We zijn goden! (vangst #22)

Vanop afstand lijkt alles perfect. Het is pas wanneer je met je neus in de vijvers, of tussen de veren duikt dat het leven boeiend wordt. Alles verandert, alleen Sisyfus blijft zijn bal de berg op duwen, maar net dan telt de kleinste gedachte.

Lucas Vanclooster trekt onder zijn vrouws naam naar de tuin om gierzwaluwen over te zien vliegen, maar ontdekt dan verstilde foto’s en ontluikende kikkers. Caro Van Thuyne laat Maxies vleugels trillen, met woorden die zelfs een olifant kippenvel laten krijgen. Ten slotte speelt Sisyfus met het heden als vlucht voor het ondraaglijke verleden.

Hij is zo aandoenlijk nieuwsgierig, plukt aan dode plantenstengels, trekt aan de tuit van een plastic gietertje. Van op de betonnen boord reikt hij naar iets dat hij gezien heeft in de modder, wat leert hij toch snel. Hij gaat op wandel, richting rest van de tuin. Dan hoor ik hem roepen vanuit onze grootste bloemenborder. Ik blijf achter de hoek van het huis staan kijken.’

Uit: Maxie van Caro Van Thuyne

‘Vandaag is het de internationale dag van de gierzwaluw, International Swift Day. Die dag is belangrijk voor mij sinds de salangaan de totem bij de scouts werd van onze betreurde zoon. De salangaan is de Aziatische gierzwaluw, dat maakt weinig verschil. Mijn zoon de salangaan was trouwens van het principe “’t zal wel gaan”.’

Uit: Middagjournaal van Lucas Vanclooster

[Ik kan] moeilijk zonder, want juist met hun menselijke gebreken  herkende ik ze als het betere ‘ons’ dat vaak in tijden van nood en eenzaamheid zichtbaar en voelbaar is.
Dus kan ik niet anders, ondanks het hellend vlak, dan vertellen wat ik probeerde om aan de dwang van het dagelijks duwen te ontsnappen. Hoe dwaas en onvolkomen mijn pogingen ook waren.

Uit: Sisyfus spreekt, een monoloog van Indestilte

Als toemaatje bij deze vangst, de gevleugelde woorden van The Postal Service via klank en beeld.

They will see us waving from such great heights
“Come down now,” they’ll say
But everything looks perfect from far away
“Come down now,” but we’ll stay

Loslaten, dat mannengedoe! (vangst #21)

Niets zo opwindend als een man die de regels en gewoonten van het patriarchaat aan zijn laars lapt. Zij kunnen ons krijgen! Voor hen laten we onze deur op een kier staan. Zij belanden in onze armen. We vangen hen, nog voor ze beseffen dat ze kunnen vallen.

Kijk, zij nemen tenminste de tijd. Mark Nankman plant zorgvuldig een rots te zijn. Jonathan van der Horst verkiest aan het aanrecht van zijn eenpersoonsappartement bewust gevoelens boven gedachten. Herman Loos zorgt voor zijn nieuwe dochter.

‘De laatste tijd heb ik rotszorgen. Ik weet niet precies hoe ik nu rots moet zijn. Moet ik wel een rots zijn? Of is dat beter een zorg voor wat later? En de branding die ik op het oog heb, ligt nog op grote afstand. Eigenlijk weet ik niet eens waar die branding precies is. Allemaal onzekerheden. En dan sta je als rots ook niet echt vast.’

Uit: Rotszorgen van Verwoede Noten

‘Mannen denken abstract, vrouwen staan in verbinding. Mannen vluchten in hun eigen hoofd, vrouwen stappen de wereld in. Mannen voeren monologen, vrouwen gaan het gesprek aan. Of deze neiging inherent aan mannen is behoeft verder literair onderzoek, maar het enige wat ik nu weet is dat ik sinds mijn ineenstorting niet langer in die abstractie wil leven.’

Uit: Verslag van een mislukking van Hard//hoofd

‘Ik geef badjes en ververs pampers, loop rond om boertjes op te wekken. Mémoire musculaire – de spieren herinneren zich vrijwel alles. Het is als de afdaling van Hautacam: ook als je het jaren niet gedaan hebt, snijd je na een haarspeld of vijf de bochten weer scherp aan alsof je het wekelijks doet.’

