
Dit is de tweede brief uit de zevende ketting van Flessenpost. Lennart Vanstaen schreef aan Tom Wouters, die nu schrijft aan Maarten Biesheuvel.
Beste mijnheer Maarten Biesheuvel,
Nog geen uur geleden spoelde hier een fles aan met een brief in. De zee is nochtans al enkele miljoenen jaren geleden verdwenen uit mijn dorp. Vroeger was hier geen land, je kon in deze streken alleen maar zwemmen of verdrinken. De zee volstond, er was geen nood aan ademruimte.
De brief was aan mij gericht en bevatte een duidelijke instructie. Ook ik moest een brief schrijven en die vervolgens in het water gooien. Zo vaak zal flessenpost wel niet bij de juiste persoon terechtkomen, al meen ik ooit wel een Instagram-post gezien te hebben over twee mensen die elkaar, jaren na een vakantieromance, op die manier weer gevonden hadden. In mijn geval weet ik wel zeker dat elke poging tot mislukken gedoemd is, hoe leuk een romance met jou ook zou zijn. Jij bent immers al een hele tijd dood. Zelfs als ik zou geloven in het idee dat we na onze laatste adem een lichaamsloze entiteit worden die niets beter te doen heeft dan in een hoekje van de kamer te zitten kijken naar wat de levenden doen, is mijn brief een maat voor niets. Zonder handen krijg je zo’n kurk nooit uit de fles.
We moeten er dus niet flauw over doen: jij mag dan wel de geadresseerde zijn, we weten allebei dat ik deze brief eigenlijk aan mezelf schrijf. En straks zal dat ook voor de lezers onmiddellijk duidelijk zijn. Daar mag ik niet te veel aan denken: het idee dat een net gedebuteerd auteur een ‘brief’ schrijft aan zijn overleden idool, vind ik zo klef, dat ik er liefst meteen mee ophoud.
Ik zou natuurlijk ook gewoon een brief aan een levende schrijver kunnen richten, maar dat is zowaar nog lastiger. Ik begrijp niet goed hoe correspondenties tussen schrijvers beginnen. Zo’n eerste brief voelt toch altijd opdringerig? Ofwel komt het over als een fanbrief, ofwel heeft het iets weg van een uitnodiging voor een duel, waarbij de jonge schrijver hoopt om zo hoger in de pikorde der schrijvers te geraken. En dan beginnen met “Beste collega”. Ugh. Nee, dan nog liever een brief aan een dode.
Wat ook niet helpt, is dat ik het over literatuur wil hebben. Kijk, er haken weer wat
lezers af die geen zin hebben in een schrijversonderonsje (“we houden een
schrijversonderonsje/gezellig samen onder ons rond schrijversdonsje”). Ze hoopten
dat ik zou schrijven over de liefde of over gek worden of depressies, of ze vragen
zich af wanneer ik nu eindelijk eens iets grappigs ga schrijven, zoals ik vaak doe.
Handig, die ingebeelde lezers die bruggetjes voor me maken, want daarover wil ik
het precies hebben. Sinds mijn boek ‘In mijn hoofd zwemmen vissen’ verschenen is,
worstel ik met een vraag waar jij tijdens jouw schrijversbestaan misschien ook soms
een antwoord op heb zitten zoeken. Hoewel mijn verhalen bijna overal goed
ontvangen zijn – gisteren nog mailde een lezer me dat mijn verhalen even goed
waren als die van Borges. Dat ik dat hier zo neerschrijf, is natuurlijk bedoeld om
erover op te scheppen, maar ook wel omdat het me verbaast dat mensen die
vergelijking daadwerkelijk durven te maken – kreeg mijn boek in een literaire podcast een minder goede bespreking, die sindsdien een beetje is blijven prikken. Ik zou me natuurlijk beter onttrekken aan de oordelen van mensen die ik in se niet ken, maar op zich gaat het me niet om het oordeel zelf, maar wel om wat één van de twee podcasters zei. Mijn verhalen, zo zei hij, zijn allemaal truukjes.
Het is een verwijt waar ik niet mee om kan. Natuurlijk zijn sommige verhalen in mijn boek geschreven uit schrijfplezier, en ik heb wel eens eerder de kritiek gehad dat ik te veel de vrolijke Frans wou uithangen, maar dat het allemaal maar truukjes zouden zijn? Dat wil ik manifest tegenspreken. Een groot deel van de verhalen in mijn boek zijn diepgeworteld in mijn leven en opgeschreven op momenten dat ik mezelf weinig raad wist. In zulke gevallen is het enige wat ik dan doen kan schrijven.
