Wanneer is iets zichzelf? (vangst # 82)


Soms fonkelt de herfsttrompet al aan de horizon. Bladeren krullen, verschrompelen, vergelen. De sapstroom wordt slomer. Tom Wouters, een van de bloggers in deze vangst, zoekt al een poos een rijmwoord op herfst. Doctorandus P is daar in geslaagd: ‘Driewerfst hoera.’

Sommigen vinden de herfst een treurig seizoen waarin alles oud wordt, vervalt en tenslotte sterft. Anderen zien zijn charme. Het is maar hoe je naar de dingen kijkt. Maar blijven die dingen altijd zichzelf?

Tom Wouters beschrijft op poëtische en hilarische wijze een citytrip in de Slovaakse stad Poprad. Het is eens wat anders dan een stereotiep, glimmend vakantiefoldertje. Poprad lijkt maar afgeleefd. Poprad heeft een museum met zijn eigen helden! Of zijn het antihelden, schimmen en fantasten? Marieke Groen herinnert zich dan weer een plek waar het afgeleefd bleef, zonder schoonheid of grapje. In de Frietsteeg huurde ze ooit een gammele etage boven een patatkraam en leerde zij dat ‘alles met vier muren en plafond kan worden verhuurd’. Ze vertelt over de poenpakkende huisbaas die nooit wat herstelde in het krot. Het huis was al lang zichzelf niet meer. Tenslotte staat Marij stil bij het zicht van de dingen en hoe iets is, door welke ogen je het kan zien, zie je het wel met je eigen ogen? En ze vraagt zich zo mooi af hoe iets op verschillende keren op een andere manier zichzelf kan zijn.

De meeste van de statige huizen waar vroeger thee en koffie uit verre landen werd gedronken staan nu leeg. Vensters zijn gebroken en er zitten scheuren in de gevels. Het zou best kunnen dat niemand ze ooit nog opnieuw zal opbouwen, dat de huizen verder zullen blijven scheuren tot ze als verwelkte bloemen uit elkaar vallen.
Dat geldt ook voor de basiliek in het midden van de stad. Vroeger was die het pronkstuk, nu kauwen de waterspuwers op het steenpuin dat langs de toren naar beneden valt. En dan zijn er de inwoners. Die zijn net als de gebouwen krom gaan staan, alsof de verkommering zich langs de muren van de stad langzaam een weg heeft gebaand naar hun gewrichten. Mannen en vrouwen scheren zich niet meer, kinderen zijn al generaties lang het huppelen verleerd.

Uit: Poprad, Blog – Het ongerijmde

De trapleuning lag er altijd af, op sommige stopcontacten stond geen stroom en als het regende stroomde het langs de muren naar binnen.
‘Misschien toch eens aan de verhuurder vragen of hij het dak repareert,’ zei mijn verzekeringsmaatschappij toen ze voor de derde keer langskwamen om de schade op te nemen
.’

Uit: De Frietsteeg van Marieke Groen

Ik weet niet hoe ik de zee zal zien deze zomer.
Door de bril van een jonge moeder die high is van uitputting, met borsten vol melk en een navelstreng die is weggeknipt maar toch aan haar lichaam trekt bij elke zucht van de baby?
Door de bril van een jonge vader in de volheid van zijn levenskracht, die alle verantwoordelijkheid trots en waardig op zijn gespierde schouders draagt?
Door de ogen van een kleuter, uitgelaten over schep en schelp en onooglijk in de vlakte van zand en de oneindigheid van lucht en water?
Of door de ogen van een baby, al dat felle andere licht en die zilte nieuwe lucht, die eerste indrukkingen in de blanke klei van die mensenwelp?
Of zal ik deze zomer de zee zien door mijn ogen en denken aan al die keren dat de zee op een andere manier zichzelf was?

Uit: Zee Zicht, op Fragmenten – Zon, Zen en Murphy

Openbare plaatsen vol geluk: de vangst van Vera Ikuni Chioma

De eerste blog die ik koos is van Jan van Mersbergen. Hij bespreekt zijn kanshebbers voor de Nobelprijs voor Literatuur. Ik hou er gewoon van als mensen genieten van het lezen van boeken van een bepaalde auteur. Iedereen die schrijft, heeft een ander idee heeft van wat literatuur is. Ik vind het ook interessant om verschillende soorten boeken te lezen.

