Voor dag en dauw drie mannen gevangen in mijn net. Sterke koffie nu. Blogs vanuit de male gaze vraagt u zich af? Het perspectief lijkt me universeler dan politiek correct.
Gerbrand Bakker belandde op een streng religieuze islamitische meisjesschool waar hij ‘voor de neus weg’ getuigt over cosmetische ingrepen in Istanboel. Vrouwen met vet ingespoten lippen en een zwart rekverband om hun hoofd. Mannen met stukken uit de schedel. Wat bedenkt een mens toch gezellige dingen tegen de vergankelijkheid.
Gert-Jan van den Bemd beschrijft het werk van Jenny Ymker (NL.) op de tweede fotobiënale van Oostende. Foto’s van een vrouw in een desolaat landschap. De fotograaf is haar eigen model, maar… het zijn geen zelfportretten. Ze staat met haar rug naar de camera. De beelden roepen eenzaamheid op en een zoektocht naar houvast.
Tot slot mijmert Hannes Couvreur voluit over durven sterven en leven. Dat is wat anders dan doodgaan.
Het leek erop dat er ergens van de schedel een brede strip huid was verwijderd, die elders weer vastgeplakt was. Sommigen hadden ook dat aparte zwarte rekverband om. En ze zaten er allemaal bij alsof wij – de andere passagiers die niets hadden laten doen – de vreemde eenden in de bijten waren.
Het ontbreken van de boom en de resterende stronk versterken het gefotografeerde beeld: alles is vergankelijk. Niet alleen wij, ook de wereld waarin we ons bevinden. En steeds vaker zijn wijzelf daarin de bepalende factor.
ps Weet u al dat we twaalf van onze favoriete bloggers uitnodigden om gloednieuwe verhalen te schrijven? Ze scherpten hun pennen en lieten zich door hun verbeelding op sleeptouw nemen. Elf bijzondere illustratoren maakten er beelden bij. Het resultaat is het prachtige boek Kant en Wal #1 . U kan het hier bestellen.
Na twee en half jaar een louter virtueel bestaan te hebben geleid, laat Aanlegplaats nu voor het eerst een schip te water. Een papieren boot. Een boek!
We nodigden twaalf van onze favoriete bloggers uit om gloednieuwe verhalen te schrijven. Ze scherpten hun pennen en lieten zich door hun verbeelding op sleeptouw nemen. Elf bijzondere illustratoren maakten er beelden bij.
Tromgeroffel en trompetgeschal: Kant en Wal #1.
Binnenkort in uw boekenkast? U kunt uw exempla(a)r(en) al bestellen via deze pagina (zolang de voorraad strekt).
De officiële lancering gaat door op 29 oktober tijdens literair festival Archipel, waar bloggers Joke Vander Laenen, Dirk Van Boxem en Jo Komkommer om 12u op het podium staan.
Liefde en wetenschap deze week. Dennis Pauwels mijmert over het fenomeen van de aanspreking. Waar de literatuurwetenschappen en de psychologie constateren dat er steeds minder aangesproken wordt, voelt de schrijver dat de achterliggende nood om gezien te worden, springlevend is. Johan De Crom houdt een pleidooi voor informatie: hoe meer we van elkaar weten, hoe beter de seks, hoe levendiger het leven. Ook René van Densen is verliefd – en daar is eigenlijk alles mee gezegd.
Goethe wist het al: Newtons lichttheorie doet niets af aan de schoonheid van een regenboog.
Ergens in de kinderjaren raken we het kwijt. Er komt een dag waarop je vader of je moeder net dat tikkeltje té geërgerd reageert op de vraag ‘Papaaa, kan je…’ en de durf verdwijnt. We leren het af. Tegelijk, dat voelde ik in die trein, blijven ouders paraat staan. Wachtend, vrezend, verlangend zelfs, op dat moment dat ze toch weer nodig zijn.
