Onverwachte vangsten (vangst #267)

Een vangst over onverwachte vangsten. Past voortreffelijk in het begin van de lente met haar buien en grillen en plots een uur vooruit en stralen vitamine D door kieren waarvan je niet meer wist dat ze bestonden en vrienden uit hun winterslaap nog bleek maar blozend op terrasjes. De jingle van de ijsjeskar vlak voor het eten. Een hagelbui en een aprilvis.

Aron Groot graaft woorden uit vroegere lagen met andere talen die aan onze woorden bleven kleven en ontdekte iets leuks over het woord ‘zoet’.

Iris Salembier getuigt over de rouw als de winter maar dan plots ziet ze herinneringen als confetti, ze schrijft het mooier nog. Het klinkt als een fijn feest van bloesems. Scrolt u eventjes naar benee.

Gerbrand Bakker heeft plots een tuiniersblog die doet denken aan de blogs van dichteres Anne Broeksma en aan de geschriften van Vita Sackville-West. Zijn schrijvershanden tasten in de aarde. Bloembolverrassingen, gekke vormen, felle kleuren onverwacht.

Om erachter te komen of ons woord zoet nog verder teruggaat dan het Proto-Germaans, moeten we op zoek naar een verwant in een niet-Germaanse, maar wél Indo-Europese taal. Ik denk dan al snel aan het Oudgrieks.

En aan de eigenschappen van het Oudgrieks. Zo weet ik dat de Oude Grieken een hekel hadden aan zowel de s als de w, met name voorafgaand een klinker. Met deze kennis in het achterhoofd is het Griekse ἡδύς (hēdus, ‘zoet’) goed te vereenzelvigen met het Proto-Germaanse *swōtu-. De Proto-Indo-Europese oervorm was *sweh₂du-.

De oorspronkelijke s is in het Grieks in een h veranderd, en de w is volledig verdwenen. Aan (ἡδύς, hēdus) ontlenen wij ons hedonisme, de ideologie van het zoete.

uit: Hedonisme is zoetisme op Gevleugelde woorden

Het zit in kleine dingen. Het kruipt overal tussen en achter. Het blijft onverwachts en ongevraagd opdoemen. Net als confetti die je tot maanden na carnaval nog terugvindt. In spleten, kieren en holtes van je leven. Zo vind ik overal snippers herinneringen aan mijn moeder. 

uit Stilte van Vleermuys

Ook spitte ik zo’n beetje op de tast in mijn vaders heemtuin rond. Op de tast, omdat vrijwel alles wat daar stond allang uitgebloeid was, het was in juli dat ik het deed. Eveneens op de tast, mede omdat ik niet goed kon uitmaken welke bol bij welk bolgewas hoorde, stopte ik hier in de Eifel van alles, en overal, in de grond. Dus ineens staan op onverwachte plekken narcissen, heel mooie: donkergeel met een knaloranje hart, elders komt iets op waarvan ik vermoed dat het boshyacinten zijn. 

uit: Bollen van Gerbrand Bakker

Zo dus (vangst #266)

foto (r) Josenildo Bezerra da Silva

Waar halen die bloggers toch altijd weer de inspiratie vandaan?

Het is een vraag die menig lezer in de ban houdt. Gevolgd door: hoe komen ze er toch bij?!

Daar geven we bij Aanlegplaats vandaag graag een geïllustreerd antwoord op. Koen Vandenborre (die op Substack vervelde tot The Rusty Rhino) vindt het in een schilderij van Biedermeier kunstenaar Carl Spitzweg. Els van Gebeurtelijke Ongevallen volgt haar hond tot bij een treffend drie generaties evenement op straat. En Sjors vindt het in de middagzon die hem uit een dutje haalt. Of toch niet, wie zal het zeggen.

Wat Stijn toen nog niet kon bevroeden was dat al die ongepubliceerde manuscripten hem tijdens de ijskoude wintermaanden warm zouden houden nu de houtprijs stilaan onbetaalbaar werd.

Uit: Der Kaktusliebhaber op The Rusty Rhino

De veertiger was een bijzonder fraai exemplaar. Hij stond er, op zijn plastic slippers, in wijde, korte pyjamabroek en hoodie – de kap ver over zijn hoofd getrokken – en met zonnebril op, te kijken naar de man bij de grond. Die haalde er flux een wiel af en sprong, kruissleutel nog in de hand, recht om het goede wiel te nemen.

