Kamiel Choi is een dichter en schrijver uit Nederland die is afgericht als filosoof. Hij werd geboren in Nederland en sterft in een nader te bepalen land. Daartussenin werkt hij als schrijver en humorist.
Ik geef toe, normaal hebben we het niet zo voor mensen die hun bio in de derde persoon schrijven. Maar voor Kamiel Choi maken we graag een uitzondering.
Zijn site (en zijn niet geheel overlappende substack) zijn een schatkamer vol proza, poëzie, interviews, humor en scherpe gedachten. Vol zelftwijfel, zoals het hoort:
Als ik “Hulp bij het denken” verkoop voelt het soms als ik “hulp bij het plassen” aan de man moet brengen. Wat dénkt-ie wel?
Wat blijf ik het een genoegen vinden om door de ironische blik van Philippe Clerick naar de actualiteit te kijken. Zo was er recent veel te doen rond de voorstelling Sancta. Er waren, zo gaat dat, voor- en tegenstanders van de opvoering. Een vurige tegenstander was, meen ik me te herinneren, bisschop Bonny. Van diens opiniestuk in DS maakte Philippe op onovertroffen Clerickiaanse wijze brandhout.
Even veel genoegen beleef ik aan de introspectieve blik van Katrin Van de Velde die op haar blog In caso di nebbia in rijkgeschakeerde verhalen een inkijk geeft in haar diepste zielenroerselen.
Een nieuwe stem in onze bloghaven is die van de nomadische Kamiel Choi en zijn stem klinkt meteen vrank en vrij en lichtjes uitdagend. Zoals de stem van een dichtende wereldburger behoort te klinken.
‘Het beste aan Johan Bonny’s stuk (DS 1/4) over de ‘Sancta’-voorstelling is dat hij het gewoon in de krant plaatste, en niet op de radio voorlas. Dat zalvende katholieke toontje van hem is onverdraaglijk. ‘Leren ze dat op de priesterschool?’ vroeg mijn vrouw onlangs. En niet alleen de Vlaamse katholieken hebben dat. Als je op France 2 een mis hoort opdragen, hoor je het zelfde toontje dat onvermijdelijk de indruk van schijnheiligheid wekt.’
‘Hoe jij me draagt. Al twintig jaar het leven met me oefent. Na ons gesprek waren mijn oksels klam, viel het namiddagzonlicht me net iets zwaarder dan anders. En dan heb ik je niet eens gezegd dat ik, eigenlijk wel, gelukkig ben. Dat ook.’
‘Maar goed, Cees. Ieder heeft zijn eigen Cees en dit is de mijn. Op zijn vijfenzeventigste nog op de motor door Patagonië in de voetsporen van Bruce Chatwin (ik vraag me af of Cees Werner Herzog heeft gekend). In zijn laatste levensfase op Menorca waar hij ’tingelingeling’ riep tegen zijn verzorgende eega wanneer hij bijgeschonken moest worden. Als handtastelijke boyfriend van Liesbeth List. Als Neerlands hoop voor de Nobelprijs omdat hij internationaler is dan Harry en Hugo (onder ons gezegd, ik vind hem iets te licht: hij begreep zichzelf in de eerste plaats als dichter, maar hij is geen Tranströmer (op wie hij een beetje lijkt) of Miłosz).’
To rust or not to rust? Dat is deze week de vraag op Aanlegplaats. Enerzijds is daar het kamp van de avonturiers. Zo is Ingrid Vanderkrieken onlangs ondanks zichzelf begonnen als (Duitstalige!) gids in een zinkmuseum. En deed Herman Loos mee aan een ultraloop (spoiler alert: het was vreselijk en hij gaat het gewoon nog eens doen). Aan de andere kant hebben we Marita, die laat zien dat onrust ook vanzelf over kan gaan. En tenslotte beschrijft Bo Vanluchene op wonderschone wijze hoe die zich na tal van verhuizingen en veranderingen alsnog voelt ‘alsof je vastzit, slechts half uit de cocon geklauterd’. Om daarna het concept van worden in vraag te stellen.
