Het leven is geen ruimtereis (vangst # 31)

De verbindende factor tussen de drie blogposts deze week is: terugblikken op kleine en grote kwetsuren. In een woedend stuk fileert Merel de Vilder Robier de zoektocht van twee gladde handelsreizigers naar de grenzen van het universum en van hun uitdijend ego. In zijn immer snedige en pakkende stijl probeert Jan Devriese de eindigheid op gepaste afstand te houden. En tot slot archiveert Dennis Pauwels in schitterende dichtregels het afbrokkelende heden.

Twee wereldvreemde, opportunistische geesten die hun asociale acties verpakken in een opgeblonken, diffuus discours.

De éne van ecologiëgem, de andere van “Merci aan al de lijfeigenen die ik uitbuit. You are the best!”’

Uit: uit-het-dagboek-15 van Merel de Vilder Robier

Twee: morgen is het twintig jaar geleden dat terroristen in de Verenigde Staten volle vliegtuigen in iconische gebouwen boorden. Men noemde ze zelfmoordterroristen. Die benaming is een schandvlek op de krijsende ziel van elke ondraaglijk gepijnigde, ontroostbaar wanhopige, godsgruwelijk eenzame mens die de dood niet langer als een probleem, maar als een oplossing ziet. Omdat, samen met alles, ook Het stopt.

Uit:  bel De week van Devriese

Mijn kijken, tot dusver ongeslagen en
van zomeren voldaan, beantwoordt niet langer aan
mijn reeds gevonden, maar buigt zich naar je
nieuwe taal, een gestruikeld woord
,’

Uit: op-je-3de-verjaardag Brieven aan mijn zoon

De vangst van Rob van Essen (# 30)

Noot van de redactie: waarom het plezier van het vissen altijd voor onszelf houden, dachten we na een bijzonder vermoeiende redactievergadering. Als we daar nu eens iemand anders een plezier mee zouden doen … En zo vindt u vanaf nu elke maand een vangst van de week, samengesteld door een gast. Niemand minder dan Rob van Essen bijt de spits af! (u vindt ons korte interview met hem hier)

Sinds de eerste lockdown verblijf ik het overgrote deel van mijn tijd in Brussel, reden te meer om Tanja Wentzels blog De rode valies te volgen. Verslagen van wandelingen, ontmoetingen – een blog over het kleine, maar dan dat kleine waarachter altijd de grote dingen schuilgaan.

“Er is veel gestorven de laatste tijd. Dat zie je op het plein. Meer dan anders staan er kramen waar de inhoud van leeggemaakte huizen zonder sorteren in dozen is gegoten. Van vakantiesouvenir tot vingerhoed, van waspoeder tot wereldatlas, van zeepje tot zoutvaatje. En veel foto’s. Van doopverjaardagstrouwkerstfeestenvakanties. Voorbije blije momenten.”

Uit: Geluk, De Rode Valies

Altijd verrassend is het blog van schrijver Viktor Frölke, die, hoe laconiek hij ook naar de wereld kijkt, zichzelf nooit spaart  (en die wereld soms ook niet). Over het schrijverschap, het gezinsleven, vriendschap. Typt graag op oude machines, de laatste tijd ook veel poëzie:

Bij het weerzien op het familiefeest stopt mijn moeder me/ Een gouden tasje in de hand met daarin een weerbarstig manuscript,/ Een bestseller met koffievlekken op snee,/ Alsmede twee onderbroeken, donkerblauw, van mijn vader.”

Uit: De onderbroeken van mijn vader, van Viktor Frölke

Marieke Groen blogt sinds jaar en dag over wat ze meemaakt en wat ze ziet, en dat doet ze zo laconiek dat je bijna zou vergeten hoeveel emotie en melancholie onder die toon schuilgaat. Dit is een blog zoals die misschien wel moet zijn: geschreven door iemand die zich juist door dat schrijven staande houdt, met een goed oog dat niets als vanzelfsprekend beschouwt, niet in de laatste plaats haar eigen leven.

