Nee (vangst #18)

Nee polariseert. Het vergt moed. Nee is scherp, afwijzend, een kruis om te dragen én om te geven. Diegene die het gebruikt heeft keuzes gemaakt. In een tijd waar een gemondmaskerde nee gemakshalve vervangen wordt door een nog niet staan drie schrijvers op om zich de negatie eigen te maken. Of het nu gaat om een weigerende tand, een ontbrekend argument of een grofmazig net; de acceptatie ervan is geheel aan u.

‘Al mijn tanden zullen uitvallen. Ik zit weer op de tandartsstoel. De tandarts probeert de tand te trekken met een tang, een koord en een boor. Ik krijs, ze slaat me knock-out met een staaf. Wat ze ook doet, de tand geraakt er niet uit.’

Uit: Iets dat niet loslaat van Julie Cafmeyer

‘Recent nam ik de beslissing om elke dag een één-regelig commentaar te posten op Facebook. De regel luidt: ‘Stel je niet aan.’ Liefst gevolgd door de naam van de persoon op wie ik reageer, want dat komt zichtbaar harder aan. Het voordeel aan “stel je niet aan” is dat ik me niet in het minst verplicht voel om steeds weer dezelfde argumenten aan te dragen. En waarom zou ik ook?’

Uit: Also sprach der aansteller van Marc Cloostermans

‘Ik zoek naar was die ik allang heb opgehangen. Vind een GSM in de frigo en een blok kaas in mijn sjakosj. Het loopt spaak in mijn hoofd.’

Uit: Ja vs. Nee van Marjon Meijer

Nu even niet over jou (vangst #17)

Voor u gepresenteerd, een lichting die november 2016 tot juni 2021 overspant. De oudste tekst heet geheel toepasselijk ‘Het Beste Heden’, terwijl de jongste tekst dan weer gaat over weerstand tegen de verheerlijking van het verleden. Maar dat is toeval. Het enige échte criterium voor selectie was dat de schrijvers schreven over mensen die schrijven over andere mensen. Nu ja, geldt dat niet voor bijna elke tekst? Inderdaad. En toch.

‘Dus mogelijk ging ik uit eten met Gilles, voor de krant. Dat was het plan. Wellicht. En zoals gebruikelijk mocht ik niet weten waar we uit eten zouden gaan. Dat laat Gilles slechts enkele uren van tevoren weten, via een gecodeerd bericht dat zichzelf na dertig seconden vernietigt. En wanneer ik het dan weet – áls ik het dus weet – mag ik tot publicatie van de recensie in het Parool aan niemand vertellen waar we aten. En al helemaal niet hoe het eten was. Laat staan dat ik iets kwijt kan over het interieur, de straat of wijk waar het restaurant (of bistro of eettentje of snackbar) gevestigd is. En nog minder over wat voor weer het was die dag en welke tram ik nam om ernaartoe te gaan – terwijl er in mijn wijk maar één tramlijn rijdt […]’

Uit: Nu even niet over jou van Ivo Victoria

‘Je loopt door die tentoonstelling en je denkt: dit is een toeristenval, zoals je schilders hebt op Montmartre, zo heb je Aborigenal-schilders, het getuigt van bekrompenheid om individuele schilders onder ‘aborigenal-kunst’ onder te brengen, stel dat je in Japen Nederlandse schilders samenbrengt onder de titel ‘Groeten uit Volendam’ of ‘Op Volendamse klompen’ of Vlaamse schilderijen als ‘Antwerpse keukens’ betitelt, net alsof Aborigines geen individu zijn. Bij de schilderijen die inderdaad louter en alleen aborigenal zijn, hangen echter wel naamkaartjes, het gaat dus om kunstenaars die individu zijn. Toch zijn die schilderijen allemaal hetzelfde, ze zijn de uiting van een aborigenal-kosmologie, stel je voor dat hedendaagse Engelse schilders naar Japan gestuurd worden en allemaal zijn ze geselecteerd op hun anglicaanse schilderwijze – wat te denken? 

Uit: Jij slechte mens van Johan Velter

‘Een paar verlegen studenten vroegen de conducteur, uitleggend dat ze opdrachten moesten doen, of ze iets mochten omroepen. Ze moesten dat doen vóór Gent Sint-Pieters. Het volgende station was Gent Sint-Pieters. Oei, zei de conducteur, en wat moet je dan omroepen ? Dat mag alles zijn, zeiden de studenten. Okee, zei de conducteur, dan mag je wel omroepen wat ik anders toch omroep. We komen aan op Sint-Pieters, hierna gaat de trein door naar Kortrijk. Oke, zeiden de studenten.