Het is niet het mysterie dat tot hartstocht leidt, noch het geduld, hoe lang houd je eiwit stijfgeklopt? Neen. Alleen van ongeremdheid en open communicatie wordt ons kruis nat en gaan de poorten open. Daarachter loopt een spoor van ontspanning en veiligheid, vertakken zich wegen om langs te verbinden, krioelen hersenspinsels om in lepeltjeslig samen doorheen te woelen, terwijl je haar langs de slapen streelt. Er ligt een Kalmthoutse heide aan brandbaar materiaal, je hoeft het vuur maar aan te poken.
Ik voel me soms zo ontspannen dat ik me een schop onder de kont moet geven om te luisteren naar wat ze daadwerkelijk zegt. Omdat ik me bijna in tevreden steen voel vormen. Ik wil alleen nog maar nabij haar zijn en me zo voelen.
Natuurlijk zouden er dingen zijn die wetenschappers hierover zeggen. Of spiritueel onderlegde experts. Of vrienden, familie, statistici, bedrijven die data van ons op allerlei private servers opslaan. Maar ik kijk in haar ogen en ruik haar en de wereld ruikt juist. Ik weet niet wat je nog meer van me wil.
Een lied van Will Tura neemt De sprekershoek van de schrijverij mee terug naar de tijd toen hij als kind indruk wilde maken op zijn oma. De jonge Erik – de man achter de blog – had er enkel een wandelstok, een baardloze stem en wit katoenen ondergoed voor nodig. Will Tura, de bard uit Veurne, kon het – volgens Erics kinderoren – treffender verwoorden dan diens minder getalenteerde collega uit Stratford-upon-Avon. Het legendarische recital in de huiskamer vond plaats lang voor de tijd dat Bob Dylan TheTimes They Are A-Changin’ song.
Op de begrafenis van zijn oudere broer François blikt Martin Pulaski van Hoochiekoochie terug op hun wonderjaren. Hoe de twee broers, gedragen door de vleugels van hun verbeelding, de wijde wereld ontdekten en met een zelfgemaakte boot de Schelde en de Maas bezeilden. Maar ook hoe ze, met het klimmen der jaren, langzaam maar zeker uit elkaar dreven. Elk op zoek naar een felbevochten stukje vrijheid.
Eindigen doen we met een overrompelend stuk van de wonderlijke Julie Cafmeyer. Ze gunt ons een blik achter de schermen van het leven van een zesendertigjarige alleenstaande vrouw die hunkert naar mannenlichamen en barolowijn. Een goed decennium geleden las ik voor het eerst een stuk van haar op haar blog en ik dacht meteen: wat een talent. En dat denk ik nog steeds.
‘Ik hoor mezelf zingen. De woorden ken ik uit mijn hoofd. Will Tura, Eddy Merckx, zat zijn op zaterdag en pistolets op zondag, dat zijn de bloemen op het behang van je leven. Je beseft nauwelijks nog dat ze er zijn, tot ze op een dag verdwenen zijn. Martine Tanghe.’
‘Het jammere aan het leven is dat je die vrijheid nooit echt helemaal vindt; in het beste geval vang je er op je levensweg af en toe een glimp van op. Je bent pas helemaal vrij als je leven voltooid is*. Die vrijheid heeft François nu bereikt.’
‘Ik kocht het appartement om twee belangrijke mannen in mijn leven te shockeren.
– Mijn vriend
– Mijn vader
Ik probeerde mijn vriend te overtuigen om samen te wonen, maar hij wilde niet. Hij dacht dat ik als een lamlendig schaap zou wachten tot hij eindelijk een beslissing zou nemen. Mijn vader was al jaren bang over mijn toekomst omdat ik niet investeerde in vastgoed. Hij dacht dat ik hem inspraak zou geven in mijn aankoop, dat ik bij hem advies zou inwinnen over de juiste ruimte.
Ik belde mijn vader. Hij zei: “Proficiat.”
Ik belde mijn vriend. Hij zei: “Jij bent gek.”
Enkele weken na mijn aankoop ging het uit. Ik kwam erachter dat hij me bedroog met andere vrouwen (Sofie, Eva, Sarah). Ik ben blij dat ik het appartement heb. Ik ben misschien bedrogen, maar ik kom niet gebroken uit deze relatie. Tijdens het verraad investeerde ik in vastgoed.’
