Vreugde-uitbarsting onder de supporters van Aanlegplaats vanwege het verschijnen van de nieuwe vangst.
Er wordt tegenwoordig veel afgegeven op Facebook, maar ik ga daar niet in mee. Zonder Facebook had ik bijvoorbeeld nooit geweten dat vanavond in 9000 Gent de documentaire over de Gentse schrijver Koenraad Goudeseune Ik heb voor niksgeschreven in de Studio Skoop zal worden vertoond.
En dan had ik evenmin de wonderlijke wereld van Tom Wouters leren kennen. Op zijn blog Het Ongerijmde – die perfect voldoet aan de wens van Dirk Leyman dat in een blog woord en beeld elkaar esthetisch dienen te versterken – schrijft Tom meestal absurdistische miniatuurtjes en trekt de werkelijkheid zijn uniek universum binnen. Maar deze keer blijft hij de werkelijkheid op de huid zitten. Jaarlijks houdt de bibliotheek van zijn dorp een uitverkoop en over de zoektocht naar parels tussen de uitgerangeerde boeken van ooit beloftevolle jonge hemelbestormers gaat zijn schitterend stuk Afgevoerde boeken.
Nog iemand die de kunst verstaat om woord en beeld op een volstrekt natuurlijke wijze te combineren is Koenraad Vandenborre. In het verhaal Vogelspotters op zijn blog Oefeningen in rusteloosheid is een afgestempelde postzegel uit Venezuela de aanleiding tot een hoogst origineel ornithologisch avontuur.
Als afsluiter bestelt een vriend van Bene Van Eeghem in een door toeristen verlaten West-Vlaams boekendorp een Italiaanse koffie en met haar zwierige, geestige pen beschrijft ze hoeveel paniek een zoekgeraakte fles Amaretto bij een chaotische kelner, die het gevoel heeft als een circusartiest tien borden tegelijk in de lucht te moeten houden, kan veroorzaken.
‘Ik zie oeuvres verpauperen van namen als Johan Fabricius, Sybren Polet, Ethel Portnoy, Gerrit Krol, F. Springer en nog veel meer. Misschien worden ze terecht vergeten, dat kan, maar in dat kleine keldertje wordt naarmate ik meer en meer boeken en schrijvers ontmoet die ik niet ken de wereld me te groot, want er is nog veel dat ik nooit gelezen zal hebben en dat intussen al door de kuisploeg wordt opgeruimd. Straks, als ik hier weg ben, dan steken ze de fik erin, dan gaat dit rek ongetwijfeld als eerste de bibliotheek verwarmen tijdens de komende winter.’
‘Er valt een brief in de bus. Dat ik die ochtend de brievenbus leeg, is toeval, op een andere dag had het best iemand anders kunnen zijn. Of de geschiedenis er dan anders had uitgezien, zullen we nooit weten.’
‘We heffen gemoedelijk het glas en keuvelen wat. Als de gehavende ober vijf minuten later onaangekondigd alsnog een glaasje amaretto op onze tafel neerpoot en ‘gevonden, voor u!’ roept, is het hek helemaal van de dam. Dit huis heeft iets van Fawlty Towers, maar dan in het echt. Daar fleurt de hele vrijdag van op.’
Onder kenners doet het gerucht de ronde dat er op aarde één man rondloopt die nog meer boeken bezit dan Steven Van Ammel van Passa Porta. Die man, u raadde het wellicht al, is Dirk Leyman. Omdat de bel van onze voordeur nog steeds stuk is, klopte hij op een zonnige dag aan. Na de nodige plichtplegingen gingen we aan de eettafel zitten waar ik een bibliotheekmagazijnexemplaar van Parijse feesten van Ethel Portnoy prominent in beeld had gelegd. En nu gebeurde er iets heel bijzonders: Dirk moest toegeven dat hij dit boek van haar nog niet bezat. De rest van haar oeuvre gelukkig wel, zodat zijn blazoen ongeschonden bleef. Hij erkende een liefhebber van haar heldere schrijfstijl vol prikkelende weerhaken te zijn. Twee Ethel Portnoy-fans namen plaats en hadden het tijdens de lunch over literatuur en fotografie – hun andere grote liefde.
