Wie schrijft die verdwijnt (vangst #236)

Tijdens onze zomervakantie in Noorwegen luisterden we in de wagen haast onafgebroken naar afleveringen van de podcast Drie boeken van Wim Oosterlinck. Zoals het cliché voorschrijft overtrof de Noorse natuur onze verwachtingen – maar de gesprekken over de drie boeken die mensen zouden moeten gelezen hebben volgens de gasten van Wim al evenzeer. Een van de memorabelste afleveringen vond ik die met Tom Van Laere – ook bekend onder zijn artiestennaam Admiral Freebee. Met de wilde frisheid van een geest die niet door een academische mal is platgedrukt geworden, enthousiasmeerde hij me voor boeken van dode Russen, dode Portugezen, dode Amerikanen en gepensioneerde tenniskampioenen.

Wie me telkens opnieuw nieuwsgierig maakt naar de boeken die ze gelezen heeft is Ingrid van der Graaf. In uitnodigende zinnen verwoordde ze wat haar trof tijdens het herlezen van Praxis van Fay Weldon. Ze besprak het op zo’n manier dat er in mijn achterhoofd een zaadje werd geplant: vanaf nu ga ik in antiquariaten op zoek naar vergeelde exemplaren van de roman waarin een dochter als oudere vrouw terugblikt op haar jeugd en op het leven en de liefdes van haar moeder.

Reinder Storm schreef een boek over de bibliotheek van schrijver E. du Perron. Het knappe aan de bespreking van Chretien Breukers is dat hij de vergankelijkheid van de literatuur op droefgeestige wijze onder woorden weet te brengen. Vergetelheid is wat de schrijver wacht. Tenzij hij ooit als tenniskampioen op Wimbledon glorieerde.

‘Hij is gek op boeken, kan er letterlijk niet over zwijgen, is ook bevriend met verschillende schrijvers. Hij vertelt in ons gesprek hoe hij te werk gaat om zijn liedjesteksten te schrijven, hoe romans hem inspireren om te schrijven.

Het gaat over vrolijke wanhoop. En over zijn gloednieuwe boekenkast, die staat op de plek waar voorheen zijn wc-papier stond.’

Uit: Drie boeken: Tom Van Laere van Wim Oosterlinck

‘In koel, beschouwelijk proza schrijft Weldon over Lucy, moeder van twee dochters, Praxis en Hypatia. Het verhaal begint met fotobeelden bekeken door Praxis als oudere vrouw. In haar herinneringen was er veel heimelijk gedrag, gekonkel over dit en dat. Gedachten over haar moeder (of ze nu wel of niet met de man die tijdelijk bij hen inwoonde naar bed ging). Praxis wist: ‘Moeder zou het ontkend en in die ontkenning geloofd hebben, of ze het nu wel of niet had gedaan. In een tijd dat de instincten van de vrouw op zo gespannen voet verkeerden met de regels van de samenleving kon je dergelijke gelokaliseerde amnesieën alleen maar verwachten.’’

Uit: Mijn eerste Fay Weldon op Werk in Uitvoering

‘Even voor de zekerheid en ter afsluiting: ik vind het een mooi boek, van Reinder Storm (en mooi uitgegeven door Fragment); ik voel me alleen, als altijd, bijna machteloos tegenover de geur van vergankelijkheid die eruit opstijgt. Dit waren de mensen die er ooit toe deden en nu zijn ze al vijfentachtig jaar dood. Dat is geen land van herkomst meer, dat is een begraafplaats.’

Uit: Over het al dan niet mishandelen van boeken van Chrétien Breukers

Verse vis! (vangst #235)

The Fish Market on the Beach, Hastings, door Joshua Cristell

Deze zomer stuurden we de redactieleden van Aanlegplaats uit om aan de rafelige randen van de wereld, waar water het overneemt van de vaste grond, te speuren naar nieuwe boten en nieuwe stemmen.

