Flessenpost is terug! Dit is de eerste brief in de vierde ketting. René van Densen schrijft aan Anton Voloshin.
Hoi Joep, ik mag toch wel verraden dat je echte naam Joep is en niet Anton, toch?
Joep, ik ben in een luie bui. Ik zie een oproep van Aanlegplaats om Flessenpost te schrijven en je kent me, eigenlijk interesseert niemand me echt. Jij wel, maar we kennen elkaar in het echt, dus ik weet niet of dat helemaal telt in het concept. Maar kijk, bij deze is deze brief al een uitnodiging dat jij dit veel beter en naar iemand anders doet, wellicht iemand die je nog niet direct kent. Waar je geen avonden mee doorgezakt hebt na dwaas doen op een Droef podium, bijvoorbeeld. Of waar je niet al twee avondvullende radioshows mee geïnterviewd hebt. Waar je niet – wederzijds – op het terras dingen verzucht, weggejankt, vervloekt hebt. Toen ik nog dronk. Toen we nog dronken – was jij nu ook gestopt, ik vergeet het even.
Maar kijk, er gaan woorden op dit briefje dat zometeen in de fles gaat. Woorden van een raar soort vermoeidheid eigenlijk. Ik ben moei, Johan. Echt keimoei. Ik wou eigenlijk schrijven dat ik me oud voel, maar dat is niet zo. Ik voel me kinderachtiger dan ooit en nog meer overtuigd dat iedereen maar wat schijnvolwassent. Of tenminste, als ik volwassenen zie, denk ik altijd dat dat een andere diersoort is. Alsof ik op een buitenaardse planeet gecrashed ben. En al spelende verdwaald ben geraakt van mijn raket – dus mocht je weten waar ik die geparkeerd heb, elke tip is welkom. Maar ik voel me dus niet oud. Mijn lijf is het daar niet altijd volledig mee eens, maar daar weet jij ook alles van, Ezekiel. Ik benijd jouw leven allerminst, al moet ik zeggen dat je er een weloverwogen, verstandig maar mooi parcours in aflegt. Onze gesprekken zijn ook altijd heel erg fijn en leuk, ondanks dat onze interesses kunnen schuren. Ik wil altijd als we praten kirrend in de modder spartelen terwijl jij bedachtzaam het gesprek op hoger niveau probeert te tillen met diepe referenties en overpeinzingen, en ik bedoel niets hiervan spottend, dat is altijd een leuke mix. Ik grinnik als jij me betrapt op het gedweep met mijn zogezegde boerenachtergrond en jij knipoogt als je merkt dat ik door de zijpaadjes heen kijk. En we kunnen een boeiend gesprek houden zonder drank, wat in mijn vriendengroep een zeldzaamheid is, merk ik sinds ik op het nul komma nul spoor tjoeketjoek.
Ik heb dus ook eigenlijk helemaal geen zin om me aan het concept van Aanlegplaats te houden, Abraham. Ik greep gewoon de gelegenheid aan om eigenlijk eens te polsen of je binnenkort weer eens strijdvaardig een terrasstoel wil bezetten met mij. Dan babbelen we in het echt zonder dat een van ons erover blogt. We hebben zo’n leuke blogloze vriendschap eigenlijk. Ik schrijf verder over bijna iedereen die ik ken, zelfs mensen van Aanlegplaats die me interviewen glippen af en toe de verhaaltjes in. Iedereen trek ik erbij, maar jou hou ik eigenlijk een beetje voor het onopgeschreven leven. Dus wat zeg je ervan, Egbert. Pintje pakken binnenkort ?
De nieuwsbrief van NRC-redacteur en romanschrijver Peter Zantingh (Na Mattias, Tussentijds) gaat over de vraag waaróm goed werk werkt — en wat jij eraan hebt als je zelf schrijft. Close readings van scènes, songteksten en slotzinnen, voor cultuurliefhebbers en (aspirant)schrijvers. In ‘Zoveel water zo dicht bij huis’ ontleedt hij meesterlijk Raymond Carvers gelijknamige beroemde verhaal. Zantingh laat zien hoe Carver eindeloos naar het juiste perspectief zocht, en vooral hoe redacteur Gordon Lish het met zo’n 70% inkortte en het slot kouder maakte. Een kijkje in de machinekamer van het schrijven.
Het was het ergst bij de bundel What We Talk About When We Talk About Love uit 1981, waar ‘So Much Water So Close to Home’ in staat. Carver bereikte er een groot lezerspubliek mee, werd overal geroemd om zijn korte verhalen, en ondertussen wist niemand dat hij volledig overgeleverd was aan de grillen van Gordon Lish – die zijn verhalen soms echt beter maakte, dat moet gezegd, maar soms ook gewoon pesterig bezig was. Smeekbedes van Carver om de verhalen zoals hij ze had ingeleverd intact te houden, of er in elk geval niet zo rigoureus in te hakken, hadden geen effect.
Zoals al gezegd in het interview dat ik met jullie deed, ben ik een grote fan van De Weekstart. Charlotte, de schrijfster ervan, biedt ons elke maandagochtend een inkijk in haar leven – van haar kantoorbaan tot haar literaire ambities, en ik ben er echt van overtuigd dat we op een dag een boek van haar zullen lezen.
Haar Weekstart van deze week was ook weer heerlijk: herkenbaar en altijd goed geschreven en grappig, van drooggrappig tot hardoplachen-grappig.
P. blijkt een soort citatenvat te zijn, ik leer van haar dat als je een serieus gesprek met je kinderen wilt voeren, je hun haren moet vlechten, maar ook dat je de geur van sigarettenrook in je mond kwijt kunt raken door met je mond open te fietsen. Ik onthoud vooral haar gevleugelde uitspraak “alles is de bedoeling”, en denk daar heel vaak aan, wat dat betekent, dat alles de bedoeling is want dan is het zoet de bedoeling en ook de bagger en alles daar tussenin en wat een moed het vereist, om dat als levensmotto te omarmen.
Tweewekelijkse nieuwsbrief over tv-series door serie-expert Anke Meijer (VPRO, NRC): serietips en -nieuws, met oog voor wat een verhaal op het scherm nu echt laat werken. Ik lees heel graag boeken maar kijk ook graag series, natuurlijk ter ontspanning maar ook omdat ze me veel leren over vertelvormen, en daar heeft Meijer het ook over.
Ze schreef onlangs een sterk stuk over The Witness en waarom we zo graag kijken naar true crime.
Toch kon ik het gevoel niet helemaal van me afschudden. Wat vreemd is, want twee weken geleden raadde ik in deze nieuwsbrief nog – voor een tweede keer zelfs – de documentaireserie The Yogurt Shop Murders aan, over een viervoudige, gruwelijke moord. Waarom voelde ik daar diezelfde terughoudendheid niet? Is dat omdat documentaires toch vooral dienen om ons te informeren, en series zogenaamd vermaak zijn? Ook dat zou vreemd zijn. Want ik roep in deze nieuwsbrief met enige regelmaat juist hoe behept series zijn om ons, zonder dat we er erg in hebben, dingen te tonen over andermans levens. Series, zo is inmiddels mijn levensmotto, vergroten je wereld terwijl je onder een dekentje op je eigen bank zit.