De eerste keer dat ik, jaren geleden, Dirk Leyman ontmoette was op een concert van een frêle zangeres in zaal Trix en ik was starstruck. Toen leek het me nog onwerkelijk dat recensenten mensen waren die echt bestonden en tijdens een concert bier dronken. Mijn ogen dwaalden meer af in de richting van Dirk, leunend tegen de bar, dan naar de etherische schoonheid op het podium. Een vreemde keuze voor een rechtgeaarde old skool heteroseksueel als ik.
Al sinds mensenheugenis is Dirk Leyman de zeer gewaardeerde literair journalist van De Morgen. Hij verstaat de kunst om in een bedachtzame maar stilistisch hoogstaande stijl een boek of oeuvre te doorgronden en heeft daar soms niet meer dan enkele zinnen voor nodig. Steeds hanteert hij een onderkoelde humor en een minzame maar scherpe pen, zonder zich groter te willen maken dan de boeken of schrijvers die hij bespreekt. Als liefhebber van de Franse literatuur weet hij bovendien op volstrekt natuurlijke wijze zijn teksten te verfraaien met enkele uit het Frans ontleende termen. De estheet in Dirk Leyman voelt perfect aan welke gallicismen schoonheid in zich dragen en welke niet. In zijn recensies kom je regelmatig woorden als pudeur of tristesse of ampleur tegen. Maar blaffetuur zelden of nooit.
Na de lunch hadden we het over bloggen. Want Dirk Leyman is – of beter was – eveneens de man achter De papieren man. De met recht en reden ooit legendarische blog over literatuur, waarvan recent nog Steven Van Ammel – de man met de tweede grootste boekencollectie ter wereld – zich liet ontvallen dat hij hoopte dat deze opnieuw tot leven zou worden gewekt.
In mijn dagen als hotelreceptionist doodde ik, lezend in De papieren man, menig uur. Ook ik mis die blog en zo is meteen de link naar onze openingsvraag gelegd.
1) Waarom ben je ooit met een blog begonnen?
‘Je doet me flink in het geheugen graven (lacht). Want De papieren man startte rond 2006 en heeft het een vijftal jaar intensief volgehouden. Het was een blog die literair- en boekennieuws bracht, zowel Nederlandstalig en internationaal. Ik startte ermee omdat ik destijds een lacune aanvoelde: op een snedige manier en in een licht ironische stijl nieuws uit de boekenwereld brengen, met een brede actieradius. Speels, maar toch ook goed geïnformeerd en gedocumenteerd, met soms ook een primeurtje. Iets voor echte boekenliefhebbers, quoi.’
‘Ik vond het belangrijk dat je op De papieren man berichten las die je nergens anders kon vinden. Het begon kleinschalig, maar tot mijn verbazing groeide de aandacht snel – vooral in Nederland. We hadden oog voor internationaal literair nieuws. Zo ploos ik dagelijks The Guardian en een rist internationale kranten uit. Ook als er schrijvers overleden waren, schreef ik daar een obituary over; verder ging ik op tijd en stond een smakelijke, maar geverifieerde roddel niet uit de weg (lacht). Het was die mix van het serieuze en het speelse die aansloeg, denk ik. Langzaam professionaliseerde de blog en vervelde tot een site, die ik liet bouwen, met logo en alles erop en eraan. Later vervoegde Hans Cottyn (nu chef opinie bij De Standaard, nvdr) de eenmansredactie, want de blog was boven mijn hoofd aan het uitgroeien, ik deed dat tussen of naast mijn ander journalistiek werk. Toen de betreurde boekenchef van NRC Handelsblad Pieter Steinz vroeg om samen te werken en berichten doorplaatste én mocht overnemen, kreeg de blog nog meer visibiliteit. Verder ontvingen we ook wat subsidie van het toenmalige Letterenfonds en werkten er nog wat mensen sporadisch mee. Dat was een tijdlang een geoliede machine, zeker. ’
‘Er kroop alsmaar meer werk in. De ampleur van de blog groeide. Maar het was moeilijk om er een verdienmodel voor te vinden. Het begon allemaal nogal te wegen qua tijd en energie, want daarnaast werkte ik voltijds voor De Morgen. Na mijn werk schreef ik dan nog blogposts voor De papieren man, soms tot diep in de nacht. En ook: telkens als de literaire actualiteit dat vereiste, moesten we paraat staan. Lezers verwachtten dat. En er waren toen precies meer literaire polemiekjes en schandaaltjes dan tegenwoordig. Dan begon ook de dwang van de sociale media te spelen: ook daar moest je doorverwijzen naar je berichten. Op een bepaald moment begon het wat te veel als labeur aan te voelen. Ik wou wel wat anders gaan doen, meer de handen vrij hebben.
