Woeste hoogten (vangst #288)

Gerbrand Bakker vertelt over het gevaar van grasaren voor honden. Dat een hond uitlaten slecht kan aflopen, weten we al van de hondjes van Charlotte Mutsaers en Hilde Van Mieghem. Hondje Floris kwam er gelukkig beter vanaf, al moest hij wel geopereerd. Grasaren gaan plots anders doen, vanwege hitte en ander maaibeleid. Gerbrand Bakker wil daarom snel weer naar de Eifel vertrekken, daar zijn geen grasaren. Deze blog schreef hij voor de bosbranden. We hopen dat hij de hond niet meer uitgelaten heeft.

Marieke Groen geeft een verslag over haar gebroken hart en dat doet ze hartverscheurend. Bijna elk gevoel komt aan bod: angst, verdriet, humor, dankbaarheid, verwarring, tederheid. Ze vertelt over goed ontplooide longen en dat ze een personage uit een ziekenhuisserie is geworden. Over de kamer met twee oude mannen en huilen achter het gordijn. Over jurkjes van poppetjes gladstrijken. Veel beterschap, Marieke.

In een oude blog die ik als een schelpje tegen mijn oor houd, vertelt Anne Broeksma over de sirenes van de Schotse sneeuwhoenderen. Bruin met rode wenkbrauwen! Ze wordt er intens blij van. Ze vertelt ook dat ze een mes in haar rugzak had bij de douane. Gewoon voor de moestuin hoor. ‘Voortaan toch mijn tas even checken. Mijn tassen zijn ecosystemen met bodemlagen waarin zich van alles composteert.’ Ze tracht geluiden van haar reis te beschrijven en doet me Cosmo Sheldrake ontdekken. Hij brengt op dit moment het geluid van mijn reis terug in mijn mansarde, middenin de drukke stad.

Na de ‘operatie’ van Floris schudde ze nog een tijdje met haar kop (honden lijken vaak nog een soort van fantoompijn te hebben nadat het probleem al verholpen is, al dan niet om medelijden op te wekken bij de baasjes), maar verder gaat het nu prima.
Uit: Grasaren van Gerbrand Bakker

Wat ruikt het hier lekker naar citroen, zei de knapste ambulancebroeder (niet weer meteen verliefd gaan worden, zei ik tegen mezelf) en ik antwoordde: dat zijn de citroengeraniums, goed tegen muggen. Mijn bloeddruk was 197. Ik werd op de brancard gegespt en de lift in gereden. Niks aan de hand hoor, riep ik lachend tegen een buurvrouw die net de lift uit stapte, het ziet er erger uit dan het is.
Uit: Hart van Marieke Groen

Hij achter dat board met eindeloos veel knoppen en snoeren, aan zijn voeten een rode en een groene sok. Een reis rond de wereld in geluiden van dieren, planten, schimmels en hij creëerde er iets nieuws mee. Een medicijn. Zijn zichtbare plezier in zingen, de ingetogen Britse briljantie. ‘Everything listens’, zei hij. De wereld niet als kakofonie van stemmen die gehoord willen worden, maar een aarde vol oren: in het mos, de bomen, de lucht, de stenen. Zo had ik er nog nooit over nagedacht.
Uit: Woeste hoogten van Notulen bij het ongetemde

Aan Marjon werkt

Dit is de tweede brief uit de vijfde ketting van Flessenpost. Suzanne Brink schreef aan Bo Vanluchene, die nu schrijft aan Marjon Meijer.

Lieve Marjon,

Ik volg je blog. Meestal. Ik ga niet liegen: niet altijd. Dat ligt niet aan jou, maar aan alle blog-update-mails in mijn inbox die smeken om mijn aandacht. Tot mijn brein overkookt, en ik er een hoop delete. Misschien heb ik zo in één klap al eens de allermooiste tekst ter wereld in de digitale vuilnisbak gedumpt. Gewoon om minder ongelezen berichten in mijn mentale wachtrij te hebben. Zou William Shakespeare compleet gek worden in deze tijd? Zou hij op het dashboard checken hoeveel mensen zijn Substack-sonetten echt lezen? In hoeveel seconden gemiddeld? 