Kristel Gijbels schrijft over onze lafheid om treurende mensen aan te spreken; de angst dat we hen alleen maar aan hun eigen verdriet zouden herinneren. We voelen ons ellendig en schuldig, terwijl we er niks aan kunnen doen. Heel triest.

Mijn favoriet is Vallende bloesemblaadjes en een zelfportret van augurken door Mila Milosevic. Sommige openbare plaatsen zitten vol geluk. Soms lezen we om alleen te kunnen zijn, maar door ons open te stellen, kunnen we mensen vinden met gemeenschappelijke interesses. We moeten proberen het plezier van lezen te delen.

Ik heb al zo veel boeken van hem, de boekenkast trilt onder het gewicht van King, maar keer op keer blijkt zijn werk uiterst scherp en helder, alle zinnen zijn goed, de verhalen zijn bijzonder fantasierijk en tegelijk totaal aannemelijk, en wat het meest opvalt: hij levert. Als je al 81 boeken, zoals de flap vermeld, geschreven hebt, en je hebt nog de puf om een heel dik en mooi en overdonderend verhaal te schrijven over een tijdreis naar de jaren voor de moord op Kennedy, en iedere bladzijde is een feest, dan mag je van mij die prijs in Zweden wel op gaan halen.

Uit: Nobelprijs van Jan van Mersbergen

Schuld en schaamte doorwoekeren levens als slingerplanten. Moeten we een leven niet gewoon herinneren om wat het was, niet om wat had kunnen zijn? Moeten we niet ophouden te denken in termen van affe of onaffe levens? Levens zijn levens. Punt. En die zijn het waard om herinnerd te worden, hoe kort of hoe lang ook, hoe pijnlijk dat herinneren ook is. Onlangs vertelde een papa wiens kind plots in zijn slaap gestorven was dat mensen niet meer met hem durfden te praten. Ze konden niet door zijn zware wolkendek van verdriet heen. Zo annihileerden ze niet alleen het bestaan van zijn zoon, maar ook dat van hem.

Uit: Annihilatie van Een leven in snippers

Een oude vrouw, zo’n lieve oma, mompelt ‘Mooi boek he?’ Ze krijgt een verbaasde blik van mij terug: ‘Pardon?’ ‘Zo mooi geschreven is dat, niet? Asher Lev?’ Nu praat ze luider. ‘Ja, jazeker’ Reageer ik nog steeds beduusd. Dit is een van mijn eerste treinconversaties in tijden, ik blijf haar aankijken. ‘Is het je eerste keer?’, wijzend naar het boek. ‘Ja, ja, klopt, maar het is erg mooi.’ Ons gesprek valt stil. Als de deuren opengaan om de passagiers uit te laten kijk ik haar nog eens aan: ‘Fijne reis nog!’ ‘Jij ook!’ Het is dat ik Oomen pas de volgende dag zou horen praten en voordragen, anders had ik kunnen zweren dat ook nu mijn hart een klein, zacht perenliedje zong, misschien zelfs maar neuriede. Het maakte de regen minder ergerlijk, mijn tentamencijfer mooier en dat ik, toen ik het boek uitlas, aan haar dacht.

Uit: Vallende bloesemblaadjes en een zelfportret van augurken van Babel Magazine

dav

“Later ga ik mijn eigen boeken drukken.”

Met de start van het nieuwe schooljaar is Aanlegplaats haar gastvisser van de maand gaan zoeken tussen het jong geweld. Niet zonder schroom, want betekent het concept ‘blog’ überhaupt nog iets voor Generatie Z? Welkom in de wereld van manga, K-pop en Tiktok.