‘Trouwens: de Facebook-pagina van De papieren man bestaat nog en daar plaats ik regelmatig nieuws op, maar op mijn eigen ritme. Of ik de blog ooit terug ga opstarten? Never say never. Regelmatig krijg ik die vraag opgeworpen, maar ik moet zeggen dat ik er op een bepaald moment teveel de slaaf van werd. Dan ga je nadenken. Daarom besloot ik in 2012 om ermee te stoppen en andere dingen te gaan doen en meer ruimte te maken voor bijvoorbeeld, eigen boekprojecten en ander schrijfwerk. Ik heb de volledige inhoud van De papieren man nog als archief gestockeerd en er zijn gesprekken geweest om die in het Letterenhuis consulteerbaar onder te brengen. Maar de site zomaar als backup in de lucht houden, dat was een te dure zaak.’
‘Hoeveel lezers we hadden? Best veel. We hadden soms twee à drieduizend unieke bezoekers per dag.’
‘De naam De papieren man had ik plots beet maar het is eveneens de titel van een roman van Nobelprijswinnaar William Golding: The Paper Men. Misschien is die ergens blijven hangen? De titel sprak me aan, het bekte goed. Hoewel de blog al jaren niet meer bestaat, word ik regelmatig nog zo aangesproken. Zeker in Nederland als ik op een receptie verzeil tussen boekenlui: ‘Ah: de papieren man is daar…’ Soms werd ik er toen uitgenodigd en voorgesteld als ‘de papieren man’, en niet zozeer als journalist van De Morgen.’
‘Een blog beginnen is doodeenvoudig. Maar volhouden is moeilijk, zoals bij zoveel zaken in het leven, natuurlijk. Het is ook een gestage stroom aan berichten die ontstaat. De verwachtingen worden hoger, het is als een hongerig mondje dat je voortdurend moet voeden. Het is ook een fase in je leven. Wat zet je ervoor opzij? Wat doe je er wel voor?’
‘Op zich zou ik het weleens opnieuw willen doen, maar dan zonder de druk van voortdurend te moeten publiceren én met een stevig uitgedokterde financiering. In onze hoogdagen schreven Hans en ik drie à vier ruime berichten per dag. Verder werkten we altijd met hyperlinks en droegen er zorg voor om zorgvuldig onze bronnen te vermelden waar we de informatie vandaan hadden. Tegenwoordig wordt daar veel achtelozer mee omgesprongen. Wat is de waarde van een bron voor sommige mensen nog? Ik hechtte eraan alles goed te verifiëren. Qua copyright is het nu wel veel moeilijker geworden qua fotomateriaal.’
‘De samenwerking met Hans, die er pas veel later bijkwam, verliep vrijwel organisch. We hadden allebei de journalistieke spirit te pakken én dat voelden de lezers, denk ik. Aan een half woord hadden we genoeg om te weten wat we moesten doen. We zorgden ervoor dat er steeds een back-up was, bij dringend nieuws. Al het werk dat we in de De papieren man staken, was zo goed als onbezoldigd. Op wat subsidie na, dus. In Nederland kreeg ik nog de Dutch Bloggie als beste literaire blog en in Vlaanderen de Parnassusprijs van het toenmalige Letterenfonds (nu Literatuur Vlaanderen). Dat was een plezierige erkenning, die ik nooit had verwacht.’