Het stoplicht sprong op groen en we staken over. Toen ik afsloeg hoorde ik achter me iemand gillen. Oehoehoe, klonk het. Ik remde, stopte en zag nog net hoe een oudere dame van haar fiets viel. Eigenlijk was het niet echt vallen, het was meer alsof ze het opgaf. Ze liet haar stuur los waarna de fiets opzij viel en zij zichzelf op het asfalt liet zakken.

Uit: Monster, van Marieke Groen

Rob van Essen, het interview

Noot van de redactie: waarom het plezier van het vissen altijd voor onszelf houden, dachten we na een bijzonder vermoeiende redactievergadering. Als we daar nu eens iemand anders een plezier mee zouden doen … En zo vindt u vanaf nu elke maand een vangst van de week, samengesteld door een gast. Niemand minder dan Rob van Essen bijt de spits af! (zijn vangst krijgt u dinsdag, nu alvast een kort interview)

Het is alweer van 2019 geleden dat Rob van Essen met De goede zoon de Libris literatuurprijs won, en op 2 november verschijnt zijn nieuwe roman, Miniapolis. Tussen die romans in publiceerde hij met Een man met goede schoenen een verhalenbundel waarin attente bloglezers stukken herkenden die eerder op reddend zwemmen verschenen.

Er is dan ook niemand die we liever als eerste gast in ons havencafé ontvangen dan deze beminnelijke geadopteerde Brusselaar.

We stelden hem wat vragen, waarop we de antwoorden graag vandaag al met je delen, en dwaalden door onze haven, waar hij terloops een geweldige vangst van de week bovenhaalde – en die krijg je gewoontegetrouw op dinsdag.

foto (c) Henri Verhoef

Waarom heb je zelf een blog? (reddend zwemmen, genoemd naar de titel van zijn debuutroman)

Ik ben mijn blog ooit begonnen om korte observaties te delen, korte verhalen uit te proberen (een aantal daarvan heeft een bundel gehaald), recensies te delen die ik voor NRC Handelsblad schreef en te reageren op (literair) nieuws. Nu gebruik ik het blog meestal voor wat langere stukken.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?

Ik merk dat in de loop der jaren de functie van blogs deels is overgenomen door facebook. Ik zie dat tenminste bij mensen van ongeveer mijn generatie: die plaatsen langere stukken op facebook die vroeger in een blog zouden zijn terechtgekomen. Voorbeeld: de Nijmeegse hoogleraar Jos Joosten, schrijver en docent Rutger van Eijken. Die hoeven dus eigenlijk geen blog meer te beginnen. Ik zou vooral nieuwsgierig zijn naar blogs van politici, of van mensen uit de top van het bedrijfsleven, wier bestaan een raadsel voor me is maar dan eerlijk, zonder propagandistische bedoelingen.

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

Als je je op een gegeven moment realiseert dat je al een tijdje niets van een bepaalde blogger hebt gelezen, is dat een indicatie dat hij of zij goed bezig is. Of als je er iets van opsteekt over een wereld die je niet kent.

Het leven, een zucht (vangst # 29)

Kinderen.

Minstens zolang ze bij je wonen maken ze een groot deel van je leven uit. En dus ook van de stukjes die ouders schrijven, tussen het verversen van pampers door – Joachim Stoop viert de komst van zijn tweeling – of netjes getimed tussen de ritjes naar en van allerlei verplichtingen – in Verwoede Noten spreekt een chauffeur / secretaris vader.

En op het einde? Dan draaien de rollen weer om. Kotsen op Woensdag verbijt zijn verdriet wanneer hij zijn moeder naar het ziekenhuis begeleidt.

Zo vreemd hoe een geboorte samenvalt met een omslag van groots naar minuscuul: het iconische eerste zuchtje adem als startschot van jullie buitenbuikse avonturen vloeit razendsnel over in een focus op het allerkleinste: grammetjes geboortegewicht, centiliters melk, decimalen lichaamstemperatuur en natuurlijk jullie gratis miniatuur-theater van teentjes, vingertjes en alles daartussen.

