Ik ben niet echt meer een blogstruiner. Veel schrijvers die ik nog volg, ook degenen in boekvorm op de leesstapel in mijn toilet, ken ik ook zo wat als Realiteitsmens, als wezen dat zich buiten het huis in de werkelijkheid manifesteert en waar je, al dan niet met een pint erbij, een gesprek kunt voeren. Daar zitten zélfs enkele prettige mensen bij. En onder de prettige mensen zitten zelfs schrijvers wiens woorden ik af en toe eens kan verdragen. Of een schrijver van niet onprettige woorden ook per se een fijn mens moet zijn, daar is uiteraard geen noodzakelijk verband tussen. Sommige van de grootste klootzakken kunnen best aardig schrijven. Oei, ik ben kwijt wat voor interessants ik dacht te willen zeggen over schrijvers in het echt. Ach, meningen zijn voor mensen die zin en puf hebben ze te verdedigen.
Kimme Tigra bestaat bijvoorbeeld als wezen in de werkelijkheid, ik kan daarvan getuigen.
Gisteren zag ik een man in sorbetkleurige broek kotsen op de plaats waar we nu staan. De buurman vraagt of ik de matras van de pas overleden man van de overbuurvrouw wil hebben. Ze zit nog in het plastiek.
Zijn er zelfs nog blogs of zit inmiddels iedereen op Substack? Of is het internet al volgegenereerd door de AI-systemen? Ik heb schrik van een toekomst waar het internet enkel nog vragen beantwoordt en al het andere dat je in een loze nieuwsgierige zwalk kon aantreffen, verdwenen is. Dat er geen schrijvers meer op blogs publiceren, want niet-informatieve content heeft dan geen waarde meer. Ik krijg trouwens ook jeuk van het woord content, kunnen we afspreken dat nooit meer te gebruiken ? Content maakt mij niet content en is een heel inhoudsloos containerbegrip. Er wordt weinig meer nagedacht over betekenis én mogelijkheid van woorden, artificiële infokots van tropenwoudvretende assistentsystemen verdringt wat ik zo fijn vond aan ons wereldwijde webbetje. Er is weinig connectie meer, en de charme van virtuele bibliotheekkasten is er ook af.
Maar Marc Tiefenthal, die denkt nog over zijn woorden na, en steekt ze overal in de wereldwijde bibliotheek weg – op zijn eigen weblog, op allerlei sociale media, op het door mijzelf gestarte KutBinnenlanders.nl, en, godbetert, inmiddels zélfs op Substack.
Clooney hecht veel belang aan zijn uiterlijk, zijn verschijning. Altijd piekfijn gekleed, allicht in maatpakken, en netjes geschoren.
‘Rien n’est ce qui se ressemble mais cela ne ressemble à rien. Nous en avons un de ces airs.‘
Kijk, deze zin drong er bij hem dan ook meteen diep in. ’s Anderendaags kon hij al de helft ervan reciteren.
Ik voelde me vanaf de eerste kennismaking thuis op het internet, in tekstgebaseerde chatrooms van weleer en tussen de HTML-coderegels van de eerste webpagina’s. Maar de dagen van die anarchistische zandbak liggen ver achter ons en inmiddels beheerst de technologie eerder ons dan andersom. AI maakt jobs overbodig en er is zelfs een marktplaats waar AI-systemen mensen in kunnen huren voor de paar fysieke taakjes die ze zelf niet kunnen. De afgeschafte werkkrachten richten zich ondertussen steeds meer op de offline ambachten.
Anton Voloshin, net zo’n Xennial early adapter edoch technoscepticus als ik, ken ik als kameraad en van regelmatig samenwerken aan Droef, het inmiddels ter ziele (cultuur)podium voor Pessimisme. Volo is een gulle auteur die veel aandacht aan anderen schenkt en vaak anderen het voetlicht gunt. Ik kan erg genieten van zijn proza, zeker wanneer zijn humor en menselijkheid er vanaf druipt. Dus is het eens zijn beurt in de spotlight. Ook al vinden we hem daar net in een technologisch getriggerd paniekmoment.
Enkele jaren terug verloor ik m’n telefoon in een taxi. Toen ik hem terug kwam halen bij de politie, zei de baliemedewerkster vrolijk “we hebben u nochtans proberen bellen meneer, maar u nam niet op”, waarop ik een paar keer met de ogen knipperde en vroeg: “op… de telefoon die ik hier kom halen?”. Maar nu is hij niet kwijt, maar dood.
René van Densen (1978) is schrijver, dichter én (hoera!) blogger. In zijn Nederlandse periode was hij nachtburgemeester van Tilburg. In zijn Belgische periode was hij een van de bezielers van Onafhankelijk (Cultuur)Podium voor Pessimisme Droef. Op zijn website verklaart hij zichzelf mafkees. En misschien is hij dat nog wel het meest: zelfverklaard.
