Aan Dirk Van Boxem

Foto Anne Broeksma: Koos Breukel

Dit is de tweede brief in de tweede ketting van onze reeks Flessenpost. Vorige week schreef Dirk Van Boxem een brief aan Anne Broeksma, hier schrijft ze terug.

Beste Dirk,

Voordat ik weleens ‘gevangen’ werd op Aanlegplaats, was ik ervan overtuigd dat niemand mijn blog las. Heel erg vond ik dat niet, want het is ook een soort notitieblok; een manier om in beweging te blijven, ook als niemand kijkt. Toch is het fijn om iets minder alleen te zijn. Lezers te hebben. En zelf in andere hoofden rond te dwalen door de weekvangst te volgen. Een stuk fijner gebruik van het internet dan scrollen langs uitroeptekens, reclameblokken en onheilstijdingen. Dus veel dank aan jou Dirk; voor je mooie brief en voor het oprichten van Aanlegplaats. Een haven om op adem te komen.

Over onheilstijdingen gesproken: ik deel je zorgen. Al leven we altijd in tijden van grote veranderingen; meer dan ooit trekken groepen zich terug in hun loopgraven, daarbij de geluidswerende koptelefoons opzettend. Als je zo duidelijk weet wat er allemaal mis is in de wereld en wie daar verantwoordelijk voor is, waarom zou je dan nog luisteren naar iemand aan de overzijde? Sterker; er bestaat geen overzijde meer wanneer we veilig in ons eigen algoritme op een luchtbedje dobberen. (Algenritme, typte ik bijna). Des te harder komt dan de realiteit binnen: dat de meerderheid op een polariserende populist stemt. In Nederland, in Amerika. En ook in België en andere delen van Europa is radicaal rechts natuurlijk groeiende.

Vorige maand was ik bij een concert van Cosmo Sheldrake, een Engelse muzikant die veel geluiden van dieren, planten en schimmels in zijn muziek verwerkt. ‘Everything listens’ zei hij. De precieze context van zijn uitspraak weet ik niet meer maar ik zag gelijk een wereld vol oren voor me: in het mos, de bomen, de tuinen, de steden. Ik en velen met mij zijn zo druk met communiceren; met posten, met praten of korte berichtjes heen en weer schieten, dat we er niet altijd bij stilstaan dat taal beweging is; dat we met elke letter, elk geluid, deelnemen aan een choreografie. Een trilling sturen die iets veroorzaakt. Soms iets kleins, wanneer ik mijn pup roep en hij toevallig zin heeft om te luisteren. Soms iets groots, wanneer een populist roept dat een bepaalde bevolkingsgroep een bedreiging voor de veiligheid van de meerderheid vormt. We denken vaak dat we de werkelijkheid aan het beschrijven zijn, maar we zijn hem aan het maken. Rosanne Hertzberger, voormalig NSC-kamerlid in Nederland, zei het in een interview met NRC nadat ze het polariserende kabinet verliet: taal doet ertoe.

Dat is ergens ook geweldig nieuws, toch? Zo gemakkelijk als het is om groepen tegen elkaar op te zetten, zo gemakkelijk moet het zijn om taal in te zetten voor verbinding. En de mens is een verbindingsdier. Een Trump- of Wilders-stemmer heeft ook een hond, een tuin (met iets teveel tegels weliswaar), geniet van het opgroeien van de kinderen, van een boswandeling, bakt een taart voor de buren. Nu we via schermen constant naar het wereldtoneel zitten te kijken, vind ik het niet zo gek dat mensen angst voelen en de eigen kleine wereld willen beschermen in plaats van – zoals progressief-links voorstelt – die wereld te willen delen met andere wezens buiten de groep, menselijk of meer-dan-menselijk.

Probleem is natuurlijk dat de belofte van bescherming vals is en de zondebokken gecreëerd. Waarom stemt in Amerika Average Joe op een wandelende uitwas van nineties-Wallstreet, terwijl zijn goud nooit naar hem of haar toe zal stromen en vooral de allerrijksten nog rijker maakt? Is dan toch de schittering, de valse belofte (maar: belofte) van het goud genoeg, of is het alternatief zo afschrikwekkend dat elke stem tegen de gevestigde orde aantrekkelijker is?

Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat de devaluatie van de werkelijkheid ten gunste van het verhaal; het idee; het plaatje, niet alleen iets is van populisten, maar iets is dat zich breder in de samenleving voltrekt en iets te maken heeft met onze virtuele levens. Als we de technologische revoluties waar we nu middenin zitten niet leren begrijpen, hebben we ook geen grip op onze toekomst, schrijft Yuval Noah Harari in Homo Deus. De Engelse schrijver Paul Kingsnorth heeft het in zijn nogal cultuurpessimistische essays op The Abbey of Misrule over een soort machine, een perpetuum mobile buiten onze macht, die maar blijft doorrollen. Het doel van de machine: de natuur vervangen door technologie.

