Schrijver in Frankrijk

Al sinds 2008 houdt schrijver en dominee Caspar Visser ’t Hooft op de blog Schrijver in Frankrijk zijn bespiegelingen over het land en zijn geschiedenis bij. Dat doet hij niet alleen, graag nodigt hij andere schrijvers uit – die net als hij een bijzondere band met Frankrijk hebben.

De schemering is gevallen. Ik kijk weer over het wijde veld met de omgeploegde aarde. Plotseling flitst in de verte, ergens tussen de watertoren en de dakenrand van de woonwijk, een serie rode letters aan. De naam van een supermarkt. Géant Casino. Tja, als God er niet meer is, en ook de koning niet, dan heersen andere reuzen.

Flow with life

Op haar website Flow with life schrijft mentale trainer Eveline Vanhaverbeke open, tastbaar en beklijvend over haar leven na de diagnose kanker.

In een flow rijg ik woorden aaneen. Ze zuigen mijn angst in zich op. Straks zal ik ze uitsturen in alle windrichtingen, mijn angsten delen. Terwijl ik schrijf verbrokkelt de angst al. Er breekt een eerste zonnestraal doorheen de scheur. De straal stuurt geel, oranje, rood door de duisternis, net zoals dat vanochtend gebeurde. Ik zwaai met mijn handen, jaag het zwart uiteen. Er verschijnen nieuwe kleuren, steeds meer.

Straks is het herfst.

Straks word ik 90.

Huiverinkt

Ze schrijft niet zo veel meer op haar blog Huiverinkt, Marie Meeusen. Af en toe nog een brief aan haar overleden vader. Over het leven. De wereld. Hoe vaders nooit echt verdwijnen. En of je dat dan zou willen.

Gelukkig voor ons is er is een groot archief.

We zaten in een huis, in een straat die haar naam nog waarmaakte, en aten Nederlandse soep uit blik en een Belgisch hoofdgerecht dat uren had staan pruttelen. Bij de buren werd een vrouw in het gezicht geslagen. Misschien een mes. Sirenes, een man die de benen neemt. Ik zoek mijn lief om me vast te houden.

Nu werkt Marie in haar poëtische praktijk Anastanza voornamelijk als coach en tekstschrijver, met de kracht van verhalen als rode draad in haar werk.

Doorhangen, ontrollen en losgooien (vangst #86)

Controle, gewrichten, kinderen. Eventuele bedenkingen. We moeten ze leren loslaten. En dat is niet altijd gemakkelijk. Dat vergt oefening.

Zelf heb ik een mannetje, specifiek voor de nekpartij. “Ontspannen! Niet nadenken! Denk aan je ademhaling!” Anderhalf uur lang laveloos bevelen opvolgen en hup, met een schouderklop weer het systeem in. Veerkracht noemen ze dat.

Ook de bloggers van deze week oefenen in doorhangen, ontrollen en losgooien. Jeroen Geuens (nieuw in de haven!) doet het in een theatercursus door Gilles Torfs professioneel acteur en Caro Van Thuyne gaat lekker naar het strand, net als de hoofdpersoon in het gedicht van Ingrid Vanderkrieken. Gelukkig hebben ze hun laptop meegenomen om er een stukje over te tikken.

We begonnen in groepen van drie. Ik was een pop. De rest bestuurde m’n armen en benen. Katleen kreeg de slappe lach omdat ik mee bewoog in plaats van dat ik me liet doen.

De oefening werd ervoor stilgelegd.

Gilles vroeg of ik problemen had met controle.

“Wat doe je van werk?” zei hij. “O. Vooral in het hoofd dus.”

Uit: Sturen van Jeroen Geuens

Ik ben aan zee om mezelf los te gooien, het beknelde hoofd, de rigide heup, de houten nek, de verkrampte schouder los te gooien. Thuis ben ik als een pangolin rond het manuscript op mijn schrijftafel gegroeid, de schubben opgezet tegen de wereld en haast verstikt door de beklemming van mijn onderwerp. Ik ben hier om me weer even te ontrollen, mijn schouders te rechten, mijn longen eens goed open te zetten. Onderwijl eerst een stukje te schrijven voor een broodheer, een paar brieven, en het laatste essay voor mijn rubriek over wild lezen.

Uit: bericht van de zevenentwintigste verdieping van Het Kleine Kijken

Moe van al het moeten
sjokt hij over het strand
en laat een vlieger op.

Een ruit met een gezicht
dartelt in de wind.

