
Eenmaal uit de Conradstraat bracht ik mijn ezelin en mijn 30 gehandicapte kippen onder tegenover een andere mastodont van het Rijk: de Oranjekazerne aan de Sarphatistraat. Daar aan de overkant, langs een water dat in de bocht, gelijk een beek, een zacht begroeide oever had, bevond zich in die tijd een klein groen niemandsland, een plukje bos, zo midden in de stad. Het was door een ijzeren bruggetje gescheiden van het gebied achter Artis, waar tientallen stadsnomaden leefden, veelkleurige individuen zoals Ada in haar bouwkeet, Pepijn in haar Pipo de Clownwagentje, Johannes met zijn vaste kring Graalzoekers, of de Holbewoner, die werkelijk in een gat in de grond leefde, maar ook een onvoorstelbaar lekker ding van een vent was, met prachtige blonde krullen – waar ik dan ook vreselijk verliefd op was.
Zomaar een passage uit zomaar een blogpost van Oud Zeikwijf, weergaloze schrijfster uit Amsterdam die literair bloggen in de nillies tot een kunst en een community verhief. Geboren in een gegoede familie in de Franse bergen, zwierf ze uit naar Tokio waar ze een bekende punker werd, om daarna haar hart te verliezen aan Amsterdam. En dat is misschien wel een van de beste dingen die Amsterdam overkomen is.
In haar blogs over de ‘gitzwarte’ jaren tachtig beschrijft ze treffend de paradoxen die de Nederlandse hoofdstad zo bijzonder maakten: homo’s en dollemina’s in een Anton Pieck-achtige setting, jongvolwassenen die door hun ouders met een koffertje bij het kraakpand werden afgezet, de stad die ‘al lang opgelucht [was] dat honderden van die werkloze jongeren lekker met kunst bezig waren en geen stennis schopten.’ Ook Oud Zeikwijf bezat huis noch baan. Er was lepra, er waren luizen, scharrels die stierven in de vrieskou en een stalker die haar succesvolle underground restaurant Kømå erdoor joeg. De prijs die ze betaalde om in haar droomstad te blijven was hoog.
(Lees alstublieft verder het verhaal over hoe haar ezelin vrienden werd met de paarden van de bereden politie! Het Amsterdamse Ezelsbruggetje is waarachtig naar haar vernoemd.)
Ze leerde de mores van haar nieuwe land door Jan, Jans en de Kinderen te lezen. Ze huwde verschillende keren en kreeg drie kinderen, waarvan één met Kees Hoekert, oprichter van de Lowland Weed Compagnie (waarvan Oud Zeikwijf later secretaris werd). Hun zoon werd geboren op een drijvend eiland van piepschuim dat Oud Zeikwijf zelf had geknoopt.
Pas halverwege de dertig had zij zich aan heur eigen haar uit het moeras getrokken en ging ze grotemensendingen doen. Werken. Salaris. Een groot gezin dat gerund moest worden, als een 2de bedrijf. (Uit: Mevrouw Hazenkraak, 2025).
Oud Zeikwijf lezen is als beginnen aan een grote zak chips. Je nieuwsgierigheid wordt bevredigd en groeit tegelijkertijd. Hoe persoonlijk ze ook schrijft, ze blijft een mysterie. Misschien dat een interview helpt? Bring on de eerste vraag!
Waarom ben je ooit met je blog begonnen?
Ik heb er meerdere, in het Frans en het Nederlands. En ik beschouw bijna alles wat ik online gratis en openbaar post als bloggen. Ook microbloggen vroeger op Twitter, toen nog 140 tekens, een geweldige school om bondig te leren schrijven.
In 1998 werd mijn man gevraagd als online blogger voor een grote website op ons vakgebied. Het internet bestond maar net. Hij schrijft niet, en ik wel, sinds mijn prilste kindertijd, dus dat ben ik gaan doen. Na een paar jaar zei de hoofdredacteur dat mijn stukken te hoog gegrepen waren voor zijn doelgroep. Toen sprong mijn oudste zoon, een van de allereerste millennial whizzkids van Nederland, ertussen en schonk mij een eigen blog, op Blogger. Een schot in de roos.
Hij vroeg: “Hoe moet het heten?”
“Oei, ja, hoe?”
Hij deed zijn ‘dump’ open, een plek waar zijn online maatje allerlei parels die ze tegenkwamen postten. Het allereerste dat we zagen was een post met een verwensing: oud zeikwijf! We schoten in de lach. De titel van mijn blog, alsmede mijn eerste (en ook de enige die is gaan beklijven) bloggersnaam, was geboren.