Ik zie een bekende bioloog een AI-afbeelding van een schubdier gebruiken. Ik zie een vriendin naar haar app kijken om te weten of ze een blaadje bij haar tomatenplant moet afknippen. Ik zie een dichter een AI-gedicht ‘in de stijl van Rutger Kopland’ op Facebook plaatsen en huiveren van de gelijkenis, terwijl het gedicht er niet bij in de buurt komt en aan elkaar hangt van clichés. Ik zie een vrouw chemicaliën in haar gezicht spuiten om te voldoen aan een schoonheidsideaal gebaseerd op bewerkte en neppe foto’s.

Het is net of onze zachte, aardse, kwetsbare, zintuiglijke, creatieve, intuïtieve vermogens als stervelingen structureel worden onderschat. En de herkauwde, zielloze vermogens van een reeks datasets structureel worden overschat. Moet ik echt onder de indruk zijn van wat het internet uit kan kotsen, alleen omdat we er nu eenmaal veel hebben ingestopt?

Het spijt me dat ik zo doordraaf, maar ik las in jouw brief een verlangen je werkelijk te verbinden met de wereld om je heen, als tegengif voor duistere ontwikkelingen. Ik deel dat verlangen en ik denk dat je gelijk hebt dat de hang naar iets collectivistisch aan beide politieke zijden bestaat. Komt dat verlangen niet voort uit een diepe eenzaamheid, die toeneemt en iets te maken heeft met de ontwikkelingen die Harari en Kingsnorth beschrijven?

Een eenzaamheid die niet bestaat wanneer we met vrienden rond een vuur onder een sterrenhemel zitten. Of in samenwerking met bacteriën, schimmels, dieren en de seizoenen iets eetbaars proberen op te kweken. Of met kinderen en dieren spelen. Of met een kop thee achter de computer plaatsnemen en de tijd nemen om op Aanlegplaats even te verdwalen in het hoofd van een ander, net als in een boek. Een eenzaamheid die te verdrijven is met liefde en aandacht, in het hier en nu. Dat inzicht lees ik ook in jouw brief. Afijn, ik ben al veel te lang aan het woord voor iemand die het heeft over het belang van luisteren. Het wordt wat eenzaam hier. Eens verder praten in een Brussels café onder het genot van een biertje?

Anne

200 tips voor een goede blog! (vangst #200)

Zoals elke dinsdag klokslag elf uur houdt de wereld ook nu een moment de adem stil en buigt zich over die ene vraag die er werkelijk toe doet: wat zou de selectie van de week van Aanlegplaats zijn?

Dat was de inleiding van de allereerste vangst van de week, nu tweehonderd weken geleden. Tweehonderd is feest, en terwijl we eerst dachten uit eigen werk te citeren, zijn we er na rijp beraad voor gegaan om te grasduinen in de wijsheden die onze gastvissers ons hebben geschonken.

Hier dus, een redelijk willekeurige greep uit de context gerukte citaten (en wie de volledige interviews nog eens wil nalezen, daarvoor hebben we nu ook een interview pagina!)

Als je je op een gegeven moment realiseert dat je al een tijdje niets van een bepaalde blogger hebt gelezen, is dat een indicatie dat hij of zij goed bezig is (Rob van Essen in het allereerste interview).

Het is mijn tweede natuur geworden. Zelfs als ik om drie uur ’s nachts doodop thuiskom en de volgende dag om zeven uur moet opstaan: zelfs dan moet ik bloggen (Vitalski).

Ik voel dat de afstand alsmaar groter wordt en terwijl die groter wordt, verkleint de ruimte waarin mensen zeggen: “Ah, ja. Misschien heb je wel een punt.” Het aantal mensen dat dat zegt is verwaarloosbaar. (Jan Ducheyne)

Moest ik bloggen, ik zou compleet onleesbare en veel te lange teksten schrijven – op zo’n klavier tikt alles lekker weg en zit je voor je het weet oeverloos te lullen over je zelfgemaakte pad thai of iets anders waar geen kat op zit te wachten. (Andy Fierens)

Niet elke volzin is zinvol. Ik ben allergisch voor onnodig gewichtig, ambtelijk en barok taalgebruik. Alsjeblieft geen gekunstelde taal die een zweem van literaire pretentie oproept. (Ben de Graaf)

Het is hoger gezeur (Steven Van Ammel).