Ik lees je graag, Marjon. Ik hou van je pretentieloze stukjes over je leerlingen, je kinderen, nostalgische herinneringen, altijd lekker kort en oprecht. Toch, als we elkaar op straat tegenkwamen, zou ik je niet herkennen. Oppervlakkig kennen we elkaar niet. Wel vanbinnen, via die schrijfsels, in de diepte. Zo diep als je wil snijden.  

Vaak druk ik onderaan jouw update-mails op de ‘Like’-knop. Of zelfs op de ‘Reactie’-knop. Dan vraagt mijn mobiele browser: ik wil alles weten over jouw dromen, wensen, en bankrekening, ga je akkoord? Ik kies altijd ‘Niet-essentiële cookies weigeren’. Meestal vraagt mijn telefoon dan of ik wil inloggen. Weet ik, inmiddels Substacker, mijn oude WordPress-wachtwoord wel nog? Waag ik het met de ‘wachtwoord vergeten’-knop, een mail, een link, essentiële cookies, een hoofdletter aub, een leesteken ook, dit wachtwoord heb je al eens gebruikt, kies iets anders, ga naar buiten, tel je stappen tot je er 10.000 hebt. 

Meestal vermijd ik meteen alle stappen. 0. Jij krijgt geen like, ook al zit er eentje in mijn vingertoppen. Hoeveel connectie lopen mensen op deze manier mis? Langs verouderde platformen, steeds wisselende wereldwijde dagboeken, twee-factor-authorisaties, verloren gsm-nummers, gehackte accounts, verlaten profielen, nieuwe en weer nieuwe en opnieuw nieuwe sociale media? 

En toch. In Shakespeare’s tijd hadden wij elkaar allicht nooit gekend. Hoeveel connectie hebben we op deze manier al gewonnen? Prachtig vind ik dat.  

Tot de volgende update,

Bo

Na de barokoorlog (vangst #287)

In de reeks ‘de bespreking is beter dan de film’: de onvolprezen Philippe Clerick over The Odyssey van Christopher Nolan. Nu heb ik Nolan – vooral dan vanwege The Prestige – hoog zitten en ik vond zijn saga over de avonturen van Odysseus, de koning zonder kompas, zeer onderhoudend, maar tijdens het lezen van de kritiek van Philippe vroeg ik me af of we dezelfde film hadden gezien. Zijn vloeiend geschreven, weldoordacht en goed onderbouwd essay deed me meer dan ooit spijt krijgen dat ik nooit les van hem heb gekregen. 

De Ierse muzikant Glen Hansard stierf op 56-jarige leeftijd in een banaal motorongeluk. Niet dat ik zo vertrouwd was met zijn oeuvre maar de liefdevolle ode die Bene Van Eeghem over hem schreef deed me bijna wroeging krijgen dat ik halverwege het concert van The Swell Season vorig jaar in De Roma ben opgestapt. The Commitments was inderdaad een zalige film en Once een prettige romantische komedie. Dat hij, zoals Bene hem warm schetst, een man met een groot hart was: daar twijfel ik geen seconde aan. 

Als derde blogpost koos ik voor een rake analyse van de zin en onzin van literaire en andere muziekkritieken. Vooral de volgende gedachte van Jan-Paul van Spaendonck vond ik treffend: Als je een boek of een schrijver écht niet lust moet je er niet over schrijven, daarover waren we het eens. Het klopt. Je mag een boek gerust slecht vinden, maar je moet minstens open staan en enige affiniteit voelen met de auteur. Als het enkel is om Komrijgewijs wat halfmislukte en vergezochte grappen ten koste van een boek te maken: wat heb je daar als lezer dan aan?

