De plek (vangst #294)

foplus_2

Waar speelt deze vangst zich af? Drie teksten gaan over een plek. De topische vraag ‘waar’ in de invulboekjes voor het vak Nederlands. Bepaal de geografische ruimte, de symbolische, de sociale…

Ter voorbereiding van de winterslaap halen we tochthonden en fleecedekentjes naar boven gelijk muizen beukennootjes en takjes verslepen. We testen of de kachel nog goed snort. Ik hoop dat de treinstations langer zullen open blijven en dat er weer slaapbanken komen voor de mensen zonder plek als het donkert en kouder wordt. In deze vangst worden plekken in elk geval gedeeld.

Kathy Mathys vertelt over het boek ‘Room to Write’ van Bonni Goldberg. Over de brug van de herinnering naar de verbeelding. Ze heeft een fijne schrijftip over plekken.

Mike getuigt over de brief van de onbekende dame die plots in zijn brievenbus zat (de brief bedoel ik, niet de dame). De onbekende dame bekende dat ze vaak voor zijn huis had staan dralen maar nooit had durven aanbellen. Ze liet haar telefoonnummer achter. Het initiatief was dus aan Mike. Op een dag durfde hij, ik denk op blozende wijze. Wat bleek? De tamelijk stokoude jongedame was lang geleden in zijn huis geboren!

Ten slotte brengt Margootje, in zo’n klein Peugeootje, Margootje Springvlo een ode aan het schuurtje waar zij zo thuis kan zijn. En oh! Wat lijkt dat schuurtje een laatste vrije wilde ruime plek.

Je moet niet alleen, om die plek te bereiken,
thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.
Er is niets te zien, en dat moet je zien
om alles bij het zeer oude te laten.

Stukje uit het gedicht ‘De plek’ van Herman De Coninck.

Een van Goldbergs oefening heet ‘101’. Ze vraagt om een snelle lijst (‘try fifteen minutes’) te maken van plekken waar je bent geweest. Dat hoeven geen verre bestemmingen te zijn: ook een bezemkast is een plek en alleen al in die ene tuin uit je kindertijd zitten vast tientallen plekken verstopt.

Uit: Schrijfoefening, 101 plekken van Kathy Mathys

Net zoals de cellen in een lichaam zich om de zoveel tijd vernieuwen, is er in de loop der eeuwen natuurlijk ook wel wat vertimmerd aan mijn huis. Je kunt daarom betwisten dat het huis van nu hetzelfde huis is als in de zeventiende eeuw, maar het staat er niettemin nog altijd. Voor mij zijn de levens die hier geleefd zijn en de verhalen die daar bij horen bijna tastbaar, ook al ken ik ze niet. Ik fantaseer er wel eens over en dat vormt een aanzienlijk deel van mijn woongenot.

Uit: De onbekende dame van Mike

In de schuur ben ik thuis mijn tranen hebben zich in het hout genesteld mijn lach ligt achter de boormachine mijn boek in de hoek.

Uit: Schuur van Springvlo

Aline Lapeire, het interview

“Wel veel seks, hè.”

“Misschien ook een vreugdevol fragment.”

“Een tienerdagboek, da’s leuk!”

Samen dagboekfragmenten lezen, het schept een band. Een uur geleden zaten we nog samen in een Google Spreadsheet, nu drinken we koffie aan tafel ergens in de Gentse Rabotwijk. Ik weet niet precies wat knusser is. Met Douwe Haenen van Curieus vzw selecteren Aline Lapeire en ik enkele schrijvers die hun fragment op 13 oktober live mogen brengen op ‘Liefste dagboek’, een avond rond het egodocument tijdens de Week van het Nederlands.

“Ik ben echt blij met de hoeveelheid inzendingen. Mensen staan blijkbaar toch te springen om hun diepste zielenroerselen met de mensheid te delen. Het…”

Wacht even, iemand wil iets zeggen. Lief dagboek?

Stop! Niet Eerlijk dit. We hebben geen enkel idee wie er hier aan het praten is! Rewind plies. Vraag haar iets, anything! Mensen die dingen organiseren hebben OOK een ziel*, minstens evenveel als schrijvers (denk ik). Aline leren kennen = MUCHO importante. Spoelmiddel voor afwasmachine = op.

*roerende ziel

OK dan, rewind. We beginnen met enkele feiten: Aline Lapeire (1988) studeerde Taal- en letterkunde in Gent, deed de master Redacteur/ editor in Amsterdam en werkte bij tal van uitgeverijen, waaronder De Bezige Bij Antwerpen en Van Halewyck. Sinds zeven jaar is ze literair programmator bij Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat deBuren, waar ze gelukkig heel erg gewend is geraakt aan mensen die in de flow van de dagdagelijksheid vergeten wat ze ook alweer zijn (Belg of Nederlander) en ze onder meer betrokken is bij de Schrijfresidentie in Parijs en de internationale projecten CELA en fwd. “Talentontwikkeling is een heel belangrijke doelstelling van deBuren. We werken rond poëzie, proza, non-fictie… Eigenlijk minstens zoveel achter de schermen als op het podium.” En laat achter de schermen nu net de plek zijn waar wij bij Aanlegplaats ook het liefst vertoeven. Kom op, schuwe schrijfcavia van de redactie, kom uit de coulissen! Het is aan jou! Interviewen!

Hoi Aline… *schraapt keel* … heb jij een dagboek?

Ja, maar die houd ik voor mezelf.

En schrijf je elders?

Nee. Hoewel ik al kind schrijver wilde worden en ook wel eens via een wedstrijd in een boek van Marc De Bel heb gestaan. Ik las héél veel. Maar toen kwam in mijn tienerjaren het internet op en dat nam me volledig in beslag. In één klap was het gedaan met literatuur. Als veertien-, vijftienjarige begon ik websites te bouwen en spelletjes te spelen: The Sims, Sim City, Second Life. Er bestond een fenomeen Pixel Dollz waar ik heel veel mee bezig was: kleine pixelachtige digitale poppetjes waarmee je een soap kon schrijven. Echt plaatje/ tekstje. Dat was iets wat ik serieel bijhield op mijn Expage-website en waar ik ook wel volgers had. Het was een community van meisjes. Heel nerdy. Allemaal op de vaste computer, inbellend – een sfeer die ook in Corpus Britney van Dominique De Groen wordt geschetst. Aline’s Plaza, heette mijn site. Helaas volledig verdwenen.

Eenmaal op de universiteit kwamen de boeken in alle hevigheid terug én ontdekte ik dat ik heel graag feedback gaf op tekst. Via mijn stage en eerste job bij een uitgeverij ben ik in de wereld van de Vlaamse auteurs gerold. Sindsdien heb ik al zoveel mensen zien worstelen met het schrijven dat ik denk: waarom zou ik mezelf dat aandoen? Pas op, als ik ooit een heel goed idee krijg, iets waarbij je ertoe wordt gedreven te reizen en interviews te doen, dan zou ik het misschien kunnen volhouden. Ik denk dan aan een format als Waagstukken van Charlotte Van den Broeck.

Een blogger heeft ooit gezegd: ik moet de overkant kunnen zien.

Ja, dat herken ik wel. En ik zie het ook bij de schrijvers die we begeleiden, kortere stukken zitten in de lift. Andere uitingsvormen van literatuur überhaupt: interactief, een podcast, op een podium, graphic novels… Het ideaal van De Roman is er wat uit.

Om meer publiek te bereiken?