Samen met zijn kind
houdt hij het touwtje vast,
trekt zwijgend aan de lijn.

Om hem los te laten
is hij nog te klein.

Uit: Vliegeren van Rimpelingen

Lise Delabie


Lise Delabie was in de zomer onze gastvisser, en bekende toen ooit een blog te hebben gehad. Wel, nu heeft ze er opnieuw een, met teksten waarin ze steeds op zoek gaat naar ‘een eigen stem’. Al noemt ze dat ook wel relativerend een versleten begrip.

Haar teksten gaan over zelfmisleiding en mythologisering. Je hoort haar schrijven. Poëtische landschappen. Liefde en regen. Mooi en broos. ‘Liefde kan eroderen door het leven, ‘ weet ze. Haar stukjes lijken wel op de fossielen die ze vond aan de Engelse kust. Stukjes tijd, herinneringen in verschillende vormen en materie.


‘Notitieboeken, pas geslepen potloden en het gekras van een kalligrafiepen op glad papier.’

Jeroen Geuens

Waarom moeten ze altijd mij hebben.

Jeroen Geuens staat midden in het leven. In zijn blog schrijft hij over alle hondenvrouwen en louche Italianen die hij aantrekt. Zijn teksten zijn kort, en toch ruim voldoende om ons een volledig beeld en een grinnik in de lage keelzone te bezorgen.

Hij deed de koffer van z’n auto open. Die lag vol kartonnen dozen in plastic zakken van de Alvo. Hij schudde een zak leeg en sneed de bodem van een doos los. Er vielen allemaal doosjes parfum uit. “Dit kost normaal gezien stukken van mensen”, zei hij. “Gemakkelijk 500 euro. Maar voor 50 euro is het goed.” Daarna: “Vous me donnez pas confiance?”

De vangst van Stijn Tormans (vangst # 85)

Martin Pulaski schreef ooit dat stukken die hij digitaal leest hem nooit lang bijblijven. Die zin had ik met fluostift willen onderstrepen op mijn scherm. 

Consequent is hij wel niet, want in zijn kroniek van een kamertjeszondaar staan wél veel stukken om nooit te vergeten. Ik denk soms dat Pulaski over elke dag in de jaren zeventig een boek had kunnen schrijven, maar godzijdank doet hij dat niet. Liever een prachtige korte blog als Liefde en geluk in de Dolfijnstraat dan een middelmatige roman. 

Katrin Van de Velde had vroeger een blog die Daar waar we amper kunnen staan heette. Daar schrijft ze haar stukken nog altijd, gok ik: op een moeras waar ze de toverachtig mooie zinnen aan elkaar breit. Zoals in Man met Meisje: wat een heerlijk stuk proza. Katrin is een van de weinigen die mij tot het bloggeloof kunnen bekeren. 

Joël De Ceulaer vergeleek hem onlangs op Twitter met Godfried Bomans, maar hij is vooral Jan Devriese. Een man met een volstrekt eigen universum, waar ik graag in vertoef. Ik ben blij dat er op deze planeet nog een fan van de regen rondloopt. 

‘Was ik in werkelijkheid inderdaad zo ongelukkig en eenzaam? Helemaal niet, denk ik nu, meer dan veertig jaar later. Nagenoeg iedere dag waren er ontmoetingen met vrienden, met verwante zielen. Dan hadden we diepgaande en vaak ook grappige, soms ronduit krankzinnige gesprekken. Af en toe deden zich boeiende conflicten voor. Meer dan eens wonden we ons op over filosofen, linguïsten, structuralisten en dergelijke meer. We bejubelden De vrolijke wetenschap van Nietzsche, stelden ons vragen bij de ideeënleer van Plato en vroegen ons af hoe dat nu eigenlijk zat met de wil en de voorstelling bij Schopenhauer. We gaven ons over aan allerlei theoretische bespiegelingen over poëzie, nouvelle vague, free jazz. Onze discussies leken op middernachtelijke jamsessies, meanderend als ze waren. Ons enthousiasme over wat er in de kunstwereld gebeurde was groot. Performance, conceptuele kunst, nieuwe wilden, maar net zo goed Tintoretto, Caravaggio en Max Beckmann. Mijn vrienden en ik leken in een eeuwig nu te leven, ook al beseften we telkens weer dat het om een nu van korte duur ging. Bruisend leven noemden we het niet: de tijdsgeest was immers nihilistisch. We hadden drank, peppillen, af en toe een joint. Het leven was goedkoop. In de kroegen en de buurtwinkels kregen we krediet. Popmuziek was weer even opwindend als in de sixties. Daar schreef ik in mijn dagboeken maar weinig over. Over de kicks die we voelden als we This Year’s Model van Elvis Costello, Forces of Victory van Linton Kwesi Johnson, Muse van Grace Jones en Broken English van Marianne Faithfull beluisterden.’