Hoe meer ik over de film nadenk, door alle commentaren te lezen, hoe beter ik hem vind. Of misschien niet beter, maar slimmer. Nolan is zoals Odysseus een man van honderd listen en duizend vondsten. Maar misschien ligt daar ook zijn zwakste punt. Bij het nadenken valt de film geweldig mee, bij het kijken is hij lichtjes vervelend. Dat vond ik al de eerste keer, en die indruk was nog sterker de tweede keer.

Uit: The Odyssey van Philippe Clerick

Hansard maakte van musiceren een levensmissie in de decennia die volgden. Hij buskte geregeld en ongeëvenaard in de straten van Dublin. Wie ooit naar de Ierse hoofdstad is gereisd, zag hem misschien zelf aan het werk in Grafton Street, rond Saint Stephens Green, of ertussenin. Hij bezong de pijn van het zijn en de liefde voor zijn land zoals alleen Ieren dat kunnen.’

Uit: De bard, de baard, de eeuwigheid van Bene Van Eeghem

Dat zou mijn credo worden. De uitvoerders deden hun best. Als het allemaal niet zo fijn overkwam kon dat net zo goed aan de luisteraar liggen. Mildheid was het die me leidde.
Alleen in het geval van de authentieke uitvoeringspraktijk (toen nog relatief nieuw) schoot die mildheid nogal eens tekort. Want mijn vader was fout geweest in de barokoorlog (zoals bas-bariton Lieuwe Visser ooit grapte over bas-bariton Henk Smit) en die halve musicologen waren in zijn ogen allemaal cerebrale opportunisten die uit gebrek aan talent naar de historisch verantwoorde vedel of kromhoorn grepen. Als ik die stukjes teruglees schaam ik mij diep. Om het goed te maken speel ik nu luit, zo zacht mogelijk.’

Uit: Ich habe die ehr, ihr rezensent zu sein van Jan-Paul van Spaendonck

Aan Tom Wouters

Dit is de eerste brief uit de zevende ketting van Flessenpost. Lennart Vanstaen schrijft aan Tom Wouters.

Beste Tom Wouters en personages,

Met spoed schrijf ik jullie, omdat mij iets is overkomen en niemand me lijkt te geloven. Ik vraag dus om professioneel advies.

Mijn excuses als ik af en toe een typpfout maak, het is lastig typen met een laptop op de schoot – hoewel het dat niet zou mogen zijn, maar misschien wel tijdens een busrit in Denemarken. Niet dat dit land erg heuvelachtig is, maar er zijn toch meer bochten in Denemarken dan ik had verwacht.

Je moet weten dat ik niet van plan was om een bus te nemen in Denemarken. Het begon allemaal met onvoorziene spoorwerken tussen Odense en Malmö en voor ik het wist stond ik aan te schuiven met een hoop andere mensen, vooral Denen en Duitsers, maar ook enkele Amerikanen. Wat één treinrit had moeten zijn, werden twee busritten en drie provisorische treinritten. Nu moet je weten dat ik wel hou van treinen, maar bussen vind ik niet zo… spoorvast. De boomlange medewerker van de lokale busmaatschappij bleef verrassend enthousiast bij deze hele volksverhuizing. Hij liep de rijen mensen af en vertelde kennelijk de ene na de andere grap om de sfeer erin te houden. Helaas verstond ik geen vloeiend Deens, maar het leek me het beste om toch wat mee te lachen.

Even later zat ik in een bus die me deed denken aan de bussen waarmee ik met mijn middelbare schoolkameraden op uitstap ging naar de Samber-Maasvallei. De buschauffeur mompelde iets in de microfoon. Ik kon er nog net uit opmaken dat hij zich excuseerde, maar door het lawaai kon ik er, ondanks mijn kennis van het Zweeds, verder geen touw aan vastknopen.