Gerbrand Bakker leerde ik kennen door de verfilming van zijn boek “Boven is het stil”, voor mij een van de mooiste romans uit ons taalgebied. Nadien publiceerde hij boeken met persoonlijke aantekeningen, o.a. “Jasper en zijn knecht”, over zijn hond, en “Knecht, alleen”, waarin hij vertelt over zijn depressie. Heel openhartig en eerlijk schrijft hij, in een prachtig Nederlands, over de kleine dingen die hij dagelijks meemaakt.
Het stukje “onverwacht bewegende beelden” is echt een stukje naar mijn hart. Bakker wist niet dat er nog bewegende beelden van zijn grootouders bestonden, en krijgt die ineens te zien. Niet alleen de grootouders, ook bijna hun hele interieur komt in beeld – dat is voor hem heel waardevol. Als lezer zit je mee in zijn grootouderlijk huis, en tegelijk misschien in het huis van je eigen opa en oma.
Hoe bewaren we onze familiegeschiedenis? Wat brengen we in beeld, wat leggen we vast, en hoe? Het is iets waar we te weinig mee bezig zijn. Hoewel we nu ongelooflijk veel filmen en fotograferen – maar net daardoor dreigt misschien veel verloren te gaan.
Maar vooral de opnames in huis zijn goud waard. Ik droom nog weleens van hun huis en nu kreeg ik de woonkamer en de keuken vanuit alle hoeken en gaten te zien. De details. De boeken onder de tv in het tv-meubel gepropt, de planten in de vensterbank, het radiootje op het buffetkastje bij de eettafel, het schilderij dat nu weggestopt in een logeerkamertje bij mijn moeder thuis hangt, de oliekachel, de stoel van opa naast die kachel, die nu – door mijzelf opnieuw bekleed – in het werkkamertje van M. staat. Het Rien Poortvliet-schilderij van een hert in de keuken. Doodzonde dat de filmer niet even in hun slaapkamer is gaan kijken, of boven.
Eveline Vanhaverbeke schrijft over haar leven na de kankerdiagnose, zeventien maanden geleden. Inmiddels is de ziekte verslagen, en probeert ze stilaan de draad van het leven weer op te pikken. Dat is niet gemakkelijk. Ik ben altijd dankbaar wanneer mensen openlijk schrijven over pijn, ziekte en verdriet. Het is niet altijd makkelijk om mensen daarin bij te staan en stukjes zoals dit leren ons dat. We zijn vaak geneigd om de zieke te sparen, niet te praten over onze eigen zorgen, want die verzinken in het niet bij de zorgen van de zieke. Terwijl die persoon het dikwijls net prettig vind om iets te kunnen doen voor ons. Dat zit mooi in dit stukje.
Moeizaam bouwde ik mijn leven opnieuw op. Een ander leven, een beter. Er waren nog twee doelen: goed voor mezelf zorgen en goed voor anderen zorgen. Anderen helpen ook, om de rust te creëren in hun hoofd die ik zelf soms wanhopig zocht, en om op die manier zin te geven aan dit tweede leven dat ik langzaam opbouwde.
Dichter Sylvie Marie heeft met het anekdotum een eigen genre uitgevonden – dat nog niet in jullie haven zit! foei! Een anekdotum is een contaminatie van anekdote en antidotum. Het zijn kleine verhalen uit haar leven, wondertjes en reflecties. Zij schrijft ook erg mooi over leven in een nieuwe, warme, liefdevolle relatie na een scheiding. In dit stukje vindt ze in het detecteren van metaal een nieuwe hobby, nieuwe woorden en nieuwe verhalen. En verbinding met de geschiedenis van voorwerpen, maar ook met haar geliefde, haar kinderen en andere mensen met dezelfde passie. Het is een tekst met meerdere lagen, letterlijk en figuurlijk. Wanneer je je interesseert voor iets nieuws gaat een wereld open.
Heel vaak zijn de vondsten niet goed thuis te brengen. Het zijn maar fragmenten, scherven, schijfjes met inscripties die nauwelijks leesbaar zijn. Als mijn lief thuiskomt met zulke kleine stukjes metaal, neemt hij er foto’s van, goed verlicht en op een witte achtergrond. Met een schuifmaat duidt hij ook de afmetingen aan. In een besloten Facebookgroepje voor metaaldetectoristen vraagt hij dan of iemand hem kan helpen met de dtm. Dtm? De afkorting voor determinatie.
