Over eenzame boeken en een verdwenen bril (vangst #212)

Vandaag vinden onze bloggers wat. Over likes en facebook en de hulp van tekst (de altijd verfijnde Ingrid van der Graaf) en wat er moet en niet moet – of mag. Voor dat laatste laten we onvolprezen mopperaars (Marc Kregting en Chrétien Breukers) aan het woord over de poging van NRC en De Standaard om de vijftig beste boeken van het millenium te kiezen.

Daar vinden we hier bij Aanlegplaats ook wat van, namelijk. Of een blog door een ‘publicerend’ auteur wordt geschreven of door een ‘amateur’, maakt ons namelijk niets uit. We kijken alleen naar kwaliteit, en houden van niet gecanoniseerde dwarsigheid.

Elke week opnieuw.

Maar eerst: Ingrid van der Graaf.

Na het overlijden van Saisio’s vader krijgt ze een plastic tasje mee waarin zijn bril en zijn ondergebit. Thuis, met het tasje op schoot, vraagt zij zich verwezen af wat er ‘met de tanden en brillen van dode mensen wordt gedaan.’ Toen pas dacht ik aan de bril van mijn broer. En wat ermee gedaan was. 

Uit: Verbinding op Werk in Uitvoering

Goh, wat een somberheid. En moest je voor het verbeteren van de wereld niet bij jezelf beginnen? Hoe zou ik reageren wanneer NRC en De Standaard me hun enquête onder de neus hadden geduwd? Eerst zou ik wegrennen. Dan had ik voor Het Beste doorverwezen naar de heren Musk, Zuckerberg en Bezos. Tot slot had ik vermoedelijk een alternatieve vraag voorgelegd: ‘Wat zijn de eenzaamste Nederlandstalige boeken van deze eeuw?’ Ik zou namelijk willen herinneren aan wat de canonieke poëziemens Paul Celan, die iets meer dan een vrouw verloor, zag weggelegd voor een traject zónder bemiddeling: zo’n gedicht is ‘eenzaam en onderweg’. Dat betekent dat schrijvers niet in eerste instantie lezers voor zich willen winnen, maar er voorwaarden voor wensen te scheppen. Alsof ze plaatsnemen tegenover taal en tegen die mevrouw roepen: ‘Jij of ik of samen?’

Uit: Onder de rader op De Honingpot

Woede vraagt in de hedendaagse letteren vaak om respect; maar literatuur en respect zijn tegengestelde grootheden. Zonder woede geen aanleiding tot literatuur, maar zonder overwonnen woede geen literatuur. Het eindresultaat, een boek, heeft nergens recht op. Ook niet op respect.

Uit: Literatuur is verzet – wat je daar ook van vinden mag op Chrétiens substack (na oude en nieuwe contrabassen de nieuwste plek voor Chrétien Breukers polemische teksten)

Aan Vincent Merckx

Dit is de vijfde brief in de derde ketting van Flessenpost. Dirk van Boxem schreef aan Anne Broeksma die aan Sylvie Marie schreef, die aan schrijverskoppel Nele Bruynooghe en Wieland Heymans van zacht bruTaal schreef, die aan de bouwfirma van Tom Wouters schreef. Hij schrijft nu voort.

Dag Vincent,

Enige tijd geleden ontving ik dankzij de rubriek ‘Flessenpost’ van Aanlegplaats een wonderlijk mooie brief van Zacht bruTaal. Hoewel ik hen graag een mooi antwoord had gestuurd, is dat tot op heden niet gelukt. Hoe dat komt, lees je verderop. Contractueel was ik daartoe gelukkig niet verplicht. De enige instructies die ik ontving van het hoofd ‘Correspondentie’ was dat het krijgen van een brief mij automatisch verplichtte tot het zelf ook schrijven van een nieuwe brief, die ik dan mocht richten aan een blogger naar keuze, en dat liefst voor 9 maart.

Het deed me wat denken aan de omineuze kettingbrieven uit mijn jeugd. Die bevatten ook steevast instructies die tot op de letter gevolgd moesten worden om de vloek die over zulke brieven hing af te wenden. Wie daar lacherig over deed en de kettingbrief bijvoorbeeld niet 10 keer met de hand overschreef, die zou niet veel later zijn kat aangereden zien worden door een auto, getroffen worden door een besmettelijke ziekte die zich al snel verspreiden zou doorheen de familie en meerdere het graf injagen, die zag zijn huis afgebrand of omver gewaaid, die zou de vrouw/man van zijn/haar leven steeds op een haar na missen en voor altijd ongelukkig zijn, …

Zulke brieven zijn verdwenen, met de opkomst van de e-mail, of vervangen door spamberichten. Dat is de saaie, kapitalistische versie. Bij spam wil de verzender clicks en aandacht van je, terwijl het bij die kettingbrieven op papier puur ging om magisch denken, waar je al dan niet in mee wou gaan.

Even dacht ik op dit thema verder te gaan en kettingbriefgewijs een brief uit het briefarchief te Bree naar je te sturen. Daar in Limburg kan je elke maandagnamiddag gaan snuisteren in verloren gegane correspondentie. Ik had je dan met de woorden van een ander kunnen vertellen over mijn vakantie aan zee, of het onfortuinlijke lot dat mijn buurman getroffen heeft. Ik vond er ooit een brief die volgende boodschap bevatte: “Beste Marcel, er zal een boom klaar staan zoals afgesproken. Op twee meter veertig ongeveer – gemeten van de stam – zit er een gat, waarin het heerlijk overwinteren is. Geniet ervan.” 

Maar ik heb er dan toch voor gekozen om zelf iets te schrijven, ook al zou ik zelf ook wel in een boom willen zitten op dit moment. Aan mijn woorden is het niet te zien, maar ik heb enkele mentaal moeilijk weken achter de rug. Schrijven valt me de laatste tijd wat zwaar, ook al blijf ik vasthouden aan mijn dagelijkse Facebook-verhaaltjes. Ik zit in een impasse. Het valt me dezer dagen moeilijk om houvast te vinden in een wereld die blijkbaar beslist heeft om anders te gaan draaien. De omineuze taferelen waar vroegere kettingbrieven mee dreigden, daar ben ik nu wel bang voor, zozeer dat ik me al heb afgevraagd of ik misschien een kettingbrief gemist heb.