Zo zat ik dus op een reisbus die me naar een gehucht bracht met een onuitspreekbare naam. De straten waardoor we reden deden me erg denken aan de Boomsesteenweg, maar ik probeerde mezelf ervan te overtuigen dat deze Deense agglomeratie een eigen soort schoonheid in zich droeg. Zo vielen me na een tijdje de vlaggetjes op die overal wapperden in de wind, terwijl er helemaal geen wind stond. Het leek wel of de airco in de bus de vlaggen buiten deed wapperen. Toen had ik al moeten weten dat er iets niet klopte. Opnieuw klonk er iets uit de luidsprekers. Deze keer spitste ik mijn oren; bovendien was er ook minder omgevingslawaai. Maar dit leek zelfs niet meer op Scandinavisch, het leek een verzonnen taal. Het feit dat iedereen op de bus op hetzelfde moment in lachen uitbarstte, gaf me een onbehaaglijk gevoel. Wie waren deze mensen?

We reden voorbij een enorme winkel, een soort IKEA uit Denemarken vermoedde ik. In eenzelfde soort gele letters stond er: DRØMMELAND. Maar er leek geen einde te komen aan het pand. De grijsblauwe loodsen bleven maar voorbijglijden, en samen met de talloze witte onderbroken strepen op de rijbaan werd het steeds moeilijker om mijn ogen open te houden.  

Plots schoot ik wakker. Meteen voelde ik dat mijn T-shirt nat was. Had ik zo liggen zweten? Of was het misschien speeksel en had ik mijn shirt vol gezeverd? Nee, dat kon niet, het was te veel, te nat. Ook mijn broek en schoenen waren nat. Snel zette ik me wat rechter en probeerde met mijn arm mijn kleren droog te wrijven, toen ik zag dat mijn medereizigers ook nat waren. Plots kreeg ik water in mijn nek. Het kwam langs het raam naar beneden, aan de bovenkant sijpelde het naar binnen. Pas toen zag ik wat er aan de hand was. We reden onder water! Ik vond al dat de bus zo luchtig reed. Dat kwam dus door een verandering in druk. Meteen maakte ik mijn gordel los om alarm te slaan, maar tot mijn verstomming zag ik dat iedereen in een diepe slaap verwikkeld was. Wellicht hebben ze het bewustzijn verloren, dacht ik. Wat er ook van zij, ik moest de chauffeur waarschuwen. Ik rende naar voren – waarbij het leek alsof ik me door drijfzand moest bewegen – en riep iets naar de chauffeur in het Zweeds, maar er kwamen slechts wat vocalen en bellen uit mijn mondholte. Hoewel het iets weg had van het Deens, besefte ik dat de man me niet kon verstaan. Om zeker te zijn dat hij bij bewustzijn was, nam ik voorzichtig zijn zonnebril van zijn neus. Het was te denken: ook hij sliep. Hoe ging deze bus dan vooruit? Zijn voet lag niet op het gaspedaal. Net op dat moment reden we langs een groot kasteel. Ja, een kasteel op de bodem van een meer, een zee of waar we ons ook bevonden. Op de gevel, vlak boven de ophaalbrug, stonden de letters H.C.A.

Toen gaf ik het maar op. Hoogstwaarschijnlijk was ik net diegene die sliep en een vreemde droom had. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik een slag van de zon had gekregen.

Ik bewoog me terug naar mijn plek en klikte mezelf vast. Zo meteen zou ik wel wakker worden.

Dat gebeurde ook enige tijd later, en gelukkig was alles weer normaal. Totdat ik de bus verliet en de andere passagiers gadesloeg. Ze lekten allemaal. Eén voor één. Kleddernat van top tot teen. Bij enkelingen zag ik zelfs waterplanten die op hun kleren waren blijven plakken. Omdat niemand er enig bezwaar van maakte, tikte ik een man met geruit hemd en jeansbroek op de schouders en wees vol ongeloof op zijn natte broek, waar hij nonchalant een alg van af pulkte en me verder alleen een idiote glimlach schonk.