Ann De Craemer (1981) is schrijfster. Ze debuteerde in 2010 met Duizend-en-één dromen. Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn, een literair-journalistiek boek over Iran waarmee ze werd genomineerd voor de VPRO Bob den Uyl-prijs. Daarna volgden drie romans, twee boeken over taal, het Groot Vlaams Wielerwoordenboek (ze is fervent wielrenner en wielerfan) én Hersenorkaan, een wonderschoon boek over de gitzwarte depressie die haar in 2017 te pakken kreeg. Ze schreef honderden columns voor o.a. De Morgen, HP/De Tijd, de Krant van West-Vlaanderen en het Nederlandse magazine Onze Taal.
Enkele weken geleden deelde De Craemer via haar Substack haar eerste column uit de boekenbijlage van De Morgen. Ze legt daarin uit dat mensen worden wat ze zijn – en (helaas) niet kunnen worden wat ze niet zijn. ‘Met schrijvers is het zoals met blondines: je bent het, of je bent het niet.’ Ik stel me daar vragen bij en niet alleen omdat ik mijn haar verf, obviously. Geen betere oplossing voor vragen dan een interview.
“’t Is op ’t tweede!” Ann De Craemer wacht me op aan de trap en omhelst me. “Zo leuk dat je er bent. Het gebeurt niet vaak dat er iemand van Antwerpen naar Tielt komt voor een interview.”
Haar appartement is licht en ruim. “Rachelleke!” Ann plooit zich over de zetel om kat Rachel in te lichten over het gearriveerde bezoek, die voorlopig besluit niets met deze informatie te doen. “Eerst woonde ik meer in het centrum, naast het rusthuis waar mijn grootmoeder tot het einde van haar leven had gewoond. Dat rusthuis breidde uit, werkmannen lieten eten achter en daar kwamen katten op af. Ik had er wel tien aan mijn raam staan, waaronder Rachel en haar moeder. Rachel heb ik negen jaar geleden tam kunnen maken. Had ik een huis met een tuin, ik had er beslist tien rondlopen, en had ik veel geld, dan opende ik een kattenasiel. Op mijn Instagramfeed zie ik naast veel Amerikaanse politiek vooral schrijvers en katten. Dus ja, ik ben geworden wat mijn vriendinnen al zagen toen we achttien waren: crazy cat lady, zonder man of kinderen (lacht).”
En schrijfster.
“Ja, dat weet iedereen in deze stad, en vaak roepen mensen op straat ‘Aan het schrijven?’ En dan roep ik terug: ‘Altijd, hé!’ Ik heb in Brussel gewoond; ik hou ontzettend veel van grote steden en ga er altijd op reis, maar dit is en blijft thuis. Ik hou van het vertrouwde. Nadeel is dat als ik eens in een slordige homebroek buitenkom, iedereen het sowieso heeft gezien – niet dat ik me daar iets van aantrek (lacht).
Ze is bezig aan een nieuw boek waarvan de eerste versie gisteren naar de uitgever ging, al voegt ze eraan toe dat ze wel wat schrik heeft voor de toekomst van de roman en het boek in het algemeen.
‘The novel is a dying animal’, zei mijn favoriete auteur Philip Roth al een hele tijd geleden. Schermen hebben echt iets met onze aandachtsspanne gedaan. Mensen lezen meer dan ooit, denk ik, maar altijd korte stukjes. Posts, captions bij foto’s… als we een artikel lezen staat erbij wat de leestijd is. Dat verklaart volgens mij voor een stuk wel de populariteit van blogs en Substacks. Ik zag een post van Rutger Bregman waarin hij vertelt dat hij bezig was aan een nieuw boek over impact, ondertussen bedacht dat een boek niet meer het juiste middel is om dat te bereiken – en besloot om met een Substack te beginnen. Als iemand die zo’n succes heeft met zijn boeken dat al doet…
Anderzijds blijft het verlangen om uitgegeven te worden ook leven bij Gen-Z, zie je dat een klepper en een ‘moeilijker’ boek als Corpus Britney van Dominique De Groen heel veel succes heeft, en dat de wereldberoemde zangeres Dua Lipa een online boekenclub heeft. De jonge Brit Jack Edwards is op de socials misschien wel de meest invloedrijke boekeninfluencer ter wereld geworden; als hij een boek aanprijst, gaat de verkoop de hoogte in. Dus te pessimistisch over de toekomst van het boek wil ik ook niet worden. Misschien komt er zelfs een tegenbeweging met alle AI-rommel die we op onze schermen te zien krijgen.
Waarom ben je met een Substack begonnen?
Van 2011 tot 2021 heb ik een column gehad bij De Morgen – wat tegenwoordig heel lang is. Toen me werd gezegd dat ze ermee wilden stoppen vond ik dat eerst heel erg; het was een klap in mijn gezicht. Maar na de shock kwam de bevrijding. Ik hoefde niet meer twee tot drie keer per week ergens iets van te vinden! Ik ben dan vrij snel op de kar van Substack gesprongen om daar eerst wekelijks ‘Mijn week in Woorden’ te posten, maar ik merkte dat ik snel weer in de valkuil van elke-week-een-mening trapte. Nu probeer ik echt alleen maar iets te schrijven als ik er zin in heb.
Met meer dan 500 abonnees heb je een populaire Substack. Is er ook veel interactie?
Ja, best wel. Alhoewel het vaak Nederlanders zijn die hun reacties direct onder de post zetten. Vlamingen doen het soms liever via een bericht: ‘Ik zal het even hier vertellen, echt goed wat je schreef’ (lacht). Ik schrijf wel eens fel tegen het steeds rechtsere beleid in ons land, en sommige mensen zijn bang om dan openbaar hun steun voor mijn mening te betuigen.
Ik denk dat het steeds moeilijker wordt om columns te schrijven nu de tenen alsmaar langer worden. Ik las de reacties op Facebook onder mijn columns van De Morgen al nooit en het is sindsdien alleen maar verergerd. Te veel mensen denken dat hun mening evenveel waard is als die van een expert en verkondigen die met de grootste stelligheid – en met heel veel taal- en tikfouten. Iedereen schrijver, iedereen opiniemaker, iedereen expert. Respect voor schrijvers als Jeroen Olyslaegers die zich hier niet door laten afschrikken; anderen schrijven nooit over politiek. Dat is een keuze natuurlijk, maar zelf hou ik wel van schrijvers met een mening en engagement.