Misschien. Maar ik denk eerder de neiging het collectief op te zoeken. Geen zin hebben in een opgesloten schrijversbestaan. Het zijn vaak ook heel geëngageerde mensen, de jonge schrijvers die aan onze trajecten deelnemen.

En het autobiografische element? Zie je dat veel terug bij hen?

Er is natuurlijk een hele discussie gaande over wiens verhaal je mag vertellen. In die zin geeft je eigen verhaal je veiligheid en handelingsvermogen. Daarnaast is er een tegenbeweging: mensen die de vrijheid van de fantasie willen vieren of het experiment willen aangaan, die het vervelend vinden als een uitgever hen stuurt naar de eigen ervaring. Gaea Schoeters bijvoorbeeld vertegenwoordigt die stem; haar kan ik daarin wel appreciëren. Maar uiteindelijk blijft het eigen leven voor velen natuurlijk een dankbare voedingsbodem – en ik lees dat ook wel heel graag. Begin midden einde, het laatste boek van Valeria Luiselli is voor een groot deel geleefd. En ook recent Duizend meter van Christophe Van Gerrewey – dat zal niet 100% samenvallen met zijn leven, maar je herkent wel veel. Ik ken hem al sinds mijn eerste job als redacteur en kwam hem begin dit jaar veel tegen in mijn vaste zwembad in Gent. Toen zijn nieuwe boek verscheen, met een hoofdpersonage dat elke dag duizend meter zwemt, begreep ik het. Het was heel geestig om het zwemleven en verschillende zwembaden te herkennen, via de blik van zijn personage.

Lees je blogs?

Ja, soms. Vroeger las ik bijvoorbeeld de blog van een modekoppel, Tom & Lorenzo, die red carpet foto’s becommentariëren. Heel sappig en bitchy. En als ik een tv-serie volgde, zocht ik ook wel vaak blogs daarover op, om te lezen hoe iedere aflevering geanalyseerd werd. Nog altijd vind ik het tof om te zien hoe makers een vorm vinden online. De Flemish Review de la Poëzie komt ook binnen als Substack. De links boven verwijzen naar verschillende plekken op de pagina; dat vind ik als html-liefhebber heel speels. Ze brengen interviews met schrijvers, commentaren, nieuw werk van opkomende schrijvers. En ze proberen een Belgisch verhaal te vertellen. Sowieso lees ik ook Substacks van schrijvers en oud-residenten. Van Frank Keizer, Anneleen Van Offel, Max Urai, Flora Kenza Nacer, … Soms sleep ik ze naar een mapje ‘nieuwsbrieven’ om ze nooit te lezen, maar als ik eraan toekom geniet ik van de manier waarop zij updates geven over hun leven.

Wat maakt een blog of dagboekfragment voor jou echt goed?

Wat alle literatuur goed maakt: als het een waardevolle en geloofwaardige blik op de wereld geeft, via de omweg van de literatuur een inzicht brengt.

Er is wel een verschil tussen het lezen van blogs en dagboekfragmenten, denk ik. Voor ‘Liefste dagboek’, voelde ik me het meest aangetrokken tot de teksten die echt uit een dagboek zouden kunnen komen. Eerder de rauwe emotie van het moment dan de herinnering of de beschouwing die in een blog kan zitten. Wat ik verder heel erg apprecieerde is kwetsbaarheid, iemand die zijn lelijke kantjes laat zien. Egoïsme, zelfzuchtigheid, iemand die op papier anders is dan die zich aan de buitenwereld toont… Heel interessant. En wat humor is ook fijn om te lezen. Het was moeilijk om met de jury een keuze te maken, want we kregen 78 persoonlijke teksten binnen.

Ik studeer naast mijn werk Psychologie en ik stond ervan te kijken hoe goed sommige mensen hun gevoelens kunnen verwoorden in tekst, hoe groot hun zelfinzicht is. Het tegenovergestelde vond ik trouwens ook verrassend tof: naïviteit, geen idee hebben waarom iets jou gebeurt. Dat past ook heel erg bij een dagboek. Het is niet eerlijk! Zo schrijf ik zelf ook in mijn dagboek.

Laatste vraag: van wie zou je graag een blog lezen?

Ik was eerst aan levende mensen aan het denken en dan kwam ik op artiesten en schrijvers die ik apprecieer. Elmer, Kae Tempest, … Maar die hebben eigenlijk al hun uitingsvormen. Dus dan zou ik toch voor een dood iemand gaan. Agatha Christie bijvoorbeeld, maar misschien nog het liefst Jane Austen. Heel benieuwd wat zij te zeggen zou hebben in deze tijd van open relaties. Veel materiaal voor nieuw werk denk ik.

Met de lach van Aline is het interview gedaan. Zucht. De schermen zijn weer van ons, net als de tegenwoordige tijd. Ze staat op om nieuwe koffie te zetten, Douwe schuift aan met een pak speculaas. We vinden de balans in onze selectie, we vinden de gelukzalige tekst en we kloppen af op een stevige doch behapbare portie seks. Als ik de deur van Aline’s Plaza achter me dichttrek, is de zon achter de Torekes van het Rabot gezakt. Ik zoek een bus en lees verdrietig nieuws.

OMG Paulien Cornelisse is overleden! Dat kan toch niet! Het is niet eerlijk… [onleesbaar wegens vocht, waarschijnlijk traan-] …nsdag zal nooit meer hetzelfde zijn. Wel leuk: twee nieuwe mensen ontmoet. Jeuj. Ik zie ze terug over NOG MAAR NEGEN DAGEN. Fokking snel. What to wear? BEN ik een geloofwaardige fan van Joris van Casteren als ik zijn laatste boek nog niet heb gelezen? Ben ik een Belg of een Nederlander? HOE irritant gaan ze me vinden?? Morgen haar wassen. Doei!

Kamers met uitzicht (vangst #293)

Is het omdat de herfst in het land is, of omdat Wout Van Aert in de finale van het wereldkampioenschap wielrennen geen rol van betekenis kon spelen, maar hét thema van de vangst van deze week is vergankelijkheid. En wie vergankelijkheid zegt, zegt De week van Devriese. Prachtig hoe Jan Devriese het voortjakkeren van de tijd in twee paragrafen weet te treffen.

Even prachtig is de terugblik van Katrin Van de Velde van In caso di nebbia die na jaren terug voor de deur van haar vroegere studentenkot staat en de lezer meeneemt naar de tijd van toen.

Vergankelijk zijn we allemaal, ook onze ouders. Op de begrafenis van haar vader nam Ingrid Verbanck van Elke dag wel iets het woord. Het genuanceerde portret dat ze van hem schetst zal ik nooit vergeten. Er komt een man en een tijdperk op je af.

‘Een kwarteeuw. Dat is wel wat, in een mensenleven. Neem er een fotootje van jezelf uit 2001 bij, kijk vervolgens in de spiegel, en aanschouw het verval, de aftakeling, de teloorgang. Werp nogmaals een blik op het fotootje en zie het aarzelende, zoekende jongmens dat je was, of de tot volle wasdom gekomen man of vrouw, bruisend en gedreven, immer voorwaarts, immer meer.’

Uit: Kwarteeuw van Jan Devriese

‘Een jaar geleden stond ik opnieuw in de Lange Riddersstraat voor de deur van dat huis, staarde naar de twee ramen op de eerste verdieping. P en Martin waren al lang weg, de lila gordijnen ook. Al wat overbleef van die tijd, was de gouden ring rond mijn vinger waarmee ik mezelf had gehuwd. De man die naast me stond vond me niet genoeg.’