De volgende dag geraakte ik lichtjes in paniek en, zoals dat hier nogal eens gaat, begon ik mijn man verwijten te maken. Waarom had hij me niet tegengehouden?
Aan de Leuvense Vaart, ergens rond kilometer vijfendertig, had ik gevoeld dat op mijn rechtervoet, tussen de grote en tweede teen, een blaar zich vormde. Op de trappen onder het station van Herent, aan kilometer vijftig, voelde ik hem openspringen.
Onrust die ervoor zorgt dat ik dan toch maar eens in actie kom. Met babystapjes. Eerst de rotte raamkozijnen laten vervangen, dan verhuizen. Of toch eerst een andere baan zoeken en dan pas gaan verhuizen. Of gewoon blijven zitten waar ik zit. Dat kan ook nog.
Het gaat zo. Je bent 12,5 jaar oud wanneer die 0,5 nog belangrijk is, en je trekt naar het eerste middelbaar. Je kiest een school waar niemand van je klasgenootjes voor kiest. Het is de eerste keer dat je aanvoelt dat je iemand anders kan worden.
Beeld: Valle de Viñales, Cuba van Alexander Deprez
Terwijl de lente nu echt begint te doen alsof hij of zij lente is, kiest Alexander Deprez stukken van Julie Cafmeyer, Katrien Scheir en Lies Jo Vandenhende. Je zou kunnen stellen dat ze allemaal over identiteit gaan. Julie Cafmeyer wil parttime iemand anders zijn, zoals een acteur tussen de kantooruren Hamlet repeteert en Estragon wordt in avonddienst. Wat behoort je toe, wat niet. Wat is al ontdekt en wat blijft verborgen. Je kan een smos kaas bestellen bij een toppianist. Misschien schuilt er in de secretaresse van de CEO een revolutionaire activiste. Wat zijn de contouren. Vloeibaar of vast? Natuurlijke grens of scherpe lijnen? En nog iets met waarheden die kunnen botsen zoals donderwolken. Voilà.
Ik ben ingegaan op een vacature om parttime iemand anders te zijn. Een kunstenares met een writer’s block is op zoek naar iemand die haar wil vervangen. De gekozen kandidaat zal haar kunstenaarspraktijk overnemen en keuzes maken die zij niet meer kan maken, de woorden geven die zij niet meer vindt.
Wordt alle talent altijd ontdekt? Komt het altijd naar boven of blijft dat uiteindelijk iets voor kindjes van rijke ondernemers, professoren literatuur en operazangers? Stel je voor dat ik talent heb om te ontdekken (scheepswrakken, klavertjes vier op Mars of meteorietinslagen) maar dat ik dat nog niet heb ontdekt. Wat is het nut van een onontdekte ster, een lichtje dat op zichzelf wat hangt te schijnen. Moet alles zich manifesteren? Heeft alles behoefte aan applaus?
Als je jouw waarheid uitspreekt, en als die waarheid te veel raakt aan die van een ander, dan bestaat de kans dat jou het zwijgen wordt opgelegd. Dat je wordt bedolven onder verwijten, kapotte gedachtegangen, verwrongen herinneringen, tot je niet meer weet welke gedachte jou nog toebehoort en je begint te twijfelen of het wel waar is wat je zojuist hebt gezegd. Het wordt niet verdragen dat je eenzijdig het verhaal van een ander verandert. Het vernietigt alle hoop. Kromme waarheden bestaan om niet nog meer te verliezen dan je al verloren bent.
Wij ontmoeten elkaar ‘s ochtends in de l’Entrepot du Congo aan de kaaien. Menselijk plekje aan het stuk Zuid dat nog niet veranderd is in een Minecraftwijk. In de wandspiegeltjes zie ik dat Alexander er al zit. Dat ik mijn haar had moeten kammen. Dat het nog vroeg is voor een vol café en ook te vroeg voor mij. Al start je de revolutie best ’s morgens natuurlijk.