Bij literaire schrijvers kan ik afhaken als ze willen imponeren door te laten zien hoeveel moeilijke woorden en hoeveel puntkomma’s en heel den bataklan ze kunnen gebruiken. Zinnen met te veel puntkomma’s… dat is voor mij heel moeilijk. (Johan Petit)

Er staan trouwens echt veel teksten op Instagram. Dikwijls zijn het halfzachte motivational quotes, passief-agressieve excuses om vooral jezelf te blijven, ook al ben je een zeur. (An Olaerts)

In een blog kun je iets stelligs zeggen en het de zin erna weer onderuit halen. Daarom vind ik blogs vaak interessanter dan columns, die veel meer ‘af’ zijn. (Dennis Pauwels)

Ik wil dus eigenlijk best schrijven, maar liefst als de stem, in zang of spraak, uiteindelijk het instrument wordt. Ik schrijf met mijn oren. (Erik Strieleman)

De eerste schrijver waarvan ik graag een blog zou lezen: Emily Dickinson. Ook doden kunnen prima bloggen, toch? (Kathy Mathys)

Grote schrijvers zijn daarom geen taalvirtuozen. Het zijn vaak mensen die dicht bij hun eigen stemgeluid blijven. (Lara Taveirne)

Terwijl voor een blog uiteraard dezelfde basisvereiste geldt als voor eender welke literaire tekst: vindt en gebruik alsjeblief je eigen stem. (Gert Brouns)

Een blog ontdekken voelt soms als een mengeling van huisvredebreuk en tegelijk thuiskomen en nieuwsgierig rondneuzen in andermans universum. (Virginie Platteau)

Ik mis het enorm in het huidige medialandschap: goede sigarenrecensies. (Christophe Vekeman)

Schrijven is een vorm van archeologie, voor mij. (Tanja Wentzel)

Verbeelding is het vermogen om zelf je augmented reality te maken, de dorre werkelijkheid aan te vullen met wat ook mogelijk zou kunnen zijn. Ja, er is echt te weinig verbeelding. En humor. (Tom Wouters)

Ik zoek ook meer dadaïsten geloof ik (Katrien Scheir, toen ze nog geen deel uitmaakte van de redactie).

Wat me in ook blogs aanspreekt is het onaffe element. Een gedachte hoeft nog niet voltooid te zijn – zoals in een boek – maar kan groeien en zich al schrijvend verder ontwikkelen. (Han Soete)

Blogs die ik boeiend vind, verstaan de kunst om algemene en persoonlijke informatie schrander en spits te combineren. (Dirk Leyman)

Persoonlijk is bij uitstek universeel! Alle katten zijn verschillend, maar ze lopen stuk voor stuk achter je aan als je naar de badkamer gaat. (Jasmien Vandermeeren)

En zo, beste lezers, met het beeld van katten in je badkamer, laten we je deze week achter. Volgende week weer een gewone vangst. Beloofd!

Aan Anne Broeksma

Foto Anne Broeksma: Koos Breukel

Dit is de eerste brief in de tweede ketting van onze reeks Flessenpost.

Beste Anne,

Laat ik het meteen bekennen: ik houd geen twee hondenrassen uit elkaar, weet niet welke plant ik kan roken of welk gif me plezier oplevert cq de dood injaagt. Hoogstens ben ik een theoretisch liefhebber van natuur.

Jouw prachtige blog Notulen bij het ongetemde, en nu ook je boek Een verhaal met schubben zijn voor afstandsliefhebbers als ik goud waard. Je toont ons hoe vanzelfsprekend het kan zijn om afstand te nemen van het Bijbelse recht van de mens om de natuur te beheersen, en in de plaats daarvan onze plaats te kennen – die van een schamel bewust wezen tussen al die andere bewuste wezens.

Wetenschap vermoedt dat ook planten bewust zijn, in staat om uit ervaringen te leren en hun gedrag aan te passen aan een verwachte toekomst. Dat inzicht hebben Oosterse en animistische godsdiensten en wijsbegeerten natuurlijk al eeuwen.

Wij, arme Westerlingen, fluiten bewonderend naar die kaalgeschoren monniken, nemen hun rituelen en ikigai’s gretig over, hopeloos op zoek naar de zin van ons leven, of hoe we simpelweg een goed mens kunnen zijn.

De mens moet kleiner, bescheidener, het blikveld breder. Naar verdwenen en toekomstige generaties, naar het hele ecosysteem met alle levende wezens erin. Het is onze verdomde plicht, sinds we met de klimaatopwarming onze eigen apocalyps hebben.

Des te vreemder is het dan dat blijkbaar niet iedereen deze zo vanzelfsprekende inzichten deelt, en in de plaats daarvan voor een narcistische, egocentrische klootzak stemt, of voor de lokale varianten daarvan. Eigen volk eerst, Make America (of vul naar believen je eigen streek of land in) great again, …

Hoe harder wij, de weldenkenden, overtuigd zijn van ons wereldreddende gelijk, hoe meer stemmen ook die andere kant lijkt te halen. De tegenstellingen staan op scherp, we zijn klaar om te roepen, te betogen, te bezetten en te vechten – waarbij we onze eigen roep om verdraagzaamheid nogal potsierlijk negeren.

Ik sta er een beetje naar te kijken, en denk: is er nu echt niets dat ons zou kunnen verbinden?

Ik kan het niet helpen, ik zoek het meteen in systemen en langzaam verschuivende historische trends. Als zowel dat universele bewustzijn van liefde als het lelijke tegengewicht toenemen, zijn het dan misschien twee kanten van dezelfde munt? Ruilen ze niet allebei het ongebreidelde individualisme van de vorige decennia in voor een meer collectivistich waardesysteem? Zijn we onze eenzaamheid zo grondig beu? Verschillen we niet vooral in wat we beschouwen als gemeenschap dan dat we gemeenschap boven het individu stellen?