Jo Komkommer ontmoet veel mensen en maakt vaak hilarische dingen mee. Hij zet zichzelf erg goed neer als anti-held. Hij heeft een heel mooie taal en schrijfstijl en daar val ik voor. En hij heeft veel humor. Dat alles vind je terug in dit plezierige vakantieverhaal, waarin een groepje oude vrienden elkaar terugziet. De personages, maar ook de hele omgeving komen tot leven. Het plezier van de reünie spat ervan af. De grote verrassing van ouder worden is dat je vanbinnen jong blijft – dat zit mooi in deze tekst. En ondanks de lichte toon is er ook plaats voor melancholie.
Om onze tweede reünie te vieren had ik een Airbnb geboekt in een voormalige arbeidersbuurt, op wandelafstand van het centrum, waar de vegan restaurants aan hun onstuitbare opmars begonnen waren. In een smalle straat waar het zonlicht nooit scheen, had ik met Maria – de dame van de Airbnb – afgesproken. Een kokette wat zenuwachtige vrouw van rond de zestig deed open en ik wandelde binnen op de set van een Almodóvar-film. Kleurrijk is het minst wat je van haar appartement kon zeggen. Het was een ode aan de dunne scheidingslijn tussen kunst en kitch, maar hield zich bijna steeds aan de goede kant van de grens op. Hoge plafonds. Parket uit de tijd van Garcia Lorca. Witte luiken. Lukraak verspreid over de vloer rezen boeken- en cd-stapels op die van een voortreffelijke smaak getuigden (Lucia Berlin!) en aan de muren hingen gewaagde kunstfoto’s die moedig verder gingen op een weg die zelfs Robert Mapplethorpe niet durfde te bewandelen.
Het was een verscheurende keuze. Spreken we af op een houten bank in Brussel Noord? Of toch liever bij het Vossenplein, de favoriete Brussel plek van Tanja Wentzel – voor de Aanlegplaats lezer beter bekend als de auteur van De Rode Valies. Een blog voor literaire fijnproevers – onder andere Rob van Essen is fan.
Ze woont nu even vlakbij, in de Marollen, in haar tijdelijke tocht van de ene naar de andere tijdelijke woonplek. Het is nog zomer, we zetten ons in de schaduw van de bomen van café Brocante, en ik lanceer onze traditionele eerste vraag:
Waarom ben je ooit met de Rode Valies begonnen?
Ik heb altijd al geschreven, en ook altijd voor een publiek. Dat hoeft niet groot te zijn, ik hou ook heel erg van de spontane dialoog in briefvorm. Daarmee ben ik eigenlijk begonnen, met het plezier van het wachten op een antwoord, en wanneer dat er dan eindelijk was, snel lezen en weer terug schrijven. Op een moment dat mijn administratieve job me frustreerde volgde ik een cursus bloggen, en was verbaasd over het gemak waarmee je dat kon opzetten. Ik schreef nog steeds brieven, maar dan plots voor een groter publiek.
Wat ik fijn vind aan het (blog)schrijven, is het zoeken naar een juiste manier om over persoonlijke dingen te schrijven, zonder dat het te expliciet wordt of ik te veel van mijn privacy prijsgeef – al ben ik wel open – maar ik zal er ook altijd een klein beetje fictie van maken. Het blijft een interessante evenwichtsoefening. Het helpt me ook erg om met mijn gevoelens om te gaan. Ook probeer ik er altijd meerdere lagen in te steken, ruimte over te laten voor de invulling van de lezer. Het is soms mooi om te zien hoe mensen er dingen in lezen die je er niet bewust hebt ingestoken, of iets waarvan je denkt dat het duidelijk is, er juist niet uithalen. Een lezer leest toch vaak in functie van zijn eigen ervaringen.
En dan ga je door, het is zalig wanneer iemand die je vaag kent en verder nooit online reageert, je op de schouders tikt en zegt hoezeer ze van je stukjes genieten. En dus ook meegaan in jouw wereld.