Uit: Gezin met dochters van Herecomesherman

Lig je wakker? (vangst #20)

Broeierig zomerweer in een stad zonder groen. Plakkerige kleren in drukke winkelstraten. De nacht, woelend in warmte. Gras verschroeit, ijsjes smelten. Soms stemt ook een felblauwe hemel melancholisch.

Bart Moeyaert kan niet slapen. Katrin Van de Velde denkt met weemoed terug aan de zomers van vroeger, definitief voorbij. Arne Schoenvuur leeft te nabij en eenzaam in ijle lucht.

Herken je dat? Soms voelt zweten zoals schrijven in de zomer.

Er zijn tijden dat ik middenin de nacht gemiddeld anderhalf uur naar het plafond lig te kijken. Bregje Hofstede worstelde al een tijdje op een gelijkaardige manier met haar nachten, en ging op zoek naar de antwoorden op haar slaapvragen.

Ik heb “Slaap vatten” met extra aandacht gelezen, natuurlijk ook omdat ik een gelijkgestemde ben. Als Bregje Hofstede schrijft: “Het komt mij als moeilijke slaper goed uit dat het schrijven soms ook mijn wakker liggen zinnig maakt,” herken ik dat.

Uit: Lig je wakker? van Bart Moeyaert

‘Als ik terugdacht aan De Haan, kwam een onbehaaglijk gevoel op. Het was een fijne vakantie, dus ik begreep niet meteen waar dat onbehagen vandaan kwam. Het had iets met de gebouwen daar te maken. Het verval, de verandering, een beetje melancholie.
Ik kom er namelijk al sinds mijn jeugd zowat elke zomer. Eerst een tweetal keer met mijn ouders en broertje, daarna jarenlang met mijn eerste man, dan een keer met een lief, en nu al enkele jaren met mijn huidige man.
Toen ik er vorige week door de straten liep, kwam ik langs een groot, nog amper rechtstaand huis met afbladderende gevels, dat nu al zo lang elk jaar wat grondiger verkommert. Vroeger was er een populaire frituur in gevestigd, er stonden houten tafels en banken die altijd bezet waren. Nu is het klaar voor de sloop, maar zelfs daar lijkt men maar niet toe te komen.

Uit: Dagvinder 25 juni 2021 van Katrin Van de Velde

 

Vandaar dat wij

Nooit uitgepraat raken

Wij nergens samen

Aankomen, ik te traag

Jij te snel of ik al daar

Waar jij nog onderweg

Elkaar zo voorbij

Als jij nog maar net begonnen bent

Ben ik het einde al nabij

Waar we ook gaan

Uit: Hoogteverschil van Arne Schoenvuur

Te oud om naakt over auto’s te lopen (vangst #19)

De pijn in mijn knieën, eerder ongemak, dat geef ik toe, slijt maar niet. Dan moeten het wel de knieën zelf zijn die slijten. Oud worden, het is wat.

Het begint jong, het is eigenlijk iets van alle leeftijden, toch wanneer je zoals Sam Sterckx op een terras in de Zurenborg vaststelt dat niets nog is wat het was, of wanneer je zoals Marita moet vaststellen dat leeftijdgenoten – in tegenstelling tot jezelf – ‘walgelijk fit’ kunnen zijn.

Misschien is het nog het beste om oud zijn over te laten aan wie nog ouder is dan jij. Want ook dat kan. Twee mannen op het bankje bij Erik van de Sprekershoek van de Schrijverij.

Flarden van onbezonnen herinneringen vullen mijn gedachten op. Met z’n allen naakt over auto’s lopen, hysterisch lachen om niets en jointjes smoren aan het meer.