Uit: 30 augustus 2026 van Katrin Van de Velde

‘Een ouder verliezen, daar kun je moeilijk ervaring in opdoen. Hoogstens gebeurt het twee keer in je leven, en dat is bijlange niet genoeg om er bijzonder bedreven in te raken.’

Uit: Elegie voor mijn vader van Ingrid Verbanck

Ongeldig, jongens (vangst #292)

Rollend, klinkend, stinkend. Het slijk der aarde wringt zich een weg naar wat lang de enige safe space van het 21ste-eeuwse antikapitalisme leek. Deze week: bloggers over geld en onrecht. Oud Zeikwijf maakt komaf met een valse streek van de bank, Walter van den Berg ziet met zijn zoontje hoe een man zonder bezittingen wordt weggejaagd en Loїs Blank hekelt No Spend September. Wilt u daar een zakje bij?

Ik had honger geleden, dus het eerste wat ik kocht was voedsel. Beleg bij Bossé Bossé (zo noemden de Wadada boys de slager op Wittenburg, en die naam is zijn hele loopbaan blijven kleven), vers wit brood, 1 pond varkensvlees en aardappelen. Dat waren de dingen die ik had gemist, omdat ze niet in de vuilnisbakken te vinden waren. Vlees wel maar was te link. Ik kocht ook tampons. Ook die vond je niet in de vuilnisbakken. Althans niet in maagdelijke staat.

Uit: Witwassen bij de bank op Oud Zeikwijf

Aan de andere kant stopten we even voor de Lochal — er stond een opstelling met wat zitplekken, een laag klimwandje, een paar planten, speciaal voor de zomer. Rein zette zijn fiets neer en klom een route op het wandje, van rechts naar links. Goed kan ik dit, hè?
Ja, je kan het heel goed!

Daarna weer verder op de fiets. Willem en ik erachteraan. Een roodharige vrouw keek naar hem, naar hem en zijn rode haar, maar hij keek niet terug; ze lachte daarom maar naar mij.

Uit: Onder het station door op De onbeschrijfbare laag

En ik snap het: het leven ís duur, graaiflatie rijst de pan uit en de vaste lasten zijn de afgelopen decennia veel harder gestegen dan het gemiddelde inkomen – tien jaar geleden kon een huishouden met een modaal inkomen een gemiddelde woning kopen, wie nu een huis met een gemiddelde koopprijs wil, komt gemiddeld een ton te kort. Dat neemt niet weg dat No Spend September de ozempic is voor bewustwording over uitgaven: lekker een maandje op de centen letten en dan in oktober een nieuwe wintercollectie aanschaffen en in november vol gas black friday.

Uit: No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten? op Hard//hoofd

Niemand Thuis

Ze zijn zeldzaam, de blogs die een welbepaalde, licht vervreemdende setting verkiezen. Nog zeldzamer: blogs die zo’n setting echt laten leven.

U begrijpt hoe blij de redactie is wanneer we dan zo’n exemplaar in het wild aantreffen.

Niemand Thuis is het geesteskind van Sebastiaan Leenknegt, die vindt dat er niet genoeg gefeest wordt in dit leven.

Enter: de muizennachtclub. Eat your heart out, Geronomi Stilton!

We zijn Muizen, weet u wel. Party hard, live fast, breed many. We combineren de eigenwaarde van een communist met de gezinsplanning van een katholiek. Kwantiteit is wat hier telt.

Javeldampen (vangst #291)

Vorige week kreeg u van ons – geheel per vergissing – voor een tweede keer het gebroken hart van Marieke Groen op uw bord. Om het goed te maken vangen we deze week maar niet het eveneens prachtige vervolg (nog steeds gebroken, maar je kan er oud mee worden).

Wat dan wel? De multifocale bril van Iris Salembier leek ons wel geschikt om ons met de neus op de feiten te drukken. Het jeugdige gebroken hart van Sjors ook. En als kers op deze taart breken we harten met de lijfspreuk van de muizenclub van Sebastiaan Leenknegt (nieuw in onze haven!): Verlaat mij zoals gij mij gevonden hebt.

Ik stap als een koorddanser: voetje voor voetje, mooi rechtop, blik vooruit en vooral niet naar de grond kijken… Pas als ik de toonbank terug kan vastgrijpen, durf ik mijn hoofd te draaien. Kijk ik naar links, dan is alles wazig, rechts hetzelfde en daartussenin zie ik de hele winkel op en neer bewegen als een wiebelende schuit.

Uit: Multifocaal op Vleermuys

Vier vingers ingesleten. Twee lettergrepen. Allen behalve de duim. Twee lettergrepen. Ik sloot mijn ogen. Gescheiden tot de dood. Ik wil. Twee lettergrepen. Twee lettergrepen. Twee lettergrepen. Want toen ik ‘s avonds thuiskwam, was de doos waarin ik de jonge puppy had achtergelaten leeg. 

Uit: Laatste woord op Hier kent het kerkhof mijn naam

Het lijkt soms een militaire parade; de manier waarop in Vlaamse huishoudens met wekelijkse regelmaat wordt gezwabberd met de dweilen, gezwierd met de emmers, en gesloft met de swiffers. Proper! noopt men dan te roepen (of Schoon! bij de noorderburen), gevolgd door het welvoldaan in-en uitademen van de javeldampen; en dit met een nasaal geluid dat ons nog het meest doet denken aan Darth Vader die door de glimmende gangen van de Death Star draaft.

Uit: Opgeruimd op Niemand thuis

Lichaamsdelen (vangst #290)

Deze week snijden we bij Aanlegplaats een belangrijk thema aan: lichaamsdelen. Lichtjes onderschat in het digitale tijdperk maar nog altijd een absolute must voor de hedendaagse urban warrior. Of niet dan? René van Densen wordt geconfronteerd met een missende neus, Marieke Groen met een gebroken hart (letterlijk!) en Sam Sterckx adviseert om te slaan, tot de huid littekens op littekens vormt. Veel leesplezier!

Hij zegt dat hij hiern gnistermen nog wahs en thoen haf hij sijn neuf noh. Dus of die miffgiem hiew gewowmem if. Ik zeg dat ik helaas geen neus gevonden heb. Ik kijk in alle hoeken van de etalage en bij de kassa, ik check ook de lades waar we gevonden voorwerpen opbergen. Er ligt een vikingschat, een lanceercode, een oud vergeeld lot, een dode papegaai, een nieuwe winkelruit, een paarlen oorbel, een roze hoepel, een bescheiden klavecimbel, een zingend vogelbekdier, het duistere noodlot van honderddrieënveertig slechtgestemde zeemannen, vier kleine schroefjes die ooit eens op avontuur besloten te gaan, de tweede van een eenhoorn, een vermiste vijfde verdieping, het einde van alle begin, een staal van sjaalwol, een sjaal van staalwol, nog een roze hoepel, hoe komen al die roze hoepels hier toch steeds, vijf cijfers vier, hoeven van een pandapaard, snijdend scherpe passages en een roze hoepel. Maar geen neus.

Uit: Neus op René van Densen

Er werden verpakkingen opengescheurd, naalden gezet, manchetten omgegespt, een hartfilmpje gemaakt. Wat ruikt het hier lekker naar citroen, zei de knapste ambulancebroeder (niet weer meteen verliefd gaan worden, zei ik tegen mezelf) en ik antwoordde: dat zijn de citroengeraniums, goed tegen muggen. Mijn bloeddruk was 197. Ik werd op de brancard gegespt en de lift in gereden. Niks aan de hand hoor, riep ik lachend tegen een buurvrouw die net de lift uit stapte, het ziet er erger uit dan het is.