Dat collectivisme is niet zonder risico. In het Westen noemen we het fascisme of communisme, maar ook de landen van die Oosterse wijsheden hebben bijzonder wrede regimes gekend, of kennen ze nog – het is blijkbaar niet omdat je alles en iedereen bewustzijn toekent dat de verleiding om baas te spelen verdwijnt.

Als we het zo beschouwen, dan is de weg voorwaarts misschien wel wat jij al doet: spelen met een hondje, de wereld vertederen, bijna uitgestorven dieren gaan zoeken in een donker oerwoud en daarover vertellen. Liefde tonen, voor alles en iedereen, ook voor jezelf.

Het is allicht daarom dat ik jouw teksten met zoveel plezier lees, beste Anne. Niets menselijk is je vreemd, je toont hoe die liefde voor alles wat leeft een kracht heeft die niet te stuiten lijkt. Van het volkstuintje naar het oerwoud en terug naar het Antwerpse Astridplein.

Voor iemand die vanop een afstandje naar de natuurkrachten staat te kijken, is dat een bijzonder lavende ervaring. Dank je wel.

Je trouwe lezer,

Dirk

De vangst van Erik Strieleman (vangst #199)

Drie stukjes of drie schrijvers, waarmee ik tijdens het lezen plots een link voelde. Zo kan belangstelling ook ontstaan. Tanja Wentzel die een poëziezoektocht laat beginnen aan het Flageyplein in Elsene, waar ik mijn eerste stemproef opnam voor de toenmalige BRT. Ik deel ook de liefde voor filosofische teenslippers van Koen Vandenborre. En om te beginnen Caspar Visser ’t Hooft, een schrijver in Frankrijk, die niet eens zover woont van de plek waar ik zeven jaar van mijn leven doorbracht.


Willen we ons nog herkennen in monsieur le professeur, in het grijze ezeltje, in Céline? In wat miskend wordt, in wat achterblijft, in wat een beetje triest is? In wat niet ik-ik schreeuwt, en I can’t get no-o satisfaction? Een mooi chanson loutert. Katharsis. Ja, jij bent het grijze ezeltje, dat eenzaam sterft (sterven we niet allemaal eenzaam – alles welbeschouwd?). Jij bent die monsieur le professeur. We vinden allemaal dat zoveel dingen die we met de beste bedoelingen deden onopgemerkt zijn gebleven. We zijn allemaal een beetje losers

uit: Adieu, monsieur le professeur van Caspar Visser ’t Hooft

Je moet een beetje zot zijn om negenendertig zondagen op rij in regen, wind en zonneschijn ergens in de stad wat verzen te gaan voorlezen en te geloven dat het zin heeft. Van buitensporig veel moeite doen gesproken! Het doet onvermijdelijk denken aan Camperts “Verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden”.
Eén keer was er alleen een vrouw met een hond, maar nog nooit is niemand komen opdagen, vertelt Filip. Ook dan zou hij lezen voor de passanten. Ik hoop dat steeds meer mensen hem zullen vinden, volgen, elkaar ontmoeten daarna samen iets gaan drinken.

uit : Poëzie in de Aarschotstraat van Tanja Wentzel


‘De Griekse dichteres Sappho van Lesbos zei dat wat mooi is goed is en wat goed is mooi wordt. Als we die redenering doortrekken, wordt wat lelijk is slecht. Misschien toch iets om bij stil te staan.’ De aircoman zag de verbazing in mijn ogen en verduidelijkte. ‘Naast een diploma koeltechnieken heb ik een master filosofie.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Rond het jaar 2000 was de wereld in een existentiële crisis beland. Filosofie leek toen een verstandige keuze met werkzekerheid (zucht).

Uit: Teenslippers van Koen Vandenborre

Erik Strieleman, het interview

oplus_1058

Aanlegplaats interviewt jongeling op rust Erik Strieleman. Hij zit al klaar in een treincoupé achteraan in de Muze als ik te laat -gedoe met tram 7- arriveer. Na een decennium wonen in Frankrijk is de Muze een vorm van thuiskomen voor Erik. Al staat er geen croque monsieur meer op de kaart. Maar een bolleke is ook voedzaam.

Voor de actieve jongelingen: Erik Strieleman was freelance journalist voor o.a. Humo, De Post, Zondagsblad en vaste redacteur bij Panorama (het weekblad). Vanaf 1980 producer bij Radio 1 en Radio 2 van o.a. ‘De Ochtendploeg’ (met o.a. Stef Bos) en ‘Platenpoets’, oprichter van Radio Donna, netmanager van Radio 2 en TV1. Schreef samen met Paul Jacobs ‘Het Grote Blufboek’ (uitg. In Den Toren 1984). Was gitarist en zanger bij ‘The Previous Century Band’ (1999-2000).