Ik weet dat jij een journalist bent, jouw bestaan is erop gericht om mensen als mij houvast te laten vinden wanneer alles daarbuiten op losse schroeven staat, maar op dit moment wil ik liefst met niets of niemand nog iets te maken hebben, behalve dan met mijn geliefden, ik wil alleen nog mijn tuin in, de winter wegsnoeien, in de hoop dat eens ik klaar ben het met diezelfde wereld wel weer goed zal gaan. Wetende dat ik van tuinieren echt niets ken, kan dat best lang duren. Het enige wat ik van jou nog wel wil lezen, zijn je blogberichten op vrijdag, omdat ze loskomen van de waan van de dag. Dat hebben we nodig, loskomen van de waan van alledag. 

Het is niet makkelijk om met zo’n zwaarder gemoed iemand te schrijven die je niet zo goed kent. In feite kennen we elkaar helemaal niet. We hebben wel eens, voor de volledigheid, kort met elkaar gechat, maar verder weet ik alleen dat je Vincent heet, dat je wel erg lijkt op het beeld dat ik van Vincent van Gogh heb, waardoor ik me afvraag in hoeverre dat toeval is. Misschien heb je dat al vaak gehoord, te vaak, misschien heb je er spijt van dat je niet lijkt op Rachmaninov, die niemand op straat zou herkennen mocht hij weer uit zijn graf opstaan. Toch sprak ik enkele maanden geleden een gedeelde kennis (ik zal haar naam niet noemen om privacyredenen, maar geef een seintje als je wil weten om wie het gaat) die dacht dat wij elkaar al jaren kenden. Haar vergissing was het gevolg van ons gemeenschappelijk verleden. Ik schreef, toen ik begin twintig was, muziekrecensies voor een website. Dat was vrijwillig: ik deed het omdat ik zo gratis cd’s kreeg. Jij werkte voor de concurrentie, maar onze gedeelde kennis dacht dat wij voor hetzelfde medium schreven, dat wij elkaar op vrijwilligersfeestjes ook tegen het lijf waren gelopen, dat wij samen op café gingen (iets wat ik sowieso niet deed in die tijd). Hoewel ik er vrij zeker van ben dat dat alles niet klopt, geloof ik erg in de maakbaarheid van de verbeelding, en dus is er, sinds ze dat heeft verteld, een parallelle wereld ontstaan waarin dat verhaal wel waar is, waarin ik en Vincent Merckx uitgroeien tot goede vrienden van elkaar, samen op reis gaan en op elkaars verjaardagsfeesten komen, waar we elkaar altijd de meest geschikte cadeaus geven (ik ben steeds blij met boekenbons).

Het zou een voorafspiegeling kunnen zijn van het leven dat nog komen zal: misschien lopen we elkaar ooit tegen het lijf, spreken we dan over deze vergissing, gaan we samen iets drinken, blijven we afspreken, worden we kennissen, en dan vrienden. Je weet het maar nooit. Ik denk in elk geval dat het tussen ons wel zou kunnen klikken, al kan ik me voor dat oordeel alleen baseren op je blogberichten.

Ik kan me niet herinneren of kettingbrieven ook voorspoed beloofden aan zij die er wel mee aan de slag gingen, maar als deze brief zou voldoen aan de definitie van een moderne kettingbrief, laat het er dan eentje zijn die geluk en schoonheid brengt aan de ontvanger. Dat kan deze wereld meer gebruiken dan vloeken waaraan niet te ontsnappen valt. Blijf bloggen op vrijdag, weet dat er al minstens één iemand je leest.

Nu trek ik me terug in mijn tuin, want de krokussen wil ik zien groeien.

Tom

De vangst van Michaël Vandebril (vangst #211)

Wie kent er nog de Dode Dichters Almanak van Hans Keller op de VPRO, een nachtelijke uitzending van een dichter die voorleest. Hugo Claus, Gerrit Komrij, Wislawa Szymborska of Allen Ginsberg. Ik kan daar echt van snoepen. De laatste uitzending is alweer geleden van december 2014. Het brengt me op het idee om u enkele dode blogs te tippen. Elke blog die eindigt (en dat doen ze allemaal ooit) is een archiefje waar je zoveel jaar na datum kan struinen, een tijdscapsule die je laat proeven van een tijd die voorbij is, die de vinger aan de pols legt die ooit kloppend was. 

De eerste dode blog waar ik je graag op wil wijzen is ‘Rottend Staal’ van Bart F.M. Droog en kornuiten. Deze rebel with a cause maakte vroeger deel uit van het dichterscollectief Dichters uit Epibreren. Rottend Staal hield het poëzienieuws van de Lage Landen bij, maar deed dat lekker opiniërend. Het laatste bericht dat je kan lezen gaat over de verkiezing van de vierde Nederlandse Dichter des Vaderlands in 2009. Dat werd uiteindelijk Ramsey Nasr. Vandaag is er wat gedoe dat de titel wordt gewijzigd in ‘Dichter der Nederlanden’. Google maar even op Ilja Leonard Pfeijffer en Babs Gons en u lees er alles over.

Op Rottend Staal lees je berichten als:GRAFSCHENNIS TE LEUSDEN

Leusden – Vannacht toog een politiepatrouille naar begraafplaats Rusthof te Leusden, nadat omwonenden daar ongewone lichtflitsen rapporteerden. Op de begraafplaats bleek de zwerfkei van het graf van de bekende auteur Gerrit Achterberg gerold te zijn. De stoffelijke restanten van de heer Achterberg lagen her en der over de grafakker verspreid. Gezien de aanwezigheid van een pentagram en zwarte kaarsen vermoedt de politie dat dit het werk is van satanistische hangjeugd. (Rottend Staal Online, 10-2-2002) 

Een ander monument van een document is de blog van Simon Vinkenoog, Kersvers. Het laatste bericht is een rouwbericht: 

Al wat beweegt zal in beweging blijven
Erop en/of eronder: een keus is er niet
Niets dat beklijft en alles zal verdwijnen
Je leven een vuurwerk … of niet

Zondagochtend is te midden van zijn dierbaren overleden

Simon Vinkenoog

   18 juli 1928  –  12 juli 2009

                              Zijn levensvreugde zal ons blijven inspireren, we zullen hem missen.Er is gelegenheid tot afscheid nemen op zijn verjaardag zaterdag 18 juli van 9.00 tot 12.00 uur in de kapel                                                        op begraafplaats St.Barbara, Spaarndammerdijk 312, Amsterdam.                             

Daarna zullen we Simon met z’n allen begraven.