Daarvan stellen we er in deze vangst drie voor (er volgen er komende weken nog!). Marijke Van Thielen, filosofie en frictie, schrijft korte en langere essays over tal van onderwerpen; in ontAarding leidt het leven en de dood naar reflecties over taal en wat het betekent om mens te zijn; en in Hier herkent het Kerkhof mijn Naam fulmineert Sjors tegen alles wat fout is gegaan sinds hij het dorp heeft verlaten (of teruggevonden, dat is niet helemaal duidelijk).

Drie stemmen met karakter, ver weg van de eenheidsworst. En daar houden we van, hier bij Aanlegplaats.

De menselijke ijdelheid staat de mens niet toe om een mogelijk ongelijk te bekennen, door die spleet vind ik mijn licht. Ze willen slechts steriel pus. Ze vreten het vlees, maar alleen in stukjes, vacuüm verpakt. Geef het ze niet. Wat je ook zegt, het wordt tegen je gebruikt. Spreek daarom niet. Leg je rauwste gedachten nooit voor aan het volk. Laat hun leegheid een andere vorm kiezen. Want de maden vreten niet, omdat ze je karkas walgelijk vinden, maar uit honger. Laat het rotten. Laat het stinken.

Uit: Verontwaardiging als houvast van Marijke Van Thielen

Dit appartement is waar ik zowel het gelukkigst als het ongelukkigst ben geweest in mijn leven. Ik sluit dit hoofdstuk af, maar voel me niet droef. Het voelt juist. Het voelt licht. Ik loop naar de kamerplant waar Martha intussen zo’n twee jaar woont. Haar web is leeg. Ik kijk wat dichter en zie haar uitgedroogd onder een blad hangen. De dood is haar komen halen. Nederig sluit ik de deur achter me. Ik zie je graag. Bedankt voor alles.

Uit: Spinnenlicht op ontAarding

Ik heb nog een oude fiets die al meer dan tien jaar dronkenschap heeft overleefd. Geen licht, versnelling, steunder of voldoende lucht in mijn banden, maar je komt er met wat geweld mee vooruit, zij het betrekkelijk langzaam. Daarmee ga ik op die heetste dagen, waarvan ik door een rotsvast geloof in de klimaatwetenschap weet dat ze nog gaan komen, met die roestige oude fiets beginnen aan mijn pelgrimage in eigen dorp. Een tocht van minimaal 250 kilometer godsdienstig trappen in kleine rondjes om het centrum van ons dorp. Rondjes om de kerk die nog op spaarzame momenten de deuren opent.

Uit: De pelgrimage-tip van deze zomer! op Hier herkent het Kerkhof mijn Naam

ontAarding

Ik stel me de vraag of het mogelijk is te aarden op de rand van de diepte. Wat groeit daar? Wie kom je er tegen? Kan er kleur bestaan naast het zwartste zwart? Hoe geef je de leegte betekenis? Zit er schoonheid in het niets?

ontAarding gaat over rouw en pijn, over afscheid en zoeken naar redenen om te overleven, en over wat taal allemaal al dan niet vermag, over wanneer taal ophoudt.

Hier herkent het Kerkhof mijn Naam

Voor Sjors zijn de grootstad waar hij woont en het universum in het geheel diep geworteld in het dorp waar hij vandaan komt. En eigenlijk nog steeds is, want je krijgt het er niet uit, zo’n dorp.

Verwacht u aan brutaal oplopende en modderig uitschuivende zinnen, regenachtige humor en brandend hete ernst.

Laten we de tijd terugdraaien en in ons dorp weer ouderwets gaan achterlopen. Op zoek gaan naar de tijd die we verloren hebben. Weet u nog dat tijdens de oorlog de Pruisen de klokken hebben geklauwd en onze toren opgeblazen. Om van dat soort brutaliteit een navolger te worden, daar pas ik voor. Dus laten wij, op klaarlichte dag, onze kerkklok tien minuten terug draaien. Verder zeggen we het tegen niemand en iedereen doet mee.

Marijke Van Thielen

Marijke Van Thielen (Filosofie en frictie) is een vrouw met een mening. Veel meningen. Die ze vlammend verwoordt, aangedreven door pijn en woede.

Ga er voor zitten, haal een keer diep adem.