Normaal kom ik helemaal tot rust op Camping Marina, maar ik kon me zelfs tijdens het concert van Ulf en Jakob Sigurdsson, mijn favoriete gospelrockduo, op geen enkel moment ontspannen omdat ik de hele tijd aan dat waterkasteel moest denken. Op de terugweg ben ik gelukkig droog gebleven, maar volgens mij ergerde de buschauffeur zich eraan dat ik voortdurend kwam kijken of hij wel wakker was.

Heb jij of heeft een van jouw personages ooit zoiets meegemaakt? Valt hier iets tegen te doen?

Met hoopvolle groet,

Lennart Vanstaen

De derde leeftijd (vangst #286)

Misschien – het zou zo maar kunnen – kent u (of bent u zelf) iemand die we vroeger tot de derde leeftijd zouden rekenen. Dan weet u: eens de zestig voorbij stapelt het ongemak zich op. Net als, en we spreken vanaf heden uit eigen ervaring, de boosheid over de immer uitdijende stompzinnigheid in de wereld.

Of de bloggers van deze week die zestig kaap al hebben gerond, willen we niet eens weten. Maar Jan Devriese is alvast aan de puffer, Kamiel Choi ergert zich dood en Rein Hannik beschermt zich tegen de hitte door middel van herinneringen, vastgelegd op dia’s. (Dia’s!)

ik heb sinds vandaag een puffertje — het volgende hulpmiddel, denk ik met veel dramatisch gevoel voor realiteitszin, is een looprek. Dat eigenlijk strompelrek zou moeten heten. Ik sluit niks uit. Het verval was al jaren geleden ingezet, nu wordt het pijnlijk tastbaar. Het vervolg laat zich raden: moeizaam verdwijn ik aan de einder — die hopelijk niet al te ver is, want dat strompelen is geen zicht, en bovendien nodeloos vermoeiend.

Uit Pijp op De week van Devriese

Ik heb hier al langer over nagedacht. En ik verlang naar de zelf-sabotage die ik hier demonstreer. Door met grote stelligheid te beweren dat het bovenstaande gedicht verschrikkelijk slecht is en mij fysiek onwel maakt, zet ik mezelf buitenspel. Met die ouwe zeur valt niet eens te praten. Zie je wel, hij begrijpt niks van verbinding.

Hier sta ik en ik kan niet anders. De beroemde definitie van kitsch van Milan Kundera in de ondraaglijke lichtheid luidt ongeveer dat men alles wat lelijk en onacceptabel is verbant uit de kunst. De consumptie van kitsch gebeurt in twee tranen van herkenning: eerst ziet de kunstconsument iets moois en lieflijks, vervolgens observeert hij die emotie bij zichzelf en voelt hij zich onderdeel van een gemeenschap die deze emotie ook ervaart. Daarom wordt kitsch gretig gebruikt in totalitaire regimes.

Uit Over schoonheid en woede van Kamiel Choi

Opeens voel ik de derdegraads verbrande huid weer, die als behang van mijn kinderruggetje bladderde en me nachts koorts bezorgde. Nivea kenden we nog niet, huidkanker bestond nog niet. Doodeng was die nacht dat ik door mijn moeder gewekt werd, toen zij met een limonadeglas een schorpioen oppakte die boven mijn hoofdeind op de muur zat te mediteren. En dan de ritjes in de Opel Rekord, door claxonerend Saint-Raphaël, uiteraard zonder airco dus levend geroosterd. Ik zie het noodweer weer voor me, dat gepaard ging met bliksemschichten en elektrostatische knallen boven de Middellandse Zee, zo heftig dat ze volgens mijn moeder erger waren dan die in haar Indië. De natuur regeerde hier.