René van Densen is zo zelfverklaard dat hij een gevelgedicht op zijn eigen huis heeft. Hij is zo zelfverklaard dat hij VDAB-medewerkers aan werk helpt. Zo zelfverklaard dat hij al weet hoe zijn afgerond oeuvre eruit gaat zien.
“Zes stripboeken, zes verhalenbundels en zes poëziebundels, waarbij alles bij elkaar wordt gehouden door een roman. Nog een bundel kortverhalen, een poëziebundel en een halve roman te gaan. Misschien tweederde, afhankelijk van de totale lengte. En als iemand iets voor een bloemlezing wil gebruiken, ga ik natuurlijk niet moeilijk doen.”
Ik moet denken aan een mopje van Herman Finkers over een waarzegger. ‘Gebeurt er u nu nooit iets onverwachts?’ ‘Jawel hoor, morgenavond nog.’
Maar misschien moet ik volgens verwachting beginnen, met de eerste vraag.
Waarom ben je ooit een blog begonnen?
Ik ben begonnen met platformen waarop ik mensen wilde samenbrengen. Mijn eerste website was Probeersel.com, een online community voor striptekenaars. Daarmee ben ik begonnen net voor 2000; ik herinner me nog dat ik door het nieuwjaarsvuurwerk ben gefietst om me ervan te verzekeren dat de milleniumbug geen schade had aangericht. Ik deed dat vanuit een idealistische blik op het internet: mensen over de hele wereld konden ineens met elkaar connecteren en dat zonder gate keeping; iedereen kon dingen plaatsen.
In 2008 heb ik dan Kutbinnenlanders.nl opgezet, waar ik mensen zonder veel ambitie – tekenaars, schrijvers, moppentappers – aanspoor om dingen te delen. Alles kan, zolang er maar geen Holocaust wordt ontkend ofzo. Uiteindelijk zijn het vooral mensen uit mijn eigen kring, waardoor het eerder een links, absurdistisch gezelschap is. Generatie X-ers uit Brabant, die verwachten niet veel meer van de maatschappij.
Hoewel ik me hierin aan het mixen was, wilde ik mezelf tegelijkertijd ook etaleren. Daarom heb ik ook een eigen website gemaakt, waarop ik parallel publiceer. Af en toe probeer ik wel andere dingen voor de verschillende websites te schrijven, maar dat is veel gedoe.
Op sociale media doe je het wel.
Ja, daar maak ik van de mogelijkheden gebruik om meer beeld en video te gebruiken. Maar dan verandert Instagram zijn frame en versnippert alles… Sociale media grijpen in wanneer ze willen, je hebt daar geen controle over. Nadeel van mijn eigen site is dat het soms eenzaam is. Reacties zijn meer iets voor sociale media.
Heb je altijd met beeld gewerkt?
Ja, ik ben begonnen als webtekenaar, maar was eigenlijk altijd al meer met het scenario bezig dan met de tekeningen. Qua tekenvaardigheid zat ik op een gegeven moment ook aan mijn plafond, ik zag hoe goed anderen waren in vergelijking met mezelf.
En als schrijver ervaar je dat probleem niet?
Nee. Ik vind mezelf een redelijke schrijver. Ik ken betere schrijvers en slechtere schrijvers.
Hoe is je schrijven in de loop der tijd geëvolueerd?
Toevallig heb ik mijn archief afgelopen jaar grondig doorlopen om overal audiotracks aan toe te voegen en ontbrekende teksten die ik enkel in mijn boeken had gezet, toe te voegen. Zeker in de verhalen valt wel op dat ik pakweg tien jaar geleden iets satirischer, bozer ook misschien schreef. Alles was meer kortaf en in het belachelijke vergroot. Bij het vervolg is meer empathie in de teksten geslopen. Niet gek, ook in het dagelijks leven ben ik maar een tooghanger die ergens onderaan de maatschappelijke ladder nestelt. Nu vind ik het vooral belachelijk wat de maatschappij allemaal van je vereist. Er is niet zoveel verzet meer, eerder een koddige gelatenheid. De wereld is niet minder belachelijk geworden maar ik knuffel het wat meer in plaats van dat schoppen.
Kort nadat we begonnen met Aanlegplaats leek je blog stilgevallen. Ik herinner me de vreugdeberichten in onze redactie: ‘René van Densen is terug!’
Ja, dat waren de jaren van Droef. Dat slokte al mijn vrije tijd op: vergaderen, posters plakken, video’s monteren, … Toen dat afgesloten was kwamen er direct twee boeken uit.
Wat maakt een blog voor jou echt goed?
