Jo Komkommer leefde als kind al te veel in zijn hoofd en dat is er met het klimmen der jaren niet op verbeterd. Kenner van nagerechten, Britse rockmuziek tussen 1979 en 1985 en het oeuvre van P.G. Wodehouse. Dacht lange tijd dat hij voorbestemd was furore te maken als linksbuiten bij Real Madrid. Las in afwachting van de oproep uit Spanje boeken uit de bibliotheek van zijn ouders.
Houdt van het steeds opnieuw herbeleven van zorgeloze dagen. Hoopt deze te bewaren via zijn autobiografisch getinte verhalen.
Maakt vaak lange wandelingen met zijn hond en fototoestel. Drinkt te veel koffie. Mediteert te weinig. Publiceerde eerder twee boeken in eigen beheer. Manteau gaf een selectie van enkele van zijn verhalen uit. Ondanks de titel Opkomst & ondergang van de Citroën Berlingo rijdt Jo nu in een gele Jeep.
Vanaf het eerste uur is Jo Komkommer redactielid van Aanlegplaats.
‘Thuis op de bank keek ik voor het eerst sinds lang met een gelukzalig gevoel naar de Girod’Italia. Ik had de maatschappij via een kattebelletje laten weten dat ik weer in haar mallemolen wilde meedraaien. Het was nu aan de maatschappij om initiatief te tonen.’
Het is te laat om nog een nobelprijs te winnen, uit te groeien tot een wijd en zijd erkend genie, een succesvol ondernemer desnoods. Damn! Ik ben niet eens rijk.
In het duister neem ik een besluit. Elke ochtend zal ik voortaan aan mijn eigen rad van fortuin draaien, een rad waarin de bedragen vervangen zijn door wat er echt toe doet. De namen van mijn kinderen, mijn lief, mijn favoriete schrijvers, muzikanten en kunstenaars, mijn favoriete seksstandjes (dat oor!), mijn favoriete plaatsen, en vooral: mijn favoriete gedachten, hoe hard dat altijd terugkerende eksteroog me er ook probeert van te overtuigen dat ze op een leugen berusten.
Zo nam Dirk Van Boxem, hoofdredacteur van Aanlegplaats, zich dat ooit voor. Op Bijgekleurd vindt u, opgesmukt en verfraaid, het verslag van hoe dat gaat.
Voor we met zijn allen met frisse tegenzin in het veel te veel van de feestdagen duiken, houden we even halt bij de grotere kwesties van onze tijd.
Voorzetsels bijvoorbeeld, een van de stokpaardjes van Marc Kregting, of de vraag hoe het nu echt zat met die misogynie van Nietzsche – dat houdt Johan Bosmans dan weer bezig. Hij duikt trouwens voor het eerst op in onze vangst, ontrouw aan de enige tweet die hij ooit de wereld in stuurde: Als een schrijver er al eens behoefte aan heeft van gelezen te worden, dan heeft het geschrevene dat zeker niet. En met Gerbrand Bakker, die voor een keer naar de barricaden sloft uit bewondering voor de Iraanse jeugd, maken we de cirkel rond. Want het lijkt dan misschien niet zo, toch is er ergens een rode draad.
Mijn stelling is dat zelfs een voorzetsel jargon kan vertonen. Op dat idee kwam ik door frequente ontroeringen nadat ik kunststudenten had gevraagd wat ze maakten. Ze vertelden bijna allemaal dat ze ‘werken rond’ iets. Blijkbaar moesten ze de kern nog ontdekken. Bewust of onbewust toonden ze kunstenaars-in-opleiding te zijn.
Misschien zeggen ze ook niet dat ze ‘werken aan’ iets omdat dit voorzetsel overbezet is geraakt door neoliberale influx. Bij instellingen en bedrijven waar managers en ondersteuners zijn ingevoegd, gaat men in de Lage Landen ‘aan de slag’. Waarmee, dat doet er waarschijnlijk minder toe. Het voorzetsel ‘met’ heeft nog vacatures.
Liesbet De Kock schreef een brief aan Friedrich Nietzsche. Een mooie brief.
Al moet ik toegeven, ik had hem ei zo na bij het oud papier gegooid na de tweede paragraaf. “Een notoir vrouwonvriendelijk denker.” Vrouwonvriendelijk, tot daar aan toe. Maar een denker? Dat ging me toch net iets te ver.