Wij peilen naar het blogbewustzijn van onze man. Is radiorot en zoon van krantenman Frans Strieleman mee met dit toch wel zeer actuele en moderne medium? Al snel blijkt dat we hier te maken hebben met het auditieve type, van de soort Socrates zeg maar. Pas Plato typte alles over.

Ik heb geen blog, want ik ben lui. Nochtans heb ik als journalist talloze artikels uit mijn elektrische schrijfmachine geperst. Maar dat ging altijd met veel moeite gepaard. Een verhaal uitpluizen, iemand interviewen, dat was nooit een probleem. Maar daar dan 5 velletjes kwarto uitpuren was altijd een marteling. Ik ben geen schrijver en daar heb ik me bij neergelegd. Gelukkig was er de radio. Ik hoorde een programma (Het Oorbeest van Edwin Brys op Radio 2) en ik wist meteen: dit wil ik ook doen. Spelen met muziek, techniek en taal, dat was een ideale combinatie voor mij. Een tekst, dat zijn letters op een blad. Als die luidop gelezen worden, dan krijgen ze een andere dimensie. Of zoals Leo Ferré zei over poëzie:

“Toute poésie destinée à n’être que lue et enfermée dans sa typographie n’est pas finie.
Elle ne prend son sexe qu’avec la corde vocale tout comme le violon prend le sien avec l’archet qui le touche… »

Ik wil dus eigenlijk best schrijven, maar liefst als de stem, in zang of spraak, uiteindelijk het instrument wordt. Ik schrijf met mijn oren. Dat gebeurt ook als ik lees: ik hoor de stemmen van de schrijver en zijn personages in mijn hoofd, echt waar.

(We bestellen nog een voedzaam bolleke omdat De Muze geen croque monsieur meer heeft. Ik hoor plots muziek in elke blog van Aanlegplaats. Elvis, Roy Orbison, Prince bij Vitalski, Dirk van Boxems stevige basso continuo, Sinead O’Connor bij Marieke Groen… Verbeter, vul aan…)

Een gezongen blog, daar wil ik nog eens over nadenken.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?

Mensen die, weg van hun tribune, in mensentaal durven schrijven.

Wat is tegenwoordig mensentaal?

(na twee bollekes:)

Heren en Dames die hun eigen leven minder belangrijk durven vinden dan de mensen en dingen die hen omringen en muziek die hen ontroert. Heren en Dames die hardop durven vragen en twijfelen en kwetsbaar zijn. Petra De Sutter. Mijn vroegere hoofdredacteur (van Panorama, n.v.d.r.) Piet Teigeler, die schitterende stukjes pleegt op Facebook. De man die in de supermarkt een wijnrek stond in te laden en die een klant, die om advies vroeg, antwoordde: “Wijn? Daar weet ik niks van. Dat zijn rotte druiven in een fleske, dat drink ik niet!” En ook elk jongmens dat iets wil vertellen en iets te vertellen heeft, dat wil schrijven , dat de woorden in een boek wil ruiken en de stemmen horen in zijn hoofd, en dat ik wil toeroepen: “schrijf, schrijf, gooi je woede, je hartstocht, je tederheid eruit en oefen, oefen tot je vingers blauw zien van de schrijfkramp”.

Een blog van Wannes Van de Velde had ik ook gevolgd. Gelukkig heb ik hier zijn dagboeken.

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er nog steeds naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

Ik kan enkel zeggen welke teksten mij kunnen aanspreken. Een tekst met een begin dat een verwachting oproept, correcte taal, met veel fantasie en humor en betrokkenheid. En als het even kan, een slot dat een antwoord geeft op het begin en dat alle onrust wegneemt. Maar de ware schrijver is degene die alle regels beheerst maar ermee durft te spelen en vrij durft zijn.

Frituur borseggiatrici (#vangst 198)

Deze week heb ik verhalen geselecteerd van drie schrijvers waar ik al vanaf het eerste stuk dat ik van hen las weg van was. 

Het is niet zo dat Lennart Vanstaen een groots en meeslepend leven leidt, maar hij bezit de gave om het alledaagse buitengewoon te laten lijken. Zijn laatste verhaal, Samen oud, vond ik persoonlijk een van zijn allerbeste. Het gaat over een avondje uit met de gevierde en bijzonder sympathieke schrijfster Diane Broeckhoven, in bijberoep een halve digibeet. Samen gaan ze naar de boekvoorstelling van Lize Spit in de Blauwe zaal van De Singel. Of was het in de Rode zaal? Wat volgt is een groots en meeslepend avontuur aan de ticketbalie waarin een dankbare bijrol is weggelegd voor dé nemesis van alle mensen die zich nog een wereld zonder Elon Musk kunnen herinneren: het geheime wachtwoord.