Uit Eerste brief aan Juultje en Rosie, zeventiende brief aan Louie, van Joachim Stoop (u moet wel even die zestien andere brieven aan Louie lezen of doorscrollen voor u aan nummer 17 bent – brieven 8 tot 11 sluiten dan weer naadloos aan bij de Kotsen op Woensdag vangst van deze week, we houden nu eenmaal van onvermoede dwarsverbanden)

Je zet me in als chauffeur, en dat is prima en aan die belofte hou ik me natuurlijk, maar ik ben niet je secretaris. Dus als je wil dat ik mij ervan bewust ben dat ik om zo en zo laat klaar sta voor je, moet je dat precies met me afspreken, en niet in de agenda plempen en denken dat je op die manier je vader kunt besturen. Jouw afspraken zijn jouw verantwoordelijkheid”. Waarop dochterlief zo woest als ze kan haar lunch naar binnen werkt en al even woest daarna haar bord, bestek en mok in de vaatwasser smijt en de trap op naar boven stampt.

Uit Gewoon geen secretaris op Verwoede Noten

Bij de dokter zat moeder erbij alsof ze in haar zetel naar de televisie keek. Zappend, met haar uitgestrekte arm en de afstandsbediening in haar vingers verkrampt. Ik dacht aan vroeger, aan familiefeesten met mij op haar schoot. Kreunend om aandacht en eten. Tussen het wazige door vertelde de dokter iets over immuuntherapie en palliatieve zorg.

Uit Woensdag 25 – 08 – 21, van Kotsen op Woensdag

(En o ja, we hebben ook nog een nieuwtje uit eigen huis. Vanaf nu gaan we één keer per maand met een gast het water op, en laten de hengel over aan haar/hem/hun. De eerste gast? Niemand minder dan Rob van Essen!)

Jammer van de mensen (vangst # 28)

Verdomme, die andere mensen toch! Anderhalf jaar op ons eigen was misschien wat teveel van het goede, maar de bubbels zijn amper doorprikt of we herinneren ons weer ten volle hoe lawaaierig, veeleisend en ja, hoe aanwezig ze eigenlijk zijn.

Marita krijgt logés die zich ‘overduidelijk thuis voelen’. Psycholoog Marthe van Bronckhorst besluit zelf eens in therapie te gaan en dat voelt ‘alsof je naar de sauna moet met je collega’s en daar vervolgens je beoordelingsgesprek krijgt’. Gelukkig drukt Pascal ‘Digital’ Cornet net op tijd af om ons erop te wijzen dat twee tuinstoelen en een kippenpluimmachine wél interessanter worden met een mens erbij. Zeker als het Kevin De Bruyne is.

Het was een fijn weekend en nadat ze op maandagochtend weer richting het Noorden waren vertrokken, vond ik het opeens heel stil in huis. Gelukkig duurde dat niet lang, het is toch verrekte fijn dat je weer op je eigen bank kan liggen zonder daarvoor een kind aan de kant te moeten schoppen.

Uit Logés van Marita’s Overpeinzingen

De raarste gedachten schieten door je hoofd in zo’n gesprek. Kijkt-ie nou op de klok? ‘Ben ik bij lange na niet erg genoeg’ afgewisseld met ‘ben ik juist te raar’ om dit te vertellen? Zou hij opzien tegen de afspraak? Zou hij uitkijken naar zijn lunch, zou hij een broodje zalm nemen, zijn boeddhisten pescotariër? Zou hij me een ‘typisch kind van mijn tijd’ vinden?

Uit Framer geframed van Hard// hoofd

Ik had halt gehouden omdat ik de twee plastic stoelen een interessant onderwerp vond maar ik kreeg meer. Ik wilde net afdrukken toen een man met voetbalshirt van achter de houtstapels tevoorschijn kwam. Hij bevestigde dat de houtblokken de stoelen voor wegwaaien moesten behoeden. Het toestel dat hij voor zich uit duwde bleek een kippenpluimmachine te zijn. En toen ik vroeg of hij fan was van Kevin De Bruyne (wiens naam boven het nummer 17 op zijn rug prijkte), antwoordde hij schalks: ‘Neen, dat is mijn familienaam.’ Waarop hij met zijn kippenpluimmachine net niet snel genoeg uit mijn schermpje stapte.