‘Ik stel vast dat ik zelf niet meer zoveel naar blogs kijk, want sociale media hebben een beetje die rol overgenomen. Een blog is Facebook zonder likes. En op Facebook begint er iemand met lange posts precies al wel eens te bloggen, wat voor mij daar niet altijd hoeft. En stoppen mensen tegenwoordig niet liever hun tijd in hun Instagrampagina dan in een blog? Het resultaat en de respons is er ook sneller en dat past bij deze tijd. Ik denk ook dat podcasts en vlogs uiteraard het bloggen doen afkalven. Logisch, het gebruik van media evolueert razendsnel. Binnen vijf jaar lezen, luisteren en kijken we weer totaal anders, we kunnen vast nog niet eens bevroeden hoe. Dat blijft ook fascinerend, vind ik. Ik ben altijd getriggerd door de vele kanalen waarlangs informatie tot ons komt. Nieuwsgierigheid moet je blijven koesteren. En ik hou ook niet van cultuurpessimistisch doemdenken.’’
‘Ik vind het moedig dat mensen bloggen, maar of ik zelf nog de energie zou kunnen opbrengen?. Twijfelachtig. Blogs die ik boeiend vind, verstaan de kunst om algemene en persoonlijke informatie schrander en spits te combineren. Ik heb het liefst iemand die wat onderwerpen uit zijn universum oppikt en er een beetje mee jongleert. En toch iets meegeeft over bijvoorbeeld een boek dat hij heeft gelezen, over fotografie, een stad, een reis, een eiland… Op die compleet persoonlijke ontboezemingen zit ik niet altijd te wachten, tenzij ze bijzonder goed geschreven zijn. Ik kan mij vergissen, maar ik heb toch het gevoel dat bloggen meer en meer een niche is geworden. De sociale mediakanalen hebben bloggers misschien ingehaald en voorbijgestoken. Voor sommige schrijvers zijn en blijven blogs wel ideale vingeroefeningen. Op een blog kun je rustig aan je stijl slijpen, vermoed ik, zonder dat je afgaat.’
2) Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?
(Zuchtend)…. ‘Dat vond ik toch wel de moeilijkste vraag. Moeten het levende mensen zijn? Of mag ik ook overleden figuren het woord verlenen (lacht)?’
‘Maar stel je eens voor dat bepaalde fotografen zouden geblogd hebben, zoals Jacques-Henri Lartigue, Weegee, Lee Miller of Brassaï? Dat zou wonderlijk zijn. Overigens heeft Brassaï ook best een en ander geschreven, dus het had gekund. Er zijn nogal wat fotografen die essayistiek pleegden of over hun werk reflecteerden, soms op de korte afstand.’
‘Blogt iemand als Stephen Shore? Of de Amerikaans-Nigeriaanse auteur Teju Cole, die naast schrijver ook fotograaf is, waarover hij de laatste tijd vaker essays publiceert? En de overleden Saul Leiter als blogger…? Ik ben ook een groot bewonderaar van zijn foto’s, maar vrees dat het de magie een beetje zou doden indien je teveel in zijn keuken had kunnen binnenkijken.’
‘Ook boeken-vormgevers mogen van mij steeds een blog aanvatten, al houden ze zich nu meestal op Instagram op, begrijpelijk, als etalage voor hun werk. Zo volg ik iemand als Steven Heller, een Amerikaanse typograaf en grafisch ontwerper met ettelijke boeken op zijn naam. Of Chip Kidd. Hetzelfde geldt voor grafisch ontwerper en schrijver Peter Mendelsund, de creatieve directeur van The Atlantic. Kortom: boeiende onderwerpen en mensen die in hun vakgebied specialist zijn en er onderhoudend, fris en toegankelijk én toch met kennis over kunnen schrijven. Met weliswaar een zekere losheid en frivoliteit, daar hou ik van, met af en toe een puntige gedachte waar je kunt op kauwen. Susan Sontag, die mag ook bloggen van mij. Ik herlas onlangs een aantal van haar essays en was opnieuw sterk onder de indruk.’