Inmiddels lezen we politiek correcte bundels vol degelijke saaiheid, weggespoeld met een dampende beker morele verontwaardiging. Het idee om het eigen perspectief tijdelijk te verlaten en dat van een ander op te zoeken? Onbestaanbaar. Je bent wie je bent, en dat blijf je.

Niet zo bij Marijke.

Maar weet, ze is ook een mens en de traan is nooit ver weg.

Welkom terug, lieve bloggers! (vangst #234)

Niets doet ons bij Aanlegplaats meer plezier dan te zien dat er weer leven is op bootjes die voor langere tijd stil hebben gelegen. Maakt niet uit wat er in de tussentijd is gebeurd, welke kleppers er zijn geschreven, welke drama’s zich hebben voltrokken, hoeveel (klein-)kinderen er zijn geboren – geen moer geven we om de zogenaamd echt belangrijke dingen in jullie zogenaamd echte leven, nee: wat ons hart sneller doet slaan, is het verslag. Persoonlijk blabla, literair blabla, u kent het ondertussen wel.

Posten deze week weer na een (te lange) pauze: De rode valies en Reddend zwemmen. Hoera! Tanja Wentzel schrijft over haar zoektocht naar het boek Het leven een gebruiksaanwijzing via de weggeefgroep Brussel Verniet; Rob van Essen beschrijft zijn fascinatie voor het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij waarin Thomas Heerma van Voss schrijvers interviewt die in 1977 een zelfportret tekenden voor De Revisor. Na al die klinkende titels is het tijd voor een robotmaaier: afsluiten doen we met een pakkend zeer kort verhaal door Kimme tigra.

Intussen had ik door dat ik het boek bij een overbuur moest halen. Tot mijn verrassing in het gebouw exact tegenover mij, waarin ik dagelijks de weerspiegeling van de ondergaande zon zie.

In een stad kun je jaren tegenover een zielsverwant wonen zonder het te weten. Iemand met dezelfde smaak. Maar ook aan de overkant was het boek ongelezen gebleven, vandaar dat het werd weggegeven.

Uit: Verniet op De rode valies

Hoewel ik in die jaren dus weinig Nederlandse literatuur las (Wolkers wel, trouwens; dat was in de streng protestantse kringen waar ik uit voort kwam een daad van verzet), wilde ik er wel bij horen, heel graag zelfs. Blijkbaar had ik meer belangstelling voor literatuur als wereld, zoals ze in de Atlas van de Nederlandse letterkunde werd afgebeeld, dan voor wat ze tot die wereld maakte: het werk, de boeken. Misschien zag ik literatuur vooral als een wereld waarin in me zou kunnen thuis voelen; gehuld in een lange regenjas, zo-een met flappen, kragen en een brede ceintuur, wandelde ik er doorheen.

Uit: ik heb nooit een lange regenjas gehad op Reddend Zwemmen

Het is wat met de technologie die alsmaar slimmer wordt. Dat geliefden en niet gekooide huisdieren ons verlaten, tot daaraan toe. Maar als elektronische apparatuur in staat is om van ons weg te lopen, wat doet dat met onze eigenwaarde?

Uit: ZKV 23-7-25 door Kimme Tigra

De vangst van Runa Svetlikova (vangst #233)

We teach life, sir, van Rafeef Zadiah, vrij vertaald en geplaatst door Laura Buelinckx op Ministerie van Hysterie op 24/09/2024. Dat die miserie maar blijft doorgaan, je wordt er moedeloos van. Dat mensen erover blijven schrijven, blijven (re)ageren, dat is dan weer hoopvol. Het is tenslotte de stilte die echt moordend is.

René Van Densen. Ik ontmoette hem ooit in Gent. We hingen daar allebei uit een raam. In het publiek bevond zich iemand die ik kende van vroeger. Zo ver heen, dat ze ter plaatse haar broek afstak om te plassen. Alsof ze zich niet tussen een bende Gentse feestgangers bevond, maar achter een boom, in een bos. René verzamelt de vreemdste dingen en maakt daar poëzie van. Verloren kaarten, badeendjes, you name it.

