
Na de zinloze strijd tegen een kloteziekte en uiteindelijk de dood van haar geliefde kreeg Marijke Van Thielen andermans nood aan betekenis in haar gezicht geduwd. Als een omgekeerde Kierkegaard gaat ze hier wild te keer. Soms is het bestaan gewoon leeg en zinloos, en is de pijn niets meer dan de pijn. Houd als buitenstaander je metafysica dan maar liever voor jezelf. Zoiets. Agressief, emotioneel sterk en diep doorleefd tegelijk, dit stuk.
Sarah De Grauwe looft in Technotorture de ontsnapping aan de dagelijkse marteling van de alomtegenwoordige meetwaanzin. Ze laakt dat de ware zin van het bestaan verloren gaat in die zee van data die voortdurend moet worden gecreëerd. Het monster dat we daarmee voeden lijkt ergens ongezegd over haar geschrift te loeren. Haar oplossing? Gewoon zitten en niks doen. Een mooi pleidooi voor verzet door inertie, een sympathiek anti-statement tegen de losgeslagen vooruitgangs- en groeiretoriek.
Ook Iris Salembier vertelt over ziekte, in dit geval over haar eigen borstkanker. Na de procedure – de tumorectomie, een eufemisme voor het wegsnijden van een bedreigend gezwel – ligt ze op bed in dezelfde kamer als een vrouw die haar volledige borsten verloor. De verpleegster komt binnen en praat tegen haar met die typisch combinatie van oprechte betrokkenheid en routine die zorgverleners vaak aannemen. Ze krijgt een roze doos. Daarin zit geen wijn, zoals ze eerst vermoedt, maar spullen die haar moeten helpen met het verwerken van het kankertrauma. Hoe Salembier hier de absurditeit evoceert van het in onze tere, precaire levens telkens binnendringende consumptiekapitalisme, is werkelijk heel sterk.
En dan komen er van die krankzinnigen, met hun dwangmatige overtuigingen en goedbedoelde waanzin. Ze willen me ervan overtuigen dat een pijnlijk noodlot een bedoeling kan hebben, en dat het lijden iets kan bijdragen. Ze spreken over vechten en sterk zijn, en nog sterker worden, over niet opgeven en je krachten sparen. ‘Je echtgenoot heeft moedig gestreden,’ zeggen ze, en ze knikken, opgelucht dat ze iets konden zeggen, want het spreken zelf biedt hen al troost. Maar de strijd was imaginair, de dader spoorloos en de razernij oneerlijk, zinloos, en bovenal vernederend. Maar toch, zij hopen dat je je weg kan vinden. Even later rijden ze naar huis.
Uit: 66 dagen van zinloos geweld – Marijke Van Thielen
Ik word wakker van een wekker die niet langer gewoon afgaat, maar die mijn slaap heeft geanalyseerd. Ik vraag de machine hoe laat het is, en krijg een grafiek over mijn hartslag, mijn slaapkwaliteit en de waarschijnlijkheid dat ik vandaag emotioneel zal instorten.
Over drie dagen begint mijn ovulatoire fase, heb ik een meeting van twee tot vier, is mijn buurvrouw jarig. Ik heb zoveel ongelezen mails en notificaties dat ik vandaag geen boek meer hoef te lezen. Mijn horloge weet dat ik een overactief brein ben in een onderactief lichaam. Alleen ikzelf was nog niet op de hoogte.
Mijn dag bestaat uit biepen, scannen, appen, mailen, swipen, swappen, typen, klikken, scrollen, prompten, croppen, pasten, bellen, bestellen. En tussendoor nog snel iets eten.
Uit: Technotorture van Sarah De Grauwe
De borstverpleegkundige komt de kamer binnen, installeert zich naast mijn bed en vraagt hoe het met me gaat. Het is de eerste dag na mijn operatie die met een medische term ’tumorectomie’ heet. Nu ben ik net te weten gekomen dat mijn buurvrouw hier in deze ziekenhuiskamer door dezelfde diagnose een mastectomie heeft ondergaan, het wegnemen van haar twee borsten. En dat ik hier dus naast haar lig te herstellen van niets meer dan een sneetje in mijn borst en ééntje onder mijn oksel. Maar goed. Die borstverpleegkundige vraagt enkel aan mij hoe het gaat. Ik wil antwoorden maar ben wat afgeleid. Ik heb bij het binnenkomen namelijk gezien dat die verpleegster een doos bij zich had. Omdat ik het hoofdeinde van mijn bed wat heb opgericht om met haar te praten, valt ook die doos binnen mijn vizier. Hij staat naast haar op de grond. Het is een witte karton waarin 6 flessen wijn zouden passen.
Uit: Roze humor op Vleermuys
