De derde leeftijd (vangst #286)

Misschien – het zou zo maar kunnen – kent u (of bent u zelf) iemand die we vroeger tot de derde leeftijd zouden rekenen. Dan weet u: eens de zestig voorbij stapelt het ongemak zich op. Net als, en we spreken vanaf heden uit eigen ervaring, de boosheid over de immer uitdijende stompzinnigheid in de wereld.

Of de bloggers van deze week die zestig kaap al hebben gerond, willen we niet eens weten. Maar Jan Devriese is alvast aan de puffer, Kamiel Choi ergert zich dood en Rein Hannik beschermt zich tegen de hitte door middel van herinneringen, vastgelegd op dia’s. (Dia’s!)

ik heb sinds vandaag een puffertje — het volgende hulpmiddel, denk ik met veel dramatisch gevoel voor realiteitszin, is een looprek. Dat eigenlijk strompelrek zou moeten heten. Ik sluit niks uit. Het verval was al jaren geleden ingezet, nu wordt het pijnlijk tastbaar. Het vervolg laat zich raden: moeizaam verdwijn ik aan de einder — die hopelijk niet al te ver is, want dat strompelen is geen zicht, en bovendien nodeloos vermoeiend.

Uit Pijp op De week van Devriese

Ik heb hier al langer over nagedacht. En ik verlang naar de zelf-sabotage die ik hier demonstreer. Door met grote stelligheid te beweren dat het bovenstaande gedicht verschrikkelijk slecht is en mij fysiek onwel maakt, zet ik mezelf buitenspel. Met die ouwe zeur valt niet eens te praten. Zie je wel, hij begrijpt niks van verbinding.

Hier sta ik en ik kan niet anders. De beroemde definitie van kitsch van Milan Kundera in de ondraaglijke lichtheid luidt ongeveer dat men alles wat lelijk en onacceptabel is verbant uit de kunst. De consumptie van kitsch gebeurt in twee tranen van herkenning: eerst ziet de kunstconsument iets moois en lieflijks, vervolgens observeert hij die emotie bij zichzelf en voelt hij zich onderdeel van een gemeenschap die deze emotie ook ervaart. Daarom wordt kitsch gretig gebruikt in totalitaire regimes.

Uit Over schoonheid en woede van Kamiel Choi

Opeens voel ik de derdegraads verbrande huid weer, die als behang van mijn kinderruggetje bladderde en me nachts koorts bezorgde. Nivea kenden we nog niet, huidkanker bestond nog niet. Doodeng was die nacht dat ik door mijn moeder gewekt werd, toen zij met een limonadeglas een schorpioen oppakte die boven mijn hoofdeind op de muur zat te mediteren. En dan de ritjes in de Opel Rekord, door claxonerend Saint-Raphaël, uiteraard zonder airco dus levend geroosterd. Ik zie het noodweer weer voor me, dat gepaard ging met bliksemschichten en elektrostatische knallen boven de Middellandse Zee, zo heftig dat ze volgens mijn moeder erger waren dan die in haar Indië. De natuur regeerde hier.

Uit Because it’s there van Rein Hannik

Plaats een reactie