Uit: Woensdag 16-06-21 van Kotsen op Woensdag

En toen kwam de zondag. Ik ging een wandeling maken in de Amsterdamse Waterleidingduinen met lieverds F., G. en J.. Van mijn leeftijd, maar alle drie walgelijk fit en daar had ik rekening mee moeten houden. Eerlijk gezegd ging het al mis bij het bepalen van de wandelroute. Normaal gesproken sta ik met mijn snuit bovenop zo’n informatiebord om de meest korte route uit te zoeken, maar nu was ik vol vertrouwen dat de twee ‘captains’ een juiste keuze zouden maken.

Uit: Wandelen van Marita

 ‘Mijn leven was een heerlijk diner,’ vertelt de eerste, ‘mijn kindertijd een appetijtelijk voorgerecht, de hoofdschotel copieus en lekker en het dessert loopt zoetjes binnen. Ik had het voorrecht drie keer gelukkig te mogen zijn.’
De ander blijkt een globetrotter, wereldburger, selfmade en van vele markten thuis. Geamuseerd aanhoor ik zijn verwezenlijkingen: ondernemer, muzikant, schilder. Een vat dat bruist van kennis en filosofie. Overal geweest, alles gedaan, een erelint hier, een exotisch huwelijk ginder, op de foto met een beroemdheid daar. Genoeg herinneringen om een dik boek te vullen.

Uit: Twee mannen van de Sprekershoek van de Schrijverij

Nee (vangst #18)

Nee polariseert. Het vergt moed. Nee is scherp, afwijzend, een kruis om te dragen én om te geven. Diegene die het gebruikt heeft keuzes gemaakt. In een tijd waar een gemondmaskerde nee gemakshalve vervangen wordt door een nog niet staan drie schrijvers op om zich de negatie eigen te maken. Of het nu gaat om een weigerende tand, een ontbrekend argument of een grofmazig net; de acceptatie ervan is geheel aan u.

‘Al mijn tanden zullen uitvallen. Ik zit weer op de tandartsstoel. De tandarts probeert de tand te trekken met een tang, een koord en een boor. Ik krijs, ze slaat me knock-out met een staaf. Wat ze ook doet, de tand geraakt er niet uit.’

Uit: Iets dat niet loslaat van Julie Cafmeyer

‘Recent nam ik de beslissing om elke dag een één-regelig commentaar te posten op Facebook. De regel luidt: ‘Stel je niet aan.’ Liefst gevolgd door de naam van de persoon op wie ik reageer, want dat komt zichtbaar harder aan. Het voordeel aan “stel je niet aan” is dat ik me niet in het minst verplicht voel om steeds weer dezelfde argumenten aan te dragen. En waarom zou ik ook?’

Uit: Also sprach der aansteller van Marc Cloostermans

‘Ik zoek naar was die ik allang heb opgehangen. Vind een GSM in de frigo en een blok kaas in mijn sjakosj. Het loopt spaak in mijn hoofd.’

Uit: Ja vs. Nee van Marjon Meijer

Nu even niet over jou (vangst #17)

Voor u gepresenteerd, een lichting die november 2016 tot juni 2021 overspant. De oudste tekst heet geheel toepasselijk ‘Het Beste Heden’, terwijl de jongste tekst dan weer gaat over weerstand tegen de verheerlijking van het verleden. Maar dat is toeval. Het enige échte criterium voor selectie was dat de schrijvers schreven over mensen die schrijven over andere mensen. Nu ja, geldt dat niet voor bijna elke tekst? Inderdaad. En toch.

‘Dus mogelijk ging ik uit eten met Gilles, voor de krant. Dat was het plan. Wellicht. En zoals gebruikelijk mocht ik niet weten waar we uit eten zouden gaan. Dat laat Gilles slechts enkele uren van tevoren weten, via een gecodeerd bericht dat zichzelf na dertig seconden vernietigt. En wanneer ik het dan weet – áls ik het dus weet – mag ik tot publicatie van de recensie in het Parool aan niemand vertellen waar we aten. En al helemaal niet hoe het eten was. Laat staan dat ik iets kwijt kan over het interieur, de straat of wijk waar het restaurant (of bistro of eettentje of snackbar) gevestigd is. En nog minder over wat voor weer het was die dag en welke tram ik nam om ernaartoe te gaan – terwijl er in mijn wijk maar één tramlijn rijdt […]’