Uit: Liefde en geluk in de dolfijnstraat van Martin Pulaski

Dit is niet de man die met twee huilende kinderen voor het kleine groene deurtje staat.
Daar staat een vader die nog alles kan. Wilde tochten met de slee door de achtertuin. Het monster onder het grote deken dat met joelende kinderen op zijn rug over de meubels kruipt. De man die onderaan de trap staat en je aanmoedigt je in zijn gespreide armen te laten vallen. In deze wereld is alles nog veilig, hier blijft het groene deurtje gesloten
.

Na het dessert gaan ze weer naar huis. Ik loop met hen mee naar hun fietsen aan de zijkant van het huis, zie twee smalle ruggen weggaan, een beetje tegengehouden door de ouderdom.
Het zal een van de laatste keren zijn, dat weggaan. Daarna blijven alleen herinneringen over. Eenzijdige. En er za
l niemand meer zijn om ze te ontkennen.’

Uit: Man met meisje van Katrin Van de Velde

Je bent een beetje verdacht als je van de regen houdt. Sombermans. Zuurpruim. Aansteller. Poseur. Er moet iets met je schelen. Je hoort de zon te aanbidden. En de sneeuw. In je bikini op de latten, dat is het allerhoogste. Kraaiend van de pret, gewillig aan de extremen ten prooi. Ik ben meer van de nuance, van de tussentijd. Van de lente en de herfst. Van belofte en inkeer, van verlangen en rust. Van wat komt en gaat. Vermoeden en teloorgang. Hoop en wanhoop. Dan valt de mooiste regen.’ 

Uit: mantra van Jan Devriese

Stijn Tormans, het interview

In de Lage Landen zijn er tal van mensen met een goede pen, maar er is slechts één Stijn Tormans. De reportages die hij nu al meer dan twee decennia voor Knack maakt, zijn vaak zo beklijvend dat ik ze me jaren na datum nog scherp voor de geest kan halen. Zijn stukken zijn de eerste – en tijdens weken met overvolle agenda’s zo goed als de enige – die ik in Knack lees. Zijn onderwerpen zijn origineel maar nooit vergezocht; ze staan veraf van de waan van de dag, maar zeggen – eenmaal het polemische stof is gaan liggen – veel meer over de tijdsgeest van toen, dan analyses van achtenswaardige opiniemakers. De twee boeken met bundelingen van zijn artikels – Verhalen en reportages en De zomer van 1976 – behoren tot het beste wat ik de laatste jaren heb gelezen en leerden me la Flandre profonde weer liefhebben. 

Geen kwaad woord over Knack. Het is een vakkundig gemaakt tijdschrift waarin mensen met verstand van zaken onderbouwd argumenteren waarom we ons zorgen moeten maken. Maar het is, althans voor mij, de pen van Stijn Tormans die het blad naar een hoger niveau tilt. Zijn schriftuur is de specerij die smaak toevoegt aan een verder professioneel gerecht.

Hoewel ik Stijn Tormans eerder met de wereld van Gay Talese, ratelende typemachines, oude zwart-films en het kleurenpalet van Saul Leiter associeer en hem er niet van verdenk een verwoed blogger te zijn, legde ik hem toch de drie klassieke Aanlegplaats-vragen voor. 

Op een maandagavond hadden we in een café in Antwerpen afgesproken. Zoals het een grote reporter betaamt, bestelde Stijn spuitwater. Na het tweede glas spuitwater kwamen de tongen los en spraken we urenlang over het Europacentrum in Oostende, John Prine, de gloed in de ogen van Raymond van het Groenewoud, de heerlijke anarchie van Vitalski en huiskamerconcerten op zondag. Maar in de context van Aanlegplaats ging het natuurlijk hoofdzakelijk over bloggen.

Hoewel ik weinig zekerheden heb, was ik ervan overtuigd dat Stijn nooit een blog had gehad. Vandaar mijn openingsvraag.

1) Waarom ben je nooit met een blog begonnen?