In mijn wereld ben ik omringd door mensen en voorwerpen, en de verbanden die daartussen bestaan. Er is soms zoveel toeval in mijn leven dat het niet meer toevallig lijkt. Dan heb ik het gevoel dat er een zender in mijn hoofd zit, dat ik ook zonder smartphone geconnecteerd ben met mensen die ik graag zie. Het gebeurt geregeld dat ik iemand aan wie ik net heb gedacht, tegenkom. Elke week beleef ik een of meer toevalligheden.
Brussel is ook relatief klein, en het voordeel van ouder worden is dat je steeds meer mensen leert kennen, en je ontmoet mensen uit verschillende fases van je leven. Met ouder worden verlies je mensen, dat maakt je melancholisch. Wat niet slecht is voor het schrijven denk ik. Maar er komen er gelukkig ook steeds nieuwe bij. Ik vind het gemakkelijk om nieuwe mensen te leren kennen. Het is een kwestie van je openstellen en oprecht geïnteresseerd zijn in de ander.
Daarom hou ik ook zo van rommelmarkten en de Marollen hier. Elk voorwerp dat je hier vindt heeft al een leven gehad, en draagt al die verhalen met zich mee. Plekken in een stad zijn nog meer doordrongen van alle levens die jou zijn voorafgegaan.
Schrijven is een vorm van archeologie, voor mij.
Ken je Motherwell, van Deborah Orr? Dat is echt een boek mij op het lijf geschreven. Aan de hand van de inhoud van een secretaire in het ouderlijk huis wordt een heel leven geschetst.
Die rode valies in de titel van mijn blog is ook zoiets. Het verhaal staat er nog, over een valies die voor mijn deur aanspoelt en weer verdwijnt zodra ik ze heb open gedaan. Maar net zo goed kwam de inspiratie van Orhan Pamuk, die het in zijn Nobelprijs speech heeft over een valies waarin zijn vader – die ook een heel leven geschreven heeft, maar die ambitie nooit heeft omarmd – al zijn teksten had verzameld. Om die dan bij zijn beroemde zoon achter te laten.
En zo beantwoord ik al een beetje je tweede vraag, wie zou er een blog moeten beginnen, want mijn broer is zo’n schrijver. Ontelbare notitieboekjes heeft hij al volgeschreven. Met de hand. Regelmatig stuurt hij me een foto van zo’n verhaal. Altijd mooi. Zelden doorhalingen. Ik zou echt willen dat hij ze een keer aan een breder publiek toont, ik weet niet echt wat hem tegenhoudt om dat te doen.
Je kan het altijd nog op facebook plaatsen, toch? Ik lees er graag de anekdotums van Sylvie Marie – op mijn vraag heeft ze ze nu aan haar blog toegevoegd! Ik herken me erg in haar stukje “Twee levens”, waarin ze zegt dat je een leven nodig hebt om te leven en een leven om te schrijven. Voeg haar maar toe aan jullie haven!
Wie alles weet over Brussel, gewoon omdat ze mensen aanspreekt en er echt mee in gesprek gaat, is Mie Demin. Ze schrijft dat vaak ook op, maar ook bij haar slokken de algoritmes van facebook dat dan op, en zo heeft ze te weinig bereik. Kans is trouwens groot dat we haar hier zien, want ze gaat bijna dagelijks zwemmen in het zwembad hier op het plein.
Sinds een paar jaar ben ik leerkracht Nederlands NT2, en het is een plezier om te zien hoe mensen zich een weg banen in die taal, die stukje bij stukje veroveren. Mijn studenten hebben ook allemaal verhalen te vertellen, het zijn mensen wiens levensloop niet vanzelfsprekend is.
Sociale bewogenheid is belangrijk voor mij, en dat kan vele vormen aannemen. Neem nu die actie rond het behoud van de houten banken in het Noordstation, waar ik mijn schouders heb onder gezet. Dat is niet alleen een esthetische zaak, dat heeft ook te maken met het weigeren van verspilling, met respect voor iedereen in plaats van het blind varen op de logica van zo’n groot bedrijf? En laten we niet vergeten dat het onmogelijk maken van te slapen in zo’n hok op de perrons een nauwelijks verholen bijbedoeling was.