En ze riepen exact dat om, Vos. Met enkel een fijn weekend aan iedereen namens hun studentenvereniging. Geen rebellie, geen rock ’n roll, gewoon braaf wat ze gevraagd was. Ik ben daar dan maar uitgestapt en heb even een sigaret gerookt voor het station in de regen, me afvragend of ik iets anders had gedaan. We doen toch meestal maar gewoon wat ze zeggen dat we moeten doen. Het is nu eenmaal zo, het is nu eenmaal zo.’

Uit: Het Beste Heden van René van Densen

De terugkeer van de nostalgie (vangst #16)

Deze dinsdagochtend nemen we u mee op een cultureel verantwoorde trip down memory lane. Blogger Hoochiekoochie zag onlangs de film Hedda Gabler uit 1978 van Jan Decorte – naar een toneelstuk van Ibsen – en doet ons verlangen naar het Zweden van eind negentiende eeuw, toen manuscripten nog gewoon, uit pure verveling, in de open haard werden gesmeten. Rob van Essen leest voor het eerst De terugkeer van Joachim Stiller van Hubert Lampo en schrijft er ongemeen boeiend over in steeds genuanceerdere beschouwingen. Tot slot kijkt Philippe Clerick, onze favoriete gepensioneerde leraar waar we nooit les van hebben gekregen, ter gelegenheid van zijn zesenzestigste geboortejaar dapper vooruit. Maar niet zonder zich een moment lang weer een jonge dertiger te hebben gevoeld.

‘De lange stiltes die tot nadenken stemmen en observatie aansporen. Ga je van nog langere stiltes niet dood? Nee, natuurlijk niet want hoe meer stilte hoe meer er te horen valt en hoe duidelijker de contouren worden van wat wordt uitgesproken. Goede articulatie van een pijnlijk mooi Nederlands. Waarom horen we nog maar zelden onze taal zo speels en toch afgemeten klinken? Het gemompel van een Marlon Brando blijft ons hier bespaard.’

Hedda Gabler van Jan Decorte uit Hoochiekoochie van Martin Pulaski

De komst van Joachim Stiller is zo’n roman die beter of in ieder geval sympathieker wordt naarmate je je meer verdiept in de herkomst, de biografie van de schrijver, diens eigen commentaar op zijn werk. Dat is een zwakte van het boek, ben je dan meteen geneigd te roepen, gevoed door de opvatting dat de tekst voor zich moet spreken, dat de maker er niet meer toe doet als de tekst eenmaal bestaat; maar in plaats van zwakte kan je ook zeggen: eigenschap. (Misschien moeten we dat vaker doen: zodra iemand zwakte! roept meteen eroverheen gaan met: nee, eigenschap!)’

De herkomst van joachim stiller uit Reddend zwemmen van Rob van Essen

‘Het is echter juist omdat vijfenzestig zo’n mijlpaal was, met zo’n heftige gevoelswaarde, dat zesenzestig nu tegenvalt. Ergens moet ik het in mijn hoofd gehaald hebben dat de teller eeuwig op vijfenzestig zou blijven staan. Het is niet zo. De teller loopt door. Het is nu zesenzestig. And counting.

Laatst kreeg ik van een oud-collega, die mijn leeftijd heeft, vervroegde verjaardagswensen. ‘Het is nu ook voor jou ‘route 66,’ schreef hij. Dat was een aardige formulering. Woorden hebben een bezwerende kracht. ‘Route 66’ … ik voelde mij even weer een beginnende dertiger.

Ik word zesenzestig uit Clericks Weblog van Philippe Clerick

De schrijver has left the building (vangst #15)

De dader of de daad, de kok of het gerecht, de schrijver of de tekst. Wat boeit ons nu echt?

Elke marketeer zal je vertellen dat consumptie start met identificatie, en in zijn wereldbeeld wordt content geconsumeerd. Of niet. Het begint in elk geval met de schrijver als brand.