Uit: De autoband op Gebeurtelijke Ongevallen

Het besef dat ik met een waanzinnige te maken had drong snel tot mij door, waardoor mijn instinct het zonder te hoeven beargumenteren binnen enkele seconden overnam van mijn verstand. Heel voorzichtig trok ik het slappe lichaam van de jongedame onder de auto vandaan en plaatste het rechtop in de bijrijdersstoel.

Uit: Gaat u wassen in de vijver op Hier herkent het kerkhof mijn naam

De vergeetput van de vooruitgang (vangst #265)

Op de dag van zijn zeventigste verjaardag waagt zanger en schrijver Jean-Paul van Spaendonck zich op zijn blog Voorheen Rookzanger voor het eerst sinds lang nog eens aan een introspectief stuk. Hij heeft het over charisma, over zijn licht bipolaire stoornis en over een Uruguayaanse televisieploeg die toevallig langskwam op de dag dat hij in Syracuse, Sicilië naar de kapper ging waar hij, samen met de Uruguayaanse barbier, luidkeels Figaro begon te zingen. De huiskamers in Montevideo zijn nog steeds niet bekomen van hun recital.

Wat hou ik van de weemoedige pen van Jan Devriese. Zijn blog De week van Devriese is een feest voor de liefhebbers van droevige stukjes die ondanks hun onderhuidse tristesse doen glimlachen. In het verhaal Vooruitgang bewijst Devriese andermaal dat van alle Club Brugge-supporters hij wellicht de meest aangewezen man is om op zoek te gaan naar de verloren tijd van Marcel Proust en Lotte Lambert.

Het is een waar genoegen om in Een poging tot dagboek van Isaura Fluit te grasduinen. Haar culturele tips en kritieken zijn telkens goed onderbouwd en elegant geschreven. Zo genoot ik van haar bespreking van de documentaire over Nan Goldins strijd tegen de perfide Sacklerfamilie die zich proberen te profileren als weldoeners in de kunstwereld. Goldin doorzag het bladgoud en trachtte het af te krabben. En ik ben het met Isaura Fluit eens: All the beauty and the bloodshed is een wonderlijk mooie titel.

‘Normaal is er na zo’n uitbundige bui een diepe schaamte over de eigen aanstellerij. Maar tijdens dat verblijf op Sicilië bleef die achterwege. Ik vermoed nu dat ik uit zelfbehoud in die manische stand bleef volharden, omdat ik wist dat, als ik eenmaal tot bezinning kwam, de put te diep zou zijn – veiliger was het voorlopig maar even uit te razen, met mijn vastgeklonken buongiorno-masker op.’

Uit: Buongiorno van Jean-Paul van Spaendonck

Dat hij niet meer naar de bank kon met een overschrijving en daar met de bediende een kort praatje slaan omdat bank en bediende verdwenen zijn. Dat maakte wijlen vader treurig en boos. Één op de twintig mensen in dit land is ouder dan tachtig. De vooruitgang vergeet dat weleens.’

Uit: Vooruitgang van Jan Devriese

In de verhaallijn krijgen we ook het levensverhaal van Goldin mee. Een typisch product van de New-Yorkse art-scene van de jaren ’80. Haar foto’s documenteren de morsige levens van een gay en queer gemeenschap aan de rand van de maatschappij. Die vertoont ze in slideshows die even smoezelig zijn als hun levens zelf. Als het gaat over de ravage die AIDS in die tijd aanricht zien we ook beelden van een heerlijk woedende David Wojnarowicz, waarover ik een hele tijd terug ook al schreef – ‘Close to the Knives.’

Uit: All the Beauty and the Bloodshed van Isaura Fluit

Gewoon doen, lieve schat (vangst #264)

Hier mag het: schelden op de geschiedenis, debacles uit je persoonlijke geschiedenis reconstrueren en met weemoed terugdenken aan die geschiedenis (ook al is het nu beter). Drie vrouwen schrijven eigenzinnig over vrouwendingen. Merel de Vilder Robier leest ‘een tranentrekkend, doch ondraaglijk semplistisch boek uit het Davidsfonds’, Els Claessens heeft last van de menopauze op een manier waar All Fours een puntje aan kan zuigen en Oud Zeikwijf (nieuw in de haven, maar weergaloos bloggend sinds 1998) mijmert over conversaties met ouwe Provo’s op een boot in Amsterdam.