Vera Ikuni Chioma (17) begint deze week aan haar 5de jaar Printmedia op Kunstkaai (voorheen Stedelijk Lyceum Cadix) in Antwerpen. Drie jaar geleden kwam ze vanuit Nigeria naar België. In de drukkerij in het voormalige Kot van de dokwerkers op het Eilandje is Vera ondertussen helemaal in haar element. “Drukken is echt interessant. En moeilijk! Ik zie het als een spel dat ik moet zien te winnen.” Naast school werkt ze in Eetcafé De Bibliotheek in Wijnegem Shopping Center en houdt ze van lezen en schrijven. “Het lijkt me geweldig om later mijn eigen boeken te drukken.”

Wat schrijf je?

Soms schrijf ik verhalen op basis van de manga’s die ik lees. Of mijn zus heeft een idee en dan werk ik het uit.

Lees je veel manga?

Heel de tijd. Zoveel dat het mijn leefwereld beïnvloedt. ‘Wat als ik doodga en in een andere wereld terechtkom?’ denk ik dan.

Komt dat veel voor in manga?

Ja, een typisch mangaplot is dat iemand gepest wordt, teruggaat in de tijd en daar dingen verandert zodat hij in het nu zijn pester kan domineren. Maar het kan ook zijn dat iemand verliefd is op zijn zus, of dat zijn vader niet zijn echte vader is.

Moeilijke situaties.

Inderdaad, moeilijke situaties. Er is ook veel ‘romance’ in manga, maar dat vind ik minder interessant. Ik zoek vooral op ‘time travel’, ‘martial arts’, ‘reborn’ en ‘revenge’.

En waar vind je dat dan?

Ik ga naar een site als mangabuddy.com en volg de manga die ik interessant vind. Wekelijks of zelfs dagelijks verschijnen er nieuwe hoofdstukken van een reeks. Een manga bestaat uit honderden, soms wel duizenden hoofdstukken. Ik lees meestal op mijn telefoon. Hoewel het gemakkelijker is op een tablet of laptop, want er zijn veel tekeningen en weinig tekst.   

Als je schrijft, is dat altijd fictie?

Ja, mijn eigen leven hier is te saai om over te schrijven; het speelt zich voornamelijk af op mijn telefoon. In Nigeria zat ik op internaat en was er geen internet. Daar schreef ik wel over wat ik meemaakte.

Post je soms iets dat je schrijft op sociale media?

Nee, ik ben bang van haters, van gemene commentaren. Hoewel, ik heb net een nieuwe Tiktok-account aangemaakt. Misschien durf ik het daar wel.

Van wie zou je graag een persoonlijke blog willen lezen?

Van Jeon Jung-kook van BTS, die Zuid-Koreaanse boy band. Hij is degene die altijd in het midden staat. Mijn bias…

Bias?

Mijn favoriet.

En waarom hij?

[Zucht] Heb je al eens een video van hem gezien? Hij kan goed zingen, goed dansen en is écht knap.

Benieuwd welke knappe bloggers Vera uit de haven vist? Lees het dinsdag op Aanlegplaats!

Het volume van de magie (vangst #81)

‘Back to reality’, schreef mijn baas deze week. Een van de ergste geboden ever. Onze bloggers weten dat. Zij begrijpen de nood aan fantasie en laten zich in hun denken, schrijven én leven niet beknotten door de grenzen van de werkelijkheid. Nu september nadert, voeren ze het volume van de magie nog eens op.

Het kotsende alter ego van Sam Sterckx leeft noodgedwongen op ‘rum, sigaretten, joints en een klein beetje coke en water’. Zou een toevallige ontmoeting op de rommelmarkt hier verandering in brengen? Werner de Valk schreef een prachtig verhaal over een destructieve hike met zijn vriendin. Gelukkig hebben ze de foto’s nog. Swipe! Dennis Pauwels klungelt op magnifieke wijze met een toverstaf.

LA LA LA LA LA – wij horen geen klasafspraken, Zoomherinneringen of vastgelopen kopieerapparaten.