Caro Van Thuyne vindt dat een afgrijselijke gedachte, het Ministerie van Hysterie omhelsde ze maar ontdekte dat het ook niet alles is, en Marc Reugebrink wordt door een snotaap de mogelijkheid ontzegd om er nog überhaupt een mening over te hebben.

Een vangst over de moeilijke relatie tussen boeken en marketing, tussen cultuur en commercie.

(Maar wel dus helemaal gratis! Samengesteld door een redactie met boeiende levens! Ontdek hen nu!)

Er werd me gevraagd of ik een stuk wilde schrijven over een uitstervende soort. Ik schreef over de nachtzwaluw. Hoe zijn onzichtbaarheid altijd zijn bescherming was. En nu niet meer. Ik laat mijn stuk eindigen met het uitsterven van de mens. En met de hoop dat voor de nieuwe levensvorm die daarna zal ontstaan onzichtbaarheid andermaal een bescherming mag zijn. Een proeflezer merkte op dat ik het over mezelf had.

Caro Van Thuyne (het kleine kijken) in Op straffe van onzichtbaarheid.

Ik kan daar moeilijk bij. Je bouwt dus een business model uit op basis van Instagram, je lokt klanten op Instagram, je geeft cursussen over Instagram en laat mensen jou betalen – om dan zelf te crashen door het medium waar je zo hoog mee oploopt? De wereld is om zeep, liefste lezertjes, de wereld is om zeep.

Laura Buelinckx (Ministerie van Hysterie) in Lijstje nr 8

Wat ik niet had verwacht, was die ene jongen die in het midden van mijn betoog naar het stapeltje boeken keek dat ik geschreven heb, me taxeerde en plompverloren zei: ‘Dat heb jij niet geschreven.’ Wel degelijk, zei ik, en wees op de diverse auteursfoto’s. ‘Dat ben jij niet’, zei hij. En ja, ik moet toegeven dat mijn auteursportretten allemaal zijn gemaakt door zulke bekwame fotografen dat de afstand tussen foto en werkelijkheid soms groot is.

Marc Reugebrink (de Inwijkeling) in Literatuurvaccin

Wandelverhalen (vangst #14)

Soms heb ik geen zin in vlammende pennen, sterke woorden, boodschappen van algemeen belang. En ach, zelfs een pointe kan soms storen, al te vaak zo luid gebracht. Alsof je de schrijver kan horen schreeuwen door het scherm, door de woorden door, recht in je oor, met speekselspetters en al. Dus voor deze week een collectie zonder veel verzet of urgentie. Observaties, gepresenteerd als terloopse poëzie, worden u in een boswandeling gebracht door Anne Broeksma. Marc Kregting schrijft dan weer een overpeinzing over het bijzondere taaluniversum van de recent gestorven Hafid Bouazza. En tenslotte, een Kleinnood, of een gedicht zoals een sneeuwvlokje, van Arne Schoenvuur.

‘Het centrum van dit dorpje bestaat uit een kruispunt met een gesloten hotel, een gesloten restaurant en een gesloten kerk. Naast de deur van de kerk hangt een plakkaat: ‘voormalig hervormde kerk’. Ik vraag me af welke stroming er nu dan in het kerkje huist. Erachter ga ik zitten op een stenen plateau, met uitzicht op de slangenmuur rond het kasteel. Boven me steken takken fel af tegen een blauwe lucht. De winter trekt veel lijnen, maar vult weinig op.’

Uit: Oud-Zuilen van Anne Broeksma

‘Als schrijver was hij dus ook een lezer. Bijvoorbeeld van Geerten Gossaert, wiens Experimenten in het verleden is wegeijld (deze zin klopt grammaticaal). Eens te meer een prestatie, omdat Bouazza pas op zijn zevende Nederlands begon te leren. Is dat voordelig geweest voor de derde gedaante waarin hij dit communicatiemiddel testte: die van vertaler uit het Arabisch?’