Uit: Hart op Marieke Groen

Breek de poot van het tafelmeubel af, smeer de rug in met kruidnagelextract en blijf slaan. Tot de huid littekens op littekens vormt. Vergeet de ogen te sluiten wanneer de zoveelste projectie je opslorpt. Vergeet te ademen en te denken dat niemand echt iets weet. Pak de mok vast en probeer het koffiedik te voorspellen. Ga op zoek naar de liefde die je niet kunt vinden.

Uit: Kots nr. 295 op Kotsen op Woensdag

De vangst van Gert De Bie (vangst #289)

Taal. Zo alledaags en toch uniek. Zo vanzelfsprekend en toch bijzonder. Met een filosoof/taalkundige als jobstudent naast me in mijn boekhandel, werd ik al eerder warm gemaakt voor taalgeschiedenis en taalfilosofie. Toen mijn oog viel op Gevleugelde Woorden, de blog waarop Aron Groot elke zaterdag taalgeschiedenis deelt én die een handleiding Proto-Indo-Europees bevat (dankzij jobstudent Simon heb ik daar inmiddels ook kaas van gegeten), klikte ik gretig door.

Dat ook daar niet aan Christopher Nolan’s The Odyssey te ontkomen valt, deed me bijna wegklikken, maar voor we het wisten waren we heerlijk verzonken in de geschiedenis van Odysseus’ naam (spoiler: hij heeft nooit zo geheten) en hinkelden we mee van Homerus naar James Joyce naar slotzin “Kunnen de racisten daar nog iets mee?”. Bam, zo proeven we onze letteren graag: onderbouwd, doordacht, rauw en onversneden.

‘De afwisseling tussen d (Odusseus) en l (Olusseus, Oulixēs, enz.) doet denken aan koppeltjes als δίσκος ~ λίσκος (diskos ~ liskos, ‘discus’), δάφνη ~ λάφνη (daphnē ~ laphnē ‘laurier’) en λαβύρινθος ~ da-pu2-ri-to (labúrinthos ~ daburinthos, ‘labyrint’). Volgens de huidige consensus wijst zo’n afwisseling op een vóór-Griekse oorsprong. De held Odysseus is dus ontleend aan de mensen die in Griekenland woonden voordat de Grieken er arriveerden.‘

Kunnen de racisten daar nog iets mee?’

Uit: De vele namen van Odysseus van Aron Groot

Verder navigerend door de Haven van Aanlegplaats, laveren we door prikkelende namen, sfeerfotootjes die ons doen aarzelen, namen die we kennen en – oprechte excuses fijne literatoren – net daarom de boeg doen afwenden omdat we liever iets nieuws ontdekken. (En nu is het wel genoeg met die zeemansmetaforen, Gert).

Plots klikken we intuïtief op Het ongerijmde, omwille van al de schone beloftes die het woord – ondanks dat het met ‘on’ begint – in zich lijkt te dragen. In de luttele seconden die onze browser nodig heeft om de link te openen gaat ons plots een licht op en –  ja, natuurlijk!  – daar duikt hij op: de opperheer der verrassende gedachtenkronkels, de licht weemoedige dromer van vreemde dadingen, de plezierigste pen die melancholisch naar een onbestaand verleden of verbeeld heden zoekt: Tom Wouters! Een onbestaand, plezierig verleden. 

Kunnen de neo-fascisten daar nog iets mee? 

Ivan Andrejevitsj Redkin

‘Aanvankelijk was ik blij dat er zich een Russisch personage aandiende, want die hebben de juiste verhouding tussen absurd en melancholisch. Hij beweerde dat het zijn eerste keer was, een personage zijn, maar ik had meteen door dat dat niet klopte toen ik hem opvoerde. Zo nam hij uit eigen beweging een sprot mee, iets wat een nieuw personage nooit zou doen. Bij nader onderzoek ontdekte ik dat hij eerder al had meegespeeld in de kortverhalen van Daniil Charms. Hij had talent, maar het vertrouwen was weg.‘

Uit: Register van geschrapte personages van Tom Wouters

De laatste blog selecteren blijkt moeilijker dan het laatste glas bestellen aan een gezellige toog. Dat is immers zelden van de eerste keer écht de laatste keer, terwijl we hier met elke zin het einde naderen van onze vangst. Terwijl we scrollen langs naamgenoten, nachtburgemeesters, gevierde blogs, dito auteurs en andere Honingpotten vol literair lekkers alvorens we al rondklikkend en op en neer dansend door de Haven bij Merel de Vilder Robier belanden en haar pittige pen proeven, die herkenbaar naar meer smaakt en moeiteloos ‘versagen’ ‘stront’ en ‘obsoleet’ door haar zinnen breidt.

Kunnen de puristen daar nog iets mee? 

‘Wie mij kent weet dat ik een allesvreter ben. Dat ik gaarne veel lekkers en waardevols tot mij neem, maar dat ik ook gretig alle onzinboeken doorploeg op zoek naar diamanten in de more, naar parels in de stront.

“Mijn goudmijn is een vuilnisbelt en vice versa,” zeg ik heel den tijd aan al wie ook maar een beteke luisteren wil.

Mijne gelieven schenken mij dan ook vaak rare resten van in hun ogen obsolete bibliotheken en af te stoten verzamelingen. Mijn boekenkasten puilen ondertussen uit en ongeopende bananendozen stapelen zich op tegen elke vrije muur van mijn Paradife Loft.

Maar ik versaag niet, lees elke letter plutôt deux fois qu’une en laat alleen de dubbels en de non-fictie weer los.’

Uit: In de hangmat met … van Merel de Vilder Robier

Gert De Bie, het interview

De eerste keer dat ik Gert De Bie sprak was na afloop van de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering van de coöperatieve uitgeverij Weerwoord in de kelder van De Groene Waterman. Met meer schwung en souplesse dan je van een uitgever gewoon bent, stond hij achter de bar de drank in te schenken en erop toe te zien dat niemand iets tekort kwam. Om het ijs te breken stelde ik hem een vraag – ‘Wat maakt van een boek een typisch Weerwoord-boek?’ – en zijn uitleg klonk zo boeiend en weldoordacht dat ik onmiddellijk wist: ooit ga ik hem voor Aanlegplaats interviewen. Enkele weken later was het al zover. Die woensdag in augustus was het stralend zomerweer in Heist-op-den-Berg en de gemeente in de Zuiderkempen bood een vrolijke aanblik. Het leven was er goed. Er waren bakkers, restaurants, culturele centra en fietsenwinkels. Het was niet moeilijk om je in te beelden dat je er domweg gelukkig kon zijn en er nooit zou willen wegtrekken.

Gert De Bie is een reusachtige man en zo klinkt hij ook. Als iemand die kracht uitstraalt en willens nillens imponeert. Het vreemde is dat hij veel van mijn dromen heeft waargemaakt. Daar waar ik op beslissende kruispunten in mijn leven te lang aarzelde, durfde hij het aan om te springen. Want ondanks zijn Ambiorix-kapsel en verwaaide kledingstijl werd hij een succesvol ondernemer. Gert baatte een horecazaak uit, begon boekhandel Het Voorwoord, werd concertpromotor van de Hnita Jazz Club en startte een uitgeverij. 