Handen rond een potje thee. Chocolaatje smelt in gekke vorm. Zachte uitdrukking op het gezicht van de te interviewen man. Geen macho is mijn indruk, geen driftige betweter. Gewoon gentle stoer. Naast hem een boek en een baret. Maar zo is wakker worden toch eigenlijk helemaal niet heel erg.
Ik probeer iets over het weer. Maar vrijwel meteen gaat het over de toestanden in de wereld. Ons wereldje en de wereldplaneet uiteindelijk. Ruzietjes en oorlog. Trauma. Hebzucht. Constipatie. Hoe we dat gaan oplossen. We bestellen alvast nog thee. Hij is vegan geworden, drinkt geen druppel alcohol meer. Kijkt de zaak nuchter aan.
Alexander Deprez (° 1995) is een veelzijdige Belgische kunstenaar, actief als fotograaf, film- en theatermaker, schrijver en muzikant.
Hij brak in 2025 door met zijn debuutroman ‘Prins Albert. Prelude van een communist’ . Een rauwe, eerlijke reconstructie van zijn jeugd: deels opgegroeid in een arbeidersmilieu langs vaderskant, dat getekend werd door klassengeweld. Een vader die worstelde met alcohol. Alexander zoekt in zijn boek naar hoop, verlossing.
In het theater- en filmcircuit is hij eveneens actief: in 2024 stond hij aan de basis van de satirische voorstelling/film Edelweiss Piraten, een maatschappijkritisch werk dat de opkomst van extreemrechts onder de loep legt. Daarnaast maakte Deprez deel uit van het kunstenaarscollectief ZUIDPARK, met wie hij in 2020 meewerkte aan de performance The Importance of Being Flemish, een gewaagde, experimentele theaterproductie die de Vlaamse canon en identiteit in vraag stelt.
Op muzikaal vlak vormt hij samen met zijn vrouw Sarah Neutkens (Nederlands componist, pianist, schrijver, kunstenaar) het duo Sasha le Fou & Tippi Parade. In 2025 brachten ze hun album Jean Mémoire uit, een eclectische mix van muziek, taal en maatschappelijk engagement.
Nog een thee of een latte? Tijd voor vraag één uit onze gekende vragenreeks.
Een blog. Waarom heb je er zelf (g)een?
Sinds een half jaar publiceer ik mijn stukken op Substack. Mijn vrouw, Sarah Neutkens, was er een begonnen om te ontsnappen aan de vluchtigheid en de ‘likes-gedreven’ mentaliteit van sociale media. Zij inspireerde me om zelf een blog aan te maken waar ik mijn literaire werk kan verzamelen. De politieke inhoud van ons werk wordt ons door de reguliere media niet altijd in dank afgenomen, waardoor we steeds vaker op zoek moesten naar alternatieve platformen. In die zin is zo’n blog ideaal: je behoudt de volledige controle over wat je publiceert en kunt zo elke vorm van redactionele censuur omzeilen.
Knoeien met de verpakking van het koekje. Detoxen is voor morgen pas.
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?
Niet zo lang geleden ontdekte ik het werk van Charles Ducal. In zijn boek Koude oorlogsbuit maakt hij op gevatte en vaak humoristische wijze brandhout van enkele hardnekkige politieke mythes die ons wereldbeeld in het kapitalistische Westen bepalen. Een blog van zijn hand zou ik dus zeker kunnen smaken.
Daarnaast zou ik iedereen de blog van mijn vrouw Sarah willen aanraden; zij weet verfijnde politieke analyses en cultuurbesprekingen op een unieke manier te verweven met persoonlijke dagboekfragmenten.
Koekkruimeltjes op tafel verzamelen. Smikkelen naar zoet. Ik kreeg niet alle schuim uit mijn mok gelepeld. Kleine tantaluskwelling.
Wij bij Aanlegplaats zoeken er al een tijdje naar: wat maakt een blog echt goed?