‘Maar ik heb wél een blog gehad. Het heeft echter slechts een week geduurd. Het was in 2007 en ik denk dat in die periode de blogs opkwamen. Het was de oertijd van het nieuwe medium. Ik ben er samen met Wouter Van Driessche – die vandaag een bedrijf heeft dat mooie podcasts maakt – en Guinevere Claeys aan begonnen. De naam die we hadden bedacht was Leve Ons, een verwijzing naar Johan Anthierens. We hebben het niet lang volgehouden. Hooguit drie weken, denk ik. Het was de bedoeling dat we elke dag een stuk zouden schrijven en ik zag dat eigenlijk helemaal niet zitten. Daarom heb ik een hele week over hetzelfde onderwerp geschreven: over de ijzeren brug in Antwerpen die op het punt stond afgebroken te worden. Iedereen vond het een vreselijk lelijk ding, maar ik had er zoveel herinneringen aan. Uit baldadigheid heb ik al mijn herinneringen eraan opgeschreven. Het was een soort van protestactie. Elke dag heb ik daar een stuk over gemaakt met als overkoepelende titel: ‘Red de brug!’ Red de brug 1, Red de brug 2 enzovoort tot en met Red de brug 7. Tot ze zeiden: “Wanneer ga je nu eens eindelijk stoppen over die stomme brug?”. En dat was meteen ook het einde van de blog, want ik denk niet dat ik nog iets over een ander onderwerp heb geschreven. Kortom: mijn blogverleden is niet bepaald heroïsch. Gedurende één week heb ik zeven stukken gemaakt.’ 

‘Waarom ik er daarna nooit meer een heb gehad, is omdat ik voel dat het medium me niet helemaal ligt. Deels omdat ik niet zo heel goed ben in de korte sprint; maar ook omdat ik weet wat werkt en niet werkt. Dan is voor mij de lol er een beetje af. Ik zal een voorbeeld geven. Vorig jaar heb ik op vraag van mijn hoofdredacteur een paar kortere stukken geschreven voor de website. Van opzet waren de teksten enigszins blog-achtig. En ik voel dat het me niet zo goed ligt omdat ik weet waarom mensen artikels al dan niet aanklikken. Er was een stukje van me met de titel: De Jaguar van Ben Weyts. Dat werd massaal gelezen. Dan is voor mij het plezier eraf omdat ik het op voorhand had kunnen voorspellen. Andere artikels – zoals over erfgoed – waarin ik veel meer tijd en energie had gestoken en die me meer tevreden stemden, werden dan weer nauwelijks gelezen.  Dat vind ik soms zo ontgoochelend. Op het internet is een titel alles. Mensen zijn niet bereid om een inspanning te doen. Ze willen vooral hun eigen mening bevestigd zien.’ 

‘De derde reden waarom ik niet graag blog, is omdat ik zelf computerblind ben. Als ik teksten schrijf moet ik het eerst op papier typen. Maar een blog is bij voorbaat een digitaal medium. Terwijl ik heel hard een man van papier ben.’ 

2) Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Raymond van het Groenewoud. Die heeft er ooit een gehad en is ermee gestopt. Ik vond het bijzonder interessant om in zijn hoofd te kijken. Maar hij heeft het maar een paar maanden volgehouden.’

‘Patti Smith heeft ook een blog. Ik ben erop geabonneerd en het kost veertig dollar per jaar; ze incasseert wel wat geld en ik denk dat het ook een beetje tegen de filosofie van het bloggen is waarin het aanbod, voor zover ik op de hoogte ben, gratis moet zijn. Elke dag schrijft ze iets over wat haar bezighoudt. Maar het is niet altijd zo fantastisch en dat vind ik ook zo jammer aan dagelijkse blogs. Je merkt dat het leven – zelfs dat van Patti Smith – soms behoorlijk banaal is. Ze wil elke dag iets schrijven. Soms is het gevat, maar even vaak niet. Dan denk ik: ‘Patti, zwijg nu eens twee weken en schrijf dan iets over wat je nu écht boeit.’ 

‘En mensen die er nog geen hebben en er eentje zouden moeten beginnen? Het zou heel tof zijn om een blog van Lara Taveirne te lezen. Haar pen is er zeer geschikt voor, maar ik vrees dat het haar aan tijd ontbreekt.’

‘Soms kijk ik ook naar blogs om mij te ergeren. Bijvoorbeeld – hoewel ik het een erg leuke vind – Ugly Belgian Houses. Ik kijk ernaar om mij in een rare zin te ergeren, omdat er huizen worden uitgepikt waarvan ik denk: eigenlijk is de persoon die daar woont iemand met persoonlijkheid. Het zijn juist best mooie huizen. Maar soit.’ 