Maar ze zijn gered, ik ben blij, ook al heeft het me veel energie gekost.
Het zijn mensen met een eigen stem, en dat is toch wat schrijvers en blogs goed maakt, voor mij.
Goede blogs, goede schrijvers, dat is toch jouw derde vraag, he? Ze hebben een thema, en ik lees ook graag over wat mezelf zo bezighoudt: het belang van het toeval, het niet meer per se willen dat iets gebeurt. Laat het. Laat je verrassen. Dat is fantastisch, daarom hou ik ook van hoe ik nu leef, van de ene plek naar de andere. Ze leren me allemaal zo veel, als ik me klein maak en gewoon opmerkzaam ben.
Dat is het, denk ik, een schrijver moet vooral een eigen wereld waarnemen, en zo goed dat hij meer ziet dan ik als lezer, of andere dingen. Zo krijgen ze een betekenis die het particuliere, de anekdote overstijgt. Fotografie is ook zo. Soms zijn de foto’s die ik maak het vertrekpunt voor een verhaal. Ik bedenk graag woorden bij beelden. Fotografie is erg belangrijk voor mij, ik heb er geen cursus voor gevolgd maar mijn vader maakt zijn hele leven al veel mooie foto’s, het was een van zijn manieren om zijn liefde voor ons te tonen.
Er kan veel liefde zitten in een blik. Dat verwacht ik ook van een blog.
Terwijl we praten wordt de rommelmarkt opgebroken. Alle spullen terug in bestelwagens, of op steekkarren. Daarna komt de reinigingsdienst het plein schoonvegen, we kennen het ritueel. Straks is dit plein weer mooi schoon. Ook dan is het hier fijn om te zitten. Er zijn zoveel mooie plekken in Brussel. Er gebeuren zoveel goede, positieve dingen. Er valt zoveel te beleven. Soms kan het hier ook zo rustig zijn. Ik wandel graag op een mistige zondagochtend van het Poelaertplein naar het Warandepark of op een regenachtige zondagavond door het centrum. Er valt in de 19 gemeenten nog zoveel te ontdekken. Ik kan me na dertig jaar nog echt verliefd voelen op mijn stad, hier een Parijsgevoel hebben. Ik wil mijn ogen niet sluiten voor de problemen, ik raak ze ook aan in mijn teksten. Maar Brussel komt te vaak op een negatieve manier in het nieuws. Ik vind het belangrijk om ook de vele mooie dingen te belichten.
Bij het huilen blijkt iemand
De leidingen verkeerd te hebben aangesloten.
Want terwijl het buiten droog blijft
Lekt het binnen tranen.
Dit moest eigenlijk een vangst worden over Brussel. De stad die de pijn van dit land zichtbaar draagt, en daarom zo vaak als lelijk en gevaarlijk wordt weggezet. Opnieuw. Of nog steeds.
Stemmen genoeg die daarover iets te zeggen hebben, binnen en buiten onze haven.
Tanja Wentzel, die al jaren over Brussel schrijft, is een goed startpunt. Maar wat blijkt? Zij schrijft over het geluk dat er ook te vinden is, op het Vossenplein, en een beetje verder, in een appartement aan de glazen lift.
Martin Pulaski dan, zeker, en hij heeft inderdaad een noodkreet. Maar ik scroll verder, en wordt diep geraakt door de lijst van plechtige communies. Verlies, is dat dan geen thema? Dat is het altijd al, en ik ga naar Hannes Couvreur, die boos is in zijn meest recente post, maar wat verder het verlies vereeuwigt in het loslaten.
En zo ben ik toch weer terug in Brussel, bij de mensen die volgens sommigen het probleem zijn, en volgens anderen het symptoom. Want pijn heeft dit land, en de bloedkorsten zijn hier, in Brussel.
Die tranen in het begin? Ook die zijn van Hannes.