Uit: Nu even niet over jou van Ivo Victoria

‘Je loopt door die tentoonstelling en je denkt: dit is een toeristenval, zoals je schilders hebt op Montmartre, zo heb je Aborigenal-schilders, het getuigt van bekrompenheid om individuele schilders onder ‘aborigenal-kunst’ onder te brengen, stel dat je in Japen Nederlandse schilders samenbrengt onder de titel ‘Groeten uit Volendam’ of ‘Op Volendamse klompen’ of Vlaamse schilderijen als ‘Antwerpse keukens’ betitelt, net alsof Aborigines geen individu zijn. Bij de schilderijen die inderdaad louter en alleen aborigenal zijn, hangen echter wel naamkaartjes, het gaat dus om kunstenaars die individu zijn. Toch zijn die schilderijen allemaal hetzelfde, ze zijn de uiting van een aborigenal-kosmologie, stel je voor dat hedendaagse Engelse schilders naar Japan gestuurd worden en allemaal zijn ze geselecteerd op hun anglicaanse schilderwijze – wat te denken? 

Uit: Jij slechte mens van Johan Velter

‘Een paar verlegen studenten vroegen de conducteur, uitleggend dat ze opdrachten moesten doen, of ze iets mochten omroepen. Ze moesten dat doen vóór Gent Sint-Pieters. Het volgende station was Gent Sint-Pieters. Oei, zei de conducteur, en wat moet je dan omroepen ? Dat mag alles zijn, zeiden de studenten. Okee, zei de conducteur, dan mag je wel omroepen wat ik anders toch omroep. We komen aan op Sint-Pieters, hierna gaat de trein door naar Kortrijk. Oke, zeiden de studenten.

En ze riepen exact dat om, Vos. Met enkel een fijn weekend aan iedereen namens hun studentenvereniging. Geen rebellie, geen rock ’n roll, gewoon braaf wat ze gevraagd was. Ik ben daar dan maar uitgestapt en heb even een sigaret gerookt voor het station in de regen, me afvragend of ik iets anders had gedaan. We doen toch meestal maar gewoon wat ze zeggen dat we moeten doen. Het is nu eenmaal zo, het is nu eenmaal zo.’

Uit: Het Beste Heden van René van Densen

De terugkeer van de nostalgie (vangst #16)

Deze dinsdagochtend nemen we u mee op een cultureel verantwoorde trip down memory lane. Blogger Hoochiekoochie zag onlangs de film Hedda Gabler uit 1978 van Jan Decorte – naar een toneelstuk van Ibsen – en doet ons verlangen naar het Zweden van eind negentiende eeuw, toen manuscripten nog gewoon, uit pure verveling, in de open haard werden gesmeten. Rob van Essen leest voor het eerst De terugkeer van Joachim Stiller van Hubert Lampo en schrijft er ongemeen boeiend over in steeds genuanceerdere beschouwingen. Tot slot kijkt Philippe Clerick, onze favoriete gepensioneerde leraar waar we nooit les van hebben gekregen, ter gelegenheid van zijn zesenzestigste geboortejaar dapper vooruit. Maar niet zonder zich een moment lang weer een jonge dertiger te hebben gevoeld.

‘De lange stiltes die tot nadenken stemmen en observatie aansporen. Ga je van nog langere stiltes niet dood? Nee, natuurlijk niet want hoe meer stilte hoe meer er te horen valt en hoe duidelijker de contouren worden van wat wordt uitgesproken. Goede articulatie van een pijnlijk mooi Nederlands. Waarom horen we nog maar zelden onze taal zo speels en toch afgemeten klinken? Het gemompel van een Marlon Brando blijft ons hier bespaard.’

Hedda Gabler van Jan Decorte uit Hoochiekoochie van Martin Pulaski

De komst van Joachim Stiller is zo’n roman die beter of in ieder geval sympathieker wordt naarmate je je meer verdiept in de herkomst, de biografie van de schrijver, diens eigen commentaar op zijn werk. Dat is een zwakte van het boek, ben je dan meteen geneigd te roepen, gevoed door de opvatting dat de tekst voor zich moet spreken, dat de maker er niet meer toe doet als de tekst eenmaal bestaat; maar in plaats van zwakte kan je ook zeggen: eigenschap. (Misschien moeten we dat vaker doen: zodra iemand zwakte! roept meteen eroverheen gaan met: nee, eigenschap!)’