Maar er bestaan ook blogs – hoewel die vaak minder goed geschreven zijn – die gaan over thema’s me interesseren. In die zin grasduin ik er soms ook wel in.’

‘Verder vind ik het jammer dat Jezus nooit een blog heeft gehad. Stel dat hij er wel een was begonnen: hoe zou de wereld er dan vandaag uitzien?’ 

3) Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

‘De titel van de blog vind ik zeer belangrijk. Komkommerdagen is bijvoorbeeld een goede naam omdat die blijft hangen. Dat geldt evenzeer voor de titel van de stukjes. Omdat ik weet hoe cruciaal die zijn, trekt het me toch ook weer op de een of andere manier aan als iemand het zichzelf moeilijk maakt en een complexe of onaantrekkelijke titel bedenkt.’

‘Een uitstekende blog is die van Martin Pulaski. Wat ik al heel leuk vind is dat er een foto opstaat – van hem in de jaren zeventig – die me erg intrigeert. En dan zijn de stukjes ook nog eens fantastisch geschreven. Hij schrijft prachtig over vroeger. Over zomaar een dag in 1975.’ 

‘Een andere blog die me aanspreekt is die van Katrin Van de Velde. Haar stukjes zijn elke keer uitstekend geschreven. Ik heb er ooit zelf in gefigureerd en dat vond ik wel bijzonder.’ 

‘Ook de blog van Jan Devriese is uitmuntend. Zoals je weet hou ik enorm van Godfried Bomans en ik vind dat zijn schrijfstijl er wel iets van weg heeft. Vroeger schreef Jan Devriese voor Het Laatste Nieuws en ik begrijp niet dat hij geen plaats meer heeft binnen de reguliere media.’ 

‘Samengevat: wat vind ik een goede blog? Het hangt altijd af van de schrijfstijl. Het moet ook aangenaam lezen zijn. Een persoonlijke fetisj van mij is dat ik niet teveel lijntjes wil zien. Het mag niet te druk zijn. Er moet ruimte zijn. Het moet er goed uitzien.’ 

‘Ik geef eerlijk toe dat ik liever op papier lees en dan mag het niet verwonderen dat ik geen onwaarschijnlijke blog-lezer ben. Ik ben niet iemand die ’s morgens opstaat en denkt: nu ga ik ze eens allemaal checken.’ 

‘Maar zoals je aanstipte is het een zeer toegankelijk medium. In die zin zijn blogs fantastisch: het heeft een democratiserend effect. Iedereen kan er eentje beginnen en een lezerspubliek bereiken. Maar toch lees ik liever op papier (lacht).’ 

Ter relativering (vangst # 84)


Relativeren is ordenen. Er bestaan clichés over professoren en artiesten als zouden zij verstrooide chaoten zijn. Of is hun soort orde te confronterend? Orde die buiten de lijntjes kleurt.

Ook in de verse vangst drie blogs die relativeren en de dingen weer in verhouding zetten, in perspectief plaatsen.

Gert-Jan van den Bemd vertelt over de tuin van Jan Wolkers. Alles precies bewaren zoals tijdens het leven van Wolkers is niet mogelijk omdat de tuin verder groeit… Vincent Merckx heeft het over de koninklijke bijen van de recent overleden Koningin van Engeland. Daarna wisselt hij boeiende gedachten uit met de wesp op zijn balkon over het heelal en het verdwijnpunt. Vitalski deelt een inzicht om verlichting in de geest te vinden: ruim uw huis op! Het geluk zit niet in onnodig stapelen en bijhouden van byvoorbeeld (sic) ‘verwelkte plantenbakken’.

Steeds als ik bezoek kreeg in De Wolkerstuin wilden mensen weten of het huisje nog authentieke elementen bevatte. Ik draaide er een beetje omheen. Ik herhaalde wat Wim me had verteld. Wim wordt de Tuin Paus genoemd, hij heeft al een tuin op Amstelglorie sinds 1953. Hij heeft Jan Wolkers nog gekend, hij kwam regelmatig bij hem over de vloer. Zo wist hij ook dat de vloer en het plafond blauw moesten zijn, en in de slaap/schrijfkamer de vloer zwart. Ook de spiegels op de scheidingswand en de deur naar de keuken waren in de tijd van Wolkers aanwezig. Maar authentiek… ‘Het is net als met de tuin,’ vertelde Wim. ‘Ook die is niet precies zoals Wolkers hem had aangelegd. Het is een tuin in de geest van Wolkers.’