Als je Substack een sociaal medium mag noemen, dan is het veruit het beste. Het algoritme is minder dwingend, de meningen zijn beter onderbouwd doordat er meer ruimte wordt genomen voor nuance en er wordt beleefder met elkaar in gesprek gegaan. Wat ik ook tekenend vind, is dat veel journalisten een Substack hebben om hun werk te delen, los van de soms makkelijk verteerbare content die ze maken voor de media. Vreselijk woord, content.
Beweging bij de zetel. “Rachelleke? Kom ne keer kijken,’ t is een lieve mevrouw.” Lief, lief, dat zal ze zelf wel bepalen.
Wanneer is een blog in jouw ogen echt goed?
Het mag over eender wat gaan, als het maar goed geschreven is. Een goede vertelstem. Als ik geraakt word, mee ben. Literair, non-fictie mag allemaal, als het maar blijft boeien. Ik kan enorm genieten van De Weekstart van een zekere Charlotte, die een kantoorbaan heeft maar graag wil schrijven en elke maandag een lang stuk publiceert. Die ambitie, die discipline, dat herken ik.
Qua non-fictie volg ik bijvoorbeeld Fredo De Smet, die op zijn Substack The Long Term Society goed doordachte stukken over AI schrijft. En Jamal Ouariachi geeft elke week een schrijfcursus, fantastisch! Er is mij al zo vaak gevraagd om creatief schrijven te doceren en dan denk ik: ‘wat moet ik die mensen gaan vertellen?’ Dat schrijven is altijd vanzelf gekomen dus ik zou oprecht niet weten hoe ik mensen kan uitleggen hoe het moet – alleen dat ze zoveel mogelijk boeken moeten lezen. Maar van Jamal word ik echt blij. Elke zaterdag gaat hij dieper in op personages, of analyseert hij Proust… Daar heb ik al veel op gereageerd.
Openbaar?
Ja, daarin ben ik meer een Nederlander (lacht). Moet je horen: Margaret Atwood heeft ook een Substack. Dat op zich vind ik al geweldig, zij is echt een monument en hoeft het niet – zoals ik – te doen om haar publiek te bereiken of uit te breiden. Maar toch zijn bijna al haar posts gratis! Dan publiceert ze bijvoorbeeld een gesprek tussen haar en Claude, de AI-assistent. Ze had in een lang gesprek vanalles over zichzelf verteld en gevraagd wie dat kon zijn – Claude had het geraden. Hoe dan ook, ik kon laatst niet slapen en begon op mijn gsm te scrollen. Zie ik een oproep van Margaret Atwood: ze had iets geschreven maar wist niet zeker of het gepost was én wist niet of er een mail verstuurd was met die post. Het was al een uur geleden gevraagd, niemand had iets gezegd. Dus ik: ‘Ja hoor Margaret, we hebben de e-mail gehad.’ (lacht)
Ann Telnaes, de cartooniste van The Washington Post die ontslag had genomen omdat haar kritische tekening over Trump niet werd gepubliceerd, is ook op Substack gegaan. Haar cartoons zijn gratis te zien, voor de visie erachter moet je betalen. Ze heeft nu zoveel abonnees dat het haar voornaamste broodwinning is – en ze bereikt meer mensen dan voorheen.
Rachel zit naast de zetel. Er is oogcontact. Van mijn kant. Rachel zelf ziet iets superinteressants een halve meter links van mij.
Wist je echt altijd al dat je een schrijver was en wilde publiceren?
Ik heb – net zoals iedereen die schrijft, daar ben ik van overtuigd – altijd de wens gehad gelezen en gepubliceerd te worden. Van in het middelbaar wist ik dat ik schrijver was, maar ik heb dat nooit gezegd. Ons gezin leefde van één loon, mijn vader werkte hard in de fabriek om mijn zus en mij te laten studeren en ik voelde wel dat daar de verwachting tegenover stond om een ‘echt beroep’ te doen. Ik ben na mijn studie Germaanse taal- en letterkunde dan journalistiek gaan studeren in Brussel, maar ik vond de lessen zo onnozel dat ik na twee weken midden in de les ben weggelopen. We moesten als een van dé prioriteiten de eerste week leren om in de microfoon te spreken, terwijl journalistiek toch om andere dingen gaat (lacht). Toen ben ik Amerikanistiek gaan doen en ben ik zo de journalistiek ingerold.
Tot dan had ik nog altijd nooit uitgesproken dat ik wilde schrijven. Toen ik begon met columns voor de Krant van West-Vlaanderen werd het langzaam duidelijk. Ik ging naar Iran, schreef daarover voor De Standaard, maakte er een boek over bij Lannoo en dan is het heel snel gegaan. Het manuscript voor mijn eerste prozaboek heb ik naar Harold Polis bij De Bezige Bij gestuurd en dezelfde dag nog kreeg ik antwoord: ‘Ik ga dat uitgeven.’ Onwaarschijnlijk. En ja, toen was het: ‘Oei, ons Ann schrijft.’
Hoe belangrijk is het persoonlijke voor jou in je schrijven?
Ik ben geen echte fictieschrijver in de zin dat ik verhalen verzin of verhalen die ik zelf meemaakte of ken opsmuk. Ik heb altijd mezelf als kapstok gebruikt. Ik ben de verteller, maar vertel daarmee over iets dat groter is dan mezelf. De kerk, volkscultuur, de koers.
Er is me weleens verweten dat ik moet loskomen van mijn kerktoren, maar wat is dat, de kerktoren? Antwerpen heeft er ook een, de Onze Lieve Vrouwe Kathedraal, maar het is blijkbaar geen probleem als mensen romans over Antwerpen schrijven (lacht). Mijn eigen vertelstem en de plek waar ik woon heb ik altijd als kaptstokken gezien om iets over een mentaliteit en een milieu te vertellen. Gabriel Garcia Marquez en Philip Roth hebben haast altijd over dezelfde plek geschreven. De kritiek op mijn ‘kerktoren’ is trouwens alleen ooit in Vlaanderen gevallen, en nooit in Nederland – misschien omdat ze daar geen beeld hebben van waar ik woon, of er niet meteen een gevoel bij hebben.
Je zegt dat je jezelf als kapstok gebruikt. Hoe verhoudt dat beeld zich tot het boek Hersenorkaan, waarin je zeer persoonlijk getuigt over je depressie?
Ook dat heb ik niet geschreven vanuit een drang mezelf bloot te geven. Drijfveer daar was de vaststelling dat er heel weinig Nederlandstalig literair verslag over depressie bestond. Wetenschappelijk werk heb ik gelezen hè, over het belang van sporten, van medicatie – en soms komt het zijdelings aan bod in romans. Maar ik kon weinig literairs vinden dat echt ging over hoe het is om een depressie te hebben. Ik dacht: als ik er maar één mens mee kan helpen, is het het waard.