Ik stapte, werkelijk waar, huilend in het vliegtuig dat ons terug zou vliegen naar Amsterdam. Iran is niet Iran, Iran is de ayatollahs. Als er in de krant staat: ‘Iran dit of dat’, dan gaat het niet over het volk. Dat is voor ons best lastig voor te stellen. Ik ben Mark Rutte en Mark Rutte is mij, bij wijze van spreken. Als mij iets niet bevalt, schrijf ik dat op een laken en posteer ik me aan de rand van de Hofvijver. Niks aan de hand.
Drie spannende blogs om gezellig voor te lezen bij het vuurtje dat in arren moede werd gemaakt met de poten die ze vanonder je stoel hebben gezaagd en wat energiefacturen die lekker branden. Als dat niet stemmig is in deze donkere dagen weten wij het ook niet meer.
Koen Vandenborre begint zijn bevreemdend verhaal met het einde van een wedstrijd (gelijkspel met Duitsers nog wel). Plots belt er een zwarte gedaante aan… Martin Pulaski fluistert dan weer bezwerend over ‘de schaduw die huilt als een wolf’ of is het een blueszanger uit Mississippi? Pulaski’s woorden bewegen virtuoos, als penseelstreken van expressionistische schilders. De donkere gedachten raken het vuur van de muziek. Eliane De Bleser schreef een bloedstollend kortverhaal: ideaal als toetje, wanneer het vuur nog smeult, iedereen slaapdronken is en Pierlala verschijnt.
Einde wedstrijd! – Die Mannschaft zag er opgelucht uit, ondanks de 1-1 leken ze goedgemutst richting spelerstunnel te wandelen. Duitsers die genoegen nemen met minder dan een overwinning, dan weet je dat er iets grondig fout zit op astraal vlak.
Wees op je hoede als je smacht naar erkenning, en meer nog naar roem. Denk aan De schaduw, dat onovertroffen verhaal van Hans Christian Andersen. Je schaduw kan zich los van je maken en met de dag donkerder en sterker worden, zodat jij op den duur de schaduw van je schaduw wordt en hij, je schaduw, met de beloning en de eer voor al je zwoegen gaat lopen.
Mark Verstraelen is vier decennia boekhandelaar geweest. Nu is hij voltijds echtgenoot, vader, zorgvader. Niets menselijks is hem vreemd, bijna alles verwondert hem. Soms zegt hij: ‘Sjongesjongetoch’. Zijn stukjes illustreren perfect waarvan ik hou in literaire blogs. Ironie en kwetsbaarheid gaan bij elk stuk hand in hand. Er wordt erg goed geobserveerd. De verwondering zegeviert op elke regel. De toon wordt nooit zwaar en toch komt het binnen. De stukken zijn gebald. De taal en stijl zijn volkomen eigen. Sjongejonge. Alleen de titel al van deze blog. Heerlijk. De lezer een beetje uitschelden. Weg proberen te spartelen van de harde dingen van het leven. Daar niet in slagen. Het zelf weten. Heel mooi.
Negenenzeventig zou ze geworden zijn, mijn stiefmoeder, op 17 november. Ik haalde eerder al aan dat ik mijn doden niet bezoek – u hebt dat toch gelezen, niet? (Niet, zegt u? En waarom dan niet? Op mijn blog staat uitdrukkelijk vermeld dat u niets anders te doen hebt dan mijn stukjes te lezen! Die blog heeft als subtitel “Luister: lees!”, duidelijker kan ik toch niet zijn! Wat doet u dan de hele tijd? Uw voordeur schilderen of zo? Laat dat, in godsnaam! Ik heb zopas 4 lagen op die van mij gerold, het is niet om aan te zien! En komt u vooral niet op bezoek om daar dan schampere opmerkingen over te maken, wat denkt u wel zeg, sjongesjonge!)
Joke Vander Laenen is coach en een gewaardeerde collega, maar nog meer is zij een lifelong friend. We waren dertien jaar. Joke mocht naar voor komen om haar opstel voor te lezen. Daar stond ze dan te fonkelen met haar grote, expressieve ogen, heel hard te proberen om het niet uit te proesten. Gespannen wachtten wij af. Wat zou ze nu weer beleefd hebben? Toen al lag ik elke keer dubbel en was ik ontroerd tegelijk. Toen al dacht ik de hele tijd: dat meisje moet schrijven. Wat een observatiekracht, wat een oog voor detail en wat een sublieme humor.
