
Ann De Craemer (1981) is schrijfster. Ze debuteerde in 2010 met Duizend-en-één dromen. Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn, een literair-journalistiek boek over Iran waarmee ze werd genomineerd voor de VPRO Bob den Uyl-prijs. Daarna volgden drie romans, twee boeken over taal, het Groot Vlaams Wielerwoordenboek (ze is fervent wielrenner en wielerfan) én Hersenorkaan, een wonderschoon boek over de gitzwarte depressie die haar in 2017 te pakken kreeg. Ze schreef honderden columns voor o.a. De Morgen, HP/De Tijd, de Krant van West-Vlaanderen en het Nederlandse magazine Onze Taal.
Enkele weken geleden deelde De Craemer via haar Substack haar eerste column uit de boekenbijlage van De Morgen. Ze legt daarin uit dat mensen worden wat ze zijn – en (helaas) niet kunnen worden wat ze niet zijn. ‘Met schrijvers is het zoals met blondines: je bent het, of je bent het niet.’ Ik stel me daar vragen bij en niet alleen omdat ik mijn haar verf, obviously. Geen betere oplossing voor vragen dan een interview.
“’t Is op ’t tweede!” Ann De Craemer wacht me op aan de trap en omhelst me. “Zo leuk dat je er bent. Het gebeurt niet vaak dat er iemand van Antwerpen naar Tielt komt voor een interview.”
Haar appartement is licht en ruim. “Rachelleke!” Ann plooit zich over de zetel om kat Rachel in te lichten over het gearriveerde bezoek, die voorlopig besluit niets met deze informatie te doen. “Eerst woonde ik meer in het centrum, naast het rusthuis waar mijn grootmoeder tot het einde van haar leven had gewoond. Dat rusthuis breidde uit, werkmannen lieten eten achter en daar kwamen katten op af. Ik had er wel tien aan mijn raam staan, waaronder Rachel en haar moeder. Rachel heb ik negen jaar geleden tam kunnen maken. Had ik een huis met een tuin, ik had er beslist tien rondlopen, en had ik veel geld, dan opende ik een kattenasiel. Op mijn Instagramfeed zie ik naast veel Amerikaanse politiek vooral schrijvers en katten. Dus ja, ik ben geworden wat mijn vriendinnen al zagen toen we achttien waren: crazy cat lady, zonder man of kinderen (lacht).”
En schrijfster.
“Ja, dat weet iedereen in deze stad, en vaak roepen mensen op straat ‘Aan het schrijven?’ En dan roep ik terug: ‘Altijd, hé!’ Ik heb in Brussel gewoond; ik hou ontzettend veel van grote steden en ga er altijd op reis, maar dit is en blijft thuis. Ik hou van het vertrouwde. Nadeel is dat als ik eens in een slordige homebroek buitenkom, iedereen het sowieso heeft gezien – niet dat ik me daar iets van aantrek (lacht).
Ze is bezig aan een nieuw boek waarvan de eerste versie gisteren naar de uitgever ging, al voegt ze eraan toe dat ze wel wat schrik heeft voor de toekomst van de roman en het boek in het algemeen.
‘The novel is a dying animal’, zei mijn favoriete auteur Philip Roth al een hele tijd geleden. Schermen hebben echt iets met onze aandachtsspanne gedaan. Mensen lezen meer dan ooit, denk ik, maar altijd korte stukjes. Posts, captions bij foto’s… als we een artikel lezen staat erbij wat de leestijd is. Dat verklaart volgens mij voor een stuk wel de populariteit van blogs en Substacks. Ik zag een post van Rutger Bregman waarin hij vertelt dat hij bezig was aan een nieuw boek over impact, ondertussen bedacht dat een boek niet meer het juiste middel is om dat te bereiken – en besloot om met een Substack te beginnen. Als iemand die zo’n succes heeft met zijn boeken dat al doet…
Anderzijds blijft het verlangen om uitgegeven te worden ook leven bij Gen-Z, zie je dat een klepper en een ‘moeilijker’ boek als Corpus Britney van Dominique De Groen heel veel succes heeft, en dat de wereldberoemde zangeres Dua Lipa een online boekenclub heeft. De jonge Brit Jack Edwards is op de socials misschien wel de meest invloedrijke boekeninfluencer ter wereld geworden; als hij een boek aanprijst, gaat de verkoop de hoogte in. Dus te pessimistisch over de toekomst van het boek wil ik ook niet worden. Misschien komt er zelfs een tegenbeweging met alle AI-rommel die we op onze schermen te zien krijgen.
Waarom ben je met een Substack begonnen?