Ik heb de door mijn tante vanaf blz 144 onaangeroerde pagina’s met een gekarteld mes, een briefopener bezit ik al lang niet meer, voorzichtig opengesneden. Als de zelf-kweller die ik bijwijlen, geregeld, (altijd ?) ben, heb ik de volle 247 bladzijden die het draakje telt aandachtig tot mij genomen. Een saai, bijwijlen irritant tijdsdocument: een hypocriete, paternalistische eloge ter ere van het zelf verloochenende Moederken. Eén lange publi-reportage voor een dienstbaar, klein en vroom bestaan: wat u toekomt krijgt ge nog wel. Na de dood.

NA DE DOOD!!!

Uit: Pensée du jour 28 op Merel de Vilder Robier

Helemaal tot stilstand gekomen moest ik wachten tot ik langzaam opzij zou beginnen vallen. Dat gebeurde in slow motion tot ik met het puntje van mijn linkervoet de grond raakte. Ik haalde opgelucht adem, maar zat dan nog wel steeds vastgesnoerd op het zadel van de fiets. Als een vlinder heb ik me uit de lange cocon kunnen wriemelen: eerst de schouders, dan de kop en daarna de armen. Om vervolgens, bij een temperatuur zo rond het vriespunt, in mijn zomerse rode jurk, het debacle te maskeren. Met de grootst mogelijke nonchalance probeerde ik de vest en jas (nog steeds verstrikt in het achterwiel) in mijn fietstassen te proppen, in de hoop dat niemand zou merken wat er gebeurd was.

Uit: Zonder getuigen op Gebeur-te-lijke ongevallen

Een klein probleempje: ik vond mezelf dom. Want waarom bedacht ík niet zulke fantastische dingen? Inmiddels hebben wij geleerd dat dat een vrouwending is, maar destijds was het nog volop het Mannentijdperk, en de zeldzame vrouwen die wel openlijk het woord voerden hadden dat euvel nog niet rondgebazuind. Ze keken wel uit. Dus leed ik daar enorm eenzaam onder. Durfde jaren amper wat te zeggen. Liet de verkeerden over mij heen lopen. Dat soort dingen, waarvoor mijn huidige zelf aan mijn jongere zou willen toefluisteren: “Doe nou niet, lieve schat”.

Dat is wel het fijne van ouder worden. Je laat je niet meer zo makkelijk imponeren. Vanavond vind ik dat ergens jammer. Het heeft iets wonderlijks om jezelf te laten meeslepen door een verhaal, door een mens.

Uit: Op de witte Raaf op Oud Zeikwijf

Oud Zeikwijf

Oud Zeikwijf is een Française die via een grootse en meeslepende omweg in Amsterdam beland is. Soms blogt ze over haar levenspad, vaker met scherpe spot over dingen in de maatschappij die haar wel of niet aanstaan. Organiseerde ooit het Blogbal als tegenhanger (en op 200m afstand) van het Boekenbal. Voor, jawel, bloggers.

De media zouden het Blogbal doodzwijgen. De persberichten moesten linea recta de prullenbak in. Dat ging wat moeilijker: al gauw dreigde het Blogbal het enige leuke te worden die avond op het Leidseplein. Vooral voor AT5 was het een dobber: Oud Zeikwijf hoorde immers bij hun team en ze hadden beloofd te komen filmen. Maar ook zij zwichtten. AT5 verkeert voortdurend in geldnood, dat is algemeen bekend. Oud Zeikwijfs redacteur mocht er wel zijn, maar op persoonlijke titel. Geen officiële delegatie. Die dag werd er op AT5.nl melding gemaakt van een poedel die in de Lekstraat een halfuurtje zoek was, van een vrijwilliger die zich bijzonder uitgesloofd had en van een burenruzie in Betondorp. Geen woord over het Blogbal.

De vangst van René van Densen (#263)

Ik ben niet echt meer een blogstruiner. Veel schrijvers die ik nog volg, ook degenen in boekvorm op de leesstapel in mijn toilet, ken ik ook zo wat als Realiteitsmens, als wezen dat zich buiten het huis in de werkelijkheid manifesteert en waar je, al dan niet met een pint erbij, een gesprek kunt voeren. Daar zitten zélfs enkele prettige mensen bij. En onder de prettige mensen zitten zelfs schrijvers wiens woorden ik af en toe eens kan verdragen. Of een schrijver van niet onprettige woorden ook per se een fijn mens moet zijn, daar is uiteraard geen noodzakelijk verband tussen. Sommige van de grootste klootzakken kunnen best aardig schrijven. Oei, ik ben kwijt wat voor interessants ik dacht te willen zeggen over schrijvers in het echt. Ach, meningen zijn voor mensen die zin en puf hebben ze te verdedigen.