Ik ben zelf geen blogexpert, dus een eenduidig antwoord moet ik schuldig blijven. Persoonlijk verkies ik boeken boven blogs, simpelweg omdat ik liever van papier lees dan van een scherm. Dat is overigens geen kritiek op het medium zelf of op de liefhebbers ervan. Integendeel: zoals ik al zei, vind ik het een uitstekende zaak dat schrijvers dankzij blogs de vrijheid krijgen om hun werk direct, zonder tussenkomst van een filter of tussenpersoon, met hun lezers te delen.
Lang leve het ongefilterde. Lang leve Alexander. Tijd voor revolutie.
Een vangst over onverwachte vangsten. Past voortreffelijk in het begin van de lente met haar buien en grillen en plots een uur vooruit en stralen vitamine D door kieren waarvan je niet meer wist dat ze bestonden en vrienden uit hun winterslaap nog bleek maar blozend op terrasjes. De jingle van de ijsjeskar vlak voor het eten. Een hagelbui en een aprilvis.
Aron Groot graaft woorden uit vroegere lagen met andere talen die aan onze woorden bleven kleven en ontdekte iets leuks over het woord ‘zoet’.
Iris Salembier getuigt over de rouw als de winter maar dan plots ziet ze herinneringen als confetti, ze schrijft het mooier nog. Het klinkt als een fijn feest van bloesems. Scrolt u eventjes naar benee.
Gerbrand Bakker heeft plots een tuiniersblog die doet denken aan de blogs van dichteres Anne Broeksma en aan de geschriften van Vita Sackville-West. Zijn schrijvershanden tasten in de aarde. Bloembolverrassingen, gekke vormen, felle kleuren onverwacht.
Om erachter te komen of ons woord zoet nog verder teruggaat dan het Proto-Germaans, moeten we op zoek naar een verwant in een niet-Germaanse, maar wél Indo-Europese taal. Ik denk dan al snel aan het Oudgrieks.
En aan de eigenschappen van het Oudgrieks. Zo weet ik dat de Oude Grieken een hekel hadden aan zowel de s als de w, met name voorafgaand een klinker. Met deze kennis in het achterhoofd is het Griekse ἡδύς (hēdus, ‘zoet’) goed te vereenzelvigen met het Proto-Germaanse *swōtu-. De Proto-Indo-Europese oervorm was *sweh₂du-.
De oorspronkelijke s is in het Grieks in een h veranderd, en de w is volledig verdwenen. Aan (ἡδύς, hēdus) ontlenen wij ons hedonisme, de ideologie van het zoete.
Het zit in kleine dingen. Het kruipt overal tussen en achter. Het blijft onverwachts en ongevraagd opdoemen. Net als confetti die je tot maanden na carnaval nog terugvindt. In spleten, kieren en holtes van je leven. Zo vind ik overal snippers herinneringen aan mijn moeder.
Ook spitte ik zo’n beetje op de tast in mijn vaders heemtuin rond. Op de tast, omdat vrijwel alles wat daar stond allang uitgebloeid was, het was in juli dat ik het deed. Eveneens op de tast, mede omdat ik niet goed kon uitmaken welke bol bij welk bolgewas hoorde, stopte ik hier in de Eifel van alles, en overal, in de grond. Dus ineens staan op onverwachte plekken narcissen, heel mooie: donkergeel met een knaloranje hart, elders komt iets op waarvan ik vermoed dat het boshyacinten zijn.
Waar halen die bloggers toch altijd weer de inspiratie vandaan?
Het is een vraag die menig lezer in de ban houdt. Gevolgd door: hoe komen ze er toch bij?!
Daar geven we bij Aanlegplaats vandaag graag een geïllustreerd antwoord op. Koen Vandenborre (die op Substack vervelde tot The Rusty Rhino) vindt het in een schilderij van Biedermeier kunstenaar Carl Spitzweg. Els van Gebeurtelijke Ongevallen volgt haar hond tot bij een treffend drie generaties evenement op straat. En Sjors vindt het in de middagzon die hem uit een dutje haalt. Of toch niet, wie zal het zeggen.