Arno wist het al: “Gisteren is dood. Morgen bestaat niet. Ik leef vandaag.” Er is duidelijk haast bij, want terwijl ik dit schrijf, laat nog een held het leven. Ik hoorde zijn stem voor het eerst toen ik mij – in een pashok ergens in de jaren 80 – zwetend in een veel te strakke broek trachtte te murwen. “Is dit alles?”, moet mijn moeder hebben gedacht.
Caro Van Thuyne is een categorie apart, een compromisloze schrijfster, met een geheel eigen stem. Lees haar roman Lijn van wee en wens of haar verhalenbundel Wij, het schuim, als je dat nog niet gedaan hebt. Haar stukken blinken uit in diepgang, het zijn kleine essays van hoge kwaliteit. Haar ironie is subliem, bijna onvindbaar, maar onmiskenbaar aanwezig, haar kwetsbaarheid totaal. Dus toch ook dikwijls om even over na te denken, maar vooral ook om neer te dalen uit de schrale hoogten van mijn brein, tot op de grond, die zij steeds onevenaarbaar beschrijft. Je wil direct naar zee, waarom ga je zo weinig naar zee?
Er is niets dat ik liever wil. Ik ben aan zee om mezelf los te gooien, het beknelde hoofd, de rigide heup, de houten nek, de verkrampte schouder los te gooien. Thuis ben ik als een pangolin rond het manuscript op mijn schrijftafel gegroeid, de schubben opgezet tegen de wereld en haast verstikt door de beklemming van mijn onderwerp. Ik ben hier om me weer even te ontrollen, mijn schouders te rechten, mijn longen eens goed open te zetten. Onderwijl eerst een stukje te schrijven voor een broodheer, een paar brieven, en het laatste essay voor mijn rubriek over wild lezen. Om daarna hopelijk met hernieuwde krachten terug in mijn manuscript te stappen. “Steeds ronddansen in dezelfde werkkamer kan tot onmacht leiden,” zegt Walser tegen Seelig in het boek dat mijn redacteur gisteren voor me meebracht. Kijken naar zee en wolken is goed om het schrijfhoofd los te gooien, zee en wolken op papier zetten is goed om de schrijfspieren los te gooien.
Ik mag er eigenlijk maar drie, maar deze moet er ook nog bij. Deze blog vond ik nergens terug op Aanlegplaats. Daar moet de redactie dan maar iets aan doen. Het is een van de enige blogs die ik las en niet onmiddellijk weer vergat. Ik ben hem echt gaan zoeken. Heerlijk!
Kent ge dat?
Die momenten dat alles in uw lijf zeer doet, dat ge uw knoken, die ge normaal helemaal niet moogt voelen rammelen tussen uw spieren en uw vet, die er zouden moeten zijn om u rechtop te houden, op twee voeten, zoals het een homo sapiens sapiens betaamt, of als ge moet rechtkomen van de grond omdat ge in al uw onhandigheid ne patat hebt laten vallen die ge wou schillen, en die patat rolt onder de stoof, en ge kunt hem daar echt niet laten liggen, want dat stinkt, ge hebt er geen idee van, hoe patatten gaan stinken als ze rotten.
Als we niet uit de weg gaan, maar elke hindernis het hoofd bieden worden we meer en meer onszelf. Daarin ligt heel veel zingeving, bijdrage aan het grotere geheel én dus geluk. En ook: Ik zoek naar het heilige, het goddelijke in de wereld. Voor de zoekende mens die het licht niet vindt heb ik heel veel mededogen, maar hem redden doe ik niet.
Dat zijn de geloofsbrieven van Kristien De Wolf, olijfboer, coach, schrijver maar vooral een mens met een missie. Die wereld kan beter? Die wereld moet beter!
Hoe precies, dat weet ze gelukkig niet, want het is in de vraag dat interessante literatuur ontstaat, niet in het antwoord. Lees haar romans Ava Miller en ik en Regensoldaten, en de verhalenbundel Rotgeluk, en u zal weten wat we bedoelen.
Een blog. Heb je er nu één, twee, of geen?
Heb ik er geen? Misschien niet. Ik schrijf teksten die ik op het internet gooi, op mijn professionele site en ook op mijn auteurssite. Volgens Wix zijn dat blogs, maar ik ben er niet zo zeker van dat het ‘literaire blogs’ zijn zoals mijn voorgangers gastvissers ze definiëren. Ik heb niet altijd zin in vijlen en polijsten aan die teksten, zoals ik dat wel over heb voor mijn romans.