Op naar de zestig 302 van het leven als voorlopige oplossing

Foto: op naar de zestig 302, Pascal Cornet

Vinyl met twee leeslinten (vangst # 27)

Vakantie of niet, schrijvers, uitgevers en lezers van de betere literatuur kunnen het niet laten om te filosoferen over zichzelf, de literatuur als vak, en het boek als fetisj object.

Daar ontsnapt ook deze redactie niet aan, gevleid als ze zich voelt door de typering van Chretien Breukers als ‘fijne luiden’ (in een bespreking van het overigens schitterende Drie mannen en een stoel), we mopperen ook mee met Johan Velter over slechte vormgeving (niemand moppert zo mooi als Johan Velter) en schudden vertwijfeld het hoofd bij de vervloeking door Dirk Vekemans (waarbij we nooit precies weten welke bodem we gemist hebben).

‘Mijn boeken zijn een soort vinyl.’ (zegt Marc Vleugels van de gelijknamige uitgeverij). Dat klinkt misschien wat bewust-afzijdig, maar ik denk dat Vleugels een punt heeft. Niet de literatuur verdwijnt; de literaire boeken voor een kleine groep krijgen iets hips, iets voor ‘enkle fijne luiden’, en dat is ook wel een lekker idee.

Uit: Christian Oster: Drie mannen en een stoel, De Nieuwe Contrabas

Het boek wordt met een leeslint geleverd, eigenlijk hadden er twee leeslinten moeten zijn: een voor het tekstgedeelte, het ander voor het notenapparaat, maar is in ieder geval onhanteerbaar. Een leeslint kan maar gebruikt worden wanneer de draagkracht in verhouding staat tot het tekstgewicht: een ideale verhouding vinden we in de Pléiade-uitgaven van Gallimard, die ook dikwijls twee leeslinten bevatten.

Uit: Pseudovormgeving, schijnboekcultuur, sfcdt

‘schrijvers’ en ‘kunstenaars’ pronken ijdel met gebruiksvoorwerpen die niet van hen zijn en verkopen hun extreme luiheid als ‘kunst’ of als tekstkapitaal. het zijn producenten van negatieve waarden, want hun producten corrumperen en belemmeren de toegang tot de collectieve kennis.

Uit: Over kennis en schoonheid, ViLT

Het album van de blije jeugd (vangst # 26)

Warme augustusmaanden waren tot voor kort ideaal om toekomstige herinneringen te verzamelen. Het is nu anders. Maar ondanks de regen kijken we samen met Katrin Van de Velde achterom. In een ontroerend mooi stuk beschrijft ze hoe haar vader met het klimmen der jaren breekbaarder wordt. Jan van Mersbergen maakt zich vrolijk over het gemakzuchtig gebruik van clichés. En Jean-Paul van Spaendonck laat het miezerige augustus weer niet aan zijn hart komen en kiest geschikte vakantielectuur uit.

De vader onder de parasol is niet de vader van de kelder. Hier zit een fragiele, ietwat gebogen man die gespaard moet worden. Hij zal er niet zo erg lang meer zijn, en dan ga ik hem missen. Ik zou daar nu al om kunnen huilen. Toch slaag ik er niet in hem vast te grijpen, hier te houden, te denken: nù, nù, nù!

Mijn ouders gaven me onlangs een oud fotoalbum. Het gaat over onze jeugd, toont vier mensen die ik niet ken. Een jonge slanke sterke man. Een jonge slanke zorgelijke vrouw. Een dochter. Een zoon. De kinderen kunnen nog alle kanten op.’

Uit: dagvinder.be/donderdag-22-juli-2021 van Katrin Van de Velde

Nooit doet zo’n terras mensen denken aan Lille of Rouen of Lyon, achterbuurten in Marseille, altijd Parijs. En nooit moet de naam Parijs beelden oproepen van vervallen buitenwijken met hoge flats waar jeugd dreigend rondloopt, waar drugsproblematiek is, waar flats staan, waar je je totaal niet veilig voelt.