Op Grand Foulard plaatst Gert-Jan van den Bemd een mislukte foto uit 1963. Een inkijkje in het leven van mensen die waarschijnlijk al lang dood zijn. Niemand kent hen nog. Ze hebben misschien niets betekent in één of ander groter plaatje, maar leven, leven, gewoon geleefd hebben is al meer dan genoeg.

Vandaag was mijn lichaam een bloederig tv-beeld 
dat moest passen in een soundbite en een woordenlimiet 
en toch ook wel genoeg statistieken om reacties te weerleggen.

En ik verruilde mijn moedertaal voor het Engels
en ik kende mijn VN-resoluties.

En nog, en nog vroeg hij, Ms. Ziadah, denk je niet 
dat alles opgelost zou zijn als jullie stoppen
met haat te zaaien in het hart van jullie kinderen?

uit: We teach life sir van Ministerie van Hysterie

Ik ben de enige op kantoor vandaag. Iedereen is ziek of met verlof of in elk geval elders. Sommigen werken thuis. Ik ben helemaal alleen en loop in mijn blootje rond. Al een week keek ik uit naar deze dag. Het is stil, geen gebabbel of muziek. Ik hoor mijn beenharen wapperen in de wind. Het kantoor heeft weliswaar hoge ramen, maar het gebouw staat middenin de bossen. Niemand komt hier, enkel de vogels kunnen me zien.

uit: Blootje van René Van Densen

Ik kijk om me heen. Waar is de handelaar bij wie ik kan afrekenen? Maar er is geen handelaar. De foto is in een doos beland, naast een oude koffer, een versleten kleed. Niemand wil hem hebben. Na zestig jaar eindelijk afgedankt. Ik mag hem zo meenemen. Voor niks. Dat maakte de schaamte alleen maar groter.

uit: Voor niks van Grand Foulard

Runa Svetlikova, het interview

Waar de dichteres Runa Svetlikova woont, bloeit er salie en pronken rode besjes tussen het groen. Drijven romige wolken voorbij, achtervolgd door een kudde luchtschaapjes. Vliegtuigen scheren zo laag voorbij dat je aan hun buik kan kietelen als je op een tabouretje op de nok van het dak zou staan. Goederenwagons en de intercity naar Nijvel stormen met regelmaat  langs het spoor. Naast de autostrade verderop sproeit een man de plantenspuit over wat rozen. Een vrouw oogst twee courgetten en een worteltje. Heet dat ook poëzie ?

We zitten op de geheime plek met de kastanjebomen. Ze wuiven ons met hun grote handbladeren een beetje koelte toe. Deze plek doet denken aan de geheime en enige natuurlijke plek in 1984 van George Orwell. Een plek waar een wezen op adem mag komen, waar dagdromen en wat liefde nog een beetje kan. Mevrouw Koolwitje vliegt over de trampoline waarop je nuchter kan zweven voor even en de hond doet een vreugdesprong.
Deze geheime plek wordt bedreigd en nog wel voor de aanleg van een politiek correct fietspad. Terwijl het hier nog getuigt over seizoenen en diverse soorten in plaats van eenheidsworstweer en – wezens. Terwijl deze plek de thermostaat van de stad beter regelt dan beton.
Daarvoor is er actie nodig en misschien geldt dat wel voor alle poëzie.

Runa Svetlikova maakt medicijnen met woorden, witregels en zinnen. Je wordt er weer even helder van in plaats van wazig, koortsig en verkrampt, ze maken je stem al eens minder schor. Soms moet je lachen als je haar leest of denk je: gotcha! In enkele gedichten van Svetlikova kan je zelfs even wonen, dat heb ik persoonlijk ondervonden toen ik hopeloos doolde op zoek naar troost.

Runa schenkt me een glas Prudh, genoemd naar een barbaar zonder tanden uit een boek van Terry Pratchett. Het betreft een toverdrank van het huis op basis van munt, rietsuiker en gember. Doet denken aan Roald Dahls Fropskottel maar zwoelkruidiger. Runa draagt okeren Pipi Langkoussokken met stippels en haar ogen zijn zacht en fel tegelijkertijd.  