De dag dat ik hem kwam interviewen werd hij gevolgd door een filmploeg van Narafi, de school waar mijn dochter fotografie heeft gestudeerd. Opnieuw toonde Gert dat hij weet hoe hij de perfecte gastheer moet spelen. Tafels en stoelen werden naar buiten gedragen, parasols opengeklapt, asbakken liefdevol opgeblonken en voor iedereen die wilde zette hij koffie met de flair van een Italiaanse barista. Ik stelde een halve vraag en met luide stem gaf de spraakwaterval van Heist-op-den-Berg een inkijk in zijn leven en zijn passies.

‘Wat moet de wereld weten over Gert De Bie?’

‘Ik ben nu 47 en dan kun je wel wat dingen concluderen over jezelf. Veel van de zaken die ik in mijn leven doe gaan gepaard met twee karaktertrekken: Ik ben nogal gulzig, snak naar het leven en wil het potentieel daarvan ten volle benutten. En ik heb ook een naïviteit die ik koester. Als je die twee combineert en je droomt van een boekhandel dan sta je op een dag op en denkt: ik open een boekhandel. In het begin dacht ik: een boekhandel is een ruimte vol met boeken. Pas door het te beginnen doen, ontdekte ik hoe zeldzaam het concept van een ‘onafhankelijke boekhandel’ is en hoe economisch uitdagend.’

‘Die naïviteit is niet ten gronde, want vanaf het begin wist ik intuïtief dat ik om de zaak levensvatbaar te maken ik er tegelijkertijd een café moest bijdoen. Want het is niet omdat je een boekhandel opent dat de volgende dag je pensioen veilig gesteld is. Daarom: mijn naïviteit is eerder een levenshouding – een verlangen om met een zekere openheid in de wereld te staan – dan onkunde.’

‘Naïviteit wordt dikwijls pejoratief gebruikt. Gebruik jij liever onbevangenheid? Misschien ga ik vanaf nu dat woord van je stelen, Jo.’

‘Ik denk dat ik fysiek inderdaad veel energie heb en dat ik tevens de nood voel om die te gebruiken. Maar ik moet er wel bij vertellen dat alles wat ik over mezelf zeg gekoppeld is aan een context en een omgeving die dat mogelijk gemaakt heeft. Ik ben in comfortabele omstandigheden in een warme familie in Heist-op-den-Berg opgegroeid; ik heb een stabiele relatie met een vrouw – met wie ik drie kinderen heb – die een goede job heeft en me de ruimte gunt om mijn projecten te doen. Combineer die gulzigheid met een energieke rusteloosheid, een veilige context om te ondernemen en een gezonde dosis onbevangenheid (lacht), en: voilà. Dan staan we waar we nu staan. Lezen en muziek zijn bovendien mijn twee grote passies. De dag dat ze me hebben leren lezen ben ik niet meer gestopt.’

‘Nu combineer ik als concertpromotor van de Hnita Jazz Club, boekhandelaar en uitgever die twee passies. Op mijn leeftijd, Jo, begin ik te beseffen dat ik er geen dingen kan blijven bijdoen. Stilaan begin ik als een mantra tegen mezelf te herhalen: “Dit is het wel.”’

‘In 2009 opende ik het aanpalende café samen met de boekhandel en in 2022 heb ik dan het horecagedeelte verkocht.’

‘Uitgeverij Weerwoord is het meest recente verhaal. In 2017 zijn we begonnen met de duurzame renovatie van de Hnita Jazz Club. Het is een traject van vijf jaar geweest. Naarmate de voltooing dichterbij kwam groeide bij mij het besef dat ik geen twee horecazaken én twee podia in Heist-op-den-Berg kon uitbaten. In de Hnita werkte ik nauw samen met Nicole Van Bael, de vrouwelijke helft van het schrijversduo Elvis Peeters. Tegelijkertijd komt Erik Vlaminck al jaren over de vloer in mijn boekhandel Het Voorwoord. Ze voelden zich wat verweesd bij hun uitgeverij en op een dag zei Erik tegen mij: ’Zeg, Gert: als jij nu eens mijn volgende boek uitgeeft?’. Toen het idee op de planken kwam dacht ik: dit is het moment. De opportuniteit dat twee vooraanstaande Vlaamse auteurs het zien zitten om met mij in zee te gaan ga ik nooit meer krijgen. En dan komt weer die onbevangenheid en energie naar boven. Mijn vrouw rolde met haar ogen toen ik mijn nieuw plan ontvouwde. Maar ondertussen staat ze helemaal achter het project. Ze heeft nog nooit zoveel gelezen als nu. Ze heeft al elk boek van Weerwoord verslonden.’

‘Voor mij is lezen een inhoudelijk ankerpunt in mijn leven. Het is de combinatie van ontspanning en verrijking van mijn wereld en woordenschat. Ik groei er ook van als mens.’

‘Tijdens het lezen bedaart mijn rusteloosheid en gretigheid. Al van jongs af is het een van de weinige rustpunten in mijn leven geweest. Hoewel ik zeer sociaal ben, zijn er veel foto’s van familiefeesten waarin ik in een hoek met een boek lig te lezen. Het is energiecompensatie. Gooi mij op een feest binnen en als het klikt kan ik veel energie geven. Maar ik word er ook wel moe van. Met het klimmen der jaren is lezen iets geworden waar ik zowel mentaal als fysiek mijn ding in kan vinden. Bijna alles wat ik in mijn leven probeer te doen is de ideale combinatie van iets waarbij ik me fysiek in kan zetten en dat me tegelijkertijd mentaal en inhoudelijk uitdaagt.’

‘In de tijd dat ik mijn cafe had worstelde ik soms met de ambiguïteit van de vluchtigheid in de horeca. De snelle, losse contacten zijn zeer zeker een deel van mij, maar het is niet mijn volledige ‘ik’. Terwijl ik drukke dagen in de boekhandel echt een feest vind. Want het deelt het sociale en energieke aspect van de horeca, maar een gemiddeld gesprek in de boekhandel heeft meestal ook een inhoudelijke laag. Hetzelfde met concerten. Het geeft me zoveel voldoening om muzikanten een podium te geven zodat ze hun verhaal kunnen brengen.’

‘Het is enigszins ironisch omdat ik zo’n grote lezer ben. Maar in de muziek ben ik geen tekstadept. Er zijn nummers die ik al drieduizend keer heb beluisterd en waar ik geen idee van heb waar ze over gaan. Muziek raakt mij op het emotionele en intuïtieve vlak. Hoewel ik nog ergens een diploma van mijn eerste openbaar examen drummen heb liggen beschouw ik mezelf niet als een muzikant. Ik heb nooit de kracht of de passie gehad om ermee door te gaan. Muziek is voor mij: mensen samenbrengen en hen een verhaal laten beleven. Als wij in de Hnita Jazz Club een fantastisch concert achter de rug hebben, dan moet de stoom eraf en kom ik pas rond 4.00 uur thuis. Waarop mijn vrouw ontwaakt en opmerkt: “Maar gast: waarom is het weer zo laat?” Na zo’n concert bruis ik echter van de energie. Ik zou nog een marathon kunnen lopen, maar ’s nachts lopen is gevaarlijk. Daarom blijf ik maar op café zitten.’

‘Met de jaren heb ik geleerd een balans te zoeken én te vinden tussen het inhoudelijke en het fysieke.’