Uit: parijs door Jan van Mersbergen

‘Mijn boek en ik hebben doorgaans een gelijkwaardige relatie: we laten elkaar in onze waarde. Op mijn leeftijd is kunst er niet meer om te schokken en te ontregelen maar vooral om te troosten, aan het denken te zetten en te vermaken.’

Uit: vakantielectuur van Jean-Paul van Spaendonck

Wat vinden jullie van seksrobots? (vangst #25)

Twijfelen is goed, hardop twijfelen is beter, je lezers uitnodigen om mee te twijfelen door ze eens goed de waarheid te vertellen, is ongetwijfeld het allerbest.

Deze week drie schrijvers die hun mening niet onder stoelen of banken schuiven. Gelukkig maar! Martin Pulaski spuugt op de droom van Groot-Nederland, Mark Cloostermans richt zijn pijlen op 69-jarige schrijvers die transformeren in lesbiennes en Anton Voloshin vermoedt dat ook seksrobots niet voor rechtvaardigheid gaan zorgen in een laffe en weerloze maatschappij. Wat denken jullie?

“Mocht ik kunnen sterven als Zuidelijke Nederlander, ik zou gelukkiger sterven dan als Belg”, oppert de leider. Hij is het trauma van de val van Antwerpen in 1585 te boven aan het komen en heeft nu een grote sprong voorwaarts gemaakt naar 1919 en het verdrag van Loppem. Toen werd daar een soort van staatsgreep gepleegd waarbij vliegensvlug een regering werd gevormd die – uit schrik voor een revolutie naar het model van die in Rusland in 1917 – een aantal hervormingen moest doorvoeren om de bevolking (de arbeidersklasse) te sussen. Er kwam onder meer algemeen stemrecht voor mannen. Vrouwen telden nog altijd niet mee. Mijnheer De Wever verwijst naar Loppem als model om de confederatie buiten de Grondwet af te dwingen. Met een coup. Vandaar dat hij al zeker is van die Vlaamse confederatie.
Hoe hij zijn nieuwe droom wil verwezenlijken is onduidelijk. Met overtuigingskracht zal het hem niet lukken. Veel Vlamingen, weet ik uit ervaring, lusten de Nederlanders rauw.

Uit: Een nieuwe orde, een nieuw mierennest van Hoochiekoochie

Iedereen mag overal over schrijven, sterker!, de schrijver moet zich in alles en iedereen kunnen verplaatsen. Maar doe toch een beetje moeite, denk ik dan – schrijf eens een dikke roman over een homoseksuele relatie! In gebonden uitgave, zodat het boek lekker hard is, en dik als zwellichaampjes in volle actie. Dat zie je heteroseksuele schrijvers dus nooit doen. Zich inbeelden dat ze kunnen snappen wat een vrouw ervaart in bed? Geen probleem, dat kan hun verbeelding zonder e-ni-ge moeite aan. Doubt it, maar daar lijkt het wel op. Maar mannen? Die seks hebben met mannen?

Uit: In de ban van de lesbienne van Mark Cloostermans

Nog zoiets: die seksrobots, voor wanneer zijn die eigenlijk? En gaan die zorgen voor de revolutie? Wellicht niet. Aangezien ze door mensen in elkaar zijn gedraaid, zullen ze waarschijnlijk ten onder gaan aan zichzelf, nog voor ze een beledigend festival kunnen organiseren waarin ze de spot drijven met lager geplaatste robots van de assemblage, de fruitpers en het digitale dambord.

Uit: Op een jetstraal van stront de rijkdom in van Onklare taal

Aan dood zijn heb je niet zo vreselijk veel (vangst # 24)

Per ongeluk (Marieke Groen), met opzet (Vitalski), of de hand aan jezelf (Viktor Frölke).