Precies zeggen wat de natuur van die teksten is, kan ik dus niet. Ze variëren sterk van toon en fladderen vrank en vrij tussen verhaal, blog en heu… filosofisch tractaat in. Als ik de snippers en briefjes die ik dag in dag uit bijhoud, op zekere dag bijeenveeg om ze te verwerken in een Inspiratiebrief of een ‘blog’ voor mijn coachpraktijk, occasioneel voor mijn auteurssite of voor Elders Literair, weet ik nooit wat het wordt. Het zijn hybriden. Ze huizen blijkbaar niet graag in hokjes, daarin lijken ze op hun moeder, denk ik.
Er is ook een praktische reden. Ik zou het niet kunnen opbrengen om volgens een bepaald ritme te schrijven, met regelmaat. Soms schrijf ik een heel kwartaal niets. Vooral niet als ik met een roman bezig ben. Romans zijn monsters met veel honger.
Bovendien denk ik dat je voor een blog best met je aandacht bij de wereld bent en niet ergens verdwaald in de labyrinten van je eigen hoofd. Mooie literaire blogs zijn voor mij observaties, schilderijtjes over dingen die met het intense leven te maken hebben, het zogenaamde ‘kleine kijken’. Ik hou van blogs die om te voelen zijn.
Sinds kort schrijf ik brieven. Een verloren genre, dat nochtans goed als blog zou kunnen uitgewerkt worden. Ik ben pennevriendin geworden van een schrijfster die ik heel erg bewonder. Zij is heel discreet en er kan geen sprake van publiceren zijn. Maar ook bij dat dagdagelijkse schrijven blijkt dat ik nooit in de pure observatie van mezelf en de wereld kan blijven. Ik wil er altijd uit ontsnappen en boven de dingen gaan vliegen, ontdekken hoe ze in elkaar zitten. Wat de structuren zijn. Niet naar een radio luisteren, maar hem uit elkaar vijzen. Dat is voor mij precies het omgekeerde van wat een literaire blog zou moeten doen. Ik hou er dus van om ze te lezen, omdat ze mij in een soort ‘nu’ kunnen houden, maar ze zelf schrijven is, denk ik, niet mijn talent. Fictie ligt me beter, dan voel ik me vrijer.
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?
Ik zou graag blogs lezen van mensen die eigenlijk schilders zijn of wetenschappers, dansers of muzikanten. Koks ook. Mensen zoals Benjamin Glorieux, Michaël Borremans of Wim Van De Keybus. Ik zou benieuwd zijn naar het kleine kijken van dat soort mensen, die eigenlijk in beelden, geuren en vormen spreken.
Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?
Vermits ik allerminst een autoriteit ben, ga ik gewoon vertellen wat ik persoonlijk apprecieer. Om te beginnen moet het stuk goed geschreven zijn voor mij, bij voorkeur gebald, met een zacht of net pittig ritme, taalexperimenten zijn absoluut toegestaan, een traan mag, maar vooral een lach.
Ik ben een schrijver altijd onnoemelijk dankbaar als hij de tragikomische toer opgaat, als zijn milde zelfspot iets moois en kwetsbaars laat zien. Als het zwaar, klagerig, al te poëtisch of belerend wordt, ben ik weg. Observatievermogen is tenslotte voor mij van het allergrootste belang. Dicht bij de dingen blijven. Mij dingen laten zien en voelen, die ik zelf zou overslaan.
Aanlegplaats – en de blog in het algemeen – is geen topsport. De waan van de dag trekt aan ons voorbij. Liever de losers dan de champions. Eerder dan een knuppel in het hoenderhok, werpen wij een hoen in het wapendepot. Nieuwsgierig, kwetsbaar en een beetje misplaatst – dat zijn wij.
Geen verrassing dus, dat de bullebakcultuur niet pakt op onze redactie. Maar dat wil niet zeggen dat ook hier de redactieleden af en toe gepusht worden door de hoofdredacteur. Of we deze week niet zeker de laatste blog van Frank D’hanis (nieuw in de haven!) wilden vangen. Steengoed was hij. Het ging over zoveel meer dan de borsten in de titel. Los daarvan was meer seks in de blogs zeker welgekomen. Toch?
Dus ja, uit angst voor onze positie als vrijwillig redactielid doen we wat wordt gevraagd en vullen D’hanis’ stuk aan met twee andere zinnelijke blogs. Geen vluggertjes, nee: diepe, duurzame seksualiteit met een speciale rol voor de moeder. De dertienjarige Caro Van Thuyne krijgt van de hare in het geheim een doeboek – en daarmee seksuele bevrijding en zusterschap kado. Sam Sterckx, de man die elke woensdag volledig bevrijd zijn Oedipuscomplex najaagt, masturbeert al een hele week lang op zijn bovenbuurvrouw.