Toegeven, ze is waas, subjectief en ondergesmoord, maar tot nu toe leef ik nog altijd in dezelfde fantasiewereld waarin ik schoonheid van afschuwelijk weet te onderscheiden. Denk maar aan Lindsay, zij valt zonder twijfel onder die tweede categorie. Joël, en heel zijn hebben en houden dat hier uitgesteld staat, ook. “Als u mij vijftig euro geeft, en geloof mij dat is praktisch gratis, is ze van u.” Hij wijst naar de schrammen onderaan de poten en het likje verf, waarvan ik vermoed dat het dezelfde kleur is waarmee Joël de keuken vorige zomer opfriste. Ik zak naar veertig euro en de man – die denkt dat hij de koop van zijn leven heeft gedaan – stemt in. Ik steek één briefje van twintig euro in de pot en het tweede in mijn broekzak.

Uit: 24-08-’22 van Kotsen op woensdag

Nog een afgrond, heel leuk, doe maar weg, volgende foto.

Volgens mij probeerde ik hier iets met touwen te fixen. Lukte ook al niet, natuurlijk, vond je grappig. Zó grappig, hoe ik alles net niet kon of net niet durfde. Maar het idee was goed, de constructie zelf. Het was gelukt als je me wat meer tijd had gegeven. We hadden daar prima kunnen slapen.

Hier had ik jou vastgebonden. Dat vond je echt spannend, hè, dat je niet los kon komen? Jezus, ik heb je nog nooit zo geil meegemaakt.

Daar zie je hier al niets meer van. Deze is van na de ruzie van die ochtend geloof ik, dat ik terug wilde en dat jij dat toch echt zonde vond. Hallo, kijk je wel?

Uit: Dit is ook mijn vakantie van Hard//hoofd

‘Hocus Pocus Pats. Ik wou dat dit potje verdwenen was!’ Niets verdween. ‘Hij werkt niet,’ zei je. ‘We moeten hem in het vuur steken!’ Ah ja. Niet veel eerder vertelde ik je over de klei en hoe die hard wordt in de vuurschaal in onze tuin. Knutselwerken die eerst door wat water weer konden vervormen, bleven nu magisch bestaan. Loeihard. Ook onze toverstaf moest in het vuur. De droogte van de zomer liet geen tuinhaarden meer toe, dus ontstak ik lucifers onder de steen, terwijl ik hem ronddraaide als een zaterdagse kip.

Uit: Toverstaf van Brieven aan mijn zoon

Het blauwe uur (vangst #80)

Het is altijd moeilijk om uit de veelheid aan sterke verhalen in onze haven er drie te selecteren. Zelden zoek ik op voorhand naar onderlinge verbanden en soms zijn die er ook niet. Als er in de selectie van deze week één rode draad zit dan is het lichtvoetigheid. Ondanks de beladen thema’s. 

We bijten de spits af met Koen Vandenborre die in enkele impressionistische zinnen de sfeer van Saint-Tropez bij valavond – en ook het type vrouw dat je daar aantreft – schildert. L’heure bleue aan de Côte d’Azur. 

De betreurde Remco Campert was een unieke stem in de Nederlandse literatuur. Katrien Scheir van Catherine Ciseaux schreef een ontroerende brief aan de grote schrijver van het morsige gebaar. Nog voor de laatste as van zijn laatste sigaret tot stof en blik weerkeerde, mist ze hem al. En ze kan heel goed onder woorden brengen wàt hem zo uniek maakte.

Afsluiten doen we met Ivo Victoria die op ogenschijnlijk afstandelijk ironisch maar uiteindelijk betrokken wijze reageert op een stuk van Ronit Palache dat in Nederland veel deining veroorzaakte. Het is een intelligente kanttekening bij een zeer goed stuk. En verder hou ik van Ronit Palache. Meer moet u er niet achter zoeken.

Er zijn een aantal zaken die Fransen, vooral dan diegene die aan de Côte d’Azur verblijven, met Franse koppigheid volhouden. Een ervan is roken. Ergens past het wel. Daar waar het al snel vulgair wordt of ronduit zielig, als je bij ons nog iemand een sigaret ziet opsteken, behoudt het hier de uitstraling van weleer. Ik vermoed dat het iets met de stand van de lippen te maken heeft die dankzij de Franse taal de perfect mal vormen voor een Gauloises of een Gitanes.’