Ik was erbij die dag, samen met René Franken van antiquariaat Demian. René was uitgenodigd mee de kist naar zijn laatste rustplaat te dragen. René en ik ontmoetten Vinkenoog voor het eerst in zijn volkstuintje, ergens in 2004. We waren naar Amsterdam gereisd om hem te vragen mee te werken aan de Beat Bookstore in Antwerpeneen bookshop naar het voorbeeld van City Lights Bookstore in San Fransicso. Een aantal jaar later resideerde Simon een week in het antiquariaat van René. Simon was een man die graag zijn levenswijsheid deelde, en dat deed hij gevraagd en ongevraagd. Geniet hier even mee van zijn passage in Antwerpen. Lees zijn blog Kersvers met mate zou ik zeggen, anders gaat je brein aan de kook. 

Tenslotte deel ik graag nog een levende poëzieblog van enkele jonge honden: The Flemish Review de la Poëzie voor poëzie in België. Schrijf u in en u ontvangt hun nieuwbrief over literaire systemen, ellenlange dichtersinterviews en een exhaustief overzicht aan poëzie-activiteiten uit Vlaanderen, Brussel en Wallonië, waar vind je dat nog vandaag?

Michaël Vandebril, het interview

Omdat er die dag een ware estheet bij ons thuis werd verwacht, sommeerde Jolanda me om citroentaart te gaan kopen. Want beheerst er iemand beter de kunst om gracieus door de straten van Antwerpen te dwalen dan Michaël Vandebril? Alles aan hem straalt verfijning uit. Zijn houding, zijn kleding, zijn bril, zijn taal en zijn voorliefde voor de Franse symbolisten. Als je in het midden van de nacht plots overmand zou worden door vragen over het wel en wee van Stéphane Mallarmé, weet dan dat je steeds bij hem terecht kunt. 

Sommige mensen vullen op een volstrekt natuurlijke wijze een leemte in en zo iemand is Michaël Vandebril. Als er iemand op eigentijdse wijze de kwaliteiten van het oude België gestalte geeft is hij het wel.

Bij onze voordeur werden er begroetingskussen uitgewisseld die zelfs in het fin de siècle opzien zouden hebben gebaard en ik nodigde Michaël uit voor een kop koffie maar dan, zoals het een dandy betaamt, ingeschonken in een koffiemok met een beeltenis van die andere grote Belgische estheet: Roger De Vlaeminck.

We kenden elkaar enkel maar van verre begroetingen, maar toch voelde het gesprek onmiddellijk vertrouwd aan. Nog voor we de citroentaart hadden aangesneden was er een onstuitbare spraakwaterval losgebarsten en werden er wist-je-datjes uitgewisseld. Toekomstige literatuurhistorici wil ik erop wijzen dat Michaël mijn aanbod om de citroentaart met zijn handen te eten naast zich neerlegde en keurig met mes en vork at. Zonder te kruimelen. Every inch a gentleman. 

Naast zijn faam als dichter geniet Michaël Vandebril vooral bekendheid als organisator van literaire evenementen. Zo is hij sinds 2003 werkzaam als coördinator voor Antwerpen Boekenstad en opende hij samen met Ineke Van Nieuwenhove en Carmen De Vos het Belgische filiaal van het Poëziebordeel. Verder is hij een met o.m. Andy Fierens een van de stichters van VONK & Zonen en in 2018 richtte hij samen met initiatiefnemer Jan Ducheyne de Partij voor de Poëzie op. 

‘Jan Ducheyne en Andy Fierens zijn van die oerkrachten die graag buiten de lijntjes kleuren en toch altijd goed op hun poten terechtkomen.’

‘Spinvis en Simon Vinkenoog zijn zeer belangrijk geweest voor Jan. Op een dag zei Vinkenoog tegen hem: “Dat treinconducteurschap van jou: dat is allemaal goed en wel maar je gaat het toch niet blijven doen? Je moet volledig voor je dichterschap gaan!”’

‘Het feit dat ik dichter en organisator ben hindert niet, maar het maakt wel dat ik lang heb gewacht met het publiceren van mijn eerste bundel. Toen Het vertrek van Maeterlinck werd gepubliceerd was ik al veertig. Als organisator was ik al op jonge leeftijd zeer actief en werkte ik snel samen met grote namen zoals Tom Lanoye. Daarom voelde ik een zekere schroom; ik had niet onmiddellijk de ambitie om mij tussen die reuzen te zetten. Tot ik op een bepaald moment vond dat het tijd was om ruimte in te nemen en met mijn schrijven naar buiten te komen. Het werd ineens een tweetalige uitgave bij De Bezige Bij. Het boek was gelinkt aan de Belgische symbolisten zoals Maeterlinck en Verhaeren. De liefde voor de Franse taal is bij mij gegroeid dankzij de schoolvakantiezomers in het Waalse Virton. De kennis van het Frans opende voor mij de deur naar de Franse cultuur. België is het land waar de germaanse en romaanse cultuur samenkomen. Wij Vlamingen zijn, soms zonder dat we het beseffen, overspoeld door romaanse invloeden, ook in de literatuur. Ik heb dat altijd een interessant gegeven gevonden. Figuren als Maeterlinck en Verhaeren waren Vlaamse Belgen die in het Frans schreven en ze werden in Frankrijk, vanwege hun afwijkende taal en verbeelding, als zeer exotisch ervaren.’

‘Mijn debuut Het vertrek van Maeterlinck was de vrucht van mijn fascinatie voor de wereld van de symbolisten.’

‘Je hebt gelijk: ik ben geboren in 1972 en eigenlijk te jong om de New Romantics, de titel van mijn tweede boek, bewust te hebben meegemaakt. Maar bands als Duran Duran staken hun invloeden niet onder stoelen of banken en via hen heb ik David Bowie en Brian Eno en andere gelijkgestemde muzikanten leren kennen.’

‘Hun instrumentale nummers waren atmosferische klanktapijten en dat effect wilde ik in mijn gedichten ook bereiken. Je mag ze vooral niet te begrijpend lezen, want het is associatief geschreven. Tijdens het schrijven was het voor mij vaak verrassend om te zien welke beelden er in mijn hoofd opdoken. Als je goed leest zie je dat de poëzie in het laatste deel al aan het verschuiven is; ergens leg ik al een link naar de toekomst en kondig ik mijn volgende bundel Op de weg van Appia aan. Via subtiele verwijzingen zijn mijn drie bundels met elkaar verbonden.’

‘Je vroeg me om een van mijn lievelingsboeken mee te nemen en ik koos voor Red ons van de dichters van Menno Wigman.’