Maar wat de rol van de moeder en het memento dat de foto’s me geven betreft kan ik er toch ook niet buiten, in mijn volwassen leven wil ik door vrouwen gekoesterd en verwend en door mannen gepijnigd en vernederd worden. Bij Plato bestond het ideale liefdeswezen voor het wreed uit elkaar gehakt werd uit twee delen, als een Siamese tweeling. Ik zou even kunnen Googelen of Siamese drielingen bestaan, maar dan kom ik vast weer bij een shitload porno terecht.
Misschien was het een draak van een boek maar het blijft mijn eerste belangrijkste boek van mijn leven, het boek dat sprak van ik denk aan jou ik zie jou dit is voor jou alleen, het boek dat sprak van liefde die niets terugvraagt, het boek dat me niet afkeurde hoe monsterlijk ik ook aan het worden was ik hoefde me niet te schamen voor het vieze monster dat ik werd, ik mocht mijn veranderingen omarmen, ik mocht veranderen, het werd zelfs gevierd met een boek.
Wat moet zo iemand als ik met een relatie? Ik kan niet eens voor mezelf zorgen. Maar voor de bovenbuurvrouw doe ik de laatste dagen wel een broek aan, wanneer ik door de gang naar de brievenbus wandel. Ik heb haar al even niet meer gezien en het wachten ligt me moeilijk. Ik wil mijn excuses aanbieden en vragen of ze de volgende keer iets harder roept. Gewoon voor mij.
Soms word je om de verkeerde redenen beroemd. In het geval van Frank D’hanis is dat zijn ontslag door de Artevelde Hogeschoolomwille van TikTok filmpjes. Terwijl hij natuurlijk gewoon erg directe, emotionele teksten schrijft die binnen komen. Met humor bovendien.
Hij heeft ons met de hand op het hart beloofd de beste van zijn teksten voortaan ook op zijn blog te plaatsen, in plaats van ze in het metaversum te laten verdampen.
… een paradox die ik goed ken: door de diepte en het inzicht van zijn (Jean-Jacques Rousseau’s) denken kon hij nooit volledig begrepen worden door de mensen bij wie hij zich het beste voelde. Uiteraard heeft dat alles te maken met zijn bescheiden herkomst. De vader van Rousseau was een klokkenmaker, net als de mijne. Over de onbescheidenheid van het opdissen van deze willekeurige parallel met 1 van de grootste denkers uit de westerse geschiedenis: enige zelfkwijlerige grootheidswaanzin is me niet vreemd, u zal me excuseren, ik ben werkloos en als ik mijn eigen loftrompet niet afsteek blijft het doodstil in mijn onverwarmde kamer.
Het is voor mij steeds een waar genoegen om de opiniebijdragen van Philippe Clerick te lezen. Hoewel ik in de vangst van de week tracht weg te blijven van de politieke actualiteit had ik een stuk van hem in gedachten dat ik absoluut wilde selecteren. Tot ik zijn prachtige en humoristische mijmering over de zee las. Al lezend maakte mijn hart een extra vreugdesprong toen bleek dat Philippe Clerick citeert uit hét boek dat ik nu al jaren aan vrienden en vreemden aanbeveel: Out of Sheer Rage van Geoff Dyer.
De De Rode Valies neemt ons mee op een Scrabble-middag in een Brussels café waar het bier rijkelijk vloeit en er losjes met de spelregels wordt omgesprongen. Geheel tegen de geest van de Olympische spelen in, is plezier maken belangrijker dan winnen. Als u altijd had willen weten wat de ‘Aanvoegende wijs’ precies betekent maar het nooit durfde te vragen, lees dan Woorden.
Tot slot een ronduit schitterend verhaal van Marieke Groen. Hier wil ik niet veel over kwijt behalve dit: als u dit jaar slechts tien paragrafen wenst te lezen, laat het dan de tien zijn die samen Perenboompje alles vormen.