Van 2011 tot 2021 heb ik een column gehad bij De Morgen – wat tegenwoordig heel lang is. Toen me werd gezegd dat ze ermee wilden stoppen vond ik dat eerst heel erg; het was een klap in mijn gezicht. Maar na de shock kwam de bevrijding. Ik hoefde niet meer twee tot drie keer per week ergens iets van te vinden! Ik ben dan vrij snel op de kar van Substack gesprongen om daar eerst wekelijks ‘Mijn week in Woorden’ te posten, maar ik merkte dat ik snel weer in de valkuil van elke-week-een-mening trapte. Nu probeer ik echt alleen maar iets te schrijven als ik er zin in heb.
Met meer dan 500 abonnees heb je een populaire Substack. Is er ook veel interactie?
Ja, best wel. Alhoewel het vaak Nederlanders zijn die hun reacties direct onder de post zetten. Vlamingen doen het soms liever via een bericht: ‘Ik zal het even hier vertellen, echt goed wat je schreef’ (lacht). Ik schrijf wel eens fel tegen het steeds rechtsere beleid in ons land, en sommige mensen zijn bang om dan openbaar hun steun voor mijn mening te betuigen.
Ik denk dat het steeds moeilijker wordt om columns te schrijven nu de tenen alsmaar langer worden. Ik las de reacties op Facebook onder mijn columns van De Morgen al nooit en het is sindsdien alleen maar verergerd. Te veel mensen denken dat hun mening evenveel waard is als die van een expert en verkondigen die met de grootste stelligheid – en met heel veel taal- en tikfouten. Iedereen schrijver, iedereen opiniemaker, iedereen expert. Respect voor schrijvers als Jeroen Olyslaegers die zich hier niet door laten afschrikken; anderen schrijven nooit over politiek. Dat is een keuze natuurlijk, maar zelf hou ik wel van schrijvers met een mening en engagement.
Als je Substack een sociaal medium mag noemen, dan is het veruit het beste. Het algoritme is minder dwingend, de meningen zijn beter onderbouwd doordat er meer ruimte wordt genomen voor nuance en er wordt beleefder met elkaar in gesprek gegaan. Wat ik ook tekenend vind, is dat veel journalisten een Substack hebben om hun werk te delen, los van de soms makkelijk verteerbare content die ze maken voor de media. Vreselijk woord, content.
Beweging bij de zetel. “Rachelleke? Kom ne keer kijken,’ t is een lieve mevrouw.” Lief, lief, dat zal ze zelf wel bepalen.
Wanneer is een blog in jouw ogen echt goed?
Het mag over eender wat gaan, als het maar goed geschreven is. Een goede vertelstem. Als ik geraakt word, mee ben. Literair, non-fictie mag allemaal, als het maar blijft boeien. Ik kan enorm genieten van De Weekstart van een zekere Charlotte, die een kantoorbaan heeft maar graag wil schrijven en elke maandag een lang stuk publiceert. Die ambitie, die discipline, dat herken ik.
Qua non-fictie volg ik bijvoorbeeld Fredo De Smet, die op zijn Substack The Long Term Society goed doordachte stukken over AI schrijft. En Jamal Ouariachi geeft elke week een schrijfcursus, fantastisch! Er is mij al zo vaak gevraagd om creatief schrijven te doceren en dan denk ik: ‘wat moet ik die mensen gaan vertellen?’ Dat schrijven is altijd vanzelf gekomen dus ik zou oprecht niet weten hoe ik mensen kan uitleggen hoe het moet – alleen dat ze zoveel mogelijk boeken moeten lezen. Maar van Jamal word ik echt blij. Elke zaterdag gaat hij dieper in op personages, of analyseert hij Proust… Daar heb ik al veel op gereageerd.
Openbaar?
Ja, daarin ben ik meer een Nederlander (lacht). Moet je horen: Margaret Atwood heeft ook een Substack. Dat op zich vind ik al geweldig, zij is echt een monument en hoeft het niet – zoals ik – te doen om haar publiek te bereiken of uit te breiden. Maar toch zijn bijna al haar posts gratis! Dan publiceert ze bijvoorbeeld een gesprek tussen haar en Claude, de AI-assistent. Ze had in een lang gesprek vanalles over zichzelf verteld en gevraagd wie dat kon zijn – Claude had het geraden. Hoe dan ook, ik kon laatst niet slapen en begon op mijn gsm te scrollen. Zie ik een oproep van Margaret Atwood: ze had iets geschreven maar wist niet zeker of het gepost was én wist niet of er een mail verstuurd was met die post. Het was al een uur geleden gevraagd, niemand had iets gezegd. Dus ik: ‘Ja hoor Margaret, we hebben de e-mail gehad.’ (lacht)
Ann Telnaes, de cartooniste van The Washington Post die ontslag had genomen omdat haar kritische tekening over Trump niet werd gepubliceerd, is ook op Substack gegaan. Haar cartoons zijn gratis te zien, voor de visie erachter moet je betalen. Ze heeft nu zoveel abonnees dat het haar voornaamste broodwinning is – en ze bereikt meer mensen dan voorheen.