Hoe heten je andere blogs?
Dat hou ik al twintig jaar bewust en vrij doeltreffend geheim, zoals meer zaken: mijn burgerzaken identiteit, mijn beroep. Ik ben in het begin van mijn online schrijfcarrière slachtoffer geweest van misbruik van mijn openbaarheid, zoals je kunt lezen in mijn blog No Such Agency. Daardoor was ik als een van de eersten bewust van de gevaren van online ontboezemingen.
Je zegt dat je altijd al hebt geschreven. Kun je daar iets over vertellen?
Ik was een voorlijk kind, ik leerde mijzelf lezen aan de hand van de pagina’s van de atlas die wij thuis hadden, waarop de ruimte was afgebeeld. Mijn vader had eens de namen van de planeten opgenoemd. Vanaf dat moment was ik niet meer te stuiten: ik las alles wat onder handbereik kwam. Op kinderfeestjes werd ik berispt omdat ik bij binnenkomst vroeg waar de boekenplank was, een boek pakte en onder de tafel ging lezen. Al snel ging ik ook schrijven, en bleek ik ‘de gave van het woord’ te hebben, zoals blogger Oxysept het zo goed verwoordde. Er is helaas niets gebleven van die vroege pogingen. Op alle scholen waar ik op gezeten heb werd ik op handen gedragen als een toekomstige schrijfster. Een docent Frans op het gymnasium heeft zelfs stampei geschopt omdat ik de bètarichting koos. Op mijn 17de begon ik aan een roman. Na een paar pagina’s gaf ik er de brui aan. Ik vond mezelf te jong, nog niet rijp genoeg, ik ‘had niets te melden’. Ik besloot eerst flink te gaan leven, avonturen te beleven, die ik zou kunnen opschrijven. Op mijn 19de werd ik gekozen als beste dichter van mijn stad. Ik vertrok echter vóór de prijsuitreiking naar Tokio. Daar heb ik een serie artikelen geschreven voor de fanzine Bruit d’Odeur. Daar vandaan ben ik niet terug naar Frankrijk gegaan, maar naar Amsterdam, wat de doodsteek werd voor mijn schrijftalent. Ik had vier talen in mijn hoofd: Amerikaans Engels, Japans, Frans en Nederlands. Als ik een zin dacht dan zag ik in mijn hoofd woorden van die vier talen, doorspekt met Japanse karakters. Ik heb het wel geprobeerd, maar dat mag geen naam hebben.
De eerste keer dat ik weer dacht aan schrijven was decennia later, na het lezen van de boeken van Kader Abdolah. Ik dacht: “Als hij kan schrijven met een vocabulaire van twintig woorden, dan kan ik het ook.” Mijn mentor en vriend Robert Jasper Grootveld spoorde mij ook aan: “Schrijf toch in meerdere talen door elkaar! Dat is de toekomst.” Eens lag ik een sessie reiki te ontvangen toen ik een grote bloem zag groeien uit de kwaal waarvoor ik behandeld werd. De bloem opende zich in steeds prachtigere kleuren. Mijn onderbewustzijn gaf mij de boodschap: schrijf! Verhalen! Gek hé?
Maar het was pas toen mijn zoon mij een blogspot schonk dat ik echt aan het bloggen sloeg. Voor mij de hemel.
Wat maakt voor jou een blog echt goed?
Zodra je dat definieert trek je de deur dicht voor wat zou kunnen gaan komen. Wederom: ik vind een heleboel onder het predicaat bloggen vallen. Zeker heden ten dage, wanneer men elkaar vooral vindt op de socials, zie je daar het bloggen gebeuren. Facebook wordt afgeserveerd, terecht als je het hebt over het kapitalistische daarvan etcetera, maar voor schrijvers en lezers is het een goudmijn. Vroeger waren interessante schrijvers ook op Twitter te vinden, dat is nu op X veel minder zo en op Mastodon en Bluesky is het nog niet echt op gang gekomen, maar dat komt nog. Het is een overgangsfase.
Ik heb veel criteria: humor, absoluut. En dan verder alles wat je literatuur kan noemen. Dat is heel breed. Het criterium ‘goed geschreven’ vind ik niet zo interessant. Een stukkie hoeft niet te voldoen aan de regels om je van de sokken te blazen.