‘Persoonlijk vind ik hem een van de beste dichters van de Lage Landen. Hij is ook iemand die de poëzie van Baudelaire en Rimbaud heeft getransponeerd naar zijn eigen tijd. In die zin is hij een geestesgenoot.’

‘Als je zijn poëzie leest voel je dat het geconstrueerd is maar in functie van efficiëntie. Wigman was een drummer. Ritme en klank waren belangrijk bij hem. Als je zijn gedichten leest, merk je dat hij een ritmisch wonder is en daarom is het ook niet verbazend dat hij begreep hoe bezwerende zinnen te schrijven.’

‘Bovendien was hij een dandy die steeds piekfijn gekleed ging – want hij voelde zich verbonden met Charles Baudelaire en de tijd van de romantiek. Vroeger had ik het sterker dan vandaag omdat ik heb ingezien dat dandy zijn iets arrogants heeft. Je wilt je onderscheiden van de massa en dat doe je door vormelijkheid. Het esthetiserende vind ik nog steeds belangrijk, maar je mag het niet doen om je beter te voelen dan iemand anders. Het is ook een masker natuurlijk waarachter je jezelf kunt verschuilen. Het is het doortrekken van esthetiek in taal en tegelijkertijd scherm je je af. Veel schrijvers die ik bewonder cultiveerden hun dandyisme, zoals bijvoorbeeld Jean Cocteau.’

‘Het dandyisme is ook iets typisch voor Antwerpen. Vroeger had je Paul van Ostaijen. In de jaren zeventig kreeg hij navolging van de Pink Poets, de dichters rond spilfiguur Patrick Conrad. Vandaag de dag incarneert Jeroen Olyslaegers ook wel dat grootstedelijk dandyisme.’

Michaël Vandebril betrekt een kantoor in het Letterenhuis en bibliotheek Permeke. Hij zit als het ware op het literaire erfgoed en snuistert er regelmatig rond. Of hij de aandrang voelt om een exhaustieve wetenschappelijke studie over een in vergetelheid geraakte dichter te schrijven?

‘Ik lees bijzonder graag literaire geschiedenissen of biografieën maar zelf ben ik te weinig monnik om me ertoe aan te zetten over zo iemand een boek te maken. Daarvoor ben ik niet monomaan genoeg (lacht).’

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘In een ver verleden had ik een Tumblr-blog. Die bestaat trouwens nog steeds. Tumblr is een soort van microblog waar je beeld en tekst met elkaar laat dialogeren. Wat ik daar deed was het volgende: ik maakte een foto van mijn opengeslagen Moleskine-notitieboekje waarin ik versregels in de maak bijhield en waarin ook gevonden papiertjes of gedroogde bloemen kleefden. Het was een inkijk in mijn werkboek. Ik vond het een leuke manier om aan mijn lezers iets te tonen wat je normaal gezien nooit ziet: het groeiproces van de gedichten die ik aan het schrijven was.’

‘Je kon de stukjes al liken en delen. Een bepaalde post van mij werd bijzonder populair en liet het internet bijna ontploffen. Iemand had een gedicht uit mijn eerste bundel in het Engels vertaald en in een video-gedicht gegoten en de Nederlandse videaste en fotografe Judith Dekker had daar een film bijgemaakt en gepost. Dat is bijzonder veel gedeeld geworden.’

‘In blogs ben ik duidelijk geen volhouder. Na verloop van tijd verdwijnt mijn interesse. Want bloggen bind je op een bepaalde manier. Het voelt aan als een verplichting en ik hou niet zo van verplichtingen (lacht).’

‘Mijn creatieve energie steek ik liever in mijn gedichten. Om de vier, vijf jaar publiceer ik een nieuwe bundel. Welbeschouwd is dat mijn papieren blog die dan elk lustrum in boekvorm verschijnt.’

‘Maar tegelijkertijd vind ik bloggen een zeer interessante vorm, al hangt het er uiteraard van af hoe het vogeltje gebekt is. De blogs van Jan Ducheyne of Vitalski: dat werkt perfect voor hen. Vitalski heeft een geordende chaotische geest. De potpourri die hij van Vitalski blogt maakt, is meteen ook zijn stijl. Hoge en lage cultuur. Van de foto’s van zijn bunny’s tot glasheldere analyses van het werk van Edgar Allen Poe.’

‘Vitalski is ondertussen al zo lang bezig. Tijdens mijn rechtenstudies, begin jaren negentig, had hij het dadaïstisch collectief De Ysfabrik opgericht. Ik was toen gefascineerd door het dadaïsme en was danig onder de indruk. Wat is dit allemaal? En het is iets van vandaag! Het gebeurt nu! De zotheid, het gewelddadige, het kolderieke dat zijn oeuvre zo kenmerkt: het zat er allemaal al in. Hij maakte een vluchtschrift-achtig krantje van twee pagina’s dat ook De Ysfabrik heette en in cafés werd verspreid. Wat daarin stond doet hij in wezen nog steeds met zijn blog. En de revues die hij met de Dinsdagclubs op het podium doet, deed hij toen ook al. Uiteraard was hij jonger, scherper en punkier. Vandaag is Vitalski veel respectvoller. Iedereen kan en mag zijn plek hebben. In die tijd had ik zelfs een beetje schrik van hem.’

‘Ik was met een paar vrienden eveneens met een vluchtschrift begonnen: Le Tigre Unick. De eerste keer dat ik Vitalski uitnodigde om op te treden voelde ik een zekere schroom. Zou ik het wel doen? Wat als hij alles gaat saboteren? Het was onze eerste samenwerking en die avond zat Luc Cuperus van het cultureel-programmablad Week-Up in het publiek. Hij geraakte meteen geïntrigeerd door de figuur van Vitalski. Luc vroeg me achteraf wat voor iemand hij was en of we er iets mee konden doen. Ik zei dat Vital, in navolging van Jules Deelder in Rotterdam, de nachtburgemeester van Antwerpen was. Enkele maanden later zie ik dat hij in de Week-Up zijn column De nachtburgemeester van Antwerpen had gekregen. Een podium voor roddels, weetjes en slimmigheden. Typisch Vitalski.’