De dood waart door deze vangst, in het midden van een sombere zomer. Maar zie, uiteindelijk komt alles goed. Meer uit achteloosheid dan uit heilzame intentie, al zal u toegeven dat dat niet zo veel uitmaakt. Zo lang we maar leven om het op te schrijven of het te lezen, hier in Aanlegplaats.

Het stoplicht sprong op groen en we staken over. Toen ik afsloeg hoorde ik achter me iemand gillen. Oehoehoe, klonk het. Ik remde, stopte en zag nog net hoe een oudere dame van haar fiets viel. Eigenlijk was het niet echt vallen, het was meer alsof ze het opgaf. Ze liet haar stuur los waarna de fiets opzij viel en zij zichzelf op het asfalt liet zakken. 
Onmiddellijk stoven we op haar op af, ik en de anderen die, zag ik nu, uit drie vrouwen van een jaar of zestig bestonden. Ik hielp de oude vrouw overeind. ‘Gaat het?’ 
Ze knikte. Toen herstelde ze zich, keek me boos aan en zei: ‘U sloeg zomaar af!’
‘Ik stak wel mijn hand uit,’ zei ik voorzichtig.

Uit Monster van Marieke Groen.

het werd negen uur savonds. het regent hard. een paar vrienden die ik aan de duitsers verraden heb, worden nu op dit moment, terwyl ik hier zit te bloggen, door myn schuld geëxectueerd; en toch voel ik er niets by, omdat ik wéét dat ik geen keuze had.

Uit State of Being, 25 juli 2021 van Vitalski

Dood of Levend

Een mens kan wel dood willen –

Zelfs helemaal niet zo’n gek idee

De redenen liggen voor het oprapen,

Welbeschouwd valt er weinig tegenin te brengen –

En toch heb je daar, at the end of the day,

– Nog afgezien van het onmeetbare leed

De ontrukte dierbaren aangedaan – ,

Ook weer niet zo vreselijk veel aan.

Dood of levend van Viktor Frölke

In de hangmat van het verleden (vangst # 23)

Deze week kijken we achterom en halen herinneringen op aan de gouden jaren van weleer toen – om Karl Valentin eens te citeren – zelfs de toekomst beter was. In een ontroerend stuk beschrijft Ben de Graaf zijn persoonlijke ontmoetingen met de onlangs overleden A.L. Snijders. Nog verder in het verleden duiken we met Merel de Vilder Robier die een prachtig anekdote aanhaalt over de spaarzaamheid van Victor Hugo. En terwijl Victor Hugo op de kleintjes lette, verlangde Jan Devriese in een tent in de Venezolaanse jungle vurig naar kotsen in de goot in Lloret de Mar.

‘Op Lowlands 2014 maak ik voor het eerst fysiek kennis met de uitvinder van het zkv. Hij staat op het affiche tussen namen als Queens of the Stone Age, Gregory Porter en Stromae.
Hij vertelt het verhaal van een jonge meid. Ze is van eenvoudige komaf, maar ook van grote schoonheid. Een al wat oudere man is onder de indruk, nodigt haar uit voor een etentje. En vraagt of hij haar mag tutoyeren. Het meisje vertelt haar moeder over de uitnodiging en vraagt of zíj misschien weet wat ‘tutoyeren’ betekent. Haar moeder schudt het hoofd: ‘Nee, dat weet ik niet, maar ik zou voor de zekerheid maar schoon ondergoed aantrekken.’

Uit: herinneringen-aan-a-l-snijders van Ben tekstschrijver

‘…good old Virginie Loveling.

Mijn hart jubelt.

Mijn cerebrum en visuele cortex knisperen.

Ik degusteer, savoureer haar Herinneringen.

Oh, de gouden dagen, toen men nog Victor Hugo ging bezoeken en dorstig en hongerig de terugweg moest aanvatten.’

Uit: in-de-hangmat-met van Merel de Vilder Robier

‘Het is, zo denk ik, het lot van al wie pas waarlijk zichzelf kan zijn in het woord, en niet in een funky zwembroek: je begint aan het leven met een achterstand — en je hebt maar één kans om een tweede indruk te maken.’

Uit: lloret-de-mar van De week van Devriese