Uit: Voedsel voor het oog van Marc Kregting

‘Ik zal aanbelanden

Een vogel

In volle vlucht

Vroege voorjaarsbloem

Op de randen

Van kelk, blad, omsprietend gras

Aan de oever

Of in de rivier

Als ik geluk heb

Wie weet

Ooit in jouw handen’

Uit: Kleinnood van Arne Schoenvuur

Op het kruispunt van de liefde (vangst #13)

Tien jaar geleden ontdekte ik als bij toeval de blog van Julie Cafmeyer en na één paragraaf was ik fan. Een decennium later is dat nog steeds zo. Ze schrijft prachtig over de hunkering naar liefde en over het onvermogen van haar talrijke geliefdes om het haar te schenken. Dat brengt me bij Ben die op een kruispunt in een anoniem Nederlands dorp het voorbij flanerend leven observeert en in de verte een muze ontwaart waar Martin Bril speciaal de rokjesdag voor heeft uitgevonden. Tot slot een mooi stuk van Bart Moeyaert over Renate Dorrestein en hoe haar dagboek hem inspireert zijn Voor Ooit-lijstje verder uit te diepen. 

‘Hannah zei: “Het probleem is dat jij liefde verwacht van iemand die je dat nooit zal geven. Ik begrijp wel dat het pijn doet als de liefde voorbij is. Maar liefde blijven verlangen van iemand die al meer dan een halfjaar uit je leven is, wordt op den duur absurd. Je kan net zo goed van een willekeurig iemand die je op straat passeert verwachten dat hij je zijn liefde verklaart.’

Uit: mijn-nieuw-ex-lief van Julie Cafmeyer

‘Columnist en schrijver Martin Bril zag overal een verhaal in. Over elk kruispunt in Nederland zou hij een ‘stukkie’ willen schrijven. Het is er niet van gekomen, hij ging te vroeg dood. Over elk kruispunt? Ook over de kruising Anjerlaan/Zonnebloemlaan in Hoevelaken, vlakbij mijn huis? Hier gebeurt nooit wat. Ik neem de proef op de som. Ik ga met pen en papier bij dit kruispunt op een stoeltje zitten.’

Uit: kruispunt van Ben de Graaf

‘Via dit boek heb ik de mens achter de boeken leren kennen, de vrouw tijdens de boeken ook — als je begrijpt wat ik bedoel. Ik heb haar helden, haar stokpaardjes, haar demonen gezien. Er zijn namen, plekken, titels gevallen die ik tijdens het lezen meteen ben gaan opzoeken, om ze op mijn Voor Ooit-lijstje te zetten. Het woord dat ik na het lezen in mijn hoofd had en hier hogerop al heb genoemd, komt weer bij me op. Dankbaar dat ik Dorrestein postuum veel beter heb leren kennen.’

Uit: Instagram van Bart Moeyaert

Formidabele hobbels (vangst #12)

Van het begin tot het einde, van conceptie tot overlijden, met de grote leegte in het midden.

Ziedaar de vangst van deze week, die de grote gebeurtenissen van het leven bruut in uw gezicht smijt. Want het lot is er voor iedereen, zonder onderscheid, het is hopen op een sigaartje op het eind, als troost, of een herinnering, schoon of lelijk, dat blijft al gelijk.

‘Mijn ex is zwanger. Ze heeft het me net verteld. Met de nodige afkeer luister ik naar een monoloog vol gezeik over respect, onvoorwaardelijke vriendschap en toevalligheden die een toekomst bepalen die niemand kan voorzien. Ik laat haar lullen en denk aan het langzaam verdrinken. Mijn longen die zich ongewild vullen met water. Mijn lijf dat vecht zonder kans op een overwinning.’

Uit: Kotsen op woensdag, Woensdag 28 – 04 – 21 van Sam Sterckx

‘Ik had nog even een wilde hoop, toen ik over de vogels heen reed, dat ze zich precies tussen mijn wielen zouden bevinden en dat ze hun noodlot konden ontkomen als ze snel genoeg renden om mijn achterligger voor te blijven. Maar de kleine hobbels onder mijn wielen en de bijbehorende plofgeluidjes maakten aan elke illusie een eind. ‘

Uit: Roadkill, van Jan-Paul van Spaendonck

‘Dat ge u verplicht voelt die tijd nuttig te besteden, maar er niet in slaagt.

Ge wilt werken, studeren, genieten, gevoed worden, maar niets marcheert.

Ge sleept u van leegte naar leegte. Onderweg komt ge één enkele keer een goed boek tegen of een schoon schilderij.

Of een formidabele herinnering die u alleen maar ongelukkig maakt omdat ze voorbij is.

Voorgoed voorbij, voorbij voorbij voorbij.’