De herkomst van joachim stiller uit Reddend zwemmen van Rob van Essen

‘Het is echter juist omdat vijfenzestig zo’n mijlpaal was, met zo’n heftige gevoelswaarde, dat zesenzestig nu tegenvalt. Ergens moet ik het in mijn hoofd gehaald hebben dat de teller eeuwig op vijfenzestig zou blijven staan. Het is niet zo. De teller loopt door. Het is nu zesenzestig. And counting.

Laatst kreeg ik van een oud-collega, die mijn leeftijd heeft, vervroegde verjaardagswensen. ‘Het is nu ook voor jou ‘route 66,’ schreef hij. Dat was een aardige formulering. Woorden hebben een bezwerende kracht. ‘Route 66’ … ik voelde mij even weer een beginnende dertiger.

Ik word zesenzestig uit Clericks Weblog van Philippe Clerick

De schrijver has left the building (vangst #15)

De dader of de daad, de kok of het gerecht, de schrijver of de tekst. Wat boeit ons nu echt?

Elke marketeer zal je vertellen dat consumptie start met identificatie, en in zijn wereldbeeld wordt content geconsumeerd. Of niet. Het begint in elk geval met de schrijver als brand.

Caro Van Thuyne vindt dat een afgrijselijke gedachte, het Ministerie van Hysterie omhelsde ze maar ontdekte dat het ook niet alles is, en Marc Reugebrink wordt door een snotaap de mogelijkheid ontzegd om er nog überhaupt een mening over te hebben.

Een vangst over de moeilijke relatie tussen boeken en marketing, tussen cultuur en commercie.

(Maar wel dus helemaal gratis! Samengesteld door een redactie met boeiende levens! Ontdek hen nu!)

Er werd me gevraagd of ik een stuk wilde schrijven over een uitstervende soort. Ik schreef over de nachtzwaluw. Hoe zijn onzichtbaarheid altijd zijn bescherming was. En nu niet meer. Ik laat mijn stuk eindigen met het uitsterven van de mens. En met de hoop dat voor de nieuwe levensvorm die daarna zal ontstaan onzichtbaarheid andermaal een bescherming mag zijn. Een proeflezer merkte op dat ik het over mezelf had.

Caro Van Thuyne (het kleine kijken) in Op straffe van onzichtbaarheid.

Ik kan daar moeilijk bij. Je bouwt dus een business model uit op basis van Instagram, je lokt klanten op Instagram, je geeft cursussen over Instagram en laat mensen jou betalen – om dan zelf te crashen door het medium waar je zo hoog mee oploopt? De wereld is om zeep, liefste lezertjes, de wereld is om zeep.

Laura Buelinckx (Ministerie van Hysterie) in Lijstje nr 8

Wat ik niet had verwacht, was die ene jongen die in het midden van mijn betoog naar het stapeltje boeken keek dat ik geschreven heb, me taxeerde en plompverloren zei: ‘Dat heb jij niet geschreven.’ Wel degelijk, zei ik, en wees op de diverse auteursfoto’s. ‘Dat ben jij niet’, zei hij. En ja, ik moet toegeven dat mijn auteursportretten allemaal zijn gemaakt door zulke bekwame fotografen dat de afstand tussen foto en werkelijkheid soms groot is.

Marc Reugebrink (de Inwijkeling) in Literatuurvaccin

Wandelverhalen (vangst #14)

Soms heb ik geen zin in vlammende pennen, sterke woorden, boodschappen van algemeen belang. En ach, zelfs een pointe kan soms storen, al te vaak zo luid gebracht. Alsof je de schrijver kan horen schreeuwen door het scherm, door de woorden door, recht in je oor, met speekselspetters en al. Dus voor deze week een collectie zonder veel verzet of urgentie. Observaties, gepresenteerd als terloopse poëzie, worden u in een boswandeling gebracht door Anne Broeksma. Marc Kregting schrijft dan weer een overpeinzing over het bijzondere taaluniversum van de recent gestorven Hafid Bouazza. En tenslotte, een Kleinnood, of een gedicht zoals een sneeuwvlokje, van Arne Schoenvuur.