Uit: Saint-Tropez van Koen Vandenborre

‘U had al wat geregeld op een begraafplaats, gezellig met vrouw en vrienden bij elkaar. Bij het bezoek aan uw eigen graf vertelde u: “Het was een mooie, zonnige dag, het graf lag er goed bij. Ik kreeg er bijna zin in.”’

Uit: Brief aan Remco Campert van Katrien Scheir

‘Maar goed, dat bedacht ik natuurlijk allemaal pas achteraf, onderweg naar huis, in de duisternis die definitief bezit had genomen van het weidse landschap dat ik doorkruiste, en hoe langer ik erover nadacht, hoe meer sympathie ik kreeg voor Ronit Palache, die ik helemaal niet ken overigens, maar die me nu voorkwam als simpelweg passioneel van aard, iemand die niet wilde verliezen en dan vooral niet van zichzelf – een kwaliteit die je tegelijk kwetsbaar maakt en die anderen romantisch en naïef noemen, een enkeling ‘flauwekul’ – en dat herkende ik allemaal, en hoe kon dit artikel nu toch zo verkeerd uitpakken?’

Uit: Lul van Ivo Victoria

Op het bankje (vangst #79)

Je treft in onze haven in deze periode meer luchtige en goed geschreven vakantieverhalen aan dan dat er wespen komen aanschuiven bij de buitenfeestdis, maar die verhalen laten we je deze week maar even zelf uit het warme water vissen.

Onze aandacht werd namelijk getrokken door drie net zo luchtige, maar bijzonder indringende stukken over de Grote Vragen des Levens.

Herman Loos heeft een leven aan de bovenkant van de maatschappij, inclusief een gastenbadge van het Europese Parlement, en een aan de onderkant als fietskoerier, naast nog een paar andere. Wie mag hij dan wel echt zijn, vraagt hij zich af, als hij al iemand is. Marc Reugebrink is Nederlander in Gent en Belg in Berlijn, en wie is hij dan in Nederland? Martin Pulaski ten slotte, stoft een oud verhaal af over Roland, die dood wil, en misschien toch ook weer niet.

Drie geweldige stukken zijn het.

Ik was niet gebleven in het Parlement na mijn toespraak. Netwerken had ik gemoeten. Voor hetzelfde geld geef je volgend jaar een gastles bij de aardige professor van Oxford of verhuis je naar Madrid om medewerker te worden van de aardige man van Just Eat. Want zo werkt het.

Maar ik wilde gewoon thuis zijn, op het bankje in de tuin zitten, een corona drinken en luisteren naar de werkbesognes van mijn vrouw.

Uit: Een leven vol levens op Here comes Herman

Zo ik iets ben, is het géén Belg, wilde ik zeggen, maar ik besefte bijtijds dat het luchtige gesprek aan de houten tafel met de banken, bij het geruis van verkeer en de hier bovengronds langsrazende U2 dan erg ingewikkeld zou worden. Enerzijds betekent ‘der Belgier’ hier in Berlijn een soort van inburgering; ik ben hier niet meer helemaal anoniem. Anderzijds wijst die benaming me op mijn vreemdheid. Ik heb het de laatste jaren steeds vaker: de neiging me dan in godsnaam toch maar te identificeren met hoe de gemiddelde Vlaming mij na bijna 25 jaar nog steeds ziet: niet als ‘Hollander’ (ook daartegen heb ik me altijd verzet), maar als ‘Nederlander’..

Uit: Dagen in Berlijn 22: Der Belgier muß parken op De Inwijkeling.

Ronald is een architect die in de jaren zestig zijn laatste huizen heeft ontworpen. Zijn radicale visie op architectuur, geïnspireerd door de bevindingen van Internationale Situationniste, sloeg echter niet aan in dit platte land van ons. Ik wijs – niet al te opvallend – naar Alfred en leg uit dat hij diep in de put zit. Ronald haalt de schouders op.
“Niemand mag sterven, Ronald”, zeg ik.
“Laat ze er toch allemaal een eind aan maken”, zegt Ronald. “En trek het je niet aan, als ze het willen doen ze het toch. Niemand houdt hen tegen”.