‘De Achterafgedichten was een project met vier andere dichters. Het zijn ook de begindagen van VONK & Zonen, een literaire organisatie die ik in 2010 samen met Andy Fierens, Maarten Inghels en Dave van Gestel heb opgericht. In eerste instantie om eigen literaire projecten te organiseren. Een van onze eerste initiatieven waren die bewuste Achterafgedichten waar je naar refereerde. Met vijf dichters hadden we onze stoutste schoenen aangetrokken en zijn ermee naar de redactie van De Morgen gestapt. Delphine Lecompte, Ruth Lasters, Maarten Inghels, Max Temmerman en ik. Ons voorstel was om een jaar lang elke week een actualiteitsgedicht te schrijven. Afwisselend. Yves Desmet, de toenmalige hoofdredacteur, had er wel oren naar en hij gaf ons het volledige achterblad! De Morgen koos een bijpassende paginagrote-foto. Die actualiteitsgedichten hebben we ook een jaarlang bloggewijs gepost. We sloten af met een tournée langs schouwburgen met een heuse eindejaarsvoorstelling: Achterom: het jaar in gedichten.’

‘Het was leuk om doen, want je had nooit veel tijd en dat stimuleerde de verbeeldingskracht. Over sommige van die gedichten was ik zo tevreden dat ik ze later in bundels heb opgenomen.’

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Hier heb ik lang over nagedacht en uiteindelijk heb ik een schrijfster gekozen. Ik zou het fantastisch vinden mocht Rebekka de Wit een blog beginnen. Voor de zekerheid ben ik het even gaan nakijken, maar ze heeft er geen – enkel een simpele website. Haar wekelijkse stukjes in De Standaard savoureer ik. Haar manier van denken en schrijven vind ik heel verfrissend en totaal niet vrijblijvend. Ze reageert als jonge vrouw die in onze stad woont op een persoonlijke manier op het soort van corporatisme – en bij uitbreiding op het kapitalisme – dat op een ingrijpende manier onze levens bepaald. Desondanks kunnen die bedrijven niet tot de verantwoording geroepen worden. Als kunstenares denkt ze daarover na en ik vind de manier waarop ze naar de problematiek kijkt verstandig, ontregelend én ontluisterend. Met behulp van taal breekt ze in haar korte stukjes de premisses en dogma’s af. Rebekka de Wit vertrekt altijd vanuit een persoonlijke ervaring.’

‘Het verfrissende is, vind ik, dat ze haar taal als wapen gebruikt tegen die van de machtige ondernemersblokken. Het is een taalstrijd. Ze probeert de constructies om iets te legitimeren af te breken. Het bekendste voorbeeld in haar geval is Shell. De multinational gebruikt taal om de dingen die het zou willen doen te legitimeren. Het is maatschappelijke brainwashing. Zij hanteert hetzelfde instrument om de onzin ervan aan te tonen en ze doet het slim en met inzicht.’

‘Bovendien zijn haar columns ook uitstekend geschreven.’

‘Milan Kundera vertelde eens in een van zijn romans het verhaal van een auteur die de overheid bekritiseert. Hij zette een metafoor in om aan te geven wat er eigenlijk gebeurt en die is zo snijdend, zo ontluisterend dat een totalitair regime, zoals het toenmalig communistische Tsjechoslowakije er een was, haast niet anders kan dan zo iemand uitschakelen. Want de macht vindt het woord gevaarlijk, omdat het ervoor zou kunnen zorgen dat de machtsconstructie onderuit gehaald wordt. Dát is de kracht van schrijvers en individuen. Het is het David & Goliath-verhaal. Hoe een goed gemikt steentje – of het nu in de vorm van een tekst of van een gedicht is – de arrogantie van de macht ter verantwoording kan roepen. Vandaag voel je heel sterk de beweging om mensen die nadenken en zaken verwoorden uit te schakelen of monddood te maken.’

‘De facto zijn schrijvers gevaarlijker voor totalitaire regimes, omdat in dictaturen de controle totaal is. Dus de impact van een tegenstem is er groter. In onze maatschappij is er vandaag de dag zo’n wildgroei aan meningen dat een tegenstem minder snel invloed zal hebben. Maar als je het goed gericht doet, kan het wél doel treffen. Het hoeft niet de taak van elke dichter of schrijver te zijn, maar het is belangrijk dat er kunstenaars bestaan die hun kracht gebruiken om dingen te verwoorden die in het gezicht kletsen. Ook in dat van ons. Niet alleen in dat van de machthebbers. Taal kan zaken duidelijk maken.’

‘De blog van Simon Vinkenoog bezocht ik vroeger bijna dagelijks. Zijn laatste post is zijn overlijdensbericht en de uitnodiging om naar zijn begrafenis te komen. Het is een fantastische blog. Het heet Kersvers. De vormgeving oogt zeer simpel. Tijdens zijn laatste levensjaren schreef Vinkenoog elke dag hele lappen tekst. Soms aangevuld met kiekjes. Ik raad je aan om die blog eens te bekijken. Simon Vinkenoog was een dichter en levenskunstenaar maar ook een strijder. Hij wilde het bewustzijn van zichzelf en van de maatschappij verruimen. Hij had zeker iets sjamanistisch over zich. Maar zijn antennes stonden haarscherp open. Wereldwijd onderhield hij contacten met vooraanstaande dichters en denkers zoals Alan Ginsberg en andere geestesgenoten die bezig waren met de idee dat de wereld naar een volgend stadium van bewustzijn moest evolueren.’

‘In zijn blog vertelt Vinkenoog gewoon wat hij allemaal doet en intuïtief verbindt hij tal van zaken. Het is een leerrijke inkijk in zijn leven. Ergens word ik erin vermeld. Het was in het kader van Antwerpen Wereldboekenstad. René Francken van Demian kwam met het idee om de legendarische City Lights boekenwinkel in Antwerpen na te bouwen als een tijdelijke pop-up beat-bookstore. Een fantastische ingeving. Het was meteen duidelijk dat we Simon Vinkenoog nodig hadden, want hij vertegenwoordigde dat soort energie bij ons in de Lage Landen. We zijn hem in zijn volkstuintje in de buurt van Amsterdam gaan opzoeken. Achteraan had hij een houten tuinhuisje waar hij in de zomer met zijn vrouw resideerde. Een echte hippie-plek. Over die ontmoeting met ‘twee mensen uit Vlaanderen’ schreef hij een stukje op zijn blog.’

Wat maakt een blog goed?

‘Voor mij moet het een combinatie zijn van het persoonlijke dat naar een hoger niveau getild wordt door ervaring en kennis… Als een blog in pure anekdotiek blijft steken, spreekt het me minder aan. De manier van kijken naar de dingen en hoe die met elkaar te verbinden, vertrekkend vanuit het autobiografische: dát intrigeert me.’