De pen van Tom Wouters, zoals ondertussen genoegzaam bekend, is uniek en ik ben dan ook verheugd dat uitgeverijen zijn talent hebben opgemerkt en in de loop van 2026 een boek van hem gaan uitbrengen. Dagelijks verblijdt hij zijn lezers op Facebook met korte, absurdistische maar tegelijkertijd ook ontroerende verhalen en een kleine selectie hiervan plaatst hij op zijn blog Het ongerijmde. Alleen al voor het bestaan Tom Wouters kunnen we Mark Zuckerberg niet genoeg danken. Wie een verhaal begint met de zin: ‘Ik heb het onhebbelijke talent om unieke momenten aan mij voorbij te laten gaan…’ is van zeer goeden huize. De rest van Word blind en leer zien is al even sterk. 

De verfijnde miniaturen die Marieke Groen voor haar blog schrijft lieten het beste verhopen voor haar autobiografische boek Het verhaal van mijn schaarste dat in het najaar is verschenen. Maar hoe goed die korte stukken ook zijn, het boek overtrof mijn hooggestemde verwachtingen en behoort – samen met Wolf van Lara Taveirne – tot het meest beklijvende dat ik de laatste jaren heb gelezen. In een lichtvoetige stijl vertelt Marieke haar aangrijpend verhaal. Marja Pruis verwoordde het in De Groene Amsterdammer beter dan ik ooit zou kunnen: ‘Wat een zegen om een echte schrijver te lezen over gezinsterreur en maatschappelijke neergang(…). Het verhaal van mijn schaarste is hartbrekend, zonder dat het daarop uit is.’

Lennart Vanstaen, Tom Wouters en Marieke Groen: drie schrijvers die ik ontdekte dankzij Aanlegplaats. We hopen van u hetzelfde. 

(Het verhaal van mijn schaarste van Marieke Groen is samen met elf andere boeken genomineerd voor het NPO Radio 1 Non-fictie boek van het jaar 2024. Het is een publieksprijs. Mocht u haar willen steunen dan kan dit via deze link: Stem op het npo radio-1 non-fictie boek van het jaar 2024.)

We hadden om 19u30 afgesproken voor de ingang. Zij ging met de tram, ik nam de fiets. Dat ze binnen aan de vestiaire op me wachtte, las ik in een berichtje, terwijl ik mijn fiets vastzette, het was wellicht te koud om buiten te wachten. Ze zag er keurig en fleurig uit, ze ging in het paars gekleed en droeg ook jeugdigheid in haar ogen.’

Uit: Samen oud van Lennart Vanstaen

De kans om hen in het echt aan het werk te zien heb ik dus 25 jaar geleden laten liggen. Mijn vader en ik hebben nooit meer over de zonsverduistering gesproken, en nu durf ik er ook niet meer naar te vragen. Spijt heb ik er wel van: ik was graag met mijn vader naar Noord-Frankrijk gereisd, ik had er samen met hem de zonsverduistering willen bekijken, als twee mannen die niet beter wisten.

Uit: Word blind en leer zien van Tom Wouters

Op vrijdagmorgen om 10:03 zag ik in de metro van Rome drie zakkenrollers. Het regende, of wat de Italianen regen noemen, en alle metrowagons waren stampvol.

Uit: Piekepokkets van Marieke Groen 

Vraag hem hoe hij over katten denkt (vangst #197)

Er bestaat een lange geschiedenis van ideeën over vrouwelijkheid en katten: vrouwen vertonen kattig gedrag en zijn gekke kattenvrouwtjes als ze na een bepaalde leeftijd geen partner of kinderen hebben. Dit laatste stereotype, de crazy cat lady, kwam ook meermaals uit de mond van de toekomstige vicepresident van de Verenigde Staten, JD Vance. Als je wilt weten hoe een man over vrouwen denkt, vraag je hem hoe hij over katten denkt.

Uit: Het kattenvrouwtje dat de boom in sprong van Lieke van den Belt op Hard//Hoofd

Wat bedoelen we precies wanneer we zeggen niemand luistert? Hebben we die niemand een naam gegeven? Praten we voor iemand of tegen iemand?

Er is altijd iemand die het gehoord of gezien heeft. De kat (bij Lieke van den Belt), de schrijver (bij Eliane De Bleser), God desnoods (bij Johan Bosmans).

En u natuurlijk. De lezer.

Zij zijn veel slimmer dan wij.
[ik neem mijn hoed af]
Ze zitten de ganse dag aan een van hun
tafels
en voeren diepgaande
gesprekken
over hun hoogstaande
leven,
[ik neem mijn hoed af]

uit: Soms is het een ronde tafel, of een hoge op Met andere woorden

“Toch vreemd dat Onze-Lieve-Heer soms zo stil spreekt dat we hem niet meer horen. Hier in deze kamer hoorde ik Hem niet, maar dan later in mijn auto, toen ja, toen hoorde ik Hem fluisteren. ‘Jij hoort jezelf toch zo ongelofelijk graag babbelen hé’. Daar hoorde ik Hem pas.”
Even bleef het stil.
Toen keek Maya even de kring rond.
“Dat is waar oma, soms spreekt opa zo stilletjes dat het wel lijkt alsof hij er niet meer is.”