Uit: Kreten en gefluister op Hoochikoochie

Langs achter gepakt (vangst #78)

Twee onlangs aangemeerde schepen op Aanlegplaats ontmoeten in deze vangst een zeer ervaren blogger. Samen voorzien ze ons van nieuwe perspectieven, frisse inzichten en stof tot nadenken. Niet over Grote Menselijke Gevoelens deze keer, nee, het overkoepelend thema betreft een zeer specifieke gewaarwording: langs achter besprongen worden door een dier.

Of de aanval komt vanuit geilheid, speelsheid, agressie of een hongerke; door een hond (zoals bij Els Claessens), een haan (in de herinnering van Marijke Cornelis) of een buizerd (in het krantenbericht waar Pascal Cornet zich over opwindt): de sensatie moet voor het slachtoffer hoe dan ook onaangenaam zijn. Hoewel we ons ook, zoals Pascal Digital ons op het hart drukt, niet teveel moeten verleiden om vanuit het menselijk perspectief te redeneren. De natuur is wat ze is en ‘wie weet hoe het voor een chihuahua voelt om chihuahua te moeten zijn’?

Op hetzelfde moment zie ik dat Maurice mijn haarbal voor de derde keer langs achter probeert te pakken. De man ziet het ook en rent naar de honden toe. Hij graait naar zijn hond, mist, struikelt en gaat in een vloeiende beweging, net naast de honden, tegen de vlakte. Zijn hond verliest in de commotie zijn focus niet en blijft naar een opening zoeken, terwijl James – hijgend van vermoeidheid – naar een overvliegende duif staart.  

Uit: Hondentaal  van Gebeur-te-lijke ongevallen

Hij heeft drie hennen ter zijner beschikking. Daar is één kuiken van gekomen. Het lijkt op hem. Het kleine ding weet soms niet welke kant het op moet. Het trip-trapt bijna met zijn onvolwassen bek tegen een bloempot. Nu en dan gaat de haan op zijn tenen staan en spreidt zijn vleugels, klappert breeduit. Hij wil indruk maken. Het werkt. Ik ga achteruit.

Ooit zag ik een haan een vrouw langs achteren bespringen. Zij hing de was op in een gênant kort zomerjurkje. De haan sprong op haar billen en gleed met uitgeslagen vleugels klapwiekend langs haar benen neer. Een spoor lelijke krassen bleef achter in haar vel.

Uit: Op reis van Zon, Zen en Murphy

Het bericht over Chipie-de-chihuahua is exemplarisch. Als je het goed leest, blijken er toch wel wat onderhuidse manipulaties in naar voren te komen. De hond wordt impliciet vergeleken met een kind. ‘De 5-jarige Chipie was aan het spelen.’ ‘Om het leven komen’ is een uitdrukking die normaal gezien eerder voor mensen dan voor dieren wordt gebezigd. ‘Op gruwelijke wijze’ is tendentieus. De exacte plaatsbepaling, in een tuin ‘in Ham-sur-Heure-Nalinnes, in de provincie Henegouwen’, is ook nogal antropomorfiserend. En dat geldt ook voor de rest van het artikeltje, dat u zelf maar eens moet napluizen – als u tenminste niet al bezweken bent onder de emoties.

Uit: Notitie 253, Een gruwelijke moord van Het leven als voorlopige oplossing

De vangst van Lise Delabie (vangst #77)

Ons leven is irrelevant. Niet mijn woorden, maar die van Kundera in de openingspagina’s van ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’. Doordat alles maar één keer gebeurt, verliest ons leven alle zwaarte, elke betekenis.

Net wanneer ik dreig ten onder te gaan aan die ondraaglijke lichtheid, bots ik op de volgende drie reddende blogs. Hun nuchterheid helpt om ons lot toch iets beter te torsen. Katrin Van de Velde deelt die melancholie, maar vindt een tegenpool in het onverwachtse Overzicht dat je zelfs tijdens nachtelijke toiletbezoekjes kan overvallen. Vincent Merckx, een toonbeeld van vergeving, waardeert de levenswijsheid van vierentwintig maanden jonge parmezaan en in de voetsporen van Tom Wouters besliste ik zonet om de grillen van ons bestaan dan maar gewoonweg te accepteren.

