
Ik ben niet echt meer een blogstruiner. Veel schrijvers die ik nog volg, ook degenen in boekvorm op de leesstapel in mijn toilet, ken ik ook zo wat als Realiteitsmens, als wezen dat zich buiten het huis in de werkelijkheid manifesteert en waar je, al dan niet met een pint erbij, een gesprek kunt voeren. Daar zitten zélfs enkele prettige mensen bij. En onder de prettige mensen zitten zelfs schrijvers wiens woorden ik af en toe eens kan verdragen. Of een schrijver van niet onprettige woorden ook per se een fijn mens moet zijn, daar is uiteraard geen noodzakelijk verband tussen. Sommige van de grootste klootzakken kunnen best aardig schrijven. Oei, ik ben kwijt wat voor interessants ik dacht te willen zeggen over schrijvers in het echt. Ach, meningen zijn voor mensen die zin en puf hebben ze te verdedigen.
Kimme Tigra bestaat bijvoorbeeld als wezen in de werkelijkheid, ik kan daarvan getuigen.
Gisteren zag ik een man in sorbetkleurige broek kotsen op de plaats waar we nu staan. De buurman vraagt of ik de matras van de pas overleden man van de overbuurvrouw wil hebben. Ze zit nog in het plastiek.
Uit Horror op Kimme Tigra’s instagram.
Zijn er zelfs nog blogs of zit inmiddels iedereen op Substack? Of is het internet al volgegenereerd door de AI-systemen? Ik heb schrik van een toekomst waar het internet enkel nog vragen beantwoordt en al het andere dat je in een loze nieuwsgierige zwalk kon aantreffen, verdwenen is. Dat er geen schrijvers meer op blogs publiceren, want niet-informatieve content heeft dan geen waarde meer. Ik krijg trouwens ook jeuk van het woord content, kunnen we afspreken dat nooit meer te gebruiken ? Content maakt mij niet content en is een heel inhoudsloos containerbegrip. Er wordt weinig meer nagedacht over betekenis én mogelijkheid van woorden, artificiële infokots van tropenwoudvretende assistentsystemen verdringt wat ik zo fijn vond aan ons wereldwijde webbetje. Er is weinig connectie meer, en de charme van virtuele bibliotheekkasten is er ook af.
Maar Marc Tiefenthal, die denkt nog over zijn woorden na, en steekt ze overal in de wereldwijde bibliotheek weg – op zijn eigen weblog, op allerlei sociale media, op het door mijzelf gestarte KutBinnenlanders.nl, en, godbetert, inmiddels zélfs op Substack.
Clooney hecht veel belang aan zijn uiterlijk, zijn verschijning. Altijd piekfijn gekleed, allicht in maatpakken, en netjes geschoren.
‘Rien n’est ce qui se ressemble mais cela ne ressemble à rien. Nous en avons un de ces airs.‘
Kijk, deze zin drong er bij hem dan ook meteen diep in. ’s Anderendaags kon hij al de helft ervan reciteren.
Uit Nieuwe uitdagingen (3) op KutBinnenlanders.nl
Ik voelde me vanaf de eerste kennismaking thuis op het internet, in tekstgebaseerde chatrooms van weleer en tussen de HTML-coderegels van de eerste webpagina’s. Maar de dagen van die anarchistische zandbak liggen ver achter ons en inmiddels beheerst de technologie eerder ons dan andersom. AI maakt jobs overbodig en er is zelfs een marktplaats waar AI-systemen mensen in kunnen huren voor de paar fysieke taakjes die ze zelf niet kunnen. De afgeschafte werkkrachten richten zich ondertussen steeds meer op de offline ambachten.
Anton Voloshin, net zo’n Xennial early adapter edoch technoscepticus als ik, ken ik als kameraad en van regelmatig samenwerken aan Droef, het inmiddels ter ziele (cultuur)podium voor Pessimisme. Volo is een gulle auteur die veel aandacht aan anderen schenkt en vaak anderen het voetlicht gunt. Ik kan erg genieten van zijn proza, zeker wanneer zijn humor en menselijkheid er vanaf druipt. Dus is het eens zijn beurt in de spotlight. Ook al vinden we hem daar net in een technologisch getriggerd paniekmoment.
Enkele jaren terug verloor ik m’n telefoon in een taxi. Toen ik hem terug kwam halen bij de politie, zei de baliemedewerkster vrolijk “we hebben u nochtans proberen bellen meneer, maar u nam niet op”, waarop ik een paar keer met de ogen knipperde en vroeg: “op… de telefoon die ik hier kom halen?”. Maar nu is hij niet kwijt, maar dood.
uit: Donderen in Keulen op Onklare Taal