Absurdisme trekt me aan, dat maakt het leven leefbaar. Ik heb net een gesprek gehad bij de VDAB. Ik ben nog maar juist mijn baan kwijt en niet van plan werkloos te blijven, maar die mevrouw moet iets met mij doen omdat dat politiek van haar gevraagd wordt. Ze moet een vakje kunnen aanvinken zodat mijn dossier doorgegeven kan worden. Ik houd zeven mensen aan het werk door werkloos te zijn. Dat is toch fantastisch?
Ik ben niet zo van de sterke meningen. Ik houd meer van het beschouwende, het relativerende. Van ademruimte, ook. Ik herinner me die keer dat Adriaan van Dis Matthijs van Nieuwkerk verving bij De Wereld Draait Door. Die man schonk in alle rust een glas wijn uit: heerlijk! Je moet kunnen ademen in je hoofd, je moet je blik kunnen verruimen en ik vind het fijn als je inzicht krijgt in de ziel van de schrijver. Dat hoeft niet het volledig arsenaal te zijn, maar iets van de persoon zien is leuk.
Denk jij niet dat het klopt, dat alle bloggers eigenlijk columnisten zouden willen zijn?
Voor mij alvast niet. Ik ben in het kader van gedichtenweek begonnen elke dag een versje te posten. En dat begint nu al een beetje als productie te voelen. Een column, dat vergeten mensen vaak, is ook productie. Terwijl een echt goed stuk je overvalt. De striptekenaar Charles Schultz zei het al: ideeën zijn als katten. Als je wilt dat ze komen, negeren ze je en als je iets anders aan het doen bent komen ze om je benen draaien.
Een idee komt op de fiets, onder de douche – ik heb zelfs een keer een date onderbroken omdat ik een idee had. Ik ben een stukje papier gaan halen aan de bar. Of het komt zoals bij Charles Bukowski juist op elk moment van de dag, ongeacht hoe hard je moet werken of hoeveel kinderen je hebt, gewoon omdat het uit je vingers bloedt. Hoe dan ook moet je de regelmaat loslaten en schrijven als je iets te melden hebt.
Maar waarom doe jij dan nu die versjes?
Omdat ik wilde kijken hoever ik kwam. Ik houd van experimenten. Als ik iets in mijn hoofd heb, dan moet ik dat doen. Zo ben ik destijds ook aan mijn supermarktgedichten begonnen. Ik keek tussen die advertenties in de supermarket en zag verhalen, genre the saddest short story ‘for sale: baby shoes, never worn’. Toen vroeg ik mezelf af: waarom hangen hier geen gedichten bij? Daar ben ik toen mee begonnen.
Vorig jaar heb ik een project afgerond waarbij ik gedichten heb gemaakt bij een deck speelkaarten dat ik verspreid over drie continenten op de grond had gevonden. Gewoon omdat ik hier op straat eens een kaart had zien liggen. Zo wil ik de verwondering in de wereld brengen. We zijn hier maar voor korte tijd. Als je dan alleen let op kwartaalcijfers, ben je toch dood aan het gaan? We nekken onszelf met allerhande constructies, maar eigenlijk zijn we best een leuke diersoort.
Nu ben ik bezig met badeendjes. Wil je ze zien?
Is er iemand – dood of levend – van wie je graag een blog zou willen lezen?
Nee. Ik vind het wel goed zo.
Kom op.
Als Bukowski een blog zou hebben, zou ik daarvan smullen. Maar zou hij dat hebben willen doen? Hij was een schrijver die heel hard aan papier hing. Hij koos de blaadjes waar hij in publiceerde ook zorgvuldig uit. Tegelijkertijd had hij natuurlijk een enorme uitingsdrang.
Zou hij het commercieel hebben aangedurfd?
Dat denk ik wel; hij móest echt. Dat mis ik een beetje in het literaire landschap: mensen die gedreven over kunst bezig zijn. Als ik afspreek met schrijvers is de toon vaak heel zuur en gaat het enkel over wie wat naar welke literair agent heeft gestuurd en wie er allemaal niet of te laat heeft gereageerd. Zo moesten werklozen eens over hun interimkantoor spreken! Het gaat bijna nooit meer over een mooie passage, over passie voor het schrijven.
Zijn er anderen met wie je dat wel kunt delen?
Zal ik ze categoriseren? Kijk, je hebt ambiërende schrijvers, die zijn vaak nog leuk. Ze experimenteren, zijn gepassioneerd. Tot het moment dat ze manuscripten beginnen uitsturen, dan gaat er iets verloren. Vervolgens heb je de organisatoren. Hoewel ik er zelf eigenlijk helemaal niet van houd om op een podium te staan, ben ik heel blij dat ik ooit in die scène beland ben. Daar zitten heel leuke mensen. Gert Vanlerberghe bijvoorbeeld, van Ballonnenvrees. Hij heeft ook een blog trouwens. Met hem heb ik een soort van friendly rivalry omdat hij eerder wel van de felle standpunten is. En tenslotte heb je de echt dwarse, onhebbelijke mensen die moeilijk in de omgang zijn. De ruziezoekers, type Quinten De Coene. Zij zijn ook leuk.