‘Vitalski is een raar geval, maar ik hou van rare gevallen. Zijn blog is een zooi. Maar ik hou ook van zooi, dus dat is geen probleem. Wat bij hem interessant is, is dat hij aan geen enkele regel voldoet. Zijn stijl verandert voortdurend. Het is alles door elkaar: hoog-laag, goed fout zit er ook in. Tegelijkertijd toont hij in sommige stukken zijn enorme eruditie. Dát ongrijpbare maakt Vital boeiend.’

‘Er moet persoonlijkheid uit een blog spreken. Het mag niet de woordenkramerij van een praatjesmaker zijn. Je hebt blogs van mensen die zich interessanter proberen voor te doen dan ze zijn, maar die missen authenticiteit. Oorspronkelijkheid en eigenzinnigheid vind ik de allerbelangrijkste eigenschapen.’

‘Een blog is toch iets anders dan een column. Voor mij is een blog eerder een digitaal dagboek. Spontaan moet ik nu aan Jean Cocteau denken die een paar dagboekachtige teksten heeft geschreven zoals Opium, over zijn verslaving. Het is heel fragmentair neergeschreven. Soms zijn het twee zinnen, soms een stuk van een gedicht en soms een beschouwing. Het is heel divers, maar samengebracht is het geweldig. Eigenlijk is het een blog avant la lettre. Elk stukje kan een andere vorm hebben. De vrijheid van een blog  – niemand die zegt: dit is te lang of te kort – is maximaal.’

Het was tijd om afscheid te nemen en aan de voordeur regende het zoveel kussen dat Michaël en ik onze kansen om als ambtenaren voor de stad Leuven te gaan werken definitief verknald hadden. Verweesd stapte ik terug naar de keuken en zag als aandenken aan een ochtend waarin de letteren weer even mochten knetteren nog een laatste stukje citroentaart liggen.

Onze vrouw bij de droogkuis & andere verhalen (vangst #210)

Al van zolang ik mij kan herinneren heb ik een zwak voor grappige vrouwen met een grenzeloze verbeelding. En kijk: zonder dat ik er doelbewust naar zocht, heb ik deze week drie verhalen van schrijvende vrouwen uitgekozen die de lichte toon niet schuwen.

Suzanne Brink dagdroomt een eind weg over de voor- en nadelen van onmetelijk rijk te zijn en ze laveert moeiteloos van de twaalf witte labradorpuppy’s van Whitney Houston naar de versleten mouw van haar T-shirt, een T-shirt waar ze maar geen afscheid van kan nemen.

Op een dag besluiten de uitbaters van de droogkuis waar Marijke Cornelis – van de onvolprezen blog Fragmenten – Zon, Zen en Murphy – al jaar en dag klant is, dat een halve eeuw vuile kleren wassen voldoende is geweest. Ze stoppen ermee. De koning is dood, lang leve de koning! Wat volgt is een tragedie in dat administratieve niemandsland waar geen toerist ooit van gelukkig is weergekeerd.

Eindigen doen we met een hitchcockiaanse thriller van Marita Kwant. In haar blog Maritas overpeinzingen beschrijft ze een terugrit per trein na een bezoek aan Den Bosch en ze bewijst dat ze al even helder en snel kan denken als dat ze schrijft.

Van geld krijg je smetvrees. Eeuwen geleden las ik een column over wat rijk zijn met je doet. Zelf had de columnist (vergeten wie) een grondige hekel aan ‘vreemde’ wc-brillen, wat erop neerkwam dat ze liefst alleen thuis naar de wc ging, en als ze in het geld zou baden zou ze kunnen eisen dat waar ze ook kwam nieuwe wc-brillen werden gemonteerd. Dan hoefde ze zich nooit meer heen te zetten over haar wc-brillenfobie en kon ze een leven leiden á la wijlen Whitney Houston die twaalf witte labradorpuppy’s in de kleedkamer wilde, Beyoncé die geen stap in de kleedkamer zet als die kouder of warmer is dan 25,5 graden, en Justin Timberlake die verwacht dat elke twee uur de deurknoppen van zijn hotel worden gedesinfecteerd.

Uit: Smetvrees van Suzanne Brink

De droogkuis waar ik al levenslang klant ben, waar ik blindelings op vertrouw en op automatische piloot naartoe rijd, is er na een halve eeuw mee gestopt. De vuile kostuumbroek van mijn vader ligt al drie weken achteraan in mijn wagen op de grond. Er is een bord soep overheen gegaan. Toch ruikt het kledingstuk nog steeds naar sigaar.

Uit: Oogcontact van Marijke Cornelis

Met alle vooroordelen die ook ik in mij heb, weet ik dat hij geen kaartje heeft voor de eerste klas. Normaal gesproken let ik niet op mijn medereizigers, maar ergens vertrouw ik de situatie niet helemaal. En jawel, na zo’n vijf minuten komt hij naar mij toe en vraagt mij iets op een fluisterende toon. Ik versta hem niet, hij spreekt geen Nederlands, maar ik vermoed dat hij vraagt of hij naast mij mag zitten. Ik knik kortaf en hij gaat zitten.’

Uit: Grijpgraag van Marita Kwant

Aan Tom Wouters

Dit is de vierde brief in de derde ketting van Flessenpost. Dirk van Boxem schreef aan Anne Broeksma die aan Sylvie Marie schreef, die aan schrijverskoppel Nele Bruynooghe en Wieland Heymans van zacht bruTaal schreef. Nele en Wieland schrijven nu terug.

Beste bouwfirma Wouters nv., Beste Tom,

Graag hadden we bij jouw firma een huis laten bouwen. Met boeken als bakstenen en grootvaders die er rondlopen in de kamers. Als het kan, willen we ook een trap om naar het dak te klimmen als de maan weer eens te ver lijkt. En als je dan toch bezig bent aan het huis, kan je dan ook onze tuin aanleggen? We willen ook de tuinman die jij hebt. En nu we je toch in dienst hebben, misschien een bakker in de buurt? Dan kan Nele iedere dag wakker worden met de geur van vers brood. Het versgeperste sinaasappelsap voorzien we zelf wel. We zijn geen moeilijke klanten.
            We blijven trouwens levenslang klant bij jou. Voortdurend gaan we iets nieuws vragen. Een trap die elders moet of boeken die we liever op een andere plek in het huis willen. Wieland gebruikt stapels nobelprijswinnaars om zijn bed en dus zijn slaap in evenwicht te houden. Jullie zouden misschien samen stapels kunnen maken en er wedstrijden mee organiseren?
            We zouden jou dus voortdurend laten verbouwen omdat we je dan naar je plannen kunnen vragen. Want die lijken eindeloze mogelijkheden te scheppen en daar houden we van. Zoals je aan het begin van de zomer kan staan, zo willen we voortdurend het huis door jou laten vernieuwen en kunnen thuiskomen in het ongerijmde.