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Na mijn middelbaar ben ik criminologie gaan studeren. De interesse ervoor is ontstaan dankzij het lezen, want ik heb veel boeken over ‘profiling’ verslonden. Ach, ik ben nooit een goede student geweest en ik moest al meteen mijn eerste jaar bissen hoewel ik nog nooit zo hard had gestudeerd en toen dacht ik:”Gert: ga je nu echt tien jaar doen over een studie van vier jaar?” Daarom ben ik overgestapt naar journalistiek in Mechelen. Die opleiding heb ik succesvol afgerond en aansluitend ben ik vijf jaar in de journalistiek gaan werken. Mijn stage heb ik bij De Groene Amsterdammer gedaan.’

‘Het was nog in de tijd dat Martin van Amerongen er hoofdredacteur was. Ik had een interview met Tom Barman afgenomen na een concert van dEUS in Rotterdam en Martin heeft dat stuk nog geredigeerd. Van Amerongen overleed tijdens mijn stage op zestigjarige leeftijd aan de gevolgen van slokdarmkanker. Het tijdschrift De Groene Amsterdammer bestond dat jaar 125 jaar en als eerbetoon aan de begindagen hebben we een week lang een krant uitgebracht. Geert Mak maakte nog deel uit van de redactie.’

‘Het was de eerste keer dat een student een buitenlandse stage ging doen. Het mocht van de school op voorwaarde dat ik alles zelf zou regelen. Zo kwam ik bij De Groene terecht. Het was 2002 en mijn stage liep van januari tot 15 maart. Het was de periode dat Pim Fortuyn opkwam. Tegelijkertijd ontstond het idee van die krant. Als ontvankelijke jongeman vond ik het allemaal geweldig interessant en ik liet mijn school weten dat ik op 16 maart niet ging terugkomen, want ik rook een unieke ervaring die ik niet mocht laten liggen. Groot conflict. Over de telefoon zei ik tegen de directeur: “Als jullie een student uit zo’n context halen, zijn jullie de opleiding niet waardig.” Het was een ongelooflijke belevenis. Op dag 1 dat de krant ging uitkomen, lag Martin op zijn sterfbed. Pim Fortuyn wordt vermoord. Feyenoord speelt de finale van de Uefa-Cup. Waarnemend hoofdredacteur Sander Pleij vertelde ons op de redactievergadering dat Martin net voor hij overleed de krant nog heeft geroken. En ik krijg de opdracht naar Rotterdam te gaan om er in een volkscafé naar de finale te kijken en er verslag van uit te brengen. Aan de ene kant van het station stonden ze met duizenden aan te schuiven om het rouwregister van Pim Fortuyn te tekenen; terwijl om de hoek duizenden uitgelaten voetbalsupporters rondliepen om de finale te vieren. De sfeer in de stad was echt uniek. Twintig mei ben ik teruggekomen van mijn stage. Ik had geen enkele les gevolgd. Mijn promotor had me zelfs nog nooit gezien. Op de uitreiking van de diploma’s bleek dat ik voor mijn eindwerk vijftig procent had gekregen. Tegen de directeur zei ik: “Kijk meneer: ik snap dat dat voor jullie ook niet evident was maar ik blijf achter mijn keuze staan.”’

‘Maar wat was je basisvraag ook alweer? Ah, ja. Ik kom uit de context van het schrijven. Ik ben vijf jaar journalist voor Het Nieuwsblad geweest, maar ik was geen nieuwsman. Ik haalde geen voldoening uit het vergaren van nieuws. Na die vijf jaar was het op. Dan heb ik mijn rugzak aangedaan en ben naar het Midden-Oosten vertrokken. Tijdens die trektocht van vier maanden stelde ik mijn leven in vraag. Ik was toen 27 en had al een relatie met mijn huidige vrouw. Rondtrekkend viel alles op zijn plaats. Eenmaal terug in België wist ik concreet nog altijd niet wat ik met mijn leven moest aanvangen. Daarom ben ik in de horeca begonnen. Mijn contacten met de krant verwaterden snel. Het plan voor de boekenwinkel met een eigen horecazaak begon echter te rijpen. Als ik erop terugblik zie ik dat taal altijd een rode draad in mijn leven is geweest. Door met de boekenwinkel te beginnen werd ik er weer helemaal in ondergedompeld. Ik was het schrijven wat kwijtgeraakt. Ik miste het niet als job, maar wel als ervaring. Voor de winkel schrijf ik een nieuwsbrief en ik doe dat zeer graag en tevens zeer onregelmatig. Ik heb er de mentale ruimte voor nodig. Maar als ik eraan begin, geeft me het me voldoening. Het is voor mij de ultieme vrijheid. Het is mijn nieuwsbrief, van mijn winkel. Ik moet tegenover niemand verantwoording afleggen.’

‘Tijdens die reis in het Midden-Oosten heb ik een blog met de naam De niet zo wondere wereld van Easybies geschreven. Het was een vorm om het thuisfront op de hoogte te houden. Het is de enige blog die ik ooit heb gehad. Ik heb blogs altijd een tof idee gevonden, maar ik ben er nooit intensief mee bezig geweest.’

‘Mijn lieve mama heeft al die stukjes en de reacties die ik erop kreeg uitgeprint en bijgehouden. Het was een mix van reisdagboek, journalistieke verslaggeving en persoonlijke reflecties. Dus kijk: ik heb ooit geblogd, maar mijn schrijven beperkt zich nu tot nieuwsbrieven en speeches voor op familiefeesten.’

‘In alles wat ik doe ben ik een deadline-krabber. Zo schrijf ik de speeches voor de familie aan tafel terwijl iedereen aan het binnenkomen is. Als er contexten zijn waarin het van mij verwacht wordt schrijf ik – weliswaar minder dan een auteur of journalist. Maar toch.’

Wat maakt een boek een Weerwoord-boek?

‘Als ik puur naar mezelf kijk is het iets intuïtief, maar zowel voor het leescomité binnen de uitgeverij als voor de omgeving probeer ik mijn keuzes te motiveren en vorm te geven. Bij Weerwoord willen we boeken uitgeven die geschikt zijn voor een breed publiek, maar die zich in de marge van hun verwachtingen bevinden. We willen mensen uitdagen en verrassen. Maar we willen geen niche zijn. Soms zijn die lijnen dun en het kan zijn dat we die in de toekomst af en toe gaan herleggen. Per definitie ga ik ervan uit dat een Weerwoord-boek voor een groot publiek bestemd moet zijn, maar dat niet iedereen het oppikt. Binnen het leescomité motiveer ik het als volgt: “Een Weerwood-boek moet literair zijn, het moet relevant zijn en er moet een hoekje af zijn.” Elk boek dat we uitgeven zou aan minstens tweeënhalf van die drie criteria moeten voldoen. Een boek dat ongelooflijk kwalitatief literair is, mag dan bijvoorbeeld iets minder relevant zijn en omgekeerd. Op die manier proberen we naar de literatuur die we uitgeven te kijken.’

‘De uitdaging van een uitgever en een boekhandelaar is om het juiste boek bij de juiste lezer te krijgen. Maar je moet ook kunnen schakelen en een stuk van je eigen verlangens loslaten. De boeken die mij als boekhandelaar het gelukkigst maken zijn de titels die qua stijl zeer toegankelijk zijn en toch de diepte niet schuwen. Bijvoorbeeld Trofee van Gaea Schoeters. Ze combineert haar morele- en spanningsplot perfect. Ik kan het zowel aan een thriller-lezer meegeven als aan een adept van David Foster Wallace. Dat stemt me gelukkig omdat ik dan een deel van mijn leesziel kan meegeven aan mensen die het niet gewoon zijn. Hoe verder een klant van mijn leesverhaal staat, hoe moeilijker het is.’