Ik laat vanzelfsprekend buiten beschouwing de blogs over specifieke onderwerpen: over koken, tuinieren, klussen en wat dies meer zij. In de begindagen kregen enkel dit soort websites de aandacht. Ik heb gepoogd bekendheid te geven aan de meer literaire blogs omdat ik merkte: men weet ze gewoon niet te vinden. Ik wilde het woord blog uit de huis, tuin- en keukensfeer halen.
Van 2011 tot 2016 organiseerde je het Blogbal, als tegenhanger – en op 200 meter afstand – van het Boekenbal. Was er sprake van een blogcommunity toen?
De blogcommunity was huge in die tijd. En hecht. Wij vonden elkaar via de blogs zelf, hun blogroll, waar aanbevolen blogs stonden. Je kon reageren op blogs, en daar werd grif gebruik van gemaakt. Veel bloggers stonden ook op Twitter.
Een paar fantastische bloggers van het eerste uur waren heel schuw, die bereikte ik per mail, of via via. Om iedereen op te trommelen voor het eerste Blogbal heb ik ze persoonlijk een uitnodiging gestuurd. Voor de volgende edities ook, maar de tamtam werkte toen al heel goed. Ik vond het ontzettend grappig om met elkaar onze blognamen te gebruiken. Ze waren vol fantasie, de een leuker dan de andere. Wij hadden met ons allen een parallelle wereld gecreëerd waar het fijn toeven was. Ik begreep maar niet waarom de rest dat niet inzag.
het blogbal is het boekenbal van de bloggers
een feest op dezelfde avond als het Boekenbal
waar de bloggers elkaar en hun lezers in het echt ontmoeten.
Zij spreken elkaar het hele jaar alleen online.
Een keer per jaar kunnen zij elkaar op het Blogbal treffen.
Het heeft ook een date-functie. Verliefde bloggers spreken af op het Blogbal.
Het heeft ook een belangrijke functie voor de uitheemse bloggers. Die hebben nog minder mogelijkheden dan de bloggers in NL om elkaar in het echt te zien. Ze komen van verre (Oost Duitsland, Spanje, Portugal), speciaal voor het Blogbal.
Uit: Wat is het blogbal (2014)
Het Blogbal was een poging om de literaire blogs onder de aandacht van het grote publiek te brengen. Ik heb persberichten naar alle Nederlandse media gestuurd, maar helaas werd het niet besproken in de grote kranten. Ik kon niet goed duiden hoe dat kwam: waren ze bang voor hun inkomsten, door al die gratis schrijverij? Of was het pure domheid en gebrek aan visie? De VRT besteedde er wel aandacht aan, Jan Demol heeft mij toen geïnterviewd. Op een of andere manier begrepen de Belgen het belang van blogs, en van het Blogbal. Jullie hebben ook steengoede bloggers als Wendy Kroy, Duchka, Anne Servaes en Masjenka.
Een lijst met de blogs die wij destijds de moeite waard vonden, vind je onderaan op de site van Blogbal. Een heleboel bestaan niet meer. Sommigen hebben de overstap gemaakt naar uitgeverijen of reguliere media. Het is grappig om op die lijst mensen tegen te komen die nu beroemd zijn, maar destijds echt begonnen als bloggers: Lubach, Diederik Smit, Karin Spaink. Hulde voor de toenmalige bloggers die hun oude blog nog steeds online houden! Wat een rijkdom.
Kun je een paar blogs noemen die je van je sokken hebben geblazen?
Een van de schuwere bloggers was Alfagrl. Zij schrijft al jaren bijna niet meer op dat blog; ik vond de oude posts de mooiste. Ook Stronkiebonkie is van haar. De onlangs overleden Karin Spaink heeft een erg leuke stijlgids geschreven voor Follow The Money. Ze heeft altijd de oude bloggersvibe behouden; lekker alles gratis online zetten. Zo fijn in deze hypercommerciële tijden. LiqueAngel las ik ook graag en Kim de Wild en Electric Luna, ook zo’n leukerd: hier een voorbeeld van hoe blogsters de seksuele ruimte opeisten. Verfrissend te lezen in deze tijden van #metoo en cancelling van seksbeluste mannen.
Wie mij steevast van mijn sokken blies was Dause von Kippfest. Hij trok zich niets aan van schrijfregels en -wetten en was ontiegelijk grappig. Op het eerste Blogbal kwam hij op het podium vuvuzela spelen met zijn vriendin. Hilarisch. Verder ben ik altijd een grote fan geweest van Molovich en Oxysept. @mieuw/Kittekat vond ik ook altijd leuk om te lezen, net als Naomi de Noronha en Vrouwke van Stavast niet te vergeten!