Kimme Tigra bestaat bijvoorbeeld als wezen in de werkelijkheid, ik kan daarvan getuigen.

Gisteren zag ik een man in sorbetkleurige broek kotsen op de plaats waar we nu staan. De buurman vraagt of ik de matras van de pas overleden man van de overbuurvrouw wil hebben. Ze zit nog in het plastiek.

Uit Horror op Kimme Tigra’s instagram.

Zijn er zelfs nog blogs of zit inmiddels iedereen op Substack? Of is het internet al volgegenereerd door de AI-systemen? Ik heb schrik van een toekomst waar het internet enkel nog vragen beantwoordt en al het andere dat je in een loze nieuwsgierige zwalk kon aantreffen, verdwenen is. Dat er geen schrijvers meer op blogs publiceren, want niet-informatieve content heeft dan geen waarde meer. Ik krijg trouwens ook jeuk van het woord content, kunnen we afspreken dat nooit meer te gebruiken ? Content maakt mij niet content en is een heel inhoudsloos containerbegrip. Er wordt weinig meer nagedacht over betekenis én mogelijkheid van woorden, artificiële infokots van tropenwoudvretende assistentsystemen verdringt wat ik zo fijn vond aan ons wereldwijde webbetje. Er is weinig connectie meer, en de charme van virtuele bibliotheekkasten is er ook af.

Maar Marc Tiefenthal, die denkt nog over zijn woorden na, en steekt ze overal in de wereldwijde bibliotheek weg – op zijn eigen weblog, op allerlei sociale media, op het door mijzelf gestarte KutBinnenlanders.nl, en, godbetert, inmiddels zélfs op Substack.

Clooney hecht veel belang aan zijn uiterlijk, zijn verschijning. Altijd piekfijn gekleed, allicht in maatpakken, en netjes geschoren.

Rien n’est ce qui se ressemble mais cela ne ressemble à rien. Nous en avons un de ces airs.

Kijk, deze zin drong er bij hem dan ook meteen diep in. ’s Anderendaags kon hij al de helft ervan reciteren.

Uit Nieuwe uitdagingen (3) op KutBinnenlanders.nl

Ik voelde me vanaf de eerste kennismaking thuis op het internet, in tekstgebaseerde chatrooms van weleer en tussen de HTML-coderegels van de eerste webpagina’s. Maar de dagen van die anarchistische zandbak liggen ver achter ons en inmiddels beheerst de technologie eerder ons dan andersom. AI maakt jobs overbodig en er is zelfs een marktplaats waar AI-systemen mensen in kunnen huren voor de paar fysieke taakjes die ze zelf niet kunnen. De afgeschafte werkkrachten richten zich ondertussen steeds meer op de offline ambachten.

Anton Voloshin, net zo’n  Xennial early adapter edoch technoscepticus als ik, ken ik als kameraad en van regelmatig samenwerken aan Droef, het inmiddels ter ziele (cultuur)podium voor Pessimisme. Volo is een gulle auteur die veel aandacht aan anderen schenkt en vaak anderen het voetlicht gunt. Ik kan erg genieten van zijn proza, zeker wanneer zijn humor en menselijkheid er vanaf druipt. Dus is het eens zijn beurt in de spotlight. Ook al vinden we hem daar net in een technologisch getriggerd paniekmoment.

Enkele jaren terug verloor ik m’n telefoon in een taxi. Toen ik hem terug kwam halen bij de politie, zei de baliemedewerkster vrolijk “we hebben u nochtans proberen bellen meneer, maar u nam niet op”, waarop ik een paar keer met de ogen knipperde en vroeg: “op… de telefoon die ik hier kom halen?”. Maar nu is hij niet kwijt, maar dood.

uit: Donderen in Keulen op Onklare Taal

René van Densen, het interview

René van Densen (1978) is schrijver, dichter én (hoera!) blogger. In zijn Nederlandse periode was hij nachtburgemeester van Tilburg. In zijn Belgische periode was hij een van de bezielers van Onafhankelijk (Cultuur)Podium voor Pessimisme Droef. Op zijn website verklaart hij zichzelf mafkees. En misschien is hij dat nog wel het meest: zelfverklaard.

René van Densen is zo zelfverklaard dat hij een gevelgedicht op zijn eigen huis heeft. Hij is zo zelfverklaard dat hij VDAB-medewerkers aan werk helpt. Zo zelfverklaard dat hij al weet hoe zijn afgerond oeuvre eruit gaat zien.