Als ik geen schrijver was geworden, was ik graag dokter geweest. Mijn favoriete hobby is dikke medische literatuur lezen, ik kan me daar echt uren in verdiepen, boeken over anatomie, het brein. Als ik in een ziekenhuis kom, voel ik dat ik dat echt graag gedaan had; ik ben jaloers op elke dokter die ik daar zie rondlopen (lacht). Ik wilde het al worden toen ik in het eerste middelbaar zat, maar ik had geen talent voor wetenschappen, dus dokter worden heb ik snel uit mijn hoofd gezet. Met Hersenorkaan had ik wel het gevoel van: ik wil mensen vanuit mijn eigen ervaring helpen; ik wil hier een steentje bijdragen aan de zorg voor de medemens die zo belangrijk is in het leven en die dokters elke dag kunnen uitoefenen – dat is écht het mooiste beroep ter wereld. Nog altijd krijg ik minstens één keer per maand een berichtje van iemand die iets aan Hersenorkaan heeft gehad, die is beginnen wandelen, of fotograferen. Het mooiste bericht kreeg ik van een mevrouw wier zoon depressief was en zichzelf opsloot in zijn kamer. Ze heeft hem mijn boek gegeven en gezegd ‘lees dit’. Daarna hebben ze er voor het eerst over gepraat.
Actief negeren vraagt zijn tol. Rachel moet echt even gaan liggen. Haar achterkant is prachtig.
Wie zou er wat jou betreft een blog moeten beginnen?
Sarah de Koning, die met Tekstielen een prachtige dichtbundel heeft geschreven – ik zou graag een blog van haar zien als de vrouwelijke tegenhanger van Steven Van Ammel, die schrijft over zijn wedervaren als boekverkoper voor De Standaard en op zijn socials. Sarah de Koning werkt voor boekhandel Paard van Troje en ik zou graag haar blik op het leven zoals het is in de boekhandel zien.
En Barack Obama, ik ben zot van Obama. Je zou kunnen zeggen dat ik daar… ik ben daar misschien wel een beetje… nee: ik ben daar verliefd op, klaar. Als ik voor de keuze gesteld word of ik liever een beer of een man in een donker woud tegenkom, ga ik voor de beer, maar Obama is een van de mannen voor wie ik een uitzondering maak (lacht). Hoe hij spreekt, dat warme, dat persoonlijke, my fellow Americans, dat engagement, die inzet. Hoe hij met kinderen omgaat, hoe hij met dieren omgaat… Toen er iemand in zijn publiek flauwviel, stopte hij met spreken en riep om zijn eigen dokter. Toen er iemand in het publiek van Trump flauwviel, deed hij alsof er niets aan de hand was. Een regelrechte nachtmerrie, toen die herverkozen werd.
Waarom ben je Amerikanistiek gaan studeren?
Ik ben gek op Amerika. Ik ben een grote jazzliefhebber, ging in Gent heel graag naar jazzcafé Damberd – en ook mijn favoriete schrijvers zijn veelal Amerikaans. John Steinbeck, Ernest Hemingway, Philip Roth… Het heeft iets pathetisch en clichématigs, maar The American Dream spreekt mij ook echt aan. Natuurlijk is Amerika imperialistisch en is er vanalles op aan te merken, maar het fascineert me.
Het wollige hoopje op de zetel is te verleidelijk. Rachel heeft geen gelegenheid om zich een houding aan te meten. Ze ondergaat mijn toenadering en laat zich aaien. Het is heerlijk. Tegelijkertijd weet ik dat dit een kamikaze-oefening was. Katteneer wreekt zich, mijn minuten op haar grondgebied zijn geteld.
Enkel nog de foto met het favoriete boek. Ann De Craemer loopt naar haar kast en komt terug, niet met Steinbeck, Roth of Hemingway, maar met In mijn hoofd zwemmen vissen van Tom Wouters.
Waarom dit boek?
Het is een boek dat ik zelf nooit zou kunnen schrijven, vol absurdistische verbeelding. Een experimenteel boek dat nergens experimenteert om te experimenteren. Je voelt dat die mens zo is. Als hij schrijft dat er een Parijse wijk in zijn schoen zit, toevallig exact die waar hij met zijn vrouw is geweest, geloof ik hem! En als hij schrijft over iemand die elke dag een rijstkorrel meer eet, een zinloze onderneming die alsnog grote proporties aanneemt – en je daarna merkt dat Wouters bij elke zin een woord extra heeft gebruikt, weet je dat je een huzarenstukje aan het lezen bent.
En, ik haat het woord, maar ik vind het ook een echt zomerboek.
Tijd voor het afscheid. Rachel opent één oog. Met lichte tegenzin slof ik richting kathedraal van Antwerpen, zonder slordige homebroek, maar als een opgewekte veertiger met geverfd haar die uit het appartement van Ann De Craemer een verwarmd hart mee terugnam.
Iedereen moet ooit debuteren. Zo ook Ingrid van der Graaf die recent op haar blog Werk in uitvoering de allereerste column die ze ooit voor Literair Nederland schreef opnieuw publiceerde. Het is een stuk uit 2012 waarin ze ons meeneemt naar de tijd dat ze als een groupie een later beroemd geworden dichter adoreerde. Haar talent was van meet af aan duidelijk. Het is meeslepend en mysterieus geschreven. Helder en toch ongrijpbaar. En achter de lichtvoetige stijl schuilt een zekere zwaarmoedigheid. Kortom: een geboren columniste.
Ingrid Vanderkrieken reflecteert in haar verhaal ‘In de vissenkom – grenzen‘ over ouder worden en doet dat knap en troostrijk. Het is een thema waar ik als zestiger ook mee zit en dankzij het haar stuk kan ik er weer enkele decennia tegenaan.
Onlangs werd de Nederlandse schrijver Marc Reugebrink geïnterviewd door Amedeo Durnez voor diens boeiende podcast ‘We moeten het over literatuur hebben‘. Wat me onmiddellijk voor Reugebrink innam was dat hij in een beschouwend stuk ‘Eenaangenaam gesprek‘ op zijn blog De inwijkeling toegaf een aarzelende spreker te zijn. Hij is iemand die geen pasklare antwoorden uit zijn mouw schudt, maar op het moment zelf nog zit na te denken, wat het voor de luisteraar extra spannend maakt. Bovendien is hij gezegend met een warme bariton en spreekt hij een prettig in het oor liggend beschaafd Nederlands.
‘De bundel wordt geprezen om het gedicht dat niet door de getergde dichter zelf is geschreven maar vertaald. Dat doet denken aan een scène uit het liedje ‘De eerste klant’ van Wim Sonneveld. Over twee geliefden die een winkel beginnen maar geen klandizie oogsten. Toen ze ten einde raad waren en hun liefde verbleekte, ‘Toen kwam er een meisje naar binnen/ Een briefje van tien in haar hand/ Die vroeg of de baas dat kon wis’len/ En dat was hun enigste klant.’