‘Iets van die verveling vond ik onlangs terug in het prachtige boek Out of Sheer Rage van Geoff Dyer. ‘The sea,’ schrijft Dyer, ‘you watch it for a while, lose interest, and then, because there is nothing else to look at, go back to watching it. It fills you with great thoughts which, leading nowhere and having nothing to focus on except the unfocused mass of the sea, dissolve into a vacancy which, in turn, for want of any other defining characteristic, you feel content to term ‘awe’. Vooral de laatste zes woorden verraden dat de auteur zich boos maakt op mensen die echt ‘awe’ beweren te voelen in het aangezicht van de zee. ’t Zijn oplichters, zie je Dyer denken, en je voelt zijn jaloezie op die mensen doorschemeren.’
‘Ik vertel mijn gezelschap dat Remco Campert en zijn vrouw dagelijks scrabbelden. Er bestaat een mooie foto van hen aan de speltafel. Ik zoek hem op. Het is een foto van Martin Dijkstra, bij een interview in Vrij Nederland uit 2021. Zijn vrouw Deborah Wolf zegt hierin: “Woorden blijven belangrijk voor onze relatie. Als je lang bij elkaar wilt blijven, is Scrabble nog net even belangrijker dan seks.”’
‘Ik vertel haar dat ik als kind vaak in dit huis kwam. De vrouw vertelt dat ze er nog maar net wonen en dat het een heel duur huis was. Ik knik. Ik heb het te koop zien staan op internet. Ik weet nog dat ik dacht: als ik de Lotto win koop ik het. Ik doe niet eens mee met de Lotto. En als ik het geld had gehad had ik het waarschijnlijk ook niet gekocht, in elk geval niet om in te gaan wonen. Ik had er een museum van gemaakt waar bezoekers niet welkom waren.’
De website van ‘Te gek’ waarschuwt ons voor problematische framing wanneer we het over geestelijke gezondheids(problemen) willen hebben. We knikken enthousiast ja, en schrappen de inleiding die hier eerst stond.
Als lezers, schrijvers en mensen tout court weten we maar al te goed hoe precair dat is, die gezondheid. De wereld bestaat niet louter uit de grijstinten tussen ziek en gezond, maar uit alle mogelijke kleurschakeringen.
Els Claessens, meestal de vrolijkste blogger in huis, struikelt nochtans bijna over de omvang van het taboe wanneer ze voor het werk op pad is, Joost Elli (voor het eerst in onze vangst), vertelt over zijn nacht als verpleger op een psychiatrische afdeling, en Hannes Couvreur vraagt zich af waarom ook beperkingen in functie moeten staan van groei.
‘Drie jongens van een jaar of acht, negen, bellen aan bij een rijhuis dat ik nader. ‘Hij is er niet,’ zegt een vrouw in een deuropening. De jongens reageren verwonderd. ‘Is hij opgenomen?’ De vrouw maakt oogcontact met me. Ik zie het verdriet, verscholen in haar kranige houding. Niet in een instelling. Haar zoon is opgenomen in het ziekenhuis. Toch?
‘De opdracht bij uitstek van de nachtverpleegkundige is de kalmte te bewaren. Welzijn begint bij een goede nachtrust, voor de patiënt én zijn omgeving. Vergeet elk therapeutisch gesprek als dat niet in orde is.
In de verpleegwacht was het een va-et-vient van mensen die de slaap niet vatten. Uit pure krankzinnigheid. Een man met godsdienstwaanzin, een onheilsprofeet, bracht mij elk uur een bijbelcitaat, een jobstijding, met satanische ogen — het zag er niet goed voor mij uit. Zijn taak liep de klok rond door. Een dame stormde poedelnaakt binnen, tierend omdat ene Tamara wéér in haar bed piste. Of we Tamara nu eens konden meenemen zodat ze eindelijk van dat serpent af was. Ze moest van geen lakens verversen weten, als we haar van Tamara afhielpen was het al lang goed.‘
‘Ik weet wel dat er niet zoiets bestaat als te autistisch zijn. Net zoals je niet te groot of te linkshandig of te blind kan zijn. Je kan wel beperkt worden door al die eigenschappen. Soms ben ik bang dat de prijs voor het respecteren van mijn grenzen té hoog is, en de kosten navenant. Sociaal, emotioneel, financieel. Een catch 22, want door die grenzen (onbewust) niet te respecteren heb ik jarenlang roofbouw gepleegd op mijn lichaam of ging ik relaties aan die voor geen van ons beiden gezond waren.
Beperkingen. Het lijkt wel taboe in een samenleving die zo doordrongen is van groeizucht. Stagneren, een grens leren kennen en respecteren. Nee, zelfs beperkingen moeten in functie staan van groei.‘