‘Er schiet me ineens iemand te binnen, als je me toestaat. Man Ray! Ik zat nog eens te pluizen in zijn autobiografie Belicht geheugen en in de overvloedige boeken die er over zijn werk bestaan. Voor mij is hij toch een van de grootste kunstenaars van de 20ste eeuw, mede door zijn veelzijdigheid, zijn manier om zich telkens weer heruit te vinden. Ik ben een groot liefhebber van de reeks Privé-Domein. Daar merk je ook hoe goed sommige fotografen of schilders schreven… Onlangs las ik Een klein ja, een groot nee van de Duitse schilder George Grosz die waarlijk begiftigd was met een talent om anekdotes te vertellen én zichzelf zorguldig onder de loep te nemen. En kijk bijvoorbeeld naar Nadar. En hoe zou de Braziliaanse Clarice Lispector haar leven in blogvorm gieten? Niet in Privédomein maar ik weet nog hoe ik gecharmeerd raakte door de autobiografie van Helmut Newton, ik weet wel niet in hoeverre hij die zelf geschreven heeft. Stel je voor dat Helmut Newton had geblogd. Of architecten als Le Corbusier of Robert Mallet-Stevens? En wat zou Andy Warhol gedaan hebben met sociale media, gezien hij zijn leven zo uitvoerig documenteerde. En ja, ook filmiconen als Louise Brooks, Monica Vitti of Lea Seydoux mogen van mij – al dan niet postuum – bloggen – over eender wat zelfs (lacht).’
3) Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?
‘Ik merk dat de combinatie van woord en beeld juist moet zitten, als ik wil blijven hangen op een blog. Vaak schort er bij veel bloggers iets aan het evenwicht tussen beiden. Dat is soms een gemiste kans. Jammer genoeg spreekt de vormgeving of typografie van de meeste blogs me weinig aan. Te petieterig, te slordig, te voorgefabriceerd of dan weer te schreeuwerig. Regelmatig heb ik al lezend een gevoel van: “die schrijft interessant, maar het ziet er zo onaangenaam uit. Waardoor ik afhaak en denk: laat maar.’ Het esthetisch aspect kan voor mij dus een afknapper zijn. Zorg er ook voor dat je iets kan terugvinden op je blog via, bijvoorbeeld, een zoekfunctie of werk met tags. En ik hou van literaire speelvogels die toch met kennis van zaken spreken.’
‘Ik zei het daarnet al: goede blogs maken je enthousiast over bepaalde onderwerpen en voegen daar iets informatiefs aan toe. Dan kan over vuurtorens, reizen, boeken, mode, fotografie, architectuur, muziek gaan…zolang het maar prikkelend is. Een zéér goede blog is voor mij La République des Livres van Pierre Assouline, de Franse romancier en essayist en beetje duvel-doet-al. Een echte homme de lettres. Hij heeft zoveel culturele bagage. Zo was hij o.m. hoofdredacteur van het magazine Lire, dacht ik. Altijd verrassende invalshoeken over de Franse en internationale literatuur. En wat een gigantische maar nooit pedante eruditie heeft Assouline.’
‘Eveneens zeer goed, zij het niet echt een blog – het hangt er wat tussenin – is Actuallité. Een informatieve site over literatuur – vandaar de dubbele l. Prima site als je over de Franse literaire wereld wil geïnformeerd zijn.’
‘Ivo Victoria vind ik een uitstekende blogger. Hij is een auteur die het al zeer lang en vrij consequent doet en bovendien oogt zijn blog uitnodigend en verzorgd. Zijn stukjes staan enigszins los van zijn oeuvre. Ze zijn persoonlijk, zonder dat hij zijn leven uitvent. Ook als columnist in De Morgen vind ik hem een tikje onderschat. Hij is niet het type van de tafelspringer. Integendeel. Victoria heeft vaak genuanceerde, doortimmerde meningen.’