Ik word nu wel heel erg met de neus op het feit gedrukt dat ik amper meer blogs lees. Ik volg wel een aantal schrijvers die ‘echte’ stukken posten op Facebook. Bijvoorbeeld Peter Veen, Barbara Schroevers, Johannes tHoen, Klaas Knooihuizen, Max Molovich en Jeroen Blankert, oprichter van de superleuke tent De Nieuwe Anita in Amsterdam. Hij is daar nu weg, en schrijft en schildert. Hij heeft het Blogbal daar twee keer gehost. Toen ik naar hem toe stapte om te praten over de mogelijkheid van het hosten van Het Blogbal, wist ik niet dat hij hield van schrijven, ik was verrast over zijn enthousiasme. Achteraf begreep ik het.
In Nederland word je de moeder van het bloggen genoemd. Hoe zie jij zelf achteraf de invloed die jij hebt gehad op het bloggen en de bloggers?
Naar het grote publiek teleurstellend klein. Ik mikte op zoveel meer impact! Los daarvan heb ik geloof ik toch mijn steentje bijgedragen aan het oppoetsen van het ego van de bloggers zelf. Op het Blogbal liet ik quotes uit hun blogs op een groot scherm verschijnen. Dat was een kunstwerk op zich. De schoonheid van die zinnen, achter elkaar! Ook hadden wij de Blogbattle, dat was een groot succes. En op het lustrum hebben we de prijs van de Blogger des Vaderlands uitgereikt. Die werd democratisch gekozen, wat een ietwat verrassende uitkomst bracht. Ik treur vandaag meer dan ooit dat Karin Spaink het niet werd. Haar oeuvre heeft ze testamentair aan het publieke domein geschonken. De heldin.
Wie zou er volgens jou dringend een blog moeten beginnen?
Vrouwen! Mijn generatie, Generatie X (of Nix), de naboomers, zat onder de dictaten van de babyboomers. Die voeren enorm op het geschreven woord, als referentie. Mijn generatie was juist de eerste echte ‘beeldgeneratie’ (en ook trouwens de eerste computergeneratie). Wij waren opgegroeid met de televisie, maar dat mocht niet gelden. 99% van alles wat wij onder ogen kregen, echter, was door mannen gemaakt, gekeurd of uitgebracht. Male gaze alom. Dat heeft zijn weerslag tot in het nu. Er is een welkome inhaalslag gaande, maar nog steeds heb je meer gewicht (letterlijk en figuurlijk) als je man bent. Zeker online, waar ongegeneerde misogynie plaatsvindt. Dus vrouwen, klim in de pen, maak content, vul Wikipedia, interacteer met AI (die anders vooral door mannen wordt gevoed) en wees wezenlijk zichtbaar op diepzinnig niveau: op een andere manier dan om jouw male gazed uiterlijk en gedrag.
Je hebt fantastische blogs geschreven over mannen en vrouwen (zie tag ‘m/v’). Welke onderwerpen liggen jou het nauwst aan het hart?
Dat was denk ik het probleem met mijn schrijverschap, dat ik geen onderwerp had. Het was een ratjetoe. Ik schreef over alles. Ik heb nu een paar jaar geleden wel aan De Natuur beloofd om mij zoveel mogelijk voor haar in te zetten. Dus dat doe ik tegenwoordig het meest.
Vorig jaar bracht Oud Zeikwijf het boek Mevrouw Hazenkraak – die met insektjes en zo praat uit, een hilarische verzameling verhalen over trilspinnen, woekerplanten, praten met vogels (‘niet meer doen, het brengt ze in de war’), hypnotiserende feeën en een boer die een kievitsnest in zijn land legt voor een EU-subsidie van 150 euro. Hoewel de setting volledig verschilt van het jaren tachtig Amsterdam, blijft het wezen van Oud Zeikwijf onveranderd: gulzig en gul, impulsief en bedachtzaam, honderdduizend kilo levenservaring maar altijd bereid om opnieuw overrompeld te worden.
Nu de AOW-leeftijd met rasse schreden dichterbij kwam, had zij af en toe van die momenten. Zij zonderde zich af en verloor haar grip op de tijd. Die momenten vertelden haar hoe heerlijk die jaren waren geweest. Hoe zwaar Kronos op haar lijf had gewogen. Hoe wezenlijk het voelde om je daarvan te bevrijden, al was het maar voor even. In dat ‘even’ kwam de verlossing. Zij wist niet meer wie zij was, wat zij moest, wat zij wilde.
En het kon haar niet schelen.