Uit: het pennenbakje van jan wolkers op Grand Foulard.

Op die ene pale blue dot, begon de astronoom (en het beeld schokte zoals het dat deed in de jaren negentig) heeft iedereen die ooit heeft bestaan zijn leven uitgeleefd, iedereen waar we ooit van hebben gehouden en iedereen die we ooit hebben gehaat, elk verliefd koppel en elke corrupte politicus, wij van die soort die elkaar zo makkelijk verkeerd begrijpen en zo snel de kop inslaan, allemaal om toch maar voor heel even de baas te worden van een marginaal stukje van die ene pixel.

Uit: vrijdag16 september, honing van Vincent Merckx

een propere woonst is totaal prioritair. zy aan zy met eten en drinken, liefde, een onderdak tout court.
jy kan wel zeggen: “ik trek my dat niet aan”; jouw ogen zien wat ze zien. en die ogen doe verduisteren, met hun aanblik, jouw geest binnenin. je kàn nooit helemààl gelukkig zyn – zolang jouw huis niet netjes op orde is.
zie desnoods niet verder dan je klamme neus lang is; hààl die zeventien grote vuilniszakken in huis, en BLYF die vuilniszakken één na één volsteken, oprapen oprapen wegsteken, net zolang tot er écht niks meer by kan.
treuzel niet om een afspraak te maken met het containerpark, vandaag nog.
maar zéér weinig dingen in huis heb jy werkelyk nodig. in geval van zelfs maar allerlichtste twyfel: wegdoen!

Uit uit het schriftje van Vitalski

Een scheet tegen de waanzin (vangst # 83)

Of het nu de wereld is die gek wordt, of wij zelf, er blijken mensen te zijn die 24 uur aanschuiven om een kist te groeten waarin een symbool ligt, en anderen die genummerde lijken in een massagraf schuiven terwijl een raket haast op een kerncentrale valt. Het is herfst, de tijd van de blues, en begrijpen doen we het allemaal niet.

Strategieën. Die hebben we nodig om met het leven zoals het is om te gaan.

Benedikte Van Eeghem (voor het eerst in onze vangst) vindt die aan de kust en bij haar bewoners, Eliane De Bleser in een bootje op papier en Bart Moeyaert tenslotte, zoekt meer dan een luisterend oor bij de psychiater.

We staan er gezamenlijk en toch apart, zij tweeën en ik, in de galerij. We bewonderen fotografie en magie van een eeuw oud. We beleven de grandeur van de Belle Epoque en zien ravissante bals, koninklijke bezoeken en volks vertier. We herkennen Leopold III, zijn Zweedse eega en James Ensor. Grootheden en voetvolk in zwart-wit. We bewonderen afdrukken van mandenvlechters, garnaalpelsters, melkboeren, moeders-met-kroost-aan-zee.

En dan hoor ik, te midden van die iconische pracht, een onmiskenbaar geluid. Het geluid dat alle mensen tot gelijken maakt en een geurspoor nalaat. Eén van de dames heeft in alle parmantigheid een knallende scheet gelaten: de natuurlijke decompressie..

Uit pas de gène van Benedikte Van Eeghem

Ik neem een blad papier (A3, 90 gram) en ik teken een kleine rubberboot (zwart, 4 meter, 75PK YAMAHA).
Ik zet me in de boot.
De boot mag kiezen.
Via de Grote Molenbeek vaart hij naar de Rupel en zo naar de Schelde.
Hij vraagt of ik in Sint-Amands even wil uitstappen om de dichter te groeten.
Ik zeg ‘Nee’.
Hij draait wat rondjes.
De mensen op de kade bekijken ons. Kinderen wijzen en wuiven. Ik zou kunnen uitstappen om op een van de terrassen een kop koffie te drinken maar ik blijf zitten.
De rubberboot draait nog wat rondjes.

Uit Twee keer rond de eik, minstens op Met Andere Woorden

Op mijn knieën ga ik aan de onderkant van de zitkuip de ontwerper zoeken. Dat is riskant. Je wilt niet bij je eerste bezoek op je knieën, met je lijf in een rare bocht, in de wachtkamer van je psychiater worden gevonden. ‘Goeiemiddag, wat bent u kwijt?’

Uit de Blog van Bart Moeyaert (ook op de site, maar het is eigenlijk een echte instagram blog geworden)