Rachel zit naast de zetel. Er is oogcontact. Van mijn kant. Rachel zelf ziet iets superinteressants een halve meter links van mij.
Wist je echt altijd al dat je een schrijver was en wilde publiceren?
Ik heb – net zoals iedereen die schrijft, daar ben ik van overtuigd – altijd de wens gehad gelezen en gepubliceerd te worden. Van in het middelbaar wist ik dat ik schrijver was, maar ik heb dat nooit gezegd. Ons gezin leefde van één loon, mijn vader werkte hard in de fabriek om mijn zus en mij te laten studeren en ik voelde wel dat daar de verwachting tegenover stond om een ‘echt beroep’ te doen. Ik ben na mijn studie Germaanse taal- en letterkunde dan journalistiek gaan studeren in Brussel, maar ik vond de lessen zo onnozel dat ik na twee weken midden in de les ben weggelopen. We moesten als een van dé prioriteiten de eerste week leren om in de microfoon te spreken, terwijl journalistiek toch om andere dingen gaat (lacht). Toen ben ik Amerikanistiek gaan doen en ben ik zo de journalistiek ingerold.
Tot dan had ik nog altijd nooit uitgesproken dat ik wilde schrijven. Toen ik begon met columns voor de Krant van West-Vlaanderen werd het langzaam duidelijk. Ik ging naar Iran, schreef daarover voor De Standaard, maakte er een boek over bij Lannoo en dan is het heel snel gegaan. Het manuscript voor mijn eerste prozaboek heb ik naar Harold Polis bij De Bezige Bij gestuurd en dezelfde dag nog kreeg ik antwoord: ‘Ik ga dat uitgeven.’ Onwaarschijnlijk. En ja, toen was het: ‘Oei, ons Ann schrijft.’
Hoe belangrijk is het persoonlijke voor jou in je schrijven?
Ik ben geen echte fictieschrijver in de zin dat ik verhalen verzin of verhalen die ik zelf meemaakte of ken opsmuk. Ik heb altijd mezelf als kapstok gebruikt. Ik ben de verteller, maar vertel daarmee over iets dat groter is dan mezelf. De kerk, volkscultuur, de koers.
Er is me weleens verweten dat ik moet loskomen van mijn kerktoren, maar wat is dat, de kerktoren? Antwerpen heeft er ook een, de Onze Lieve Vrouwe Kathedraal, maar het is blijkbaar geen probleem als mensen romans over Antwerpen schrijven (lacht). Mijn eigen vertelstem en de plek waar ik woon heb ik altijd als kaptstokken gezien om iets over een mentaliteit en een milieu te vertellen. Gabriel Garcia Marquez en Philip Roth hebben haast altijd over dezelfde plek geschreven. De kritiek op mijn ‘kerktoren’ is trouwens alleen ooit in Vlaanderen gevallen, en nooit in Nederland – misschien omdat ze daar geen beeld hebben van waar ik woon, of er niet meteen een gevoel bij hebben.
Je zegt dat je jezelf als kapstok gebruikt. Hoe verhoudt dat beeld zich tot het boek Hersenorkaan, waarin je zeer persoonlijk getuigt over je depressie?
Ook dat heb ik niet geschreven vanuit een drang mezelf bloot te geven. Drijfveer daar was de vaststelling dat er heel weinig Nederlandstalig literair verslag over depressie bestond. Wetenschappelijk werk heb ik gelezen hè, over het belang van sporten, van medicatie – en soms komt het zijdelings aan bod in romans. Maar ik kon weinig literairs vinden dat echt ging over hoe het is om een depressie te hebben. Ik dacht: als ik er maar één mens mee kan helpen, is het het waard.