Door die kritiek ben ik echter gaandeweg gaan inzien dat mijn verhalen inderdaad op circusacts zouden kunnen lijken. En ik moest meteen denken aan jouw verhalen, die ook die combinatie hebben van diepgang en lichtvoetigheid. Het heeft denk ik te maken met de humor, wat volgens sommigen boeken aan diepgang doet verliezen, omdat enkel ellende diep graaft. Ik merkte de overeenkomst tussen jouw werk en het mijne, toen een oud-collega me via Whatsapp liet weten dat hij mijn boek had gekocht. Hij vond het ‘erg leuk’, maar vroeg zich af wie al die mensen waren naar wie ik refereerde op de achterflap. Ook jouw naam stond daartussen. En dus vertelde ik hem over jouw werk, en meer bepaald parafraseerde ik de plot van ‘Brommer aan zee’, een van je mooiste verhalen. Over die scheepsjongen die over de oceaan uitkijkt en een lichtje in de verte dichterbij ziet komen, van een brommer die over het water varen kan. Over hoe het antwoord op de vraag: “hoe doe je dat dan?” is “Gewoon een kwestie van oefenen.” En over hoe de brommer zonder de scheepsjongen verder rijdt, ook al wil hij heel graag mee. Mijn oud-collega reageerde met een smiley die tot huilens toe aan het schateren was van het lachen.
Ik weet niet of er emoticons bestaan die lijken te lachen tijdens het huilen, zoals je in de weken nadat een geliefde sterft soms opeens de slappe lach kan hebben terwijl je doodongelukkig bent. Zo’n smiley zou beter passen, want ‘Brommer op zee’ is een van de droevigste verhalen die ik ken. Er gaan dan misschien geen kinderen in dood, maar het vertelt over een eenzaamheid die niet te overwinnen valt. Je schreef het zelfs zo expliciet neer, in een zin die veel redacteurs misschien zouden schrappen, omdat het te expliciet is: “Hij had het gevoel dat hij een eenzaam man was en langzamerhand kwam hij tot de ontdekking dat het altijd wel zo zou blijven.”
Mijn oud-collega had natuurlijk ook gelijk: het beeld van een man die vol zelfvertrouwen op een brommer over de zee rijdt, heeft iets onnozels en absurd. Net zoals ik besef dat ook mijn verhalen over meisjes met navels in de vormen van schelpen of vrouwen die rozen krijgen van verschillende aanbidders dat hebben. Ook de boeken van andere literaire helden van mij als Boris Vian, Cesar Aira of Daniil Charms kunnen gezien worden als louter lichtvoetige onzin, die geschreven is ter vermaak van de lezer. Maar in mijn wereld betekenen ze veel meer. In al die verhalen herken ik hoe onbereikbaar de werkelijkheid is en hoe onze taal altijd zal tekortschieten. We kunnen wel proberen om de dingen die we ervaren zo precies mogelijk op te schrijven, maar wil ik mijn eigen werkelijkheid zo dicht mogelijk benaderen, dan voel ik me gedwongen om er in grote stappen omheen te bewegen. Alsof ik mijn prooi alleen vangen kan als ik doe alsof ik geen jager ben. Daarom ook ontroert ‘Brommer op zee’ me zo: plots ontstaat er een beeld dat veel meer zegt dan een man die vertelt hoe eenzaam hij wel niet is. Ik had je graag ontmoet en je dan willen vragen hoe vaak jij hebt willen zeggen tegen mensen dat het heus niet allemaal om te lachen is, dat je probeerde om jezelf door het zo op te schrijven staande te houden in een onbegrijpelijke wereld.
Ik wil eigenlijk liever niet weten hoeveel mensen mijn verhalen, die vaak om te lachen lijken, zien als niet meer dan circustruukjes. Begrijp me niet verkeerd: dat mag het ook gerust zijn, als ik op die manier mensen gelukkig kan maken, dan maakt me dat ook deels gelukkig. Maar ik hoop dat er ook mensen zijn die mijn verhalen lezen en denken: die man, die woont volgens mij op een plek waar er op dit moment nog geen land is. Kijk hoe hij zijn best doet om te zwemmen, in de hoop niet te verdrinken. Kijk hoe hij probeert om land te creëren, waarop hij even ademen kan.