Ze fileert de werkelijkheid met fijne klauwtjes en een sardonisch lachje.

Haar debuut Deze zachte witte kamer (Marmer, 2014) won de Herman De Coninckdebuutprijs, de Jo Peters Poëzieprijs en de Europese Bridges of Struga debuutprijs.

In 2018 verscheen Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden, een gedoemde poging tot literair verantwoorde braakpoëzie.

Momenteel schrijft ze aan de roman ‘Wat ik moet onthouden’. Een verhaal over hoe je niet alleen gevormd wordt door je ervaringen, maar ook door het verhaal dat andere mensen over je vertellen.

Het proces van die roman kan je volgen op haar facebookaccount. De ups en downs en inzichten van een godin tijdens haar creatieproces. Dat brengt ons bij sociale media en de blogkunst.

Heb je zelf een blog ?

Op de eerste versie van mijn website had ik een soort blog, met allerlei willekeurige soorten teksten die in je in een soort van sterrenconstellatie – ook willekeurig – kon terugvinden. Ik vulde het blog willekeurig aan, zonder vaste tijden of vaste formats en ik had er veel plezier in. Toen ik mijn website na mijn debuut wat professionaliseerde, kon ik dat willekeurige sterrenconstellatieding niet nabouwen in het nieuwe format. De blogposts kwamen allemaal netjes onder mekaar terecht, en het voelde als een soort verplichting. Toen verloor ik mijn interesse, het werd te netjes.

Wat ook meespeelde was het feit dat ik Facebook steeds vaker gebruikte als een alternatief voor mijn ‘blog’. Daar was er meer interactie. En naarmate er meer gebeurde op Facebook leken de blogs allemaal stilletjes dood te gaan. Wie volgt er nog een link naar content? Ondertussen is de content op Facebook zelf gewoon verdwenen.  

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen? (Runa verslikt zich. Het woord moeten moet van haar niet zo) :

Van mij moet er helemaal niemand een blog beginnen, ik ben namelijk niet zo’n autoritair type. Wat ik graag zou lezen, als zuchtende schrijver, is een blog van een zuchtende schrijver. Ik besef dat dit verschrikkelijk navelstaarderig en escapistisch is, gezien de tijden waarin we leven. Maar ik zou met plezier iemand volgen die poëzie schrijft, of verhalen, of een roman, en die de godsgruwelijke gedachten – allemaal! – die daarbij horen open en bloot en dramatisch exhibitionistisch etaleert.

Dichter bij de wereld: Saskia Van Nieuwenhove, die staat met haar voeten in de modder van de jeugdzorg en kan daar witheet en tegelijkertijd zo liefdevol over berichten. Zoals we zorgen voor de kinderen zorgen we voor de toekomst van de mensheid. (Niet.)

En Johanna Geels. Haar gezondheid ging er de laatste jaren te hard op achteruit, maar ze was mijn allerfavorietste Facebook”blogger”. Gelukkig zijn veel van haar kronkels te lezen en herlezen in het boek ‘Wat een tuin ziet als hij slaapt’. 

Zijn er criteria voor een goede blog? Wat maakt een blog sterk?

Het is onvoorspelbaar. De schrijver ervan is slim, maar niet slimmig. Het gaat over alles. Taal! Politiek! (Zo links mogelijk om eerlijk te zijn, ik schaam me nergens meer voor.) En paardjes! De vélocipède! Eén of andere zeldzame keversoort uit de Amazone. (Dat alles in één volstrekt logisch samenhangende post uiteraard.)

Op een goede blog is elke post confessionalistisch; ze bezorgt me én een intellectueel orgasme, én de slappe lach én plaatsvervangende schaamte.

Ongehoorzame personages (vangst #232)

Personages leiden een eigen leven. Daarover getuigen drie schrijvers in deze vangst. Marc Reugebrink vertelt over hoe zijn nieuwe boek tot stand komt. Hij werkt in Berlijn, voelt er zich thuis. Hij lijkt gelukkig en vrij in tegenstelling tot zijn personage dat gevangen zit in een verhaal en er telkens uit wil ontsnappen, wat niet goed lijkt te lukken.  