Wie zou je willen dat een blog begint en waarom?

‘Dat is echt een moeilijke, Jo. Die vraag had ik opnieuw moeten lezen zodat ik er de afgelopen nacht de hele tijd van had wakker kunnen liggen.’

Tegen de filmploeg van Narafi: ’Zijn jullie continue aan het filmen? Neen. Ah: dan kan ik even een sigaret opsteken. Want roken past echt niet bij mijn familie en dan kan ik jullie documentaire toch aan hen laten zien.’

‘Wat verwacht ik van een blog? Als ik mezelf erop betrap hoe ik met online media omga dan moet het iets kort en krachtig zijn.’

‘Ik zoek sowieso iemand met een pen die iets heel erg kan vatten. En het moet dicht bij mezelf staan. Wat – ik ben nu maar hardop aan het denken – als ik een blog van mijn jongste zoon van dertien zou kunnen lezen? Wat zou ik daaruit kunnen leren? Wat zou het vertellen over de blik van zijn generatie. Want het generationele blijft een uitdaging. De huidige generatie kijkt met de bril van de kennis die ze tijdens hun leven vergaarde naar de jeugd van tegenwoordig. Maar als we eerlijk zijn, Jo: wat wisten wij als jonge snaken over Louis Couperus of de Spaanse burgeroorlog? Als je het op de juiste manier aanpakt kan het generationele je enorm verrijken. Niet iedereen heeft in zijn leven een context, zoals mijn schoonmoeder die jarenlang in het onderwijs stond, waarin je met jongeren blijft omgaan. Daarom is het verrijkend als je van tijd tot tijd die context kunt opzoeken. Bovendien speelt bij mijn keuze ook het voyeuristische aspect een rol: welk beeld heeft mijn jongste zoon van het gezin waarin hij opgroeit?’

‘Aan de andere kant van het spectrum zoek ik het ver van mij. Zo zou een blog van een groot diplomaat die een inkijk geeft in de machinaties achter de macht me erg interesseren. Niet het geroddel van die doet het met die. Maar waarom beweegt het? Ik blijf een naïeve kijk op de wereld hebben waarbij ik ervan uitga dat bijna iedereen die in een machtspositie terecht is gekomen er ooit vanuit een bepaald ideaal naar gestreefd heeft. Het zou best kunnen – en helaas steeds meer – dat het niet mijn ideaal is. Maar ik wil nog altijd graag geloven dat mensen die in de politiek gaan dat doen omdat ze oprecht iets willen bijdragen aan de maatschappij. En toch loopt het continue mis en wordt onze democratie uitgehold. Hoe komt dat de dingen schuiven…? Dat boeit me.’

Wat maakt voor jou een blog goed?

‘Het moet sowieso het puur persoonlijke overstijgen. Het moet prikkelen en raakvlakken met mij hebben. Maar waar ik het meest van hou is: een fris perspectief. Een andere blik over iets dat je zelf kent en waar je een mening over hebt en toch slaagt iemand erin om je visie een kwartslag te draaien. Dat is iets waar het vaak vastloopt: we vergeten dat we maar een bepaald perspectief hebben. Dat probeert David Foster Wallace met zijn lezing Dit is water uit te leggen. We beschouwen onszelf allemaal als het centrum van het universum. Maar zoals jij de wereld op dit moment ervaart, zo zie ik hem niet. Daarom zoek ik in een blog een verrassend, verfrissend, ander perfectief. En hoe dichter het bij het komt, hoe interessanter. Natuurlijk is het relevant om de visie over de klimaatopwarming te kennen van iemand die in een strandhut op de Fiji eilanden woont. Maar dat kan ik in mijn beleving ook rationeel bedenken. Maar iemand die net als ik in Heist-op-den-Berg in een veilige context is opgegroeid en toch naar een bepaalde zaak op een andere manier kijkt: dat vind ik fascinerend en daar kan ik het meest uit leren in het besef dat ook mijn visie verschuifbaar is.’

‘Omdat ik mondig ben imponeer ik sommige gesprekspartners, terwijl ik niets liever doe dan met iemand al sparrend van gedachten te wisselen. In bijna al mijn conversaties zoek ik naar relevantie. Dat kan zeker ook over het persoonlijke gaan, Jo. Zoals toen je daarnet over je dochter sprak. Mijn vrouw denkt dat we in de winkel altijd bezig zijn over motieven in de laat-middeleeuwse literatuur of over filosoof X, Y, Z. Maar relevantie zit in de openheid en weldoordachtheid van hoe mensen hun antwoorden formuleren.’

‘Ik lees en hoor graag andere visies dan de mijne. Ik ben een zoekende mens die zijn mening kan herzien. Ik ben in alles een zoekende ziel en ik vind dat een hele schone en tegelijkertijd heel vermoeiende eigenschap.’

Afsluiten deden we met een fotoshoot in de boekhandel en Gert had voor de gelegenheid zijn ultiem eilanden-boek uitgekozen: De essays van Michel de Montaigne, die andere zoekende ziel.

‘Ergens heb ik in dat boek de notitie gemaakt: “Ik ben heel gewoon. We fietsen allemaal door het leven met vooroordelen.”‘ 

Een van mijn vooroordelen – dat er weinig aangenamere plekken zijn om een ochtend te verwijlen dan in een goede boekhandel – werd in Het Voorwoord nogmaals bevestigd. Het was er heerlijk toeven tussen de muren vol spraakmakende en intrigerende titels. Uren had ik er nog willen doorbrengen, zeker toen ik de erg persoonlijke collectie Engelstalige boeken zag waarin zoveel van mijn culthelden een ereplaats hadden gekregen. Want eerlijk: samen met Gert De Bie in Heist-op-den-Berg een gesprek over Ring Lardner voeren: beter zal het leven op een woensdag in augustus niet worden.

Aan Maarten Biesheuvel

Dit is de tweede brief uit de zevende ketting van Flessenpost. Lennart Vanstaen schreef aan Tom Wouters, die nu schrijft aan Maarten Biesheuvel.

Beste mijnheer Maarten Biesheuvel,

Nog geen uur geleden spoelde hier een fles aan met een brief in. De zee is nochtans al enkele miljoenen jaren geleden verdwenen uit mijn dorp. Vroeger was hier geen land, je kon in deze streken alleen maar zwemmen of verdrinken. De zee volstond, er was geen nood aan ademruimte.

De brief was aan mij gericht en bevatte een duidelijke instructie. Ook ik moest een brief schrijven en die vervolgens in het water gooien. Zo vaak zal flessenpost wel niet bij de juiste persoon terechtkomen, al meen ik ooit wel een Instagram-post gezien te hebben over twee mensen die elkaar, jaren na een vakantieromance, op die manier weer gevonden hadden. In mijn geval weet ik wel zeker dat elke poging tot mislukken gedoemd is, hoe leuk een romance met jou ook zou zijn. Jij bent immers al een hele tijd dood. Zelfs als ik zou geloven in het idee dat we na onze laatste adem een lichaamsloze entiteit worden die niets beter te doen heeft dan in een hoekje van de kamer te zitten kijken naar wat de levenden doen, is mijn brief een maat voor niets. Zonder handen krijg je zo’n kurk nooit uit de fles.