“Zes stripboeken, zes verhalenbundels en zes poëziebundels, waarbij alles bij elkaar wordt gehouden door een roman. Nog een bundel kortverhalen, een poëziebundel en een halve roman te gaan. Misschien tweederde, afhankelijk van de totale lengte. En als iemand iets voor een bloemlezing wil gebruiken, ga ik natuurlijk niet moeilijk doen.”

Ik moet denken aan een mopje van Herman Finkers over een waarzegger. ‘Gebeurt er u nu nooit iets onverwachts?’ ‘Jawel hoor, morgenavond nog.’

Maar misschien moet ik volgens verwachting beginnen, met de eerste vraag.

Waarom ben je ooit een blog begonnen?

Ik ben begonnen met platformen waarop ik mensen wilde samenbrengen. Mijn eerste website was Probeersel.com, een online community voor striptekenaars. Daarmee ben ik begonnen net voor 2000; ik herinner me nog dat ik door het nieuwjaarsvuurwerk ben gefietst om me ervan te verzekeren dat de milleniumbug geen schade had aangericht. Ik deed dat vanuit een idealistische blik op het internet: mensen over de hele wereld konden ineens met elkaar connecteren en dat zonder gate keeping; iedereen kon dingen plaatsen.

In 2008 heb ik dan Kutbinnenlanders.nl opgezet, waar ik mensen zonder veel ambitie – tekenaars, schrijvers, moppentappers – aanspoor om dingen te delen. Alles kan, zolang er maar geen Holocaust wordt ontkend ofzo. Uiteindelijk zijn het vooral mensen uit mijn eigen kring, waardoor het eerder een links, absurdistisch gezelschap is. Generatie X-ers uit Brabant, die verwachten niet veel meer van de maatschappij.

Hoewel ik me hierin aan het mixen was, wilde ik mezelf tegelijkertijd ook etaleren. Daarom heb ik ook een eigen website gemaakt, waarop ik parallel publiceer. Af en toe probeer ik wel andere dingen voor de verschillende websites te schrijven, maar dat is veel gedoe.

Op sociale media doe je het wel.

Ja, daar maak ik van de mogelijkheden gebruik om meer beeld en video te gebruiken. Maar dan verandert Instagram zijn frame en versnippert alles… Sociale media grijpen in wanneer ze willen, je hebt daar geen controle over. Nadeel van mijn eigen site is dat het soms eenzaam is. Reacties zijn meer iets voor sociale media.

Heb je altijd met beeld gewerkt?

Ja, ik ben begonnen als webtekenaar, maar was eigenlijk altijd al meer met het scenario bezig dan met de tekeningen. Qua tekenvaardigheid zat ik op een gegeven moment ook aan mijn plafond, ik zag hoe goed anderen waren in vergelijking met mezelf.

En als schrijver ervaar je dat probleem niet?

Nee. Ik vind mezelf een redelijke schrijver. Ik ken betere schrijvers en slechtere schrijvers.

Hoe is je schrijven in de loop der tijd geëvolueerd?

Toevallig heb ik mijn archief afgelopen jaar grondig doorlopen om overal audiotracks aan toe te voegen en ontbrekende teksten die ik enkel in mijn boeken had gezet, toe te voegen. Zeker in de verhalen valt wel op dat ik pakweg tien jaar geleden iets satirischer, bozer ook misschien schreef. Alles was meer kortaf en in het belachelijke vergroot. Bij het vervolg is meer empathie in de teksten geslopen. Niet gek, ook in het dagelijks leven ben ik maar een tooghanger die ergens onderaan de maatschappelijke ladder nestelt. Nu vind ik het vooral belachelijk wat de maatschappij allemaal van je vereist. Er is niet zoveel verzet meer, eerder een koddige gelatenheid. De wereld is niet minder belachelijk geworden maar ik knuffel het wat meer in plaats van dat schoppen.

Kort nadat we begonnen met Aanlegplaats leek je blog stilgevallen. Ik herinner me de vreugdeberichten in onze redactie: ‘René van Densen is terug!’

Ja, dat waren de jaren van Droef. Dat slokte al mijn vrije tijd op: vergaderen, posters plakken, video’s monteren, … Toen dat afgesloten was kwamen er direct twee boeken uit.

Wat maakt een blog voor jou echt goed?