‘Het huidige boek heet Het beste kan nog komen. Pas op: niet het beste móet nog komen – dat klinkt alsof er nog nooit iets moois is geweest en dat is niet zo. Het boek wordt beschreven als “een uitnodiging tot een frisse, positieve blik op ouder worden.” Kort samengevat komt het erop neer dat de ouder wordende mens moet leren zijn subjectieve verwachtingen aan te passen aan zijn objectieve mogelijkheden.‘
‘Kortom, in dit interview komen we dicht bij wat de kern van mijn schrijverschap uitmaakt, al klinken er meer ‘eh’s’ zodra we er te dicht bij komen. Ik heb altijd Karel Appels uitspraak ‘Ik rotzooi maar wat aan’ een flauwe provocatie van de o zo onmaatschappelijke kunstenaar gevonden (kijk mij eens schijt aan de wereld hebben). Maar ik moet toegeven: ook ik doe maar wat, ik luister naar wat ik geschreven heb, en net als bij muziek: ik weet alleen intuïtief dat het zo goed is, en niet anders. Maar waarom dat zo is… Ik moet mijn diploma letterkunde weer inleveren, vrees ik.’
Als kind speelde ik dwarsfluit in het plaatselijk harmonie orkest. Daar hoorden optochten bij, en om de marsmuziek te kunnen lezen kregen we een armhouder. Een leren riempje met daarboven een lyra.
Daar moest ik dus – excuseer me als dit respectloos zou zijn – aan denken toen ik het stuk van Imme van Zuilekom over strapons las in Hard//Hoofd. Bo Vanluchene biedt een nog grotere extra aan, in de vorm van een vuilnisbak – politicus, en Dave Schut laat dan weer in het midden of er ook wat spannends te vinden is op de rommelmarkt in zijn straat.
We bewaren ze allemaal op eenzelfde plek, of ik bedoel iedereen die er een heeft, heeft hem liggen in een doos in een kledingkast, weggestoken in een hoekje. Of in een mandje onder het voeteneind, in een kist onder in het nachtkastje. Laatst was ik bij iemand die de doos boven op haar kast had staan, er hing een leren riempje uit en ik vond dat indrukwekkend. Ik kon me niet voorstellen dat dat riempje per ongeluk over de rand van die doos hangt.
Ik vind dit echt heel leuk, zei ik tegen mijn vriendin.
Mijn dochter liep steeds weg omdat ze meer van de markt wilde zien. Ik liep met haar mee en kocht een knuffel van twee meisjes op een kleed.
Toen ik terugliep voelde ik mij een gezinsman zoals ik die ken uit verhalen van anderen: iemand die zijn buren kent, die graag onder de mensen is, die van een feestje houdt, ook bij hem thuis.
De menselijke soort wil vooruit, maar de mens treuzelt.
Hup, stoppen met die 40-urige werkweek: ga luieren, neem desnoods een hobby!
Nee, maar m’n emails dan? Mijn emails kunnen niet zonder mij!
Weg met die lidwoorden, voert met de dt’s!
Maar m’n identiteit dan? Mijn gevoel van zelf? Wie ben ik als ik mij niet meer kan beroepen op mijn onberispelijke spelling?
Vrede, misschien?Maar onze wapens zijn nog niet op!
Soit, onze bloggers leggen het beter uit. Vitalski worstelt met lamlendigheid, Kimme Tigra zorgt via haar hobby voor het onderhoud van de geëvolueerde mens en Aron Groot behandelt hypercorrectie door weerstand tegen klankverandering in de taal. En dat maakt hem ontzettend gelukkig. Nu wij nog.
ik slenter door het huis, kauw op een paar vervelende rymen… “de lotus” – is klaar, alleen natuurlyk her en der, in de hoekjes, nog wat schaven… het komt er langs myn oren uit…
goed, dat zyn oppervlakkige prikkels. meer in essentie, beste fans, is alles in myn leven toch nog steeds één ademstoot van voorspoed, triomf en goede welvaart…
Ik ben onderweg naar het keramiekatelier. Ook ik ben gezwicht voor het maken van mijn eigen stukje potscherf, dat dan binnen duizend jaar archeologisch opgediept kan worden en waar de geëvolueerde mens uit kan concluderen dat piemels op werkelijk alles werden afgebeeld.
Dat is nogal wat, een d die zomaar verdwijnt – je kunt je voorstellen dat zo’n klankverandering op weerstand stuit. Tot op de dag van vandaag zijn er mensen die liever lade dan la zeggen.
Het leven is geen ponykamp 1, en toch is geluk ook heel gewoon. In sterk dalende volgorde van gelukzaligheid stellen we u voor: de zaligheid van Erik Herbosch sr, de zoektocht van Jan-Paul van Spaendonck en de wanhoop van donkere schrijver van ontAarding.
Mijn bloed gaat sneller stromen. Ik word warm en koud vanbinnen en ergens in mij wordt een vuurwerk afgeschoten, caleidoscopische boeketten in duizend kleuren. Wanneer de mist vervaagt, staan mijn ogen glazig. Deze reactie had ik niet verwacht.
Ik besloot een poging te doen om serieus te mediteren. Er moest afgerekend worden met een onbehagen dat me dezer dagen zo niet kwelde, dan toch bedrukte. Ik keek omhoog naar de opklarende lucht waardoor, steeds hoger, witte wolken dreven. Diep ademend liet ik er een mantra op los die me gisteren te binnen was geschoten. Een heel simpele: JA. Ik moest de wereld wat meer bejahen, dat was me wel duidelijk. En waarom dan niet letterlijk?
Het voorbije jaar verwijderde ik alle gay dating apps. De schermjunkie in mij schreeuwde, panikeerde, smeekte om genade. De anarchist in mij sloeg hem neer. De dood van mijn geliefdes boezemvriend, kort na het door queer mannen niet onbekende fenomeen van een drug-geïnduceerde, anonieme, Grindr hookup, was de druppel. Ik beweer mijn leven vorm te geven door strijd. Hoe dan? Door het homonormatieve dogma dat stelt dat “seks met iemand van hetzelfde gender” al een daad van verzet op zich is? Makkelijk, lekker veel seks hebben en denken dat het om strijd gaat.
Ann De Craemer, liefhebber van badeendjes en koersfietsen, is schrijver van boeken, columns én een Substack. Ze schrijft hierop wanneer ze de noodzaak voelt, over de grote en de kleine dingen van het leven die een snaar bij haar raken.
Je eerste herinnering heb je meestal vanaf je derde. Bij mij is het deze: eerste kleuterklas; ik kijk onder mijn bank en heb geen schoenen aan. De bel gaat. Speelkwartier. Paniek, want ik moet zonder schoenen naar buiten en iedereen zal me uitlachen. Mijn moeder herinnert zich niet dat ik ooit mijn schoenen ben kwijtgeraakt op school. Het moet een droom geweest zijn. Een droom van een driejarige die mijn eerste herinnering werd. Het fundament van mijn geheugen is iets wat nooit is gebeurd.