Bovendien hebben we ook een zwak voor onze grootouders. Mijn grootmoeder zou deze maand honderd jaar geworden zijn. Zij was in mijn gedachten toen ik deze week een gedicht mocht schrijven voor een andere honderdjarige die met een dag verschil jarig was. Maar jij schrijft dus een boek over je grootvader. En daarna lees ik in een blog hoe je hem meer dan één leven geeft. Dat wil ik ook. Door afwezigheid of gemiste kansen, blind worden en zo leren zien. Je opent mijn ogen alvast.

            Vorige maand schreef je dat je ontzenuwd bent. Dat je lichaam terug moet wennen aan het schrijven. Is dat ondertussen gelukt? Wat bij Wieland helpt, is koffie drinken. Hoe meer drama hij nodig heeft, hoe meer scheppen er in het koffiezetapparaat gaan. Ook hij schrijft het liefste ‘s nachts. Misschien weet jij wel een bureau zo te ontwerpen dat hij er niet alleen zit, maar dat bijvoorbeeld Hubert Lampo’s pen er te horen is. Op dit moment hoort hij ‘s nachts enkel het tikken van verwarmingsbuizen. Het straatlicht valt wel mooi door het raam.

Je bent een ontdekking voor ons, Tom. Ik lees je posts graag en hoop dat je blijft schrijven. Het credo van Schrijffirma Wouters heeft mij alvast te pakken gekregen. Moet ik voor een offerte op dat eiland zijn met die bibliotheek vol onbestaande verhalen?

We hebben alvast deze brief in een fles in het water geworpen. Nu is het aan de stroming.

Liefs,

Nele en Wieland
zacht bruTaal

Aan Sylvie Marie

Dit is een antwoord op de derde brief in de derde ketting van Flessenpost. Dirk van Boxem schreef aan Anne Broeksma die aan Sylvie Marie schreef, die aan schrijverskoppel Nele Bruynooghe en Wieland Heymans van zacht bruTaal schreef. Nele schrijft nu terug.

Beste Sylvie Marie,

Wat heb ik je brief graag gelezen. Wieland had de flessenpost als eerste zien aanspoelen, maar we hebben hem samen gelezen. Een paar dagen eerder had ik hem nog een berichtje gestuurd: Sylvie Marie volgt ons op Instagram! Het uitroepteken moest mijn kinderlijke enthousiasme uitdrukken. Of hoe taal heerlijk kan tekortschieten en zo het onzegbare uitroept.

Het is hetzelfde als jij taal verknipt in gramgedichten of blij wordt van namen kunnen plakken op manieren van (metaal) vinden. Hoe heerlijk dat tekortschieten. Lepeltje lepeltje gaan liggen met de taal. Aanvoelen. Kom dichter, dichter. Het zal nooit helemaal kunnen, maar dat is niet erg. Om nieuwsgierig te blijven, blijven. Zoeken naar de juiste houding in bed, ja tot aan ons sterfbed. Over een ruglijn gaan – zo mooi in straatlichtgeel, toch? – keer op keer. Dat van buiten leren en niet moe worden. Niet gaan slapen, wel gaan liggen. Een camera of een oog of een gedicht dat registreert hoe. Wat voor schitterende ideeën heb jij!

Je spreekt ons aan. Eerst met de brief. Daarna ben ik je gaan zoeken. Op je blog. Je Instagram. Je blijft me aanspreken. Om de intimiteit die jouw taal uitdrukt voor mij. Hoe preciezer je nadert in woorden, hoe minder taal als medium nodig. Bij jou hoor ik de witruimte in poëzie. Dank je voor je brief. Ik kon het niet laten om je terug te schrijven.

Liefs,

Nele

zacht bruTaal

Guido en de kolderkatten (vangst #209)

Heimwee naar de Nineties; ik wist niet dat ik het had voordat Sarah De Grauwe er in geuren (bubblegum) en kleuren (indigo) over schreef.  Slaappartijtjes en glitter body spray, ultieme geneugten van het leven die de vissen van Ingrid Vanderkrieken naar grote waarschijnlijkheid zullen moeten ontberen. Wat misschien wel in het verschiet ligt: een concert van Guido Belcanto.

Guido, goede naam voor een huisdier. Jan Devriese legt uit hoe belangrijk het is om juist te kiezen – zeker als het gaat om dierennamen.

We dragen crop tops, fluweel, chokers en platformschoenen. Cherry cola is ons nieuwe ‘drink-me’-drankje en we worden steeds groter. De wetten van de realiteit worden in geheime dagboeken herschreven met glinsterende, magische inkt. Sleutel om de hals. We verduisteren onze getransformeerde kamers en verdiepen ons in tienermagazines: “The milleniumbug is real” en “Zoenen doe je zo”. Cocteau Twins op de achtergrond. We lezen stukjes uit ‘De volgelingen van Satan’, roepen geesten op met kaarsen en vlechten vlinders in ons haar. We vouwen voorspelbloemen, schrijven gedichten en bellen met de Droomtelefoon. 

Uit: Y2K op De Grauwe Gekheid

De tergend langzame federale regeringsvorming, het afbrokkelen van de democratie, internationaal gesjacher, gebrek aan moreel besef en het zwembad in Kelmis dat maar niet gerenoveerd geraakt – blij kun je daar toch niet van worden? Gelukkig kon ik gisteravond iets positiefs berichten. We zijn namelijk naar een concert van Guido Belcanto geweest. 

Uit: In de vissenkom – Troost op Rimpelingen

Zij liggen er geen seconde wakker van, wij vinden het een zaak van het allergrootste belang: hoe zullen we ons huisdier noemen? Onze keuze zegt immers niks over het beest, maar alles over ons. Of wij een verfijnde smaak hebben, een goed gevoel voor humor, een rijke culturele bagage.

Uit: Erwin op De week van Devriese

Fantoompijn (vangst #208)

Protest!