Absurdisme trekt me aan, dat maakt het leven leefbaar. Ik heb net een gesprek gehad bij de VDAB. Ik ben nog maar juist mijn baan kwijt en niet van plan werkloos te blijven, maar die mevrouw moet iets met mij doen omdat dat politiek van haar gevraagd wordt. Ze moet een vakje kunnen aanvinken zodat mijn dossier doorgegeven kan worden. Ik houd zeven mensen aan het werk door werkloos te zijn. Dat is toch fantastisch?

Ik ben niet zo van de sterke meningen. Ik houd meer van het beschouwende, het relativerende. Van ademruimte, ook. Ik herinner me die keer dat Adriaan van Dis Matthijs van Nieuwkerk verving bij De Wereld Draait Door. Die man schonk in alle rust een glas wijn uit: heerlijk! Je moet kunnen ademen in je hoofd, je moet je blik kunnen verruimen en ik vind het fijn als je inzicht krijgt in de ziel van de schrijver. Dat hoeft niet het volledig arsenaal te zijn, maar iets van de persoon zien is leuk.

Denk jij niet dat het klopt, dat alle bloggers eigenlijk columnisten zouden willen zijn?

Voor mij alvast niet. Ik ben in het kader van gedichtenweek begonnen elke dag een versje te posten. En dat begint nu al een beetje als productie te voelen. Een column, dat vergeten mensen vaak, is ook productie. Terwijl een echt goed stuk je overvalt. De striptekenaar Charles Schultz zei het al: ideeën zijn als katten. Als je wilt dat ze komen, negeren ze je en als je iets anders aan het doen bent komen ze om je benen draaien.

Een idee komt op de fiets, onder de douche – ik heb zelfs een keer een date onderbroken omdat ik een idee had. Ik ben een stukje papier gaan halen aan de bar. Of het komt zoals bij Charles Bukowski juist op elk moment van de dag, ongeacht hoe hard je moet werken of hoeveel kinderen je hebt, gewoon omdat het uit je vingers bloedt. Hoe dan ook moet je de regelmaat loslaten en schrijven als je iets te melden hebt.

Maar waarom doe jij dan nu die versjes?

Omdat ik wilde kijken hoever ik kwam. Ik houd van experimenten. Als ik iets in mijn hoofd heb, dan moet ik dat doen. Zo ben ik destijds ook aan mijn supermarktgedichten begonnen. Ik keek tussen die advertenties in de supermarket en zag verhalen, genre the saddest short story ‘for sale: baby shoes, never worn’. Toen vroeg ik mezelf af: waarom hangen hier geen gedichten bij? Daar ben ik toen mee begonnen.

Vorig jaar heb ik een project afgerond waarbij ik gedichten heb gemaakt bij een deck speelkaarten dat ik verspreid over drie continenten op de grond had gevonden. Gewoon omdat ik hier op straat eens een kaart had zien liggen. Zo wil ik de verwondering in de wereld brengen. We zijn hier maar voor korte tijd. Als je dan alleen let op kwartaalcijfers, ben je toch dood aan het gaan? We nekken onszelf met allerhande constructies, maar eigenlijk zijn we best een leuke diersoort.

Nu ben ik bezig met badeendjes. Wil je ze zien?

Is er iemand – dood of levend – van wie je graag een blog zou willen lezen?

Nee. Ik vind het wel goed zo.

Kom op.

Als Bukowski een blog zou hebben, zou ik daarvan smullen. Maar zou hij dat hebben willen doen? Hij was een schrijver die heel hard aan papier hing. Hij koos de blaadjes waar hij in publiceerde ook zorgvuldig uit. Tegelijkertijd had hij natuurlijk een enorme uitingsdrang.

Zou hij het commercieel hebben aangedurfd?

Dat denk ik wel; hij móest echt. Dat mis ik een beetje in het literaire landschap: mensen die gedreven over kunst bezig zijn. Als ik afspreek met schrijvers is de toon vaak heel zuur en gaat het enkel over wie wat naar welke literair agent heeft gestuurd en wie er allemaal niet of te laat heeft gereageerd. Zo moesten werklozen eens over hun interimkantoor spreken! Het gaat bijna nooit meer over een mooie passage, over passie voor het schrijven.

Zijn er anderen met wie je dat wel kunt delen?