We moeten er dus niet flauw over doen: jij mag dan wel de geadresseerde zijn, we weten allebei dat ik deze brief eigenlijk aan mezelf schrijf. En straks zal dat ook voor de lezers onmiddellijk duidelijk zijn. Daar mag ik niet te veel aan denken: het idee dat een net gedebuteerd auteur een ‘brief’ schrijft aan zijn overleden idool, vind ik zo klef, dat ik er liefst meteen mee ophoud.

Ik zou natuurlijk ook gewoon een brief aan een levende schrijver kunnen richten, maar dat is zowaar nog lastiger. Ik begrijp niet goed hoe correspondenties tussen schrijvers beginnen. Zo’n eerste brief voelt toch altijd opdringerig? Ofwel komt het over als een fanbrief, ofwel heeft het iets weg van een uitnodiging voor een duel, waarbij de jonge schrijver hoopt om zo hoger in de pikorde der schrijvers te geraken. En dan beginnen met “Beste collega”. Ugh. Nee, dan nog liever een brief aan een dode.

Wat ook niet helpt, is dat ik het over literatuur wil hebben. Kijk, er haken weer wat
lezers af die geen zin hebben in een schrijversonderonsje (“we houden een
schrijversonderonsje/gezellig samen onder ons rond schrijversdonsje”). Ze hoopten
dat ik zou schrijven over de liefde of over gek worden of depressies, of ze vragen
zich af wanneer ik nu eindelijk eens iets grappigs ga schrijven, zoals ik vaak doe.
Handig, die ingebeelde lezers die bruggetjes voor me maken, want daarover wil ik
het precies hebben. Sinds mijn boek ‘In mijn hoofd zwemmen vissen’ verschenen is,
worstel ik met een vraag waar jij tijdens jouw schrijversbestaan misschien ook soms
een antwoord op heb zitten zoeken. Hoewel mijn verhalen bijna overal goed
ontvangen zijn – gisteren nog mailde een lezer me dat mijn verhalen even goed
waren als die van Borges. Dat ik dat hier zo neerschrijf, is natuurlijk bedoeld om
erover op te scheppen, maar ook wel omdat het me verbaast dat mensen die
vergelijking daadwerkelijk durven te maken – kreeg mijn boek in een literaire podcast een minder goede bespreking, die sindsdien een beetje is blijven prikken. Ik zou me natuurlijk beter onttrekken aan de oordelen van mensen die ik in se niet ken, maar op zich gaat het me niet om het oordeel zelf, maar wel om wat één van de twee podcasters zei. Mijn verhalen, zo zei hij, zijn allemaal truukjes.

Het is een verwijt waar ik niet mee om kan. Natuurlijk zijn sommige verhalen in mijn boek geschreven uit schrijfplezier, en ik heb wel eens eerder de kritiek gehad dat ik te veel de vrolijke Frans wou uithangen, maar dat het allemaal maar truukjes zouden zijn? Dat wil ik manifest tegenspreken. Een groot deel van de verhalen in mijn boek zijn diepgeworteld in mijn leven en opgeschreven op momenten dat ik mezelf weinig raad wist. In zulke gevallen is het enige wat ik dan doen kan schrijven.

Door die kritiek ben ik echter gaandeweg gaan inzien dat mijn verhalen inderdaad op circusacts zouden kunnen lijken. En ik moest meteen denken aan jouw verhalen, die ook die combinatie hebben van diepgang en lichtvoetigheid. Het heeft denk ik te maken met de humor, wat volgens sommigen boeken aan diepgang doet verliezen, omdat enkel ellende diep graaft. Ik merkte de overeenkomst tussen jouw werk en het mijne, toen een oud-collega me via Whatsapp liet weten dat hij mijn boek had gekocht. Hij vond het ‘erg leuk’, maar vroeg zich af wie al die mensen waren naar wie ik refereerde op de achterflap. Ook jouw naam stond daartussen. En dus vertelde ik hem over jouw werk, en meer bepaald parafraseerde ik de plot van ‘Brommer aan zee’, een van je mooiste verhalen. Over die scheepsjongen die over de oceaan uitkijkt en een lichtje in de verte dichterbij ziet komen, van een brommer die over het water varen kan. Over hoe het antwoord op de vraag: “hoe doe je dat dan?” is “Gewoon een kwestie van oefenen.” En over hoe de brommer zonder de scheepsjongen verder rijdt, ook al wil hij heel graag mee. Mijn oud-collega reageerde met een smiley die tot huilens toe aan het schateren was van het lachen.

Ik weet niet of er emoticons bestaan die lijken te lachen tijdens het huilen, zoals je in de weken nadat een geliefde sterft soms opeens de slappe lach kan hebben terwijl je doodongelukkig bent. Zo’n smiley zou beter passen, want ‘Brommer op zee’ is een van de droevigste verhalen die ik ken. Er gaan dan misschien geen kinderen in dood, maar het vertelt over een eenzaamheid die niet te overwinnen valt. Je schreef het zelfs zo expliciet neer, in een zin die veel redacteurs misschien zouden schrappen, omdat het te expliciet is: “Hij had het gevoel dat hij een eenzaam man was en langzamerhand kwam hij tot de ontdekking dat het altijd wel zo zou blijven.”

Mijn oud-collega had natuurlijk ook gelijk: het beeld van een man die vol zelfvertrouwen op een brommer over de zee rijdt, heeft iets onnozels en absurd. Net zoals ik besef dat ook mijn verhalen over meisjes met navels in de vormen van schelpen of vrouwen die rozen krijgen van verschillende aanbidders dat hebben. Ook de boeken van andere literaire helden van mij als Boris Vian, Cesar Aira of Daniil Charms kunnen gezien worden als louter lichtvoetige onzin, die geschreven is ter vermaak van de lezer. Maar in mijn wereld betekenen ze veel meer. In al die verhalen herken ik hoe onbereikbaar de werkelijkheid is en hoe onze taal altijd zal tekortschieten. We kunnen wel proberen om de dingen die we ervaren zo precies mogelijk op te schrijven, maar wil ik mijn eigen werkelijkheid zo dicht mogelijk benaderen, dan voel ik me gedwongen om er in grote stappen omheen te bewegen. Alsof ik mijn prooi alleen vangen kan als ik doe alsof ik geen jager ben. Daarom ook ontroert ‘Brommer op zee’ me zo: plots ontstaat er een beeld dat veel meer zegt dan een man die vertelt hoe eenzaam hij wel niet is. Ik had je graag ontmoet en je dan willen vragen hoe vaak jij hebt willen zeggen tegen mensen dat het heus niet allemaal om te lachen is, dat je probeerde om jezelf door het zo op te schrijven staande te houden in een onbegrijpelijke wereld.

Ik wil eigenlijk liever niet weten hoeveel mensen mijn verhalen, die vaak om te lachen lijken, zien als niet meer dan circustruukjes. Begrijp me niet verkeerd: dat mag het ook gerust zijn, als ik op die manier mensen gelukkig kan maken, dan maakt me dat ook deels gelukkig. Maar ik hoop dat er ook mensen zijn die mijn verhalen lezen en denken: die man, die woont volgens mij op een plek waar er op dit moment nog geen land is. Kijk hoe hij zijn best doet om te zwemmen, in de hoop niet te verdrinken. Kijk hoe hij probeert om land te creëren, waarop hij even ademen kan.