Uit Because it’s there van Rein Hannik

Aan Dave op Donderdag

Dag Dave,

Jij kent mij niet, ik ken jou niet. Maar wij moeten eens praten. Dat kan eventueel kort, anderzijds kan het wat mij betreft ook lang met drank, drugs, vrouwen en de vuisten op tafel. Het zit namelijk zo Dave, ik schrijf een column op woensdag. Jij schrijft er een op donderdag. Je voelt het al aankomen. Wij zitten vast in het kip-  en ei-probleem. Ik wacht op een omstander die nuchter voorbij wandelt en het antwoord, “de dinosaurus,” prevelt.

Maar in dit verhaal ben ik de biologische voorouder van de vogel, Dave. Woensdag valt namelijk altijd voor een donderdag. Dat is de essentie van de weekindeling die we aan de oude Romeinen te danken hebben. Een onverwoestbaar, tweeduizendjaar oud concept. Het is niet dat ik niet in de toekomst geloof, Dave. Het heeft zijn schoonheid als je het van ver beziet. Maar ik ben een cynische schrijver die vastzit in het heden en vaker nog het verleden. Daar waar twee schrijvers hun column benoemde naar dagen van de week.

Ik vraag me af of dit voer is voor een psycholoog, Dave? Of we een club moeten starten. Ik meen het serieus. Met als einddoel zeven leden. Of houden we het op twee, waarvan we beide weten dat ik altijd het oudste lid zal zijn en jij degene die eventueel een toekomst heeft.

Maar dat allemaal terzijde, Dave. Ik ben mijn column vijf winters geleden gestart. Onder begeleiding van de immer diepsprekende Dirk Van Boxem. Hij coachte twee groepen. Waarvan er een op de middelste dag van de week viel en de andere op jouw geliefde donderdag. Ik zat in de donderdaggroep, Dave. De dag van de week waarop ik toevallig op geboren ben. De titel van mijn column zegt dus in wezen niets anders dan dat ik op die andere dag kotste. Ja, van afgunst, Dave.

Mijn verbroedering met jou is dus meer meta dan dat deze flessenkots ooit kan bevatten. Het is een bekentenis die ik alleen maar aan jou wil overdragen. Omdat veel meer gelijkenissen hebben dan verschillen. Wij die naast de liefde voor korte zinnen, gefascineerd zijn door wat de maatschappij rondom schept en verwerpt, eigenlijk een voorliefde hebben voor die vierde dag van de week. Maar zeg het aan niemand verder, Dave. Verlaat al dan niet beschonken de tafel en kijk nooit meer om. Richt je op jouw eigen veelbelovende weekcolumncarrière, Dave. 

Het gaat je goed,

Sam – Kotsen op Woensdag (alle andere dagen van de week ben ik best oké)

Een beter mens (vangst #285)

Het moet allemaal toch iets betekenen? We doen de dingen toch niet zomaar? Leven onze levens niet zonder spoor na te laten? Er moeten toch verhalen zijn die we kunnen vertellen?

Ja, gezeten in een strandstoel, liefst bij een water en met een drankje in de hand, komen de essentiële vragen snel naar boven. Zeker bij onze bloggers.

Ingrid Van der Graaf fileert een film en een tekst, Iris Salembier verkoopt speelkaarten en een paternoster, en Jan-Willem Lubbers heeft vrede met onze subcultuur van lezers …

Nu denk ik algauw de dingen een diepere betekenis toe.

Uit Waarachtigheid op Werk in Uitvoering

Dat hij nu op pensioen is en terug hier woont, in Agen, de stad waar hij was opgegroeid. Hier heeft hij zijn jeugd beleefd. Hier ging hij dansen op zondag, in een dansgelegenheid. Geen dancing zoals we die nu kennen, zegt hij, het was een gewone zaal en in het midden stond er een kacheltje. Een bulderende rokerslach pruttelt uit zijn lijf, een simpel kacheltje, kan je je dat voorstellen? Hij ademt nog wat onregelmatig na van het lachen en steekt me dan een twee-eurostuk toe.