Mijnheer Oud Zeikwijf stapt de woonkamer binnen. “Wat ben jij aan het doen?” OZ: “Wikipedia aan het lezen.” Mijnheer OZ draait zich om en loopt weg. Hij weet: dit gaat uren duren.
Wikipedia is het hol van Alice. Ik val erin en kom er niet meer uit. Maar het literaire gehalte dan? Zult u roepen. Dat is in de Nederlandse artikelen ver te zoeken inderdaad. Maar de Engelse versie is vaak wel verassend mooi geschreven, en de Franse ook. Verder lees ik het duivelse facebook. Ook ik gruw van het kapitalistische daarvan, maar helaas, zowat mijn hele IRL vriendenkring zit erop, en daartussen bevinden zich onvoorstelbare schrijvers, die ook nog niet te beroerd zijn om hun parels gratis te posten, de schatten. Zoals Molovich, de Koning van de Nederlandse Blogosfeer van weleer, die zijn mojo nog lang niet kwijt is.
In het kader van het interview door Aanlegplaats ben ik gaan neuzen in hun bibliotheek, en stuitte ik op een schrijfster in wie ik veel van mezelf herkende. Marjon Meijer is de naam.
Historians disagree whether Mercia was an independent kingdom under Æthelred and Æthelflæd but they agree that Æthelflæd was a great ruler who played an important part in the conquest of the Danelaw. She was praised by Anglo-Norman chroniclers such as William of Malmesbury, who described her as “a powerful accession to [Edward’s] party, the delight of his subjects, the dread of his enemies, a woman of enlarged soul”. According to Pauline Stafford, “like … Elizabeth I she became a wonder to later ages”. In Nick Higham’s view, medieval and modern writers have been so captivated by her that Edward’s reputation has suffered unfairly in comparison.
‘De smartphone heeft ons in zombies veranderd’, hoor je weleens these days. Maar wie dat zegt, heeft waarschijnlijk nog nooit een zombie gezien. Want zombies kijken nooit op hun telefoon. Meestal staren ze gewoon een beetje wezenloos voor zich uit. Zie ook de zombies op de foto, eerder deze week door mij gemaakt in de metro van Zwolle. Als ze hun telefoon gebruiken (een Nokia 3310 meestal, de go-to-phone voor zombies), is dat enkel om te bellen. Eigenlijk zijn ze heel ouderwets. Conservatief, zou ik zelfs willen zeggen. Ze houden niet van verandering.
Werk is veel gemakkelijker! Je hoeft veel minder zelf te bedenken wat je gaat doen en hoe en er is een veel duidelijker standaard van wanneer het goed genoeg is. Daarnaast doet de afwisseling goed, je bent even ergens anders, met andere mensen. En tenslotte – en ik denk dat dit echt niet onderschat mag worden – is het beperkt in tijd en lijkt het daardoor haalbaar om gedurende deze periode een leuke versie van jezelf te laten zien, zéker als je op je werk wordt aangesproken op je talenten.
Eenmaal uit de Conradstraat bracht ik mijn ezelin en mijn 30 gehandicapte kippen onder tegenover een andere mastodont van het Rijk: de Oranjekazerne aan de Sarphatistraat. Daar aan de overkant, langs een water dat in de bocht, gelijk een beek, een zacht begroeide oever had, bevond zich in die tijd een klein groen niemandsland, een plukje bos, zo midden in de stad. Het was door een ijzeren bruggetje gescheiden van het gebied achter Artis, waar tientallen stadsnomaden leefden, veelkleurige individuen zoals Ada in haar bouwkeet, Pepijn in haar Pipo de Clownwagentje, Johannes met zijn vaste kring Graalzoekers, of de Holbewoner, die werkelijk in een gat in de grond leefde, maar ook een onvoorstelbaar lekker ding van een vent was, met prachtige blonde krullen – waar ik dan ook vreselijk verliefd op was.
Zomaar een passage uit zomaar een blogpost van Oud Zeikwijf, weergaloze schrijfster uit Amsterdam die literair bloggen in de nillies tot een kunst en een community verhief. Geboren in een gegoede familie in de Franse bergen, zwierf ze uit naar Tokio waar ze een bekende punker werd, om daarna haar hart te verliezen aan Amsterdam. En dat is misschien wel een van de beste dingen die Amsterdam overkomen is.
In haar blogs over de ‘gitzwarte’ jaren tachtig beschrijft ze treffend de paradoxen die de Nederlandse hoofdstad zo bijzonder maakten: homo’s en dollemina’s in een Anton Pieck-achtige setting, jongvolwassenen die door hun ouders met een koffertje bij het kraakpand werden afgezet, de stad die ‘al lang opgelucht [was] dat honderden van die werkloze jongeren lekker met kunst bezig waren en geen stennis schopten.’ Ook Oud Zeikwijf bezat huis noch baan. Er was lepra, er waren luizen, scharrels die stierven in de vrieskou en een stalker die haar succesvolle underground restaurant Kømå erdoor joeg. De prijs die ze betaalde om in haar droomstad te blijven was hoog.
(Lees alstublieft verder het verhaal over hoe haar ezelin vrienden werd met de paarden van de bereden politie! Het Amsterdamse Ezelsbruggetje is waarachtig naar haar vernoemd.)
Ze leerde de mores van haar nieuwe land door Jan, Jans en de Kinderen te lezen. Ze huwde verschillende keren en kreeg drie kinderen, waarvan één met Kees Hoekert, oprichter van de Lowland Weed Compagnie (waarvan Oud Zeikwijf later secretaris werd). Hun zoon werd geboren op een drijvend eiland van piepschuim dat Oud Zeikwijf zelf had geknoopt.
Pas halverwege de dertig had zij zich aan heur eigen haar uit het moeras getrokken en ging ze grotemensendingen doen. Werken. Salaris. Een groot gezin dat gerund moest worden, als een 2de bedrijf. (Uit: Mevrouw Hazenkraak, 2025).
Oud Zeikwijf lezen is als beginnen aan een grote zak chips. Je nieuwsgierigheid wordt bevredigd en groeit tegelijkertijd. Hoe persoonlijk ze ook schrijft, ze blijft een mysterie. Misschien dat een interview helpt? Bring on de eerste vraag!
Waarom ben je ooit met je blog begonnen?
Ik heb er meerdere, in het Frans en het Nederlands. En ik beschouw bijna alles wat ik online gratis en openbaar post als bloggen. Ook microbloggen vroeger op Twitter, toen nog 140 tekens, een geweldige school om bondig te leren schrijven.
In 1998 werd mijn man gevraagd als online blogger voor een grote website op ons vakgebied. Het internet bestond maar net. Hij schrijft niet, en ik wel, sinds mijn prilste kindertijd, dus dat ben ik gaan doen. Na een paar jaar zei de hoofdredacteur dat mijn stukken te hoog gegrepen waren voor zijn doelgroep. Toen sprong mijn oudste zoon, een van de allereerste millennial whizzkids van Nederland, ertussen en schonk mij een eigen blog, op Blogger. Een schot in de roos.