Uit: De hogepriesteres op Vijf voor Twaalf

Nog een slechterik (vangst #196)

je moet zo snel leven: dat je, zelfs om je nederlagen nog maar te bekyken, de tyd niet hebt.

Of we ons achter dit levensadvies van Don Vitalski kunnen scharen? Mèh. Bloggen lijkt bij uitstek een middel om terug te kijken op passages in je leven, hoe goed of slecht die ook zijn uitgedraaid. Rein Hannik kijkt terug op zijn beslissing om aan een kanaal te gaan wonen. Pascal Cornet haalt een incident op uit zijn lagere schooltijd. En ook Vitalski praat ons gelukkig wel bij over hoe het komt dat hij de blues heeft. Zonder er verder van wakker te liggen.

In de 20 jaar dat ik er woon is me duidelijk geworden hoe cruciaal een watermassa-voor-de-deur is voor een moeilijke man. Want in die tijd heeft de gemeente aan de overkant een complete wijk uit de grond gestampt. Daar wonen versies van mijzelf die nooit moeilijk hebben gedaan. Die aan een loopbaan hebben gewerkt. Die een gezin hebben gesticht. Die een laadpaal hebben gekocht. Zonder het kanaal was dit voor mijn neus gebeurd. Was ik iedere dag met mijn tekortkomingen geconfronteerd.

Uit: Cultureel evenwicht op Rein Hannik

In het begin van het tweede leerjaar werd ik van school gestuurd voor een vergrijp, dat niet door mijzelf maar wel door mijn schoolmeester, wijlen meneer Vanthuyne, en de door hem geïnformeerde schooldirecteur, meneer Vervaecke, als ernstig werd omschreven. Ik mocht mijn spullen pakken en kwam midden in de namiddag thuis. Op mijn moeders voor de hand liggende vraag antwoordde ik met de later vaak als anekdote gememoreerde oneliner: ‘Ik moet niet meer naar school’. Waarna ik op de bank ging liggen en mij verdiepte in mijn lectuur van Winnetou, het grote opperhoofd, dat ik toen al voor de tweede of derde keer herlas. 

Uit: Boekverhaal 2 op Pascal Digital

heden loop ik ineens met minstens een vyftal zeer lastige dossiers door mekaâr. in één van de zalen waar ik, met de dinsdagclub in het getouw, binnenkort ten aanval ga trekken, zeggen ze vandaag nu opeens dat ik de drank toch niét zelf mag beheren – behalve als ik, zeggen ze, de zaal zou nemen waar die avond geen chauffage is voorzien. nog een andere slechterik, uit ongeveer diezelfde pampas, heeft my nu al vyf maanden lang die ene, zeer grote factuur niet uitbetaald. van nog andere mensen kryg ik heel kwaaie mails omdat ik, byvoorbeeld, zo zeggen ze dan, “misbruik maak van onze neef in de club!”

    dit alles is nog maar de inleiding, vrienden, tot de wérkelyke encyclopedie van de rock&roll. als je hiérvan al gaat wakker liggen, kan je er niet aan beginnen.

Uit: State of being 14 november op Vitalskiblog

Guido’s dames, een metamorfosemachine en een konijn (vangst #195)

BRUGGE — vrouwen van papier bibliotheek (foto Davy Coghe) / Lisa Ottenburgh

Teksten in een mistige sfeertje, het past wel nu we doden en spoken hebben gevierd en de herfst zich helemaal laat gaan.

Kristien Bonneure vertelt over een expo gewijd aan de vrouwen met wie Guido Gezelle correspondeerde. Kamermeiden, opstandige kloosterzusters en adellijke besjes, het palet is divers. Hun brieven aan de priester-dichter herrezen plots uit de mist. Sommige brieven voelen heel hedendaags aan, er zijn zinnen die naar het schijnt niet zouden misstaan in een popsong.

Sylvie Marie zag de mist als metamorfosemachine en vroeg zich af of ze deze gedachte zou opschrijven of ook laten verdwijnen in de mist?

Wieland Heymans vertelt een dromerig verhaal over konijntje Pyriet en mensenmassa’s die zich schreeuwerig en veel te scherp aftekenen in de verte.

De eerste stap was dus het ordenen en digitaliseren van de brieven van Gezelle en zijn correspondentes. Dat was niet eenvoudig: Gezelle verknipte de brieven die hij kreeg en hergebruikte de achterzijde van het dure papier.

Uit: Savina, Jemima of Louise, de 200 ‘vrouwen van papier’ van priester-dichter Guido Gezelle van Kristien Bonneure

‘Kreeg de bal vleugels?’ vraagt mijn lief zich af. ‘Verdween de hond die erachteraan liep ook in de mist om vleugels te krijgen? En de man? Die ook? En zijn de zwermen vogels die we van veraf menen te zien in feite gevleugelde ballen met gevleugelde honden en gevleugelde mannen erachteraan?’
Ik lach. ‘De mist, een metamorfosemachine’, zeg ik. ‘Elke druppel die op je landt, wordt een vogelveer.’