Uit Merci à vous op Vleermuys

Ging het beter met de wereld toen geletterdheid minder uniek was? Zal de wereld wezenlijk veranderen als mensen minder lezen? Lezen heeft ongetwijfeld positieve effecten, maar of een lezer van boeken, kranten en tijdschriften een beter, ethisch mens wordt is nog maar de vraag.

Uit 2130 Kielzog (12) van Jan-Willem Lubbers

Aan Sam Sterckx

Dit is de eerste brief uit de zesde ketting van Flessenpost. Kimme Tigra schrijft aan Sam Sterckx van Kotsen op woensdag.

Hallo Sam,

Ik sta er altijd eens bij stil als er een nieuwe blogpost van jou op mijn Instagramfeed verschijnt: heb ik al eens gekotst op een woensdag?
Wellicht wel. Maar doorheen mijn leven vindt het kotsen doorgaans plaats op een zaterdag of zondag, omdat het veelal door de avond ervoor gebruikte roesmiddelen wordt veroorzaakt. Het kan niet anders dan dat ik al eens gekotst heb op een woensdag. Misschien als de dag ervoor een feest- of vakantiedag was? Ik heb ooit eens gekotst in mijn hand, ook eens op mijn knie. En ooit sliep ik een klein roesje uit met mijn hoofd in een kom marinade. Mijn haar was zo mals daarna! Het rook wel nog tot twee dagen erna sterk naar thijm en rozemarijn.

Natuurlijk heb ik ook wel al eens gekotst omdat ik ziek was. Écht ziek. Niet mijn lijf dat toxisch tot zich genomen stoffen op wat voor manier dan ook probeert uit te drijven. Ik sliep als kind op een hoogslaper. Zo’n bed waar je met een laddertje naartoe moet, met een bureau en een kast eronder. Heel stoer vond ik dat, zo slapen in de hoogte. Ik werd op een avond onwel, waarschijnlijk een virusje, en slingerde mijn hoofd over mijn bed en kotste een straal naar beneden. Het pletste op een stripboek van Suske en Wiske dat ik geleend had van mijn neef. Hij wou het niet terug.

Het is nu al een tijdje geleden dat ik nog eens gekotst heb. De laatste keer was vorige zomer, toen ik uitgenodigd was door de Poetsclub in Rotterdam. Toevallig had het weer met decadentie te maken. We gingen uiteten in veganistisch restaurant. Omdat ik het als vegan totaal niet gewend ben dat ik àlles van de (uitgebreide) kaart kan eten, besloot ik het merendeel van de gerechten te bestellen en er zoveel mogelijk van tot mij te nemen. Enkele uren later keerde mijn maag zich binnenstebuiten in onze AirB&B. Ik moest denken mijn vroeger klasgenootje dat aan boulimie leed.

Het laatste kotsverhaal dat ik je wil vertellen is mogelijks op een woensdag gebeurd. Het was Paasvakantie en dan wordt Kortrijk bezet door de Paasfoor. We wuiven de beschaving dan tijdelijk vaarwel. Ik was vijftien en mijn vrienden wilden dat ik mee ging op de Deca Dance. Ik had altijd geweigerd want ik werd al misselijk op een Lijnbus. Toch liet ik mij overhalen en klom in zo’n gondel om mijn maagsap te laten centrifugeren.  Toen de rit (eindelijk) tot stilstand kwam wankelde ik van het platform. De Deca Dance bevond zich tegenover een café dat Diva’s club heette en een homobar was. Een alerte Drag Queen spotte mijn doodsstrijd en hielp me naar een terrasstoel. Ze was zo lief voor mij, bood me een glaasje water aan en vroeg of ik oké was. Ik kotste bij wijze van antwoord over mijn schoenen.

Maar genoeg over dat gekots van mij. Jij bedoelt met kotsen natuurlijk purgeren. Het purgeren van je ziel, je creativiteit, het zuiveren van je hersens door alles eruit te schrijven! En dat allemaal op een doodgewone, doordeweekse woensdag.