Er ligt hier al de hele tijd een boek.
Ja, dit is mijn favoriet. Ranonkel van Jacques Hamelink, ik las het als kind. Het gaat over een klein mannetje dat een ranonkel kweekt op de zolder van zijn huis, ver weg van zijn kenau van een vrouw die planten haat. Als zij dood is, begint de plant te woekeren en neem hij het hele huis over én het huis van de buren en vervolgens de hele stad, totdat iedereen in bomen woont en terugkeert naar de natuur. Vervolgens komen er vogels, die beginnen te kakken, waaruit torens ontstaan die weer een stad vormen. Het is een rise and fall van een gemeenschap. De schrijver maakt nergens een overdreven punt; het neigt naar een mening maar het wordt hem telkens net niet. Zalig.
Tijd voor de foto’s. Foto’s waar René – zo lees ik dezelfde dag nog op zijn blog – niet veel om geeft. Dat is ook wel eens fijn.
Buiten werp ik een laatste blik op het gevelgedicht, het is van Van Densens overleden vriend Jackjohannes Hemp, die ook hier in de Brugse Poort woonde. Met mijn hoofd in de nek stap ik achteruit. Het gedicht gaat over de maan, de regen, de zon en de wind. Ze zijn er allemaal vandaag. Soms neigt er een door te breken, maar het wordt hem telkens net niet. Ik trek mijn kraag op en draai me om. Op de hoek van de straat wacht een kat. Als ik passeer, komt ze op me af. Of anders misschien morgenavond.
Met welke vitamientjes voorkom je voorjaarsmoeheid? Overleef je de laatste winterepidemie best met een grog op basis van rum of neem je beter een potje brandnetelthee? Gaat het volgende week sneeuwen of wordt het tropisch lenteweer? Welke jas moet je dezer dagen dragen? En wanneer begin je best met detoxen, voor of na de maaltijd?
Volgende vangst staat vol praktische tips. Suzanne Brink vraagt zich af hoe je E-books signeert. Eliane De Bleser getuigt over wat kikkers eten zoal met een mens kan doen. En Iris Salembier heeft het over ‘onwelriekende slordigheidjes’ zoals vermiste keukenscharen. Het handigste in zulk geval is wanneer je het op de ander kan steken. Maar je eigen trouwring zoekraken is nog een ander paar mouwen natuurlijk.
En is het aan mij om het haperende verdienmodel van de literaire wereld in de lucht te houden? Wat de keuze voor het ebook verder bemoeilijkte, is de mores van de boekpresentatie. Je hoort een boek van de auteur te kopen en die door hem of haar te laten signeren. Maar hoe moet je een ebook laten signeren?
Je kent het wel, die frustratie wanneer je tijdens het koken snel een verpakking wil opensnijden maar de schaar niet op z’n plek ligt in de keukenlade. Eerst blijf je wat zenuwachtig staan scharrelen in de lade, maar uiteindelijk trek je je plan met een scherp keukenmes, terwijl je je blauw ergert aan je gezinsleden die elke keer je keukenschaar komen pikken voor van alles en nog wat en die dan ook nooit eens terugleggen.
Een aantal belangrijke dingen des levens treffen we nauwelijks in onze blogs aan: seks bijvoorbeeld, of de zucht naar zuiverheid. De dood wat vaker, maar toch.
Deze week is het er allemaal. Kirsten Mafroid levert de titel van deze vangst met een verhaal over diepe noden, Jan-Willem Lubbers treft in het uitgepuurde design van zijn website een spiegel van zijn diepste wijsheden aan, en op ontAarding wordt melancholie ingezet tegen een naderend einde.
De nervositeit aan mijn voordeur verdwijnt snel. Toch blijft ons bloed kloppen, voelbaar verder kruipen, bijna de eigen schil buiten en de andere binnen. We pellen elkaar als een artisjok tot het zachte hart, het lekkerste deel. Slurpen elk restje angst voor de wereld weg. De lucht is dik met onze meest dierlijke damp. Jij bijt me tot ik openbarst en rijp sap op je kin kleeft. Ik weet niets van je maar wel hoe elke druppel van je smaakt (naar vinaigrette op avocado).