Tegen oude en nieuwe pijn, tegen verplichtingen en verboden. Tegen moeten en niet-mogen.

Ook onze bloggers sparen hun verontwaardiging – de pasmunt van deze hopeloze tijd – niet, maar ze doen het ten minste met stijl. Jan-Willem Lubbers, wiens site je echt eens moet (her)ontdekken, gaat op zoek naar wie in de eigen maar geen gelijk kreeg, terwijl Kirsten Malfroid (voor het eerst in onze vangst) genoeg heeft van goedbedoeld advies. Merel de Vilder Robier viert dan weer het kleine protest, zo begint immers elke revolutie.

En neem nou zo’n dwaallicht als Maarten Luther. Zijn bewonderenswaardige tegendraadsheid leidde mede tot de Reformatie en het ontstaan van protestantse kerken, een beweging waarvan de waarden en normen ons rijp maakten voor een arbeidsethos die de Industriële Revolutie tot een groot succes maakte, een revolutie die mede tot een destructieve klimaatverandering heeft geleid. Dank Maarten Luther (heerlijk om eens kort door de bocht te gaan!). 

uit 2062 van Jan-Willem Lubbers

Dat je zelf voor je geluk moet zorgen, dat krijg ik nog al eens mijn richting uit ge-live-laugh-love-zonnestraald. Vooral net nadat ik eindelijk de moed bijeen raap om te zeggen dat er niet veel van die moed meer over is. 

uit Maak maar dat je zelf ’t mooi weer maakt van Kirsten Malfroid

De boodschap was met Sellotape, ook wel du Scotch genoemd, op een inmiddels definitief provisoir verkeersbord/verbodsteken geplakt. U moet namelijk weten dat er in mijn strate al eeuwen werken zijn en er bijgevolg al even lang geen hond meer passeert.

uit Pensée du jour (16) van Merel de Vilder Robier

Aan zacht bruTaal

Dit is de tweede brief in de derde ketting van onze reeks Flessenpost. Anne Broeksma schreef eerder een brief aan Sylvie Marie. Hier schrijft ze voort.

Dag Nele en Wieland

Al wandelend in de haven kom ik jullie aanlegplaats tegen. De naam van jullie schip, zacht bruTaal, kietelt me. Mooi hoe er zoveel spanning ontstaat bij deze combinatie van woorden. Nieuwsgierig stap ik op, en ik vind jullie, twee stuurmannen.

En dan lees ik. Ik lees een gedicht waarin ‘we staan te dampen in het eerste zonlicht en kijken hoe we elkaars hijgen kunnen inademen’, ik lees een verhaal over een man die ‘uit twee lichamen lijkt te bestaan, één dat vasthangt aan zijn ruggengraat en het andere dat uit hem voorovervalt. Zijn buik, zijn borstkas, zijn schouders, zijn armen, alles wat helt, lijkt te willen losscheuren uit zijn vlees.’ Al verder scrollend lees ik meer van dit soort teksten. Oh, die zinnen vol lijfelijkheid, daar houd ik van. In deze woorden wil ik me wentelen. In elk lichaamsdeel dat wordt opgesomd, voel ik het mijne, raak ik het mijne aan. Ik voel me verwant.

‘Ik leg mezelf op de vloer, op jou’, schrijf jij, Nele. En dan: ‘Ik ga met krijtlijnen langs ons lichaam, maak een misdaadscène. We stappen uit ons vel om te zien hoe het eruitziet.’ Mooi, ons lichaam, ons vel. Niet: onze lichamen, onze huiden. In deze scène zijn twee mensen zo één dat geen membraan hen nog onderscheidt. Ik denk aan mijn zoete lief, met wie ik die versmelting ook opzoek en vind. Het kan niet anders dan dat dat bij jullie ook zo is. En dat is zo fijn om te lezen. Want, wat mijn zoete lief en ik graag doen, is onze liefde bewieroken. En soms durven we zelfs te denken dat het bij geen ander zo groots is. Erg aanstellerig, eigenlijk. Want wat weten wij nu over de anderen hun liefde? Er wordt al eeuwen over geschreven. Liefde, zo intiem en universeel tegelijkertijd, een onuitputtelijk streven naar… elkaar. Wat we echt willen zeggen, is: ‘oh, ik ben blij dat ik jou heb, dat ik van liefde weet’. Dat doen jullie ook.

Mijn zoete lief inspireert me overigens heel vaak, hij loopt bol van de ideeën en laat ze mij graag uitschrijven. Maar hij zou wel eens zelf meer achter zijn laptop mogen
kruipen om te schrijven. Hij kan het, we weten dat hij het kan. Het zou een droom zijn mochten mijn zoete lief en ik ook ooit samen, net als jullie, een blog delen. Uiteindelijk zijn mijn schrijfsels van de laatste jaren al lang niet meer uitsluitend van mij, het zijn die van ons, met ideeën die we samen bijeen fantaseerden. Het zou iets verzilveren, onze symbiose.

En, onze verwantschap met jullie kent nóg meer facetten. Wat is het immers heerlijk om te ontdekken hoe jullie in Opwijk en omstreken op zacht brutale wijze een poëtische guerilla voeren. Met sluikpoëzie, met vertelavonden. Naar Tygerstrepen, jullie maandelijkse podium in Hof ten Hemelrijk, willen wij ooit wel eens op bezoek komen. Ja, jullie weten het ook: de pen is machtiger dan het zwaard. Dat engagement kennen we ook. Ik maakte al matten en wijnglazen van wat poëzie van me (aangevuurd door dat zoete lief natuurlijk). En ik engageer me ook als Klimaatdichter en bij Deus Ex Machina. Er is iets aan de taal waar ik me zo rijk mee voel, waar ik me zelfs ongelooflijk mee kan troosten. Taal als ondergrond, als fundering. Het feit dat jullie de T in BruTaal met een hoofdletter schrijven, toont aan dat ook jullie daar gevoelig voor zijn. Taal die bruist. En bruisen is iets wat je niet kunt tegenhouden of bevriezen, het is een sleeptouw.

Dat sleeptouw brengt me weer naar de haven, waar ik op jullie boot stapte en Anne Broeksma een tijdje geleden op die van mij. Ook zij herkende in mijn anekdota de
liefde voor woorden. ‘Namen zijn een soort toverspreuken die ons toegang verschaffen’, schreef ze me. Ja, zo is het. En in jullie zachte bruTaal kom ik thuis, lieverds. Dankjulliewel daarvoor.

Hartelijke groeten
Sylvie Marie