Wat Stijn toen nog niet kon bevroeden was dat al die ongepubliceerde manuscripten hem tijdens de ijskoude wintermaanden warm zouden houden nu de houtprijs stilaan onbetaalbaar werd.
De veertiger was een bijzonder fraai exemplaar. Hij stond er, op zijn plastic slippers, in wijde, korte pyjamabroek en hoodie – de kap ver over zijn hoofd getrokken – en met zonnebril op, te kijken naar de man bij de grond. Die haalde er flux een wiel af en sprong, kruissleutel nog in de hand, recht om het goede wiel te nemen.
Het besef dat ik met een waanzinnige te maken had drong snel tot mij door, waardoor mijn instinct het zonder te hoeven beargumenteren binnen enkele seconden overnam van mijn verstand. Heel voorzichtig trok ik het slappe lichaam van de jongedame onder de auto vandaan en plaatste het rechtop in de bijrijdersstoel.
Op de dag van zijn zeventigste verjaardag waagt zanger en schrijver Jean-Paul van Spaendonck zich op zijn blog Voorheen Rookzanger voor het eerst sinds lang nog eens aan een introspectief stuk. Hij heeft het over charisma, over zijn licht bipolaire stoornis en over een Uruguayaanse televisieploeg die toevallig langskwam op de dag dat hij in Syracuse, Sicilië naar de kapper ging waar hij, samen met de Uruguayaanse barbier, luidkeels Figaro begon te zingen. De huiskamers in Montevideo zijn nog steeds niet bekomen van hun recital.
Wat hou ik van de weemoedige pen van Jan Devriese. Zijn blog De week van Devriese is een feest voor de liefhebbers van droevige stukjes die ondanks hun onderhuidse tristesse doen glimlachen. In het verhaal Vooruitgang bewijst Devriese andermaal dat van alle Club Brugge-supporters hij wellicht de meest aangewezen man is om op zoek te gaan naar de verloren tijd van Marcel Proust en Lotte Lambert.
Het is een waar genoegen om in Een poging tot dagboek van Isaura Fluit te grasduinen. Haar culturele tips en kritieken zijn telkens goed onderbouwd en elegant geschreven. Zo genoot ik van haar bespreking van de documentaire over Nan Goldins strijd tegen de perfide Sacklerfamilie die zich proberen te profileren als weldoeners in de kunstwereld. Goldin doorzag het bladgoud en trachtte het af te krabben. En ik ben het met Isaura Fluit eens: All the beauty and the bloodshed is een wonderlijk mooie titel.
‘Normaal is er na zo’n uitbundige bui een diepe schaamte over de eigen aanstellerij. Maar tijdens dat verblijf op Sicilië bleef die achterwege. Ik vermoed nu dat ik uit zelfbehoud in die manische stand bleef volharden, omdat ik wist dat, als ik eenmaal tot bezinning kwam, de put te diep zou zijn – veiliger was het voorlopig maar even uit te razen, met mijn vastgeklonken buongiorno-masker op.’
‘Dat hij niet meer naar de bank kon met een overschrijving en daar met de bediende een kort praatje slaan omdat bank en bediende verdwenen zijn. Dat maakte wijlen vader treurig en boos. Één op de twintig mensen in dit land is ouder dan tachtig. De vooruitgang vergeet dat weleens.’
‘In de verhaallijn krijgen we ook het levensverhaal van Goldin mee. Een typisch product van de New-Yorkse art-scene van de jaren ’80. Haar foto’s documenteren de morsige levens van een gay en queer gemeenschap aan de rand van de maatschappij. Die vertoont ze in slideshows die even smoezelig zijn als hun levens zelf. Als het gaat over de ravage die AIDS in die tijd aanricht zien we ook beelden van een heerlijk woedende David Wojnarowicz, waarover ik een hele tijd terug ook al schreef – ‘Close to the Knives‘.’