Tom Wouters voert de personages op die hij heeft geschrapt. Een Rus met een sprot, de buurman die zich niet aan het verhaal houdt, een struikrover…

Mike krijgt dan weer een brief en vervolgens bezoek van De Onbekende Dame, maar veel illusies hoeft hij zich niet te maken…

Wat als je het gevoel hebt dat je gevangen zit in een verhaal? Als kleine jongen is Martin Oonk ernstig ziek. Hij moet zich overleveren aan wat artsen hem allemaal aandoen. Eenmaal genezen neemt hij zich voor dat niets of niemand hem ooit nog op die manier kan bedreigen. Maar of hij daarmee aan zijn ziekte ontsnapt? Zijn defensieve houding maakt hem tot een niet zo goede zoon, een slechte broer, en tot een gemankeerde levenspartner. En juist wanneer hij het als vader lijkt te overwinnen, wordt hij ingehaald door de werkelijkheid die hem terugwerpt in zijn eigen verhaal.

Uit: Dagen in Berlijn 27 op De inwijkeling

Italo Calvino.
Deze Italiaanse schrijver vertikte het ook om mij in zijn boeken te laten figureren. Dat hij 40 jaar geleden stierf, is een flauw excuus. Ook in die tijd was mijn naam in telefoongidsen te vinden. Verder beantwoord ik makkelijk aan het prototype van de naar erkenning smachtende schrijver. Zo moeilijk was het dus niet om mij te bedenken.

Uit: Register van geschrapte personages  op Het ongerijmde

In plaats daarvan keek ze rond in een soort trance. Ze was er wel maar toch ook niet. Hoewel ze naast me stond (zitten wilde ze niet), zag ze dingen die ik niet zag. Ze wees ze zelfs aan. Haar vader in een stoel. Broertje die met knikkers speelde. De kolenkachel.

Uit:  De onbekende dame op Mikzlog

Haha, de ernst van het leven (vangst #231)

Och, die zogenaamd volwassen wereld, waarin iedereen ook maar wat doet. Bloggers ontkomen er evenmin aan. Degenen zonder talent voor nostalgie (Herman Loos), degenen met talent voor nostalgie (Sarah De Grauwe in navolging van Neil Young) en degenen die doen alsof alles precies loopt zoals het bedoeld was (Vincent Merckx).

Ik moest op de foto met R., een oudere clubgenoot die net als ik een Belgische titel had gepakt. In het artikel word ik een paar keer geciteerd, terwijl ik er vrij zeker van ben dat ik geen woord heb gezegd. Ik was een zwemmer net omdat je tijdens het zwemmen urenlang geen woord hoeft te zeggen maar gewoon kan ronddrijven in de poel van je eigen gedachten, die zweven aan de oppervlakte en duiken naar donkere dieptes tussen twee tuimelingen tegen een betonnen wand in.

Uit: I’m not aware that you’re not there op Here comes Herman

Neil schreef het lied op zijn negentiende verjaardag, toen hij besefte dat hij te oud werd voor de jeugdclub waar hij als jongen heen ging. Sugar Mountain werd een metafoor voor alles wat je moet achterlaten wanneer de ernst van het leven zich aandient: de eerste liefdes, de eindeloze avonden, de onschuldige hoop dat alles in het leven mogelijk is. Die berg is geen echte plek; het is een droomwereld die je met pijnscheuten ontgroeit.

Uit: Sugar Mountain op De Grauwe Gekheid

Daarna volgden alle andere herinneringen, bijvoorbeeld de keren dat ik me niet op mijn plaats voelde, de keren dat alle anderen dingen zagen die mij volslagen vreemd bleven, de keren dat ik het doodlopende pad had gekozen en me afvroeg waar het dan wél naartoe moest, de keren dat ik er niet in slaagde om kostbare opstoten van zelfvertrouwen vol te houden en de keren dat ik het dan maar probeerde te veinzen, de keren dat anderen hadden opgegeven voor we aangekomen waren en de keren dat ik dat zelf had gedaan.

Uit: Vrijdag 4 juli: Puzzel op Vrijdag