Uit het dagboek van Merel de Vilder Robier, 29 april 2021

Plakboek van een Chaoot (vangst #11)

Mijn vriendin, de hondenliefhebster, haalt haar schouders op: ‘Vroeger ging ik naar Nederland. Het was meer dan een uur rijden, maar daar mochten de honden tenminste vrijuit lopen. Sinds Corona kan dat niet meer, en laat ik ze soms stiekem los in een park hier verderop.’ In een wereld vol leibanden, wetten en plichten is het voor een groeiend aantal figuren moeilijk vertoeven. Op kop: de enthousiasteling, de wildebras, de chaoot. Wat ons, onaangepaste creatievelingen, nog rest, zijn de wijde velden van onze verbeelding. Daar kan gelukkig niemand aan.

Als lezer mogen we bovendien, wél op bezoek: Kom deze week aan in het Plakboek van een Chaoot, waar verhaal, beeld en woord in elkaar overlopen. Vervolg je reis in de eigenzinnige wereld van Vitalski, waar nieve printers verlossing bieden, en keer terug in de tijd met Pierewit en René Magritte.

‘DE ZUIDERZEE. In 1921 valt er in de haven van Enkhuizen een joch van het schip. Jacob is zijn naam. Jacob wordt met moeite gered. Hij is verward en radeloos, wil terug in het water. ‘Ik heb het paradijs gezien’, roept hij, ‘echt waar, ik heb het paradijs gezien, laat me toch gaan.’ De schippers kunnen hem nauwelijks in bedwang houden en hij schopt hun schenen blauw. ‘Hij is gek geworden’ zeggen ze, ‘wie ziet er nu het paradijs onderwater?’

Uit: BLOGVEHIKEL VAN EEN CHAOOT, van Marianne, met illustraties en afbeeldingen van Marianne

‘vandaag viel ik, rond zeven uur savonds, ten prooi aan een tamelyk verpletterende vorm van treurige somberte – voornaamste trigger daartoe geweest zynde het gegeven dat ik, een uur of twee lang, was bezig geweest met de transcriptie van een toneeltekst van 20 jaar geleden, myn tamelyk beroemde monoloog getiteld “de ondergang van patrick dieltjens”. toén was ik een dertiger, zo drong het tot my door. toén, ten tyde van dié productie, was de wereld aan myn voeten komen te liggen. toén was “the sky the limit”, toén werd myn afzetmarkt elke dag groter en groter. hoe krom groeit nu ondertussen, zo begreep ik, myn stengel, toch zeker vergeleken by dat alsmaar aangroeiende heldere licht van toén… nu zolang geleden, die belofte…
    als een verlossing uit het niets, belde juist rond dàt onzalige uur sabine jatta my op: “kom je nu eindelyk die printer ophalen?”‘

Uit: State of Being: nieve printer van Vitalski, met afbeeldingen en illustraties van Vitalski

‘René Magritte was in zijn jeugdjaren een regelrecht crapuul die, samen met zijn twee broers Paul en Raymond, zijn omgeving het leven zuur maakte. Hij hield van practical jokes waarbij zijn voorliefde voor excrementen opvalt. Drollen werden op deurklinken gesmeerd, of in kranten gewikkeld aan voordeuren gelegd en dan in brand gestoken. De organist van de kerk kreeg zelfs een volle emmer stront vanop een brug over het hoofd gekieperd…’

Uit: René Magritte, een crapuleuze hoerenloper van Pierewit, met afbeeldingen van Pierewit

Motregen boven Manchester (vangst #10)

Deze week reizen we in het gezelschap van drie bevlogen pennen naar Manchester, Wenen én het mythische Roeselare. 

In een geestig stuk beschrijft Rob van Essen de teleurstelling die je ervaart als je verwachtingsvol een boek van een Groot Schrijver opent en die enkel uitblinkt in zelfbeklag. Die teleurstelling ruimde bij mij baan voor vreugde toen ik het verhaal van Lies Jo Vandenende las over de dag dat ze besloot in bed te blijven liggen en in haar hoofd een reis naar Wenen ondernam. Als machtig slotakkoord vertelt Isaura Fluit over hoe ze langs de waterkant, ongemerkt, een jeugdliefde kruiste die volop bezig was met het ontwarren van een Gordiaanse knoop.