Hier mag het: schelden op de geschiedenis, debacles uit je persoonlijke geschiedenis reconstrueren en met weemoed terugdenken aan die geschiedenis (ook al is het nu beter). Drie vrouwen schrijven eigenzinnig over vrouwendingen. Merel de Vilder Robier leest ‘een tranentrekkend, doch ondraaglijk semplistisch boek uit het Davidsfonds’, Els Claessens heeft last van de menopauze op een manier waar All Fours een puntje aan kan zuigen en Oud Zeikwijf (nieuw in de haven, maar weergaloos bloggend sinds 1998) mijmert over conversaties met ouwe Provo’s op een boot in Amsterdam.
Ik heb de door mijn tante vanaf blz 144 onaangeroerde pagina’s met een gekarteld mes, een briefopener bezit ik al lang niet meer, voorzichtig opengesneden. Als de zelf-kweller die ik bijwijlen, geregeld, (altijd ?) ben, heb ik de volle 247 bladzijden die het draakje telt aandachtig tot mij genomen. Een saai, bijwijlen irritant tijdsdocument: een hypocriete, paternalistische eloge ter ere van het zelf verloochenende Moederken. Eén lange publi-reportage voor een dienstbaar, klein en vroom bestaan: wat u toekomt krijgt ge nog wel. Na de dood.
Helemaal tot stilstand gekomen moest ik wachten tot ik langzaam opzij zou beginnen vallen. Dat gebeurde in slow motion tot ik met het puntje van mijn linkervoet de grond raakte. Ik haalde opgelucht adem, maar zat dan nog wel steeds vastgesnoerd op het zadel van de fiets. Als een vlinder heb ik me uit de lange cocon kunnen wriemelen: eerst de schouders, dan de kop en daarna de armen. Om vervolgens, bij een temperatuur zo rond het vriespunt, in mijn zomerse rode jurk, het debacle te maskeren. Met de grootst mogelijke nonchalance probeerde ik de vest en jas (nog steeds verstrikt in het achterwiel) in mijn fietstassen te proppen, in de hoop dat niemand zou merken wat er gebeurd was.
Een klein probleempje: ik vond mezelf dom. Want waarom bedacht ík niet zulke fantastische dingen? Inmiddels hebben wij geleerd dat dat een vrouwending is, maar destijds was het nog volop het Mannentijdperk, en de zeldzame vrouwen die wel openlijk het woord voerden hadden dat euvel nog niet rondgebazuind. Ze keken wel uit. Dus leed ik daar enorm eenzaam onder. Durfde jaren amper wat te zeggen. Liet de verkeerden over mij heen lopen. Dat soort dingen, waarvoor mijn huidige zelf aan mijn jongere zou willen toefluisteren: “Doe nou niet, lieve schat”.
Dat is wel het fijne van ouder worden. Je laat je niet meer zo makkelijk imponeren. Vanavond vind ik dat ergens jammer. Het heeft iets wonderlijks om jezelf te laten meeslepen door een verhaal, door een mens.
Oud Zeikwijf is een Française die via een grootse en meeslepende omweg in Amsterdam beland is. Soms blogt ze over haar levenspad, vaker met scherpe spot over dingen in de maatschappij die haar wel of niet aanstaan. Organiseerde ooit het Blogbal als tegenhanger (en op 200m afstand) van het Boekenbal. Voor, jawel, bloggers.
De media zouden het Blogbal doodzwijgen. De persberichten moesten linea recta de prullenbak in. Dat ging wat moeilijker: al gauw dreigde het Blogbal het enige leuke te worden die avond op het Leidseplein. Vooral voor AT5 was het een dobber: Oud Zeikwijf hoorde immers bij hun team en ze hadden beloofd te komen filmen. Maar ook zij zwichtten. AT5 verkeert voortdurend in geldnood, dat is algemeen bekend. Oud Zeikwijfs redacteur mocht er wel zijn, maar op persoonlijke titel. Geen officiële delegatie. Die dag werd er op AT5.nl melding gemaakt van een poedel die in de Lekstraat een halfuurtje zoek was, van een vrijwilliger die zich bijzonder uitgesloofd had en van een burenruzie in Betondorp. Geen woord over het Blogbal.