‘Iemand als Gerbrand Bakker is wel geestig om te lezen omdat hij soms deskundig moppert over het literaire wereldje, net als Jan van Mersbergen. Maar ik lees het zeker niet consequent, ik glimp eens. Arnon Grunberg is natuurlijk ook altijd de moeite, al gebeurt het dat ik hem even uit het oog verlies. Hij post weliswaar elke dag wel iets. Hij lijkt alle internationale kranten en opiniestukken én belangwekkende boeken gelezen te hebben en heeft er altijd ook iets zinnigs over te zeggen, decennialang al.’
‘Wie ik zeker smaak als blogger, is Bart Moeyaert. Hij legt soms schrandere verbanden tussen zijn lectuur en zijn persoonlijk leven. Als man met een esthetisch oog heeft hij bovendien aandacht voor de vormgeving van zijn blog.’
‘Maar laten we eindigen met een vrouw die me geregeld een grimlachje ontlokt: Sarah De Grauwe en De Grauwe Gekheid. Een beetje curieuze naam, mais bon. Op sociale media en haar blog schrijft ze luchtige stukjes waar ze een informatief verhaaltje rond bouwt. Het gaat over zichzelf en haar omgeving, in het Gentse leven, maar ze betrekt er bijna vanzelf allerlei weetjes bij, vaak ook uit de film, kunst of letteren. Of ze maakt een zijsprongetje. Ze creëert een persoonlijke universumpje. Ze heeft voor de korte baan een aangename, meanderende schrijfstijl, met een melancholische tint. Koestert ze al een oude getaande ziel voor haar leeftijd? Haar blog is sierlijk, zelfs lichtjes barok.’
Als geoefende drinkers ledigden we de fles San Pellegrino tot op de bodem en aansluitend troonde ik Dirk mee naar mijn bibliotheek. Meestal valt er een sacrale stilte als ik mijn verzameling laat zien, maar nu klonk die stilte eerder afwachtend. Zijn geoefende bibliofiele ogen scanden snel alle titels en geregeld herhaalde hij: ‘Leuk boek, dat heb ik ook staan.’ Tot er ineens een tweede wonder geschiedde. Gefascineerd nam Dirk TheStreet Philosophy of Garry Winogrand van Geoff Dyer uit de kast en sprak de nu al legendarische woorden: ‘Ditboek heb ik niet.’
Twee cadeautips voor mocht u Dirk Leyman willen verblijden met een geschenk: Parijse feesten van Ethel Portnoy of The Street Philosophy of Garry Winogrand van Geoff Dyer.
‘Binnen de perken zijn de mogelijkheden even onbeperkt als daarbuiten‘, zei Jules Deelder.
Dat alles en nog veel meer overal mogelijk is, daar zijn de volgende bloggers het over eens.
Boeken worden vanuit de toekomst gezonden naar de schrijver, weet Rob van Essen na deskundig onderzoek. Schrijvers zetten die boeken dan nog even in elkaar als een Ikea kastje of warmen het prakje op als een diepvriesmaaltijd om het gevoel nog iets zelf te doen, maar het echte werk gebeurt achter de schermen en een andere tijd (niet dat Saskia De Coster het hier mee eens is, zij noemde verbeelding een niet bestaande mannelijke pseudo-uitvinding – maar zij heeft dan ook geen blog in onze haven).
De bouwvergunning van Lennart Van Staen werd gestolen en wel ’s morgens omstreeks 10u op een schooldag. Natuurlijk kunnen dieven naast geld en juwelen ook interesse hebben in een bouwvergunning. Wie rekening houdt met deze mogelijkheid doet voortaan zijn bouwvergunning gewoon op slot.
Gerbrand Bakker vindt het welletjes geweest. De wereld is klaar, alles is ontgonnen. Begaafde bloggers hebben de laatste mogelijkheden voor u opgesomd. We kunnen onszelf nu best pijnloos uitroeien door bijvoorbeeld een voortplantingsstop. Ook een mogelijkheid om de boel hier nog te redden. De mogelijkheden zijn onbeperkt.
