisme te trekken. Nadat Karel van het Reve het Geloof der Kameraden had afgezworen, stemde hij de rest van zijn leven socialistisch, maar in zijn diepste kern is hij een libertariër. Maar mijn libertarisme (politieke filosofie die individuele vrijheid en zelfbeschikking als kernwaarden ziet, nvdr) wordt getemperd door conservatisme. Beide stromingen zijn niet hetzelfde. De wereld zit nu eenmaal niet libertarisch in elkaar. Je moet je bij bepaalde zaken neerleggen.’
‘Al lang speel ik met de gedachte om een stuk te schrijven over mijn problemen met het ultra-libertarisme, Wat doet me soms terugschrikken voor de extreem doorgedreven variant ervan? Dat terugschrikken is ingegeven door een conservatieve reflex. Om het met een eenvoudig voorbeeld te illustreren: in onze maatschappij begin je aan een laag startersloon en dat stijgt met je anciënniteit. De negentiende eeuw was op dat vlak libertarischer. Willem Elsschot heeft het eens beschreven: je loon steeg tot je op het hoogtepunt van je productiviteit stond en daarna daalde het weer omdat je minder productief was. Vanuit libertijns-filosofisch standpunt gezien is dat juist. Maar ergens diep in mij voelt dat niet zo goed (lacht). In die zin sta ik graag op de rem. Die anciënniteit-regel is al bij al zo slecht nog niet.’
‘Een opinieschrijver die ik met plezier lees en die gerust zou mogen bloggen is Joël De Ceulaer. Hij zal nooit het aura van een senior writer hebben, daarvoor is hij veel te veel een kwajongen. Maar De Ceulaer kan je verrassen en je zowel langs links als langs rechts inhalen.’
‘Er zijn veel mensen die op Facebook schrijven waarvan ik denk dat ze een blog zouden mogen hebben. Pierre Plum bijvoorbeeld las en lees ik steeds met groot genoegen. Zijn langere stukken van vroeger waren fantastisch.’
‘Wie ik ook graag lees is de districtsburgemeester van Antwerpen… Paul Cordy. Ah, hebben jullie nog samen gestudeerd? Zijn stukjes over geschiedenis zijn meestal zeer goed. Soms een beetje saai – soms iets te veel een geschiedenisles. Maar vaak ook heel onderhoudend en origineel.’
‘Geert Peersman in De Standaard over economie vond ik fantastisch. Helaas ontdekte ik hem pas net voor hij definitief stopte. Peersman hanteerde altijd de globale visie en pikte er niet zomaar een detail uit dat in zijn kraam paste. Hij argumenteerde glashelder. Je kon er geen speld tussen krijgen. En hij is gestopt om meer tijd vrij te maken voor fundamenteel onderzoek – waaruit blijkt dat hij ook echt hard aan zijn opiniebijdragen werkte en ze niet uit de losse pols schreef, blind vertrouwend op zijn vakmanschap.’
‘Iemand die van mij zeker een blog zou mogen beginnen is Eddy Daniëls. Hij is net als ik een gewezen Amada/PVDA-sympathisant. Ik heb hem een paar keer ontmoet op redactiedagen van Doorbraak. Zijn boek De open samenleving en haar nieuwe vijanden, van 2005 al, heeft me over een aantal zaken anders en vrijer doen denken.’
‘En verder ben ik van mening dat iedereen die er plezier aan beleeft een blog moet beginnen.’
Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?
‘In de eerste plaats moet het minstens redelijk goed geschreven zijn. Je moet je best doen. Er zijn mensen die het talent hebben om in één geut iets helder neer te schrijven. Maar als je dat talent ontbeert, moet je aan je teksten werken.’
‘Ten tweede moet het een beetje origineel zijn. Persoonlijk los ik dat op door een bepaalde kant van de zaak te belichten en niet de volledige zaak – want dan zou ik in algemeenheden verzinken.’
‘En dan heb ik graag dat het goed geargumenteerd is. Ik zal je een negatief voorbeeld geven. Zo lees ik op Facebook met plezier de stukjes van Ton van Reen, een gepubliceerd auteur. Hij is bijzonder goed in het ophalen van jeugdherinneringen en kan lang uitweiden over een bepaalde lentedag toen hij zeven jaar oud was. In hoeverre het effectief herinneringen zijn of fantasie valt niet te achterhalen, maar het zijn prachtige stukjes. Soms schrijft hij echter ook een opiniërende tekst – bijvoorbeeld dat Godsdienst onzin is – en dan vind ik hem onredelijk. Onredelijk is niet het juiste woord. Dan ontbreekt het hem aan genuanceerde argumentatie… Nochtans ben ik jaloers op de manier waarop hij het formuleert – want zonder nuance schrijven kan ook een voordeel zijn. Want het gebeurt dat ikzelf me in nuance verlies. Van Reens opiniestukken zijn zeer vloeiend geschreven en toch ontgoochelt mij het gebrek aan originele argumenten.’
‘Kortom: ik heb graag een combinatie van die drie factoren: Dat het redelijk geschreven is, met een originele invalshoek en goed geargumenteerd. Tenminste: als het over opiniërende blogs gaat. Je hebt natuurlijk ook de verhalende blogs, zoals die van jou, maar dan hou ik ervan dat ze een beetje geestig zijn. En je hebt de poëtische blogs die goed vertegenwoordigd zijn op Aanlegplaats. Het zijn bijna gedichten die in woorden een bepaald moment of gevoel proberen te vatten.’
‘In jullie haven staat ook de blog Het ongerijmde van Tom Wouters, die jij ooit de Franz Kafka van Grobbendonk hebt genoemd. Tom Wouters…’ en hier spreidde Philippe zijn handen hemelwaarts, ‘…is wereldklasse.’
‘Humor in een blog: daar ben ik voor. Bij mij heeft humor te maken met ironie. Ik denk dat je me ooit een homo ironicus hebt genoemd. Toch weet ik niet of ik het echt van mezelf heb. Waarschijnlijk is het deels een reactie op mijn dogmatisch kantje. Het feit alleen dat ik indertijd in het Marxisme en de PVDA ben gestapt – en dan vooral dat ik er zo lang in ben blijven hangen – want op je zeventiende communist zijn is niet zo bijzonder. Je had de tijdsgeest mee; het was in de mode; iedereen was het, behalve de mooie meisjes want die zaten bij de trotskisten. Maar het feit dat ik er zo lang ben bij gebleven wijst enerzijds op mijn partizaan karakter en mijn zin om strijd te voeren en anderzijds op mijn dogmatische aanleg. En dan vraag ik me af of mijn ironie en mijn scepticisme niet deels een reactie daarop zijn en dat die ironie en het scepticisme daarna gevoed zijn geworden door mijn ontdekking van Karel van het Reve.’
‘Nog een koffietje, Jo?’
Opnieuw hanteerde Philippe zijn door mindere barista’s afgunstig bekeken systeem en na nauwelijks acht minuten was de koffie klaar. Twee springerige geesten genoten van het uitzicht en wisselden wijsheden van Karel van het Reve uit en de tijd stroomde nog sneller voorbij dan het water naar de Noordzee.