Zal ik ze categoriseren? Kijk, je hebt ambiërende schrijvers, die zijn vaak nog leuk. Ze experimenteren, zijn gepassioneerd. Tot het moment dat ze manuscripten beginnen uitsturen, dan gaat er iets verloren. Vervolgens heb je de organisatoren. Hoewel ik er zelf eigenlijk helemaal niet van houd om op een podium te staan, ben ik heel blij dat ik ooit in die scène beland ben. Daar zitten heel leuke mensen. Gert Vanlerberghe bijvoorbeeld, van Ballonnenvrees. Hij heeft ook een blog trouwens. Met hem heb ik een soort van friendly rivalry omdat hij eerder wel van de felle standpunten is. En tenslotte heb je de echt dwarse, onhebbelijke mensen die moeilijk in de omgang zijn. De ruziezoekers, type Quinten De Coene. Zij zijn ook leuk.

Er ligt hier al de hele tijd een boek.

Ja, dit is mijn favoriet. Ranonkel van Jacques Hamelink, ik las het als kind. Het gaat over een klein mannetje dat een ranonkel kweekt op de zolder van zijn huis, ver weg van zijn kenau van een vrouw die planten haat. Als zij dood is, begint de plant te woekeren en neem hij het hele huis over én het huis van de buren en vervolgens de hele stad, totdat iedereen in bomen woont en terugkeert naar de natuur. Vervolgens komen er vogels, die beginnen te kakken, waaruit torens ontstaan die weer een stad vormen. Het is een rise and fall van een gemeenschap. De schrijver maakt nergens een overdreven punt; het neigt naar een mening maar het wordt hem telkens net niet. Zalig.   

Tijd voor de foto’s. Foto’s waar René – zo lees ik dezelfde dag nog op zijn blog – niet veel om geeft. Dat is ook wel eens fijn.

Buiten werp ik een laatste blik op het gevelgedicht, het is van Van Densens overleden vriend Jackjohannes Hemp, die ook hier in de Brugse Poort woonde. Met mijn hoofd in de nek stap ik achteruit. Het gedicht gaat over de maan, de regen, de zon en de wind. Ze zijn er allemaal vandaag. Soms neigt er een door te breken, maar het wordt hem telkens net niet. Ik trek mijn kraag op en draai me om. Op de hoek van de straat wacht een kat. Als ik passeer, komt ze op me af. Of anders misschien morgenavond.

Praktische informatie van Algemeen Nut (vangst #262)

Met welke vitamientjes voorkom je voorjaarsmoeheid? Overleef je de laatste winterepidemie best met een grog op basis van rum of neem je beter een potje brandnetelthee? Gaat het volgende week sneeuwen of wordt het tropisch lenteweer? Welke jas moet je dezer dagen dragen? En wanneer begin je best met detoxen, voor of na de maaltijd?

Volgende vangst staat vol praktische tips. Suzanne Brink vraagt zich af hoe je E-books signeert. Eliane De Bleser getuigt over wat kikkers eten zoal met een mens kan doen. En Iris Salembier heeft het over ‘onwelriekende slordigheidjes’ zoals vermiste keukenscharen. Het handigste in zulk geval is wanneer je het op de ander kan steken. Maar je eigen trouwring zoekraken is nog een ander paar mouwen natuurlijk.

En is het aan mij om het haperende verdienmodel van de literaire wereld in de lucht te houden?
Wat de keuze voor het ebook verder bemoeilijkte, is de mores van de boekpresentatie. Je hoort een boek van de auteur te kopen en die door hem of haar te laten signeren. Maar hoe moet je een ebook laten signeren?

Uit: 7. Kaart voor debutant F. van Suzanne Brink

Ik vergat te vertellen over de kikkers.

Een maand geleden gaf een kennis me de raad mijn kikkers op te eten.
Het waren er acht.

Uit: Kikkers van Andere Woorden

Je kent het wel, die frustratie wanneer je tijdens het koken snel een verpakking wil opensnijden maar de schaar niet op z’n plek ligt in de keukenlade. Eerst blijf je wat zenuwachtig staan scharrelen in de lade, maar uiteindelijk trek je je plan met een scherp keukenmes, terwijl je je blauw ergert aan je gezinsleden die elke keer je keukenschaar komen pikken voor van alles en nog wat en die dan ook nooit eens terugleggen.

Uit: Vermist van Vleermuys

In een wereld waar alles gestoord is, zijn wij normaal (vangst #261)

Noodpakket (r) Vangelis7

Een aantal belangrijke dingen des levens treffen we nauwelijks in onze blogs aan: seks bijvoorbeeld, of de zucht naar zuiverheid. De dood wat vaker, maar toch.