Kimme Tigra

Stuur je dagboekfragment naar deBuren!

Hey lieve bloggers

Superleuk nieuws! Aanlegplaats werkt samen met deBuren en Curieus vzw aan een avond over het egodocument. Op 13 oktober wordt de rol van dit genre in de literatuur verkend via gesprekken met Joris van CasterenJoke van Leeuwen en Roan Kasanmonadi onder leiding van columnist Yelena Schmitz.

En we zoeken nog volk om voor te dragen uit eigen werk!

Wil jij die avond aan een lief publiek een inkijk geven in je innerlijke wereld? Stuur dan een dagboekfragment van maximaal één kantje (of ongeveer 2 minuten in voordracht) in. Je mag een tekst kiezen van lang geleden of vorige week, gevoelig of grappig, weloverdacht of recht uit het hart; let er alleen op dat jij en je omgeving zich comfortabel voelen met het delen.

Om je wat richting te geven stellen we twee thema’s des levens voorop: verlangen en kwetsbaarheid. Je mag voor elke categorie maximaal één fragment indienen, dus twee in totaal. Een jury van deBuren, Curieus en Aanlegplaats selecteert maximaal 6 teksten. De auteurs van deze teksten zouden we graag toevoegen aan onze line-up. Je hebt de keuze om je tekst alleen op het podium te brengen of om je tekst daarnaast te laten publiceren op de websites van deBuren en Aanlegplaats.

De deadline om maximaal twee dagboekfragmenten in te dienen is 29 september; je krijgt ten laatste op 6 oktober te horen of jij je tekst zal brengen op ons podium.

>>> Stuur je dagboekfragment(en) naar aline@deburen.eu

Hier vind je de oproep nog eens op de site van deBuren. We rekenen op jullie massale deelname!

Groetjes

Dirk, Katrien, Jo en Marjon

Roken, filosoferen, mobiliseren (vangst #284)

Een korte vangst deze week, want we hebben wel wat beters te doen.

Beginnen doen we in de sauna, waar Mark Nankman filosofeert over collega’s tegenkomen. Collega’s! Daar weet Anton Voloshin ook alles van. Hij schreef onder de titel Antipauzes een serie microverhalen over lunch- en rookpauzes – aangrijpend en hilarisch. Er zijn er met seks, maar wij kozen hier uiteraard voor de filosofie. En tenslotte gingen we shoppen bij Merel de Vilder Robier, die in een koffiebar haar eigen werk herleest en er vertrouwen in krijgt. Allé hop dan maar!

We zijn allemaal naakt geboren. Collega’s ongetwijfeld ook, maar met hen moet ik nog sparren, vergaderen en projecten doen.

Uit: Bloot te wezen op Verwoede noten

Hun rookpauzes nemen de twee Lena’s altijd samen. De ene heet Lena De Boer en is 23 en de andere heet Lena Taverniers en is 46. Op klokslag 10:30 gaan ze naar buiten. Lena De Boer werkt op de verkoopafdeling, Lena Taverniers werkt op legal. De Boer rookt Pall Mall, Taverniers Belga. Op die tien minuutjes hebben ze het steeds over filosofische onderwerpen.

(…)

De Boer: “Is een collectieve verkeerde herinnering even waar als een collectieve vergeten herinnering?”

Taverniers: “Wie was de grootste basic bitch onder de filosofen en waarom was het Rawls?”

A²+B² = X² uit Antipauzes op Onklare taal

Ik heb truken om mezelf te mobiliseren. Ik las daar in de drukte tussen mensen & baby’s & lunchgasten & keukenpret en ik was blij.

’t Is hevig, mijn werk, heftig, wild & anarchistisch.

’t Is ik, ’t is van ik.

Ik ontpop.

’t Is schoon.

’t Verdient Publicum, in groten getale.

Uit: Notitie van 3 juli 2026 op Merel de Vilder Robier