Mannen met leesbrillen (vangst #280)

Iedereen moet ooit debuteren. Zo ook Ingrid van der Graaf die recent op haar blog Werk in uitvoering de allereerste column die ze ooit voor Literair Nederland schreef opnieuw publiceerde. Het is een stuk uit 2012 waarin ze ons meeneemt naar de tijd dat ze als een groupie een later beroemd geworden dichter adoreerde. Haar talent was van meet af aan duidelijk. Het is meeslepend en mysterieus geschreven. Helder en toch ongrijpbaar. En achter de lichtvoetige stijl schuilt een zekere zwaarmoedigheid. Kortom: een geboren columniste.

Ingrid Vanderkrieken reflecteert in haar verhaal ‘In de vissenkom – grenzen‘ over ouder worden en doet dat knap en troostrijk. Het is een thema waar ik als zestiger ook mee zit en dankzij het haar stuk kan ik er weer enkele decennia tegenaan.

Onlangs werd de Nederlandse schrijver Marc Reugebrink geïnterviewd door Amedeo Durnez voor diens boeiende podcast ‘We moeten het over literatuur hebben‘. Wat me onmiddellijk voor Reugebrink innam was dat hij in een beschouwend stuk ‘Een aangenaam gesprek‘ op zijn blog De inwijkeling toegaf een aarzelende spreker te zijn. Hij is iemand die geen pasklare antwoorden uit zijn mouw schudt, maar op het moment zelf nog zit na te denken, wat het voor de luisteraar extra spannend maakt. Bovendien is hij gezegend met een warme bariton en spreekt hij een prettig in het oor liggend beschaafd Nederlands.

De bundel wordt geprezen om het gedicht dat niet door de getergde dichter zelf is geschreven maar vertaald. Dat doet denken aan een scène uit het liedje ‘De eerste klant’ van Wim Sonneveld. Over twee geliefden die een winkel
beginnen maar geen klandizie oogsten. Toen ze ten einde raad waren en hun liefde verbleekte,
‘Toen kwam er een meisje naar binnen/ Een briefje van tien in haar hand/ Die vroeg of de baas dat kon wis’len/ En dat was hun enigste klant.’

Uit: Vanachter mijn tafel van Ingrid van der Graaf

Het huidige boek heet Het beste kan nog komen. Pas op: niet het beste móet nog komen – dat klinkt alsof er nog nooit iets moois is geweest en dat is niet zo. Het boek wordt beschreven als “een uitnodiging tot een frisse, positieve blik op ouder worden.” Kort samengevat komt het erop neer dat de ouder wordende mens moet leren zijn subjectieve verwachtingen aan te passen aan zijn objectieve mogelijkheden.

Uit: In de vissenkom-grenzen van Ingrid Vanderkrieken

‘Kortom, in dit interview komen we dicht bij wat de kern van mijn schrijverschap uitmaakt, al klinken er meer ‘eh’s’ zodra we er te dicht bij komen. Ik heb altijd Karel Appels uitspraak ‘Ik rotzooi maar wat aan’ een flauwe provocatie van de o zo onmaatschappelijke kunstenaar gevonden (kijk mij eens schijt aan de wereld hebben). Maar ik moet toegeven: ook ik doe maar wat, ik luister naar wat ik geschreven heb, en net als bij muziek: ik weet alleen intuïtief dat het zo goed is, en niet anders. Maar waarom dat zo is… Ik moet mijn diploma letterkunde weer inleveren, vrees ik.’

Uit: Een aangenaam gesprek van Marc Reugenbrink

Gepubliceerd door Jo Komkommer

Ik werd geboren in 1966 in Wilrijk, maar gelukkig verhuisden mijn ouders al vrij snel naar het mondaine Berchem. Na een onopvallende carrière als linksachter bij SK 's-Gravenwezel werkte ik enkele jaren als reisleider in de Dominicaanse Republiek en de Verenigde Staten. Daar kwam ik in de lobby van een Holiday Inn in San Francisco Jolanda Cats tegen en het was liefde op het eerste gezicht. We zwierven nog even rond, kregen een dochter Zoé, kochten een huis in Antwerpen en trouwden. Ik werk sinds meer dan twee decennia in een stijlvol boetiekhotel met een haast even mondaine uitstraling als het Berchem uit mijn kinderjaren.

Plaats een reactie