Als ik geen schrijver was geworden, was ik graag dokter geweest. Mijn favoriete hobby is dikke medische literatuur lezen, ik kan me daar echt uren in verdiepen, boeken over anatomie, het brein. Als ik in een ziekenhuis kom, voel ik dat ik dat echt graag gedaan had; ik ben jaloers op elke dokter die ik daar zie rondlopen (lacht). Ik wilde het al worden toen ik in het eerste middelbaar zat, maar ik had geen talent voor wetenschappen, dus dokter worden heb ik snel uit mijn hoofd gezet. Met Hersenorkaan had ik wel het gevoel van: ik wil mensen vanuit mijn eigen ervaring helpen; ik wil hier een steentje bijdragen aan de zorg voor de medemens die zo belangrijk is in het leven en die dokters elke dag kunnen uitoefenen – dat is écht het mooiste beroep ter wereld. Nog altijd krijg ik minstens één keer per maand een berichtje van iemand die iets aan Hersenorkaan heeft gehad, die is beginnen wandelen, of fotograferen. Het mooiste bericht kreeg ik van een mevrouw wier zoon depressief was en zichzelf opsloot in zijn kamer. Ze heeft hem mijn boek gegeven en gezegd ‘lees dit’. Daarna hebben ze er voor het eerst over gepraat.
Actief negeren vraagt zijn tol. Rachel moet echt even gaan liggen. Haar achterkant is prachtig.
Wie zou er wat jou betreft een blog moeten beginnen?
Sarah de Koning, die met Tekstielen een prachtige dichtbundel heeft geschreven – ik zou graag een blog van haar zien als de vrouwelijke tegenhanger van Steven Van Ammel, die schrijft over zijn wedervaren als boekverkoper voor De Standaard en op zijn socials. Sarah de Koning werkt voor boekhandel Paard van Troje en ik zou graag haar blik op het leven zoals het is in de boekhandel zien.
En Barack Obama, ik ben zot van Obama. Je zou kunnen zeggen dat ik daar… ik ben daar misschien wel een beetje… nee: ik ben daar verliefd op, klaar. Als ik voor de keuze gesteld word of ik liever een beer of een man in een donker woud tegenkom, ga ik voor de beer, maar Obama is een van de mannen voor wie ik een uitzondering maak (lacht). Hoe hij spreekt, dat warme, dat persoonlijke, my fellow Americans, dat engagement, die inzet. Hoe hij met kinderen omgaat, hoe hij met dieren omgaat… Toen er iemand in zijn publiek flauwviel, stopte hij met spreken en riep om zijn eigen dokter. Toen er iemand in het publiek van Trump flauwviel, deed hij alsof er niets aan de hand was. Een regelrechte nachtmerrie, toen die herverkozen werd.
Waarom ben je Amerikanistiek gaan studeren?
Ik ben gek op Amerika. Ik ben een grote jazzliefhebber, ging in Gent heel graag naar jazzcafé Damberd – en ook mijn favoriete schrijvers zijn veelal Amerikaans. John Steinbeck, Ernest Hemingway, Philip Roth… Het heeft iets pathetisch en clichématigs, maar The American Dream spreekt mij ook echt aan. Natuurlijk is Amerika imperialistisch en is er vanalles op aan te merken, maar het fascineert me.
Het wollige hoopje op de zetel is te verleidelijk. Rachel heeft geen gelegenheid om zich een houding aan te meten. Ze ondergaat mijn toenadering en laat zich aaien. Het is heerlijk. Tegelijkertijd weet ik dat dit een kamikaze-oefening was. Katteneer wreekt zich, mijn minuten op haar grondgebied zijn geteld.
Enkel nog de foto met het favoriete boek. Ann De Craemer loopt naar haar kast en komt terug, niet met Steinbeck, Roth of Hemingway, maar met In mijn hoofd zwemmen vissen van Tom Wouters.
Waarom dit boek?
Het is een boek dat ik zelf nooit zou kunnen schrijven, vol absurdistische verbeelding. Een experimenteel boek dat nergens experimenteert om te experimenteren. Je voelt dat die mens zo is. Als hij schrijft dat er een Parijse wijk in zijn schoen zit, toevallig exact die waar hij met zijn vrouw is geweest, geloof ik hem! En als hij schrijft over iemand die elke dag een rijstkorrel meer eet, een zinloze onderneming die alsnog grote proporties aanneemt – en je daarna merkt dat Wouters bij elke zin een woord extra heeft gebruikt, weet je dat je een huzarenstukje aan het lezen bent.
En, ik haat het woord, maar ik vind het ook een echt zomerboek.
Tijd voor het afscheid. Rachel opent één oog. Met lichte tegenzin slof ik richting kathedraal van Antwerpen, zonder slordige homebroek, maar als een opgewekte veertiger met geverfd haar die uit het appartement van Ann De Craemer een verwarmd hart mee terugnam.