Gelukkig zijn kan een eigen keuze zijn (als de omstandigheden dat toelaten) en als ik daarvoor kies zie ik de wereld anders (niet per se beter, anders). Er schijnt een boeddhistische wijsheid te bestaan die beweert dat er geen weg naar geluk is, maar dat de weg geluk is. Ik herkauw die gedachte vaak en ik denk dat het geen onzin is. Overigens denk ik dat mijn weg die ik zou moeten gaan niet bestaat, maar ontstaat door te gaan, te leven, op welke wijze dan ook.
Ik liet tieners nadenken over de situatie in Soedan, prutste een website in elkaar om relevant te blijven als aspirant-leerkracht in de 21ste eeuw en blokte gedwee het onderwijs-apparatchiks van de Vlaamse Overheid. Ondertussen richtten de cytostatica in mijn moeders lichaam een ravage aan. Het liet de tumoren onverschillig. Die groeiden drie maanden gewoon door.
Bene Van Eeghem was die avond op de luchthaven in Oostende de juiste vrouw op de juiste plaats. Laat haar in het midden van de nacht een echtpaar observeren dat tegen de verveling en tegen de huwelijkse sleet vecht en ze puurt er een verhaal uit dat me doet hopen dat ze nog regelmatig in dergelijke situaties mag verzeilen.
Gerbrand Bakker is een van de meest gevierde schrijvers uit onze haven. Niet dat zijn autobiografische schetsen me telkens even hard boeien, maar deze keer had hij me onmiddellijk mee. Na een openhartig begin, volgt wat gezellig geroddel, een schimpscheut links en rechts en tot slot een gouden podcast-tip.
Naast tal van andere kwaliteiten blinkt Lennart Vanstaen eveneens uit in het beschrijven van dagen waarin ogenschijnlijk niets gebeurt. Met een vriend wandelt hij rond in Oostende. Ze halen herinneringen op, vertellen elkaar verhalen, maken toekomstplannen en vergeten ‘Aline’ van Heleen Debruyne te kopen. En ze verwonderen zich over de afwezigheid van zeehonden in de koningin der badsteden.
‘Wanneer de man voor de tigste keer een ringtone op de smartphone uittest, wordt zijn eega kregelig. Ze streelt liefdevol over het kopje van het dashondje dat meereist, maar de genegenheid richting wederhelft is ver te zoeken.’
‘Ochtenden zijn soms ‘lastig’, in de zin dat je (ik) uit bed komt en dat er dan een hele dag voor je ligt. Mijn therapeut zei altijd: ‘Voor veel depressievelingen is de ochtend het moeilijkst.’ Dat was goed om te horen, want dan ben je niet alleen. Koffie, sneetje brood, wat wordfeudjes en dan Trouw.’
‘‘Eigenlijk ben ik wel eenzaam,’ zeg je plots. Je zegt het alsof je het al lang geleden hebt geaccepteerd. Hoewel dat voor mij niet als een totale verrassing in de oren klinkt, is het toch gek om dat te horen van iemand die extreem sociaal en extravert is. Je komt werkelijk overal en iedereen lijkt jou te kennen. ‘Alles hangt aan elkaar,’ zeg je. En ik denk: daar zorg je zelf mee voor.’
De cover van de Transformatiemachine op je bord. Het kan.
Slijmbal! Ik hoor het je denken, maar er zit geen strategie achter mijn keuze voor een stukje van een redactielid van Aanlegplaats. Marjon Meijer keek naar een zangprogramma en schreef daar met veel humor, schwung en durf over. Als je weet te vinden waar WordPress die abonneer-knop verstopt: doen.
“En dan al die deelnemers die zeggen dat het achter de schermen zo leuk is. Begrijp je het dan niet? Het moet vóór de schermen leuk zijn.”
Mijn brein, in salamisneetjes gesneden door MTV en later in chips-schijfjes door Tiktok, is altijd dankbaar voor een kort stukje tekst. Fien De Block selecteert daarbij exact genoeg woorden om spanning op te bouwen, totdat het ergens landt tussen proza en poëzie. Deze keer over een keerpunt in het leven.
“Het lijkt een theaterstuk.
Ik zet twee maal een paragraaf en een maal een handtekening op de slotakte.
De blog van Tom Wouters staat al langer op de Aanlegplaats-radar, maar eigenlijk lees ik hem het liefst nog op Facebook. Daar post hij al jarenlang vaak korte, waanzinnige stukjes, die starten als een bekentenis en eindigen in absurdisme. Een feest. Ik kijk dan ook enorm uit naar zijn kortverhalendebuut, dat in mei verschijnt.