Uit: #anekdotum: mist en vleugels van Sylvie Marie

‘Dag vreemde man,’ zegt ze zacht. ‘Zal ik je helpen?’
Natuurlijk weet ze wel hoe bedreigend ze overkomt – ze ziet het aan haar schaduw die de vacht van het konijntje grijs kleurt en hoort het aan hoe het bos plots stil is. Dieren verstoppen zich voor grotere jagers.
‘Kijk, ik ga alleen maar je pootje losmaken.’

Uit: Pyriet van zacht bruTaal

De vangst van Lieke van den Krommenacker (#194)

Foto: Anne Broeksma

Nog niet zo lang geleden liet Anne Broeksma me via haar boek Een verhaal met schubben kennismaken met het schubdier, een geweldig vreemdsoortig schepsel waarvan ik niet wist dat ik er alles van wilde weten. Dankzij een ayahuasca-trip raakte Anne door het schubdier gefascineerd. Ze trok naar Afrika en Azië om er in het wild eentje te zoeken, wat niet meeviel, want het schubdier bleek het meest gestroopte en bedreigde zoogdier ter wereld. Enfin, ze schreef er dus dat boek over, waarin ze behalve het wezen van dit wonderlijke wezen ook dat van misschien wel de raarste diersoort op aarde ontleedt: de mens. Iets soortgelijks doet ze op haar blog. Daar wemelt het van de flora en fauna (en hier en daar een trip), maar gaat het tussen de regels door evenzeer over de mens en het mens-zijn. Anne heeft sinds kort een Kooikerpup, Knut, dankzij wie we kennismaken met de ‘biefstuk-cirkel’ en de Nova Scotia duck tolling retriever. En, jawel, de hondenbaasjes van deze wereld.

Een andere hond en mens die ik jullie niet wil onthouden, zijn de hond en de grootmoeder van Julie Cafmeyer. Ik kan er kort en lang over zijn, maar een blog die begint met ‘We zouden de hond een parachute moeten geven’ wil je natuurlijk lezen. Mocht je nu denken: maar ik houd helemaal niet van honden, laat staan honden die het van een parachute moeten hebben, doe het dan voor de rat. Of de duiven. 

Ten derde wilde ik hier ongezien een blog tippen die ik zelf niet kon lezen. Ik ontdekte Kimme Tigra via Aanlegplaats, waar ik werd doorgelinkt naar een Instagram-account. Achter een slotje. Ik dacht: als je het je lezers zo lastig maakt om op een blog te kunnen komen, dan moet het wel goed zijn. Wat ook hielp: dat ze in haar bio repte van zkvtjes – waar ik zeer van houd – over katten en seriemoordenaars. Prima combi leek me, gezien mijn voorliefde voor vreemde dieren en vreemde mensen. Gelukkig accepteerde Kimme mijn volgverzoek tijdig genoeg om bevestigd te zien wat ik al vermoedde: ze kan schrijven. Over kamperen bijvoorbeeld. Een van mijn favoriete bezigheden – maar daarover wellicht, ooit, meer op mijn nog niet bestaande blog.

Dat hij zo schattig is (terwijl ik dit typ kotst hij achter me de mand vol waarin hij net heeft gepiest, eet dan zijn eigen kots op) en dat hij zo groot is voor een kooiker, hoor ik het vaakst. “Wat een poten”, zei gisteravond nog de huisgenoot van een vriendin. Ik was bij haar omdat ik mezelf met enkel Knut en hondensnoepjes op zak had buitengesloten, rond tien uur ’s avonds. Dus ging ik lopen langs de singel naar vriendinnen. “Een klein tot middelgroot hondje maar”, verdedig ik steeds en ik laat aan iedereen een foto zien van een volwassen kooiker. 9-11 kilo staat eronder. De blikken vol medelijden. Zelf geloof ik inmiddels ook niet meer dat het daar stopt en wat maakt het ook uit. “Hij heeft goed aan de borst gelegen”, observeerde iemand anders.

Uit: Stressemmer op Notulen bij het ongetemde

Ik beeldde me de stokoude hond in, zwevend met een parachute over de tuin. Mijn grootmoeder had me gewaarschuwd toen ik enkele dagen bij haar op vakantie kwam in de Dordognestreek. De hond was ziek, had wratten op zijn witte vacht en een tumor in de lever. Het arme dier laat zich vallen van de kofferbak, sleept zich over het gras. “Ik ben er nog niet klaar voor om de hond te laten gaan”, zegt ze. “Het gaat niet om jou”, zegt haar geliefde.

Uit: De hond zonder parachute op Julie Cafmeyer

Voor onze kampeertrip neemt mijn reisgenoot micellaire reinigingslotion, vochtinbrengende crème, revitaliserende vitamine D druppels, hydraterende moisturizer, 4 gezichtsmaskers, start-to-glow lotion, 2 lippenbalsems (één met en één zonder zonnefactor), een pedicuresetje en handcrème mee. Ik een spork.

Uit: Kimme Tigra op Instagram