Twee boeken over fermenteren, twee boeken van Jeroen Meeus, twee vegan kookboeken en twee van Ottolenghi. Er zitten talloze post-itjes tussen. Ze hebben er duidelijk al meer uit gekookt dan ik uit de mijne. Ook de vele potjes met kruiden in het kleine keukentje waar niets aan kwaliteitsvol kookgerief ontbreekt, maken dat ik me hier direct thuis voel.
De bewoners van mijn appartementje reizen graag. Dat zie ik aan de lampen, tapijten, vazen en de djembé. Ik zie het aan hun platencollectie. Ze houden veel van dub, muziek uit India en Afrikaanse landen.
Josephine Costers was zijn dochter; als klein jongetje was ik verliefd op haar; nog voor ik had leren schrijven schreef ik haar op de verpakking van een taart een ‘liefdesbrief’, de tekens onleesbaar.
Al een paar jaar heb ik loslaten losgelaten. Dat zit zo. Als iemand zegt: “laat het los”, dan denk ik aan zo’n heliumballon aan een touwtje, zo eentje die je stevig moet vasthouden, anders is ie weg.
In de diepste diepten en spelonken der gedachten bestaan er verloren en nieuwe, zelfs toekomstige universums, waar wij niet in willen vallen of net weer naar verlangen.
Bene Van Eeghem leerde bij over systemen van iets ingewikkelds waardoor je per ongeluk in een verkeerd of ander universum belandt. Naar het schijnt moet je dat vermijden. En dat kreeg dan weer een Engelse naam die klinkt als een fancy wintersport in een glimmend strak pak.
Kristien Bonneure beschrijft een actueel universum dat is volgepropt met belevingsmomentjes, boeiende activiteitjes en aan te vinken must sees, ook niet te vergeten zijn de lijstjes met de allerinteressantste supertips, de niet te missen zus en zo en natuurlijk de best of van dit en dat.
Caspar Visser ’t Hooft droomt weg bij een vervlogen universum van bloemetjesbehang, rinkelende munten en oude telefoontoestellen. Hij vond de sleutel van dat universum weer, ergens achterin een lade van z’n bureau.
Dit gezegd zijnde stop ik met schrijven en start ik prompt een zoektocht langs alle plinten van ons vakantiehuis. Ik speur tot ik die radioactieve spin vind en vraag hem met aandrang om mij te bijten. Daarna kan ik beginnen glitchen gelijk zot, liefst richting een echte zomer.
Natuurlijk is dit geen pleidooi voor lethargie. Wel mogen er wat minder prikkels in mijn hoofd. Ik probeer (!) zorgvuldig te kiezen, traag te savoureren in een rustgevende en toch niet geestdodende zomer. Naar de wolken kijken mag al eens helpen. Liggen als Snoopy op zijn hok.
Ik herinner me nog hoe ik ’s avonds door een park wandelde met hoge bomen. Dit park bleek te grenzen aan een beek die vanuit het plateau met de vulkaantoppen van de Puy de Dôme en de Puy de Sancy bruisend de vlakte in stortte. In het park stond een ouderwetse badinrichting in neo-byzantijnse krul- en tierlantijnstijl. Ik had kort tevoren Mont-Oriol van Maupassant gelezen. Ik zag ze hier rondwandelen, de sluwe Père Oriol, op wiens terrein een geneeskrachtige bron was ontdekt en die er een mooi slaatje uit sloeg, de Docteur Bonnefille, de directeur van de thermen die bij de bron waren gebouwd, de Marquis de Ravenel en zijn dochter Christiane, die getrouwd was met een rijke bankier wiens grootste wens het verwerven van een adellijke titel was.
Ook in de vakantie moet er gewerkt worden. Bij Marita, die met haar collega’s mijmert over een eenvoudiger leven met een broodjeszaak. Bij Jan-Paul van Spaendonck, wiens nieuwe liefde voor de oude luit hem dwingt om zelf fretten te vervangen. En bij de logeervis van Ingrid Vanderkrieken, die ondanks zijn terughoudendheid – “pogingen hem wat meer bij het dagelijks leven te betrekken, mislukten faliekant” – er toch in slaagt zijn baasje tot diepe reflectie aan te zetten.