Al mijn hele leven wil ik onverstoorbaar zijn. Ik doe mijn best, maar heb er geen aanleg voor.
Op mijn onverstoorbaarst ben ik wanneer ik ’s nachts op de wc een velletje papier afscheur en dat in slow motion zie gebeuren.
 ‘

Uit: ‘Dinsdag 31 mei’ op Dagvinder van Katrin Van de Velde

Een driehoek parmezaan sprak me er toe via het digitale prijsetiket, FAIL blokletterde het, ik nam het niet persoonlijk. Misschien had hij gewoon een slechte dag, was hem vanmorgen gedaagd dat de rasp ook hem wachtte.

Uit: ‘De aard der dingen’ van Vincent Merckx

Zij wilden onder onze huizen de geschiedenis blootleggen die verloren was gegaan. Wij zagen daar het potentieel wel van: al deze mensen moesten wanneer ze uren in het verleden hadden zitten graven altijd weer opduiken in het heden om te eten en te drinken.’

Uit: ‘Een dorp van archeologisch groot belang’ op Het ongerijmde van Tom Wouters

Lise Delabie, het interview

U kent haar misschien alleen tussen haakjes – ze recensent literatuur bij Humo als (ld) – maar Lise Delabie verdient haar naam ten volle. Niet alleen als voormalig chef boeken bij Cutting Edge en als recensent bij ‘de lage landen‘ en Humo.

In tegenstelling tot wat het cliché wil kan ze ook geweldig goed schrijven. Lees bijvoorbeeld Few leopards are left, waarmee ze de finale van de Rode Oor wedstrijd haalde in 2021, en ga naar haar luisteren in Oostende, in het najaar. Ze resideert drie weken bij De Letterie, als laureaat van de schrijfwedstrijd Vloed.

Indien iemand in Vlaanderen nog een literaire uitgeverij wil beginnen, Lise is een gouden tip.

Maar waarom ben je nooit met een blog begonnen?

Maar ik had een blog! Tussen droom en daad heette die. Ik ben ermee begonnen omdat ik dacht dat zo’n blog een perfect oefenplatform zou zijn voor mijn fictie en me bovenal zou dwingen regelmatiger te schrijven. Schrijfdrang genoeg, maar toch vind ik altijd andere prioriteiten.

Lezen en recenseren bijvoorbeeld. Het is natuurlijk een beetje vreemd dat ik als would be publicerend schrijver een oordeel ga uitspreken over schrijvers die wél een uitgever hebben. Ik voel me dus niet geplaatst om boeken te kraken. Gelukkig hoeft dat niet: ik schrijf eigenlijk alleen maar over boeken die ik interessant vind, waarin ik opvattingen over literatuur en het leven terugvind die iets bij me teweeg brengen. Wat niet wil zeggen dat ik ze ook allemaal goed vind. Wel onder de indruk was ik de laatste tijd van de verhalenbundel Vaders die rouwen van Carmien Michiels en van Moya De Feyter’s Een heel dun laagje.

Soit, ik ben met mijn blog gestopt toen ik merkte dat ik hem vooral gebruikte om te schrijven over het feit dat ik niet schreef. Nu pak ik het anders aan, en zorg met een schrijfgroepje voor genoeg sociale druk om me bij de les te houden.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?

Charlotte Van den Broeck. Zij zeker. In Waagstukken heeft ze al laten zien hoe ze beschouwingen over ‘mislukte architectuur’ kan laten overvloeien in persoonlijke overpeinzingen. En dat is wat goede blogschrijvers doen: vanuit een eigen kijk teksten schrijven die een universele waarde krijgen, die meer worden dan anekdote of spielerei.

Charlotte dus.

Annelies Verbeke ook. Ik kan me voorstellen dat haar blog zich perfect zou lenen tot kleine stukjes met een absurdistisch randje. Ik houd van haar gevoel voor humor, en de verontwaardiging die in sommige teksten sluimert.