“Morgen begin ik het lofdicht voor te dragen dat ik speciaal voor de gelegenheid voor onze alom geliefde leider heb geschreven en afronden zal ik het binnen vijftig dagen, uitgerekend op zijn vijftigste verjaardag. Stiltes heb ik niet ingebouwd, dus zal u me de komende tijd steeds pratend aantreffen: in de trein naar mijn werk, murmelend tijdens online vergaderingen, woorden kauwend tussen het echte eten door, pratend in mijn slaap.“
Bo met wat favoriete boeken, niet van de grond geraapt
Erg trouwe lezers van het Nieuwsblad kennen hen nog van de column Bo luistert af, maar zelf leerde ik Bo Vanluchene pas kennen in de lessen Creatieve Bronnen aan de SchrijversAcademie.
We hebben het daarin over typische schrijverskwaaltjes zoals writer’s block, het impostersyndroom en die ene vaststelling waar we echt wanhopig van worden: niet schrijven is geen optie. Ik moest hen soms even porren voor die zich uitsprak over het ene of andere onderwerp, want Bo is meer van het geschreven woord dan van het spreken.
Met dat geschreven woord gaat het ondertussen steeds beter. Bo werkte onder andere mee aan De ogen van de uil, een poëziebundel over slapeloosheid (en wakker zijn, dat hoort samen), en publiceerde gedichten in allerlei tijdschriften, waaronder Het Liegend Konijn. Voor die bijdrage overlaadde Tzum hen wel twee keer met erg veel lof.
En dit jaar, op zaterdag 7 februari stelde die hun debuutbundel De transformatiemachine voor.
In afwachting van die grote dag houdt Bo zich schuil in Londen, van waaruit die elke zondag verslag uitbrengt van het leven daar op Bo Vanluchene in Londen, een schitterende blog die in no time is uitgegroeid tot een favoriet van de redactie hier op Aanlegplaats.
We spreken elkaar op een avond, want Bo heeft net ook een echte Londense job gescoord, met kantoor op Canary Wharf en al. Eat that, Linkeroever.
“Het voelt alsof alles samenvalt,” zegt Bo. “De verhuis naar Londen was al langer gepland, maar nu start ik hier met werken én komt dat debuut eraan. Dat zorgt voor stress, natuurlijk, maar ook voor een soort verscherping.”
Het boek heeft Bo nog niet in handen gehad. “Brexit. Veel te duur om naar hier te sturen. ’t Zal voor op de boekvoorstelling zijn, maar de pdf’s zagen er goed uit.”
Een belangrijk spoor doorheen de gedichten is gender en transidentiteit, maar wie de bundel leest als een thematisch pamflet, mist volgens Vanluchene de kern.
“Ik heb voor mezelf nog niet alle antwoorden. Het gaat over onderzoeken, over beweging. Dat ik dan straks gecast word als ‘die trans dichter’? Labels werken,” zegt Vanluchene. “Voor marketing, voor positionering. Maar ze zijn altijd versmallend.”
“En ik ben lang niet de eerste of de enige. Hannah Chris Lomans bijvoorbeeld, of Lucas Rijneveld. En Alara Adilow natuurlijk, daar kijk ik echt naar op.”
“Ik wil dat de bundel gelezen wordt als poëzie. Dat blijft het vertrekpunt. De zichtbaarheid van het thema boezemt me ook wel angst in. Mensen bijten zich er snel op vast. Ik wil niet per se publiek aantrekken dat alleen komt om te reageren, te polariseren. En tegelijk is terugplooien geen optie. Je kan niet alles controleren. Uiteindelijk moet je vertrouwen op het werk.”
“Ik had al eens eerder een blog, toen ik op Erasmus was in Tallinn. Net als bij Bo in Londen was die er in de eerste plaats om familie en vrienden op de hoogte te houden van mijn reilen en zeilen – dat spaart tijd om iedereen apart berichtjes te sturen. Maar de nieuwe blog is natuurlijk publiek, en ondertussen heb ik volgers die ik helemaal niet persoonlijk ken. Dat brengt verantwoordelijkheid mee: ook, en misschien zelfs vooral een tekst die vlotjes leest en lijkt alsof die makkelijk uit de mouw is geschud, vraagt tijd en aandacht. En meer herschrijven dan je eigenlijk aan jezelf wil toegeven.”
“Er is een risico dat zo’n wekelijkse blog je leven gaat koloniseren. Dat je denkt: ik moet iets meemaken zodat ik erover kan schrijven. Het gebeurde soms bij Bo luistert af, waar ik schreef over flarden gesprekken die ik afluisterde. Moest ik weer buiten terwijl ik daar geen zin in had. Dat wil ik niet meer.”
“Die column eindigde met de lock-down. Toen zijn we allemaal plots veel eenzamer geworden. En het zijn die mensen die ik wil aanporren om zich, als het niet in real life wil lukken, dan toch op het digitale papier uit te drukken.”
“Een blog van de eenzaamste mens ter wereld, die wil ik lezen.”