Hij vroeg: “Hoe moet het heten?”
“Oei, ja, hoe?”
Hij deed zijn ‘dump’ open, een plek waar zijn online maatje allerlei parels die ze tegenkwamen postten. Het allereerste dat we zagen was een post met een verwensing: oud zeikwijf! We schoten in de lach. De titel van mijn blog, alsmede mijn eerste (en ook de enige die is gaan beklijven) bloggersnaam, was geboren.
Hoe heten je andere blogs?
Dat hou ik al twintig jaar bewust en vrij doeltreffend geheim, zoals meer zaken: mijn burgerzaken identiteit, mijn beroep. Ik ben in het begin van mijn online schrijfcarrière slachtoffer geweest van misbruik van mijn openbaarheid, zoals je kunt lezen in mijn blog No Such Agency. Daardoor was ik als een van de eersten bewust van de gevaren van online ontboezemingen.
Je zegt dat je altijd al hebt geschreven. Kun je daar iets over vertellen?
Ik was een voorlijk kind, ik leerde mijzelf lezen aan de hand van de pagina’s van de atlas die wij thuis hadden, waarop de ruimte was afgebeeld. Mijn vader had eens de namen van de planeten opgenoemd. Vanaf dat moment was ik niet meer te stuiten: ik las alles wat onder handbereik kwam. Op kinderfeestjes werd ik berispt omdat ik bij binnenkomst vroeg waar de boekenplank was, een boek pakte en onder de tafel ging lezen. Al snel ging ik ook schrijven, en bleek ik ‘de gave van het woord’ te hebben, zoals blogger Oxysept het zo goed verwoordde. Er is helaas niets gebleven van die vroege pogingen. Op alle scholen waar ik op gezeten heb werd ik op handen gedragen als een toekomstige schrijfster. Een docent Frans op het gymnasium heeft zelfs stampei geschopt omdat ik de bètarichting koos. Op mijn 17de begon ik aan een roman. Na een paar pagina’s gaf ik er de brui aan. Ik vond mezelf te jong, nog niet rijp genoeg, ik ‘had niets te melden’. Ik besloot eerst flink te gaan leven, avonturen te beleven, die ik zou kunnen opschrijven. Op mijn 19de werd ik gekozen als beste dichter van mijn stad. Ik vertrok echter vóór de prijsuitreiking naar Tokio. Daar heb ik een serie artikelen geschreven voor de fanzine Bruit d’Odeur. Daar vandaan ben ik niet terug naar Frankrijk gegaan, maar naar Amsterdam, wat de doodsteek werd voor mijn schrijftalent. Ik had vier talen in mijn hoofd: Amerikaans Engels, Japans, Frans en Nederlands. Als ik een zin dacht dan zag ik in mijn hoofd woorden van die vier talen, doorspekt met Japanse karakters. Ik heb het wel geprobeerd, maar dat mag geen naam hebben.
De eerste keer dat ik weer dacht aan schrijven was decennia later, na het lezen van de boeken van Kader Abdolah. Ik dacht: “Als hij kan schrijven met een vocabulaire van twintig woorden, dan kan ik het ook.” Mijn mentor en vriend Robert Jasper Grootveld spoorde mij ook aan: “Schrijf toch in meerdere talen door elkaar! Dat is de toekomst.” Eens lag ik een sessie reiki te ontvangen toen ik een grote bloem zag groeien uit de kwaal waarvoor ik behandeld werd. De bloem opende zich in steeds prachtigere kleuren. Mijn onderbewustzijn gaf mij de boodschap: schrijf! Verhalen! Gek hé?
Maar het was pas toen mijn zoon mij een blogspot schonk dat ik echt aan het bloggen sloeg. Voor mij de hemel.
Wat maakt voor jou een blog echt goed?
Zodra je dat definieert trek je de deur dicht voor wat zou kunnen gaan komen. Wederom: ik vind een heleboel onder het predicaat bloggen vallen. Zeker heden ten dage, wanneer men elkaar vooral vindt op de socials, zie je daar het bloggen gebeuren. Facebook wordt afgeserveerd, terecht als je het hebt over het kapitalistische daarvan etcetera, maar voor schrijvers en lezers is het een goudmijn. Vroeger waren interessante schrijvers ook op Twitter te vinden, dat is nu op X veel minder zo en op Mastodon en Bluesky is het nog niet echt op gang gekomen, maar dat komt nog. Het is een overgangsfase.
Ik heb veel criteria: humor, absoluut. En dan verder alles wat je literatuur kan noemen. Dat is heel breed. Het criterium ‘goed geschreven’ vind ik niet zo interessant. Een stukkie hoeft niet te voldoen aan de regels om je van de sokken te blazen.
Ik laat vanzelfsprekend buiten beschouwing de blogs over specifieke onderwerpen: over koken, tuinieren, klussen en wat dies meer zij. In de begindagen kregen enkel dit soort websites de aandacht. Ik heb gepoogd bekendheid te geven aan de meer literaire blogs omdat ik merkte: men weet ze gewoon niet te vinden. Ik wilde het woord blog uit de huis, tuin- en keukensfeer halen.
Van 2011 tot 2016 organiseerde je het Blogbal, als tegenhanger – en op 200 meter afstand – van het Boekenbal. Was er sprake van een blogcommunity toen?
De blogcommunity was huge in die tijd. En hecht. Wij vonden elkaar via de blogs zelf, hun blogroll, waar aanbevolen blogs stonden. Je kon reageren op blogs, en daar werd grif gebruik van gemaakt. Veel bloggers stonden ook op Twitter.
Een paar fantastische bloggers van het eerste uur waren heel schuw, die bereikte ik per mail, of via via. Om iedereen op te trommelen voor het eerste Blogbal heb ik ze persoonlijk een uitnodiging gestuurd. Voor de volgende edities ook, maar de tamtam werkte toen al heel goed. Ik vond het ontzettend grappig om met elkaar onze blognamen te gebruiken. Ze waren vol fantasie, de een leuker dan de andere. Wij hadden met ons allen een parallelle wereld gecreëerd waar het fijn toeven was. Ik begreep maar niet waarom de rest dat niet inzag.
het blogbal is het boekenbal van de bloggers een feest op dezelfde avond als het Boekenbal waar de bloggers elkaar en hun lezers in het echt ontmoeten. Zij spreken elkaar het hele jaar alleen online. Een keer per jaar kunnen zij elkaar op het Blogbal treffen. Het heeft ook een date-functie. Verliefde bloggers spreken af op het Blogbal. Het heeft ook een belangrijke functie voor de uitheemse bloggers. Die hebben nog minder mogelijkheden dan de bloggers in NL om elkaar in het echt te zien. Ze komen van verre (Oost Duitsland, Spanje, Portugal), speciaal voor het Blogbal.