Vriend T. doet de bediening, hij kan als geen ander voor mensen zorgen. A. smeert de broodjes, als de enige moeder in het team lijkt dat de meest geschikte taak voor haar. M. maakt schoon, het is haar hobby en de rest van ons is wat minder van de hygiëne. En ik? Ik doe de administratie, lekker vanuit huis en om te voorkomen dat ik opeens broodjes moet gaan smeren. Of erger, schoonmaken.
Wél heb ik hem bericht over de Ronde van Frankrijk, het pensioenhervorminkje en de pogingen tot fiscale hervorming in ons land. Ook heb ik hem verschillende opinies voorgelezen over topless zwemmen en zonnen, gewoon ter overdenking, evenals de uitspraak van minister Van Quickenborne. Die wil meer huisvrouwen aan de slag. Ik probeerde aan de vis uit te leggen dat Van Quickenborne eigenlijk zegt: wat een huisvrouw doet is geen werk.
Een luitist moet, zelfs in deze tijd waarin het instrument tamelijk mainstream geworden is, een doe-het-zelver zijn. Dat besefte ik toen ik een paar dagen lang, wegens een versleten en gebroken fret, niet had kunnen spelen. Ik ben nooit handig geweest. De luit heeft mijn leven veranderd en mijn muzikale smaak. Waarom niet ook mijn behendigheid?
In de week dat een jongen uit ’s-Gravenwezel wereldkampioen wielrennen werd, stierf de adelaar van Toledo. Maar dat weerhield me er niet van om in de haven te duiken en drie verhalen vol vreugde en verdriet op te vissen.
In de week dat Vincent Merckx aankondigde dat hij een boek met zijn beste verhalen uit 2022 heeft gepubliceerd, werd zijn leven beheerst door beren en moest hij op een camping de angst voor predatoren bij een zesjarige Italiaanse jongen wegnemen. Die jongen ging, uit schrik voor Vincents Gentse tongval, prompt badmintonnen. Als in de verre toekomst een Italiaan badminton-goud wint op de Olympische Spelen weet u welke Gentenaar hier schuld aan heeft.
De zoektocht naar een zeldzame klasfoto van zijn moeder mondde uit in een Grand Cru Tom Wouters-verhaal, waarin een mooie voetnoot is weggelegd voor ‘de club van klein verdriet’. Ach, plooide de werkelijkheid zich maar wat meer naar de verbeelding van Tom Wouters. Of naar de verbeelding van zanger Lucky Fonz III. Niet toevallig is diens wereldnummer ‘De mossel’ de favoriete zomerplaat van Tom Wouters. Lees Tom Wouters; luister naar Lucky Fonz III.
In de week dat de adelaar van Toledo stierf, sloeg de jongste dochter van Merel de Vilder Robier haar vleugels uit en verliet het moederlijke huis. In haar volstrekt uniek taaluniversum beschrijft ze wat het vertrek van haar drie kinderen met haar deed. Verder ben ik van mening dat Merel de Vilder Robier de mooiste naam ter wereld is.
‘Bovendien, en zo kwamen we bij de grond van de zaak, kan je ooit echt zeker zijn dat een beer een beer is? En benadert een mens in een berenpak niet méér de realiteit dan een beer in een Chinese kooi?’
“‘Hier in deze kast zit onze collectie microfilms. Ze bevatten alle lokale clubblaadjes van tussen 1930 en 1980, waaronder de volledige jaargang van ‘De club van klein verdriet’, een vereniging die 1 jaar heeft bestaan, in 1952. In hun blad verzamelden ze anekdotes van inwoners over die keren dat ze hadden moeten huilen om weinig tot niets. Allemaal anoniem, tot bleek dat het een eenmansclub was en dat voorzitter Sooi Pelckmans al dat verdriet zelf bij elkaar pende. Sooi was een treurig man. Jij hebt die toch nog gekend he, Staf?”’
‘Nu ben ik alleen en al wat schone, wilde beloftes inhield – opstaan, eten, schrijven, leven waar, wanneer en hoe ik wil – bevat ook tristesse en doet zeer.
Een confituurpotje soep ontdooien en tranen mengen zich met het lauwe water in den évier.’