
Dit is de eerste brief uit de zevende ketting van Flessenpost. Lennart Vanstaen schrijft aan Tom Wouters.
Beste Tom Wouters en personages,
Met spoed schrijf ik jullie, omdat mij iets is overkomen en niemand me lijkt te geloven. Ik vraag dus om professioneel advies.
Mijn excuses als ik af en toe een typpfout maak, het is lastig typen met een laptop op de schoot – hoewel het dat niet zou mogen zijn, maar misschien wel tijdens een busrit in Denemarken. Niet dat dit land erg heuvelachtig is, maar er zijn toch meer bochten in Denemarken dan ik had verwacht.
Je moet weten dat ik niet van plan was om een bus te nemen in Denemarken. Het begon allemaal met onvoorziene spoorwerken tussen Odense en Malmö en voor ik het wist stond ik aan te schuiven met een hoop andere mensen, vooral Denen en Duitsers, maar ook enkele Amerikanen. Wat één treinrit had moeten zijn, werden twee busritten en drie provisorische treinritten. Nu moet je weten dat ik wel hou van treinen, maar bussen vind ik niet zo… spoorvast. De boomlange medewerker van de lokale busmaatschappij bleef verrassend enthousiast bij deze hele volksverhuizing. Hij liep de rijen mensen af en vertelde kennelijk de ene na de andere grap om de sfeer erin te houden. Helaas verstond ik geen vloeiend Deens, maar het leek me het beste om toch wat mee te lachen.
Even later zat ik in een bus die me deed denken aan de bussen waarmee ik met mijn middelbare schoolkameraden op uitstap ging naar de Samber-Maasvallei. De buschauffeur mompelde iets in de microfoon. Ik kon er nog net uit opmaken dat hij zich excuseerde, maar door het lawaai kon ik er, ondanks mijn kennis van het Zweeds, verder geen touw aan vastknopen.
Zo zat ik dus op een reisbus die me naar een gehucht bracht met een onuitspreekbare naam. De straten waardoor we reden deden me erg denken aan de Boomsesteenweg, maar ik probeerde mezelf ervan te overtuigen dat deze Deense agglomeratie een eigen soort schoonheid in zich droeg. Zo vielen me na een tijdje de vlaggetjes op die overal wapperden in de wind, terwijl er helemaal geen wind stond. Het leek wel of de airco in de bus de vlaggen buiten deed wapperen. Toen had ik al moeten weten dat er iets niet klopte. Opnieuw klonk er iets uit de luidsprekers. Deze keer spitste ik mijn oren; bovendien was er ook minder omgevingslawaai. Maar dit leek zelfs niet meer op Scandinavisch, het leek een verzonnen taal. Het feit dat iedereen op de bus op hetzelfde moment in lachen uitbarstte, gaf me een onbehaaglijk gevoel. Wie waren deze mensen?
We reden voorbij een enorme winkel, een soort IKEA uit Denemarken vermoedde ik. In eenzelfde soort gele letters stond er: DRØMMELAND. Maar er leek geen einde te komen aan het pand. De grijsblauwe loodsen bleven maar voorbijglijden, en samen met de talloze witte onderbroken strepen op de rijbaan werd het steeds moeilijker om mijn ogen open te houden.
Plots schoot ik wakker. Meteen voelde ik dat mijn T-shirt nat was. Had ik zo liggen zweten? Of was het misschien speeksel en had ik mijn shirt vol gezeverd? Nee, dat kon niet, het was te veel, te nat. Ook mijn broek en schoenen waren nat. Snel zette ik me wat rechter en probeerde met mijn arm mijn kleren droog te wrijven, toen ik zag dat mijn medereizigers ook nat waren. Plots kreeg ik water in mijn nek. Het kwam langs het raam naar beneden, aan de bovenkant sijpelde het naar binnen. Pas toen zag ik wat er aan de hand was. We reden onder water! Ik vond al dat de bus zo luchtig reed. Dat kwam dus door een verandering in druk. Meteen maakte ik mijn gordel los om alarm te slaan, maar tot mijn verstomming zag ik dat iedereen in een diepe slaap verwikkeld was. Wellicht hebben ze het bewustzijn verloren, dacht ik. Wat er ook van zij, ik moest de chauffeur waarschuwen. Ik rende naar voren – waarbij het leek alsof ik me door drijfzand moest bewegen – en riep iets naar de chauffeur in het Zweeds, maar er kwamen slechts wat vocalen en bellen uit mijn mondholte. Hoewel het iets weg had van het Deens, besefte ik dat de man me niet kon verstaan. Om zeker te zijn dat hij bij bewustzijn was, nam ik voorzichtig zijn zonnebril van zijn neus. Het was te denken: ook hij sliep. Hoe ging deze bus dan vooruit? Zijn voet lag niet op het gaspedaal. Net op dat moment reden we langs een groot kasteel. Ja, een kasteel op de bodem van een meer, een zee of waar we ons ook bevonden. Op de gevel, vlak boven de ophaalbrug, stonden de letters H.C.A.
Toen gaf ik het maar op. Hoogstwaarschijnlijk was ik net diegene die sliep en een vreemde droom had. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik een slag van de zon had gekregen.
Ik bewoog me terug naar mijn plek en klikte mezelf vast. Zo meteen zou ik wel wakker worden.
Dat gebeurde ook enige tijd later, en gelukkig was alles weer normaal. Totdat ik de bus verliet en de andere passagiers gadesloeg. Ze lekten allemaal. Eén voor één. Kleddernat van top tot teen. Bij enkelingen zag ik zelfs waterplanten die op hun kleren waren blijven plakken. Omdat niemand er enig bezwaar van maakte, tikte ik een man met geruit hemd en jeansbroek op de schouders en wees vol ongeloof op zijn natte broek, waar hij nonchalant een alg van af pulkte en me verder alleen een idiote glimlach schonk.
Normaal kom ik helemaal tot rust op Camping Marina, maar ik kon me zelfs tijdens het concert van Ulf en Jakob Sigurdsson, mijn favoriete gospelrockduo, op geen enkel moment ontspannen omdat ik de hele tijd aan dat waterkasteel moest denken. Op de terugweg ben ik gelukkig droog gebleven, maar volgens mij ergerde de buschauffeur zich eraan dat ik voortdurend kwam kijken of hij wel wakker was.
Heb jij of heeft een van jouw personages ooit zoiets meegemaakt? Valt hier iets tegen te doen?
Met hoopvolle groet,
Lennart Vanstaen