“En erop reageren. Likes, comments. Want een blog, veel meer dan de huidige sociale media, gaat altijd over community. Dat doen jullie bij Aanlegplaats toch ook? Mensen samenbrengen? Niet dat ik eenzaam ben, hier in Londen, maar de reacties en likes op mijn blog doen me toch altijd deugd. Al blijf ik wel weg van de statistiekpagina. Want dan wordt het zo verleidelijk om alleen daar nog op te focussen en rekening te gaan houden met dat publiek.”
“Maar wanneer iemand me vraagt en betaalt voor een column vanuit Londen, dan wil ik graag wel eens een extra uitstap doen. Nu, met de blog, is het echt gewoon van mij.”
“Ook mensen die niet willen schrijven moeten een blog beginnen. Over wat ze elke dag doen. De vuilnisbakken buiten zetten. Of ophalen. Over de fabriek. Het kantoor. Het dagelijkse leven.”
“Ik ben eigenlijk nog altijd aan het afluisteren, merk ik. (lacht)”
“Wat maakt een blog goed? Humor. Dat zeker. En zelfrelativering. Het is allemaal niet zo belangrijk. Jij bent niet zo belangrijk, je hoeft de wereld niet op je schouders te dragen. Een zeker Bridget Jones-gehalte.”
“En niet te lang. Geen massieve tekstblokken, al nodigt Substack daar wel toe uit. Lange essays. Een uitdaging voor de lezer soms, maar we moeten onze aandachtsspier ook wel nog eens oefenen, toch?”
“Ik lees vooral Engelstalige blogs nu, over schrijven, queer blogs ook. En die van mensen die ik ken van de SchrijversAcademie of elders. En ik luister naar podcasts over dezelfde thema’s.”
“Wat er volgt na De transformatiemachine?”
“Eerst leven,” zegt Vanluchene. “Wennen aan Londen. Werken. En verder schrijven, natuurlijk. Altijd schrijven.”
Ik kijk via hun camera naar de boeken in Bo’s Londense flat. “Ik heb te weinig plek om al mijn boeken kwijt te kunnen,” verontschuldigt die zich. Boeken woekeren nu eenmaal, bevestig ik. Ze zijn ook hier overal.
“Ook op de grond, in stapels?”
Ik hoor de twijfels in hun stem. Mag het, die stapels, of mag het niet? Ik weet niet zo goed waar die daar precies in staat.
“Nee,” zeg ik. “Boeken zijn overal, maar echt nooit op de grond.”
Ik hoor opluchting in de lichte zucht uit Londen. “Bij mij ook niet. Dat lijkt op een of andere manier zo respectloos. En dan die beestjes! Nee, op mijn boeken kruipt er niks.”
De Transformatiemachine zal in mijn huis straks eerst een typisch dichtbundel zwerversbestaan leiden. Van tafel naar sofa naar nachtkastje naar aanrecht en weer verder. En daarna? In het rek met boeken van schrijvers die ik persoonlijk ken, en in hoge mate respecteer en waardeer.
Wat een wereld! De krantenkoppen doen ons terugverlangen naar niet zo lang geleden, toen fake news het probleem was. ‘Het zijn monsterlijke tijden’, citeert Wendy Kroy, in navolging van de premier, Gramsci. Temidden van chaos en waanzin is de voorspelbaarheid van zotte dromen een welkome afwisseling. Vincent Merckx ziet zijn grootmoeder terug, in een stukje dat hij Anders heeft genoemd (hij was eerst). En anders, als de slaap niet komt misschien, kunt u altijd nog naar Holland Casino Leeuwarden. Noam Grünfeld pende zijn surreële ervaring in deze speelhal op meesterlijke wijze neer voor Babel Magazine. Al zijn politieke referenties ook daar niet ver te zoeken: ‘Het is makkelijker om Noord-Korea binnen te komen dan het Holland Casino,’ luidt de openingszin.
De monsters schieten brutaalweg burgers dood in de straten van Minneapolis en Teheran. Gangsters zijn het, sadistische psychopaten met een chronisch gebrek aan menselijkheid en mededogen, maar met een geweer. Ze weten zich straffeloos want de Belialszonen in het Witte Huis scheuren gierend van het lachen de wetboeken aan stukken. Hun taal is die van het geld, veel geld. Zoveel geld dat ze alles kunnen kopen: de televisie, de radio, de krant. De maan en de zon en de sterren. De scholen, de klassen en de universiteiten. De apps en de websites. De senatoren en hun kiezers. Groenland of IJsland, het is maar hoe de wind waait.
In de week waarin mijn grootmoeder kort van stof was, een oude gewoonte, belandde ik in een ijssalon. Het was nog vroeg in de ochtend, enkele minuten voor het ontwaken. Ik tuurde naar het roomijs in de toonbank, de bollen waren wit en groen, anders dan ik gewoon ben, het werd me verboden naar de smaak te vragen.