Deze week is het er allemaal. Kirsten Mafroid levert de titel van deze vangst met een verhaal over diepe noden, Jan-Willem Lubbers treft in het uitgepuurde design van zijn website een spiegel van zijn diepste wijsheden aan, en op ontAarding wordt melancholie ingezet tegen een naderend einde.

De nervositeit aan mijn voordeur verdwijnt snel. Toch blijft ons bloed kloppen, voelbaar verder kruipen, bijna de eigen schil buiten en de andere binnen. We pellen elkaar als een artisjok tot het zachte hart, het lekkerste deel. Slurpen elk restje angst voor de wereld weg. De lucht is dik met onze meest dierlijke damp. Jij bijt me tot ik openbarst en rijp sap op je kin kleeft. Ik weet niets van je maar wel hoe elke druppel van je smaakt (naar vinaigrette op avocado).

Uit: Noodcontact van Kirsten Malfroid

Gelukkig zijn kan een eigen keuze zijn (als de omstandigheden dat toelaten) en als ik daarvoor kies zie ik de wereld anders (niet per se beter, anders). Er schijnt een boeddhistische wijsheid te bestaan die beweert dat er geen weg naar geluk is, maar dat de weg geluk is. Ik herkauw die gedachte vaak en ik denk dat het geen onzin is. Overigens denk ik dat mijn weg die ik zou moeten gaan niet bestaat, maar ontstaat door te gaan, te leven, op welke wijze dan ook.

Uit: 2107 van Jan-Willem Lubbers

Ik liet tieners nadenken over de situatie in Soedan, prutste een website in elkaar om relevant te blijven als aspirant-leerkracht in de 21ste eeuw en blokte gedwee het onderwijs-apparatchiks van de Vlaamse Overheid. Ondertussen richtten de cytostatica in mijn moeders lichaam een ravage aan. Het liet de tumoren onverschillig. Die groeiden drie maanden gewoon door.

Uit: Donkertijd op ontAardingen

Dagen zonder zeehonden (vangst #260)

Bene Van Eeghem was die avond op de luchthaven in Oostende de juiste vrouw op de juiste plaats. Laat haar in het midden van de nacht een echtpaar observeren dat tegen de verveling en tegen de huwelijkse sleet vecht en ze puurt er een verhaal uit dat me doet hopen dat ze nog regelmatig in dergelijke situaties mag verzeilen.

Gerbrand Bakker is een van de meest gevierde schrijvers uit onze haven. Niet dat zijn autobiografische schetsen me telkens even hard boeien, maar deze keer had hij me onmiddellijk mee. Na een openhartig begin, volgt wat gezellig geroddel, een schimpscheut links en rechts en tot slot een gouden podcast-tip.

Naast tal van andere kwaliteiten blinkt Lennart Vanstaen eveneens uit in het beschrijven van dagen waarin ogenschijnlijk niets gebeurt. Met een vriend wandelt hij rond in Oostende. Ze halen herinneringen op, vertellen elkaar verhalen, maken toekomstplannen en vergeten ‘Aline’ van Heleen Debruyne te kopen. En ze verwonderen zich over de afwezigheid van zeehonden in de koningin der badsteden.

Wanneer de man voor de tigste keer een ringtone op de smartphone uittest, wordt zijn eega kregelig. Ze streelt liefdevol over het kopje van het dashondje dat meereist, maar de genegenheid richting wederhelft is ver te zoeken.’

Uit: Luchthaven Oostende 4u45 van Bene Van Eeghem

Ochtenden zijn soms ‘lastig’, in de zin dat je (ik) uit bed komt en dat er dan een hele dag voor je ligt. Mijn therapeut zei altijd: ‘Voor veel depressievelingen is de ochtend het moeilijkst.’ Dat was goed om te horen, want dan ben je niet alleen. Koffie, sneetje brood, wat wordfeudjes en dan Trouw.’

Uit: Ziekig van Gerbrand Bakker


‘‘Eigenlijk ben ik wel eenzaam,’ zeg je plots. Je zegt het alsof je het al lang geleden hebt geaccepteerd.
Hoewel dat voor mij niet als een totale verrassing in de oren klinkt, is het toch gek om dat te horen van iemand die extreem sociaal en extravert is. Je komt werkelijk overal en iedereen lijkt jou te kennen.
‘Alles hangt aan elkaar,’ zeg je. En ik denk: daar zorg je zelf mee voor.’

Uit: Kamer in Oostende van Lennart Vanstaen