‘Waar is mijn antenne voor het tragische gebleven, ik had dit veel eerder moeten lezen, op mijn vijfentwintigste, overdag met de gordijnen dicht, gezellig Joy Division erbij opgezet, dát was de goede tijd geweest voor dit soort zelfkwellende berusting, toen was ik daar oud genoeg voor, als lezer ben je als vijfentwintigjarige op je oudst…’

Uit: een-koetsje-in-je-hart van Rob van Essen 

‘Je wou dat je een mysterieus type was. Het soort mens dat niets forceert maar met een zekere nonchalance overal vraagtekens achterlaat. Je zoekt het mysterie altijd in anderen, en neemt hen het gebrek daaraan kwalijk. Je neemt de ander het gebrek aan mysterie kwalijk omdat je er niet in slaagt het bij jezelf te bewaken.’

Uit: een-dag-in-het-hoofd-van-een-lichaam-dat-niet-uit-bed-raakt van Lies Jo Vandenhende           

‘Ach, dit bestaan wordt ons toegeworpen, ongevraagd, en toch worden wij geacht gulzig in die appel te bijten zonder te weten wat er ons te wachten staat. In het begin weet je niets en je doet maar wat. Je raakt hopeloos verstrikt in illusies, dromen, idealen en andere fantoombeelden. Een postpunkband met synthesizers met een ongelukkige zanger vormt de soundtrack van je tienerjaren en wat later schreeuwt Kurt Cobain onze angst uit.’

Uit: brief-aan-m van Isaura Fluit

Lezen op het kookeiland (vangst #9)

De redactie geeft het toe, werken aan de lancering van Aanlegplaats heeft onze balans tussen schermtijd en boeken geen deugd gedaan. We missen het, de geur van papier, het geluid van een omslaand blad, het kraken van onze hersenen terwijl we ons verliezen in een wereld die schijnbaar zo moeiteloos voor ons wordt geschapen.

Gelukkig kennen onze bootskapiteinen dat ook. Pascal Cornet verdwaalt in het tijdsbesef van W.G. Sebald, De Rode Valies treft een eindeloze stapel nieuwe zelfhulpboeken aan in de bibliotheek en Viktor Frölke – pas aangemeerd in onze haven – zoekt zijn exclusieve woonruimte in een helaas gesloten boekhandel. Als u dan toch kiest voor schermtijd, u weet waar te gaan.

‘‘Steeds donkerder werd het, en later.’ Beide mededelingen, en zeker die over de tijd, zijn op het eerste gezicht overbodig. Natuurlijk wordt het, als het al avond is, donkerder, en natuurlijk wordt het later. Het wordt altijd later. Maar bij Sebald is dat niet zo. Door hier een bevestiging te geven nopens de richting waarin de tijd zich voortbeweegt, naar de toekomst toe, versterkt hij het effect dat zijn voortdurend heen-en-weer in de tijd bewegen sorteert. Nog geen halve bladzijde en een nagenoeg slapeloze nacht later bevindt de verteller-hoofdpersoon zich in de wachtkamer van het Duitse consulaat van Milaan in het gezelschap van ‘een artiestenfamilie die, naar het [hem] toescheen, uit een minstens een halve eeuw terugliggende tijd hier terecht was gekomen’

Uit: Scherf 125, logboek 2 van Pascal Cornet

‘Er staat een karretje vol nieuwe boeken. Twee vrouwen zijn ze samen aan het uitstallen op een grote tafel. Ik zie dat het zelfhulpboeken zijn. Dat is nodig in deze tijd. Het wordt steeds moeilijker om elkaar te helpen.

Wanneer je lichaam nee zegt. De kunst van het ongelukkig zijn. Lekker lang leven. Beter leren leven met pijn. Slaap: het nieuwe medicijn. Zit seks tussen de oren? Koester je boezem. Achterwerk: alles over het laatste lichamelijke taboe. Kusje erop: de waarheid achter 70 gezondheidsmythes. Ademen: hoe lucht je leven kan veranderen.

Voor alles bestaat een boek. Slapen en ademen zijn hun vanzelfsprekendheid kwijt. Ze gaan niet meer zomaar.’

Uit: Zelfhulp van De Rode Valies

‘In boeken kan je niet wonen, dat is waar,
Maar in exclusieve woonruimte ben ik bang,
Drijf je vanaf je kookeiland, vloerverwarmd,
Onbelezen de hoofdstukloze diepte in.’

Uit: Exclusieve woonruimte van Viktor Frölke