En bij de noorderburen graag Auke Hulst en Bregje Hofstede, om de eenvoudige reden dat ik hun proza graag lees en meer wil. Bregje Hofstede heeft een onderzoekende en tegelijk heldere stijl, Auke Hulst kan zeer ontwapenend schrijven door een combinatie van humor en emotie. 

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

Daar zou ik als recensent natuurlijk een goed antwoord op moeten kunnen geven … (lacht)*

Voor een blog hanteer ik niet echt andere criteria dan voor andere vormen van literatuur. Een verzorgde stijl, een verrassende woordkeuze, een opening die triggert. En al zijn ze een beetje versleten, ‘eigen stem’ en ‘authenticiteit’ zijn voor mij toch de kernwoorden. Het kan me nauwelijks wat schelen waarover zo’n blogger het heeft (al heb ik stiekem een zwak voor van die melige moederblogs), en hoe hij zijn verhaal brengt, zolang hij me maar kan overtuigen dat hij het meent. Dat het raakt, een passie is.

Een blog is bij uitstek een eigen plek, waar je interesses kan verkennen en een kijk of een ervaring kan delen. Dat persoonlijke zoek ik, zolang het de autobiografische anekdotiek maar overstijgt: de werkelijkheid verdient het om bijgekleurd te worden.

* We konden het niet laten om het toe te voegen, zo’n Humo (lacht), relict uit onze jonge jaren. En het is nog waar ook: Lise lacht veel.

De ronde van melancholia (vangst #76)

Ondanks de talrijke overwinningen van Wout Van Aert in de ronde van Frankrijk zorgde het warme zomerweer voor een melancholische stemming onder de bloggers in onze haven. Niet getreurd echter want er zaten talrijke prachtige teksten tussen.

Een zeer aangrijpend stuk was ‘Oke’ van En Passant. Na de slotzin was het lang stil in mijn hoofd. 

In de De rode valies schetst Tanja Wentzel een warm portret van haar vriendschap met de Gentse journalist en schrijver Laurens De Keyser – een man die elk jaar ‘Een ontgoocheling’ van Willem Elsschot herlas. Een lovenswaardige traditie. Haar tekst maakte mij in ieder geval zo nieuwsgierig naar het werk van de betreurde journalist dat ik binnenkort in bibliotheken en antiquairs op ontdekkingsreis vertrek naar zijn boeken.

Tot slot mocht ook Erik Herbosch van De Sprekershoek van de schrijverij niet ontbreken. Als er iemand de juiste pen heeft om over lang vervlogen Tours te schrijven dan is hij het wel. Iedereen die ooit negen jaar is geweest en op een fiets zonder versnellingen – maar wél met een sticker van Ward Sels – de ene na de andere eclatante zege behaalde, zal zich in ‘VakantieFomo’ herkennen. 

‘Ik weet niet waarom ik nu precies aan mijn oma’s herinnering denk. De endocrinoloog heeft net verteld dat ik geen kinderen kan krijgen. Mijn eierstokken functioneren niet meer. Meer dan twintig jaar vroeger dan de bedoeling is hebben ze er de brui aangegeven.’

Uit: Oke van Fien De Block

‘‘Kom me maar snel nog eens bezoeken,’ zei hij. Zo vaak had hij over dood en afscheid geschreven, maar toen zijn einde nabij was, deed hij alsof er nog een volgende keer zou zijn. Ik sprak hem niet tegen.’

Uit: Verjaardag van Tanja Wentzel

‘Ik spring de fiets op. Een oranje ding dat klein blijft terwijl ik elke dag groter word. Versnellingen heeft hij niet maar wel het stuur van een koersfiets. Daarop kleven kleine stickers. Ward Sels. Rik Van Looy, hij lijkt op mijn vader, kijkt mij vanuit de hoogte aan met misprijzende blik. Allebei dragen ze een petje van Solo Superia. Raymond Poulidor, de eeuwige tweede en Jacques Anquetil, de eeuwige eerste, groot idool van mijn broer, al prijkt zijn foto wel op mijn fiets.’

Uit: Vakantiefomo van Sprekershoek