Binnen in de speelzaal word je omver geblazen door de veelvoud aan glinsterende, blinkende, tierende apparaten. Alsof je op Times Square staat, maar dan tijdens een lockdown. In de hoek, achter de roulettetafel, geniet een vrouw van een bordje kipsaté. In het midden gaan twee vrouwen van middelbare leeftijd op in het spel van de fruitmachine en bij de bar bestelt een man een Fanta. Voor de rest heerst er niets dan leegte.
Een dichter sterft rond Kerst. Daarna kan je schaatsen op de vennen en plots valt de sneeuw in vlokken als eieren zo groot. Op de radio hoor je over de wereldbrand en dat de blaaskaak met de oranje lok nieuwe landen wil kopen als een kilo appeltjes en nog wat later doet de zon al een beetje lente voor. Hier een vangst tussen seizoenen, tussen uitersten. Een zwijgend landschap middenin de wereldrommel. Met de ene voet nog in het donker maar de deur al op een kier. Kaal en kiemend. De tijd van studie en niet weten. Wordt het straks een slaapmutsje of een potje detoxthee?
Chrétien Breukers mijmert over Leonard Nolens, over dichters in het algemeen en het dichterswereldje in het bijzonder. Hij bespreekt de zaken op zijn typisch pedante toon met pretoogjes en een hilarische anekdote af en toe. Marijke Van Thielen beschrijft putje winter met demonen en begrippen onder de modder. Heerlijk veel schaamte, tovenarij en nachtschade. Cyclische nachtmerries, verlangen naar het ochtendrood. Dan, plotsklaps, neemt Bruno Willaert je mee van een voetbalploeg in Diksmuide tot Mauritius: een luchtig reisverslag. Alles komt goed!
Wat ik niet snap, is waarom iedereen altijd meeloopt in de rij bewonderaars, als die zich eenmaal heeft gevormd. Wanneer ontstaat het moment waarop een auteur niet langer het onderwerp is van kritiek? Waarom loopt iedereen, ook mensen die kunnen lezen en zich geen knollen voor citroenen laten verkopen, op een gegeven moment toch in de polonaise mee?
Een korte hotelinspectie leert me dat duurzaamheid erg belangrijk is. Ik vond het al vreemd dat er een lege minibar in de kamer stond, maar de bedoeling is dat je die zelf vult met wat je daadwerkelijk gaat opdrinken.
kaart van Brigida – en stuurt u vooral zelf ook eens een postkaart!
Elke vangst van de week begint met een leeg net, en voor de eerste van het jaar staan daarnaast goede voornemens netjes in het gelid. De rauwheid van het leven wat meer toelaten, bijvoorbeeld, en wat minder sugar coated kamerblues – hoe mooi ook geschreven.
Dennis Pauwels schiet me daarbij meteen ter hulp. In zijn eerste stuk sinds anderhalf jaar vraagt hij zich af hoe eerlijk je moet zijn tegen een kind. Marieke Groen heeft het ook over een kind, en het onwaarschijnlijke en triestige verhaal achter Johnny come home van de Fine Young Cannibals – voor mensen van onze leeftijd een all time classic.
Omdat er toch licht aan het einde van de tunnel mag zijn, sluiten we af met het goede voornemen van Suzanne Brink om elke maand een postkaart te versturen. In januari alleen al zit ze aan de derde, want maanden, ach, die zijn ook dit jaar weer relatief.
Er wordt vandaag veel gesproken over weerbaarheid en de rol van kennis. We moeten allemaal beter kunnen onderscheiden wat waar is en wat niet. De Sint lijkt me een uitstekend begin.
Hoe Tommy zich in leven houdt wordt niet verteld. Eén keer gaat hij naar een daklozenopvang om daar de nacht te kunnen doorbrengen. Hij wordt ontvangen door een man die hem vraagt zijn jasje en overhemd uit te doen, waarna de kledingstukken worden geïnspecteerd op luizen en wantsen. Als de man Tommy daarna opdraagt zijn broek uit te trekken, weigert die. ‘Dan krijg je ook geen slaapplek,’ zegt de man. ‘Dan niet,’ zegt Tommy.
Voor interieurstylisten is geen eer te behalen aan dierenartsen. De praktijken die ik ken zijn wit en kaal, of ronduit smoezelig, met rekjes vergeelde folders uit de vorige eeuw en op het prikbord een briefje uit 2005 waarop een buurmeisje van acht haar oppasdiensten aanbiedt. Vaak hangen er ook I.M.’s die dankbare baasjes sturen van hun geëuthanaseerde honden en katten. Ik weet niet wie daarvan opkikkert.