‘Het centrum van dit dorpje bestaat uit een kruispunt met een gesloten hotel, een gesloten restaurant en een gesloten kerk. Naast de deur van de kerk hangt een plakkaat: ‘voormalig hervormde kerk’. Ik vraag me af welke stroming er nu dan in het kerkje huist. Erachter ga ik zitten op een stenen plateau, met uitzicht op de slangenmuur rond het kasteel. Boven me steken takken fel af tegen een blauwe lucht. De winter trekt veel lijnen, maar vult weinig op.’

Uit: Oud-Zuilen van Anne Broeksma

‘Als schrijver was hij dus ook een lezer. Bijvoorbeeld van Geerten Gossaert, wiens Experimenten in het verleden is wegeijld (deze zin klopt grammaticaal). Eens te meer een prestatie, omdat Bouazza pas op zijn zevende Nederlands begon te leren. Is dat voordelig geweest voor de derde gedaante waarin hij dit communicatiemiddel testte: die van vertaler uit het Arabisch?’

Uit: Voedsel voor het oog van Marc Kregting

‘Ik zal aanbelanden

Een vogel

In volle vlucht

Vroege voorjaarsbloem

Op de randen

Van kelk, blad, omsprietend gras

Aan de oever

Of in de rivier

Als ik geluk heb

Wie weet

Ooit in jouw handen’

Uit: Kleinnood van Arne Schoenvuur

Op het kruispunt van de liefde (vangst #13)

Tien jaar geleden ontdekte ik als bij toeval de blog van Julie Cafmeyer en na één paragraaf was ik fan. Een decennium later is dat nog steeds zo. Ze schrijft prachtig over de hunkering naar liefde en over het onvermogen van haar talrijke geliefdes om het haar te schenken. Dat brengt me bij Ben die op een kruispunt in een anoniem Nederlands dorp het voorbij flanerend leven observeert en in de verte een muze ontwaart waar Martin Bril speciaal de rokjesdag voor heeft uitgevonden. Tot slot een mooi stuk van Bart Moeyaert over Renate Dorrestein en hoe haar dagboek hem inspireert zijn Voor Ooit-lijstje verder uit te diepen. 

‘Hannah zei: “Het probleem is dat jij liefde verwacht van iemand die je dat nooit zal geven. Ik begrijp wel dat het pijn doet als de liefde voorbij is. Maar liefde blijven verlangen van iemand die al meer dan een halfjaar uit je leven is, wordt op den duur absurd. Je kan net zo goed van een willekeurig iemand die je op straat passeert verwachten dat hij je zijn liefde verklaart.’

Uit: mijn-nieuw-ex-lief van Julie Cafmeyer

‘Columnist en schrijver Martin Bril zag overal een verhaal in. Over elk kruispunt in Nederland zou hij een ‘stukkie’ willen schrijven. Het is er niet van gekomen, hij ging te vroeg dood. Over elk kruispunt? Ook over de kruising Anjerlaan/Zonnebloemlaan in Hoevelaken, vlakbij mijn huis? Hier gebeurt nooit wat. Ik neem de proef op de som. Ik ga met pen en papier bij dit kruispunt op een stoeltje zitten.’

Uit: kruispunt van Ben de Graaf

‘Via dit boek heb ik de mens achter de boeken leren kennen, de vrouw tijdens de boeken ook — als je begrijpt wat ik bedoel. Ik heb haar helden, haar stokpaardjes, haar demonen gezien. Er zijn namen, plekken, titels gevallen die ik tijdens het lezen meteen ben gaan opzoeken, om ze op mijn Voor Ooit-lijstje te zetten. Het woord dat ik na het lezen in mijn hoofd had en hier hogerop al heb genoemd, komt weer bij me op. Dankbaar dat ik Dorrestein postuum veel beter heb leren kennen.’

Uit: Instagram van Bart Moeyaert