Het Blogbal was een poging om de literaire blogs onder de aandacht van het grote publiek te brengen. Ik heb persberichten naar alle Nederlandse media gestuurd, maar helaas werd het niet besproken in de grote kranten. Ik kon niet goed duiden hoe dat kwam: waren ze bang voor hun inkomsten, door al die gratis schrijverij? Of was het pure domheid en gebrek aan visie? De VRT besteedde er wel aandacht aan, Jan Demol heeft mij toen geïnterviewd. Op een of andere manier begrepen de Belgen het belang van blogs, en van het Blogbal. Jullie hebben ook steengoede bloggers als Wendy Kroy,Duchka, Anne Servaes en Masjenka.
Een lijst met de blogs die wij destijds de moeite waard vonden, vind je onderaan op de site van Blogbal. Een heleboel bestaan niet meer. Sommigen hebben de overstap gemaakt naar uitgeverijen of reguliere media. Het is grappig om op die lijst mensen tegen te komen die nu beroemd zijn, maar destijds echt begonnen als bloggers: Lubach, Diederik Smit, Karin Spaink. Hulde voor de toenmalige bloggers die hun oude blog nog steeds online houden! Wat een rijkdom.
Kun je een paar blogs noemen die je van je sokken hebben geblazen?
Een van de schuwere bloggers was Alfagrl. Zij schrijft al jaren bijna niet meer op dat blog; ik vond de oude posts de mooiste. Ook Stronkiebonkie is van haar. De onlangs overleden Karin Spaink heeft een erg leuke stijlgids geschreven voor Follow The Money. Ze heeft altijd de oude bloggersvibe behouden; lekker alles gratis online zetten. Zo fijn in deze hypercommerciële tijden. LiqueAngel las ik ook graag en Kim de Wild en Electric Luna, ook zo’n leukerd: hier een voorbeeld van hoe blogsters de seksuele ruimte opeisten. Verfrissend te lezen in deze tijden van #metoo en cancelling van seksbeluste mannen.
Wie mij steevast van mijn sokken blies was Dause von Kippfest. Hij trok zich niets aan van schrijfregels en -wetten en was ontiegelijk grappig. Op het eerste Blogbal kwam hij op het podium vuvuzela spelen met zijn vriendin. Hilarisch. Verder ben ik altijd een grote fan geweest van Molovich en Oxysept. @mieuw/Kittekat vond ik ook altijd leuk om te lezen, net als Naomi de Noronha en Vrouwke van Stavast niet te vergeten!
Ik word nu wel heel erg met de neus op het feit gedrukt dat ik amper meer blogs lees. Ik volg wel een aantal schrijvers die ‘echte’ stukken posten op Facebook. Bijvoorbeeld Peter Veen, Barbara Schroevers, Johannes tHoen, Klaas Knooihuizen, Max Molovich en Jeroen Blankert, oprichter van de superleuke tent De Nieuwe Anita in Amsterdam. Hij is daar nu weg, en schrijft en schildert. Hij heeft het Blogbal daar twee keer gehost. Toen ik naar hem toe stapte om te praten over de mogelijkheid van het hosten van Het Blogbal, wist ik niet dat hij hield van schrijven, ik was verrast over zijn enthousiasme. Achteraf begreep ik het.
In Nederland word je de moeder van het bloggen genoemd. Hoe zie jij zelf achteraf de invloed die jij hebt gehad op het bloggen en de bloggers?
Naar het grote publiek teleurstellend klein. Ik mikte op zoveel meer impact! Los daarvan heb ik geloof ik toch mijn steentje bijgedragen aan het oppoetsen van het ego van de bloggers zelf. Op het Blogbal liet ik quotes uit hun blogs op een groot scherm verschijnen. Dat was een kunstwerk op zich. De schoonheid van die zinnen, achter elkaar! Ook hadden wij de Blogbattle, dat was een groot succes. En op het lustrum hebben we de prijs van de Blogger des Vaderlands uitgereikt. Die werd democratisch gekozen, wat een ietwat verrassende uitkomst bracht. Ik treur vandaag meer dan ooit dat Karin Spaink het niet werd. Haar oeuvre heeft ze testamentair aan het publieke domein geschonken. De heldin.
Wie zou er volgens jou dringend een blog moeten beginnen?
Vrouwen! Mijn generatie, Generatie X (of Nix), de naboomers, zat onder de dictaten van de babyboomers. Die voeren enorm op het geschreven woord, als referentie. Mijn generatie was juist de eerste echte ‘beeldgeneratie’ (en ook trouwens de eerste computergeneratie). Wij waren opgegroeid met de televisie, maar dat mocht niet gelden. 99% van alles wat wij onder ogen kregen, echter, was door mannen gemaakt, gekeurd of uitgebracht. Male gaze alom. Dat heeft zijn weerslag tot in het nu. Er is een welkome inhaalslag gaande, maar nog steeds heb je meer gewicht (letterlijk en figuurlijk) als je man bent. Zeker online, waar ongegeneerde misogynie plaatsvindt. Dus vrouwen, klim in de pen, maak content, vul Wikipedia, interacteer met AI (die anders vooral door mannen wordt gevoed) en wees wezenlijk zichtbaar op diepzinnig niveau: op een andere manier dan om jouw male gazed uiterlijk en gedrag.
Je hebt fantastische blogs geschreven over mannen en vrouwen (zie tag ‘m/v’).Welke onderwerpen liggen jou het nauwst aan het hart?
Dat was denk ik het probleem met mijn schrijverschap, dat ik geen onderwerp had. Het was een ratjetoe. Ik schreef over alles. Ik heb nu een paar jaar geleden wel aan De Natuur beloofd om mij zoveel mogelijk voor haar in te zetten. Dus dat doe ik tegenwoordig het meest.
Vorig jaar bracht Oud Zeikwijf het boek Mevrouw Hazenkraak – die met insektjes en zo praat uit, een hilarische verzameling verhalen over trilspinnen, woekerplanten, praten met vogels (‘niet meer doen, het brengt ze in de war’), hypnotiserende feeën en een boer die een kievitsnest in zijn land legt voor een EU-subsidie van 150 euro. Hoewel de setting volledig verschilt van het jaren tachtig Amsterdam, blijft het wezen van Oud Zeikwijf onveranderd: gulzig en gul, impulsief en bedachtzaam, honderdduizend kilo levenservaring maar altijd bereid om opnieuw overrompeld te worden.
Nu de AOW-leeftijd met rasse schreden dichterbij kwam, had zij af en toe van die momenten. Zij zonderde zich af en verloor haar grip op de tijd. Die momenten vertelden haar hoe heerlijk die jaren waren geweest. Hoe zwaar Kronos op haar lijf had gewogen. Hoe wezenlijk het voelde om je daarvan te bevrijden, al was het maar voor even. In dat ‘even’ kwam de verlossing. Zij wist niet meer wie zij was, wat zij moest, wat zij wilde.