Misschien is het ’t boek zelf, dat vanuit wat nu nog de toekomst is, zijn inhoud doorstuurt aan de ploeterende schrijver die al jaren bezig is het allemaal een beetje rond te krijgen. Maar waarom gaat het stukje bij beetje, waarom zo moeizaam, waarom niet in één keer? Waarschijnlijk om de auteur de illusie te geven dat hij of zij het allemaal zelf verzint, met pijn en moeite, zoals het hoort. Wie weet is het niet het boek dat zijn inhoud terug de tijd in stuurt, maar vangt de schrijver vanuit de tijd waarin het boek al verschenen is de hersengolven op van zijn toekomstige lezers, en kan hij uit die fragmentarische leeservaringen zijn boek construeren.
Wel, ik had dat papier proper op een OSB-plaat die ik nog had liggen geplakt, drie lagen huishoudfolie erover tegen de regen en de plaat vervolgens vastgemaakt met een halve kilo duct tape aan het muurtje waar ook onze brievenbus aan hangt. Het hing er welgeteld vijf dagen en in het holst van de ochtend van de zesde dag was het weg. Gestolen.
Dat ik ineens de aarde als ‘klaar’ zag, komt door een opeenstapeling van allerlei problemen waar de aardebewoners momenteel mee kampen. Het voelt alsof er een grens is bereikt, niet alleen materieel en geologisch, maar zeker ook sociaal. We staan elkaar soms letterlijk naar het leven via een razendsnelle wereldwijde mogelijkheid om met elkaar te communiceren. Wellicht is het daardoor zelfs zo dat we te veel wéten, dat er geen opium voor het volk meer is. Alles en iedereen is op drift geraakt. We maken ons godbetert collectief druk om welke BN’er er in een soort carnavalspak pak zit en een liedje zingt. Dus bedacht ik dat we de aarde gewoon, net als mijn tuin die klaar is, zouden moeten achterlaten.
Hoewel ik niet in God geloof, dacht ik lange tijd dat Karel van het Reve God was. Nog langere tijd hield ik mezelf voor de grootste kenner van zijn oeuvre in België. Tot ik de blog van Philippe Clerick ontdekte en besefte dat de stilist uit West-Vlaanderen de enige echte paus van het ware geloof is. Groot was mijn vreugde toen Philippe Clerick, geïnspireerd door het boek De Zelfdenker van Willem Melching – de net verschenen biografie over van het Reve -, niet minder dan zeven dagen na elkaar een stuk over Karel van het Reve schreef. Een wondermooie tijd die de teleurstelling omwille van het uitblijven van de lente enigszins verzachtte.
Uit die reeks selecteerde ik het eerste stuk, maar laat het vooral een uitnodiging zijn om ze allemaal te lezen. En mocht u Karel van het Reve nog niet kennen, lees dan aansluitend zijn Verzameld Werk (deel 1 t/m 7). Want (van het) Reve doet Leve.
Er is weinig dat me meer stoort dan pratende mensen in een cinemazaal. Sterker nog: ik laat veel van mij afglijden, maar niet tijdens een filmvoorstelling. Dan balanceert de argeloze fluisteraar op de rand van de afgrond. Het is sterker dan mezelf. Want elke keer sta ik op om er iets van zeggen. In een filmzaal ben ik een dictator. Groot was dan ook mijn gevoel van herkenning tijdens het lezen van het stukje van Marieke Groen. Voor een verlicht dictatorschap in verduisterde zalen: stem Marieke & Jo!
Net als bij Karel van het Reve was ik vanaf de eerste zin een fan van de schrijfstijl van Julie Cafmeyer. Er schuilt een poëtische kracht in haar van alle ruis ontdaan proza. Met weinig woorden sorteert ze veel effect. In haar begindagen, toen ze enkel op haar blog publiceerde, klampte ik vaak vrienden en vreemden aan met de vraag of ze het ook niet de hoogste tijd vonden dat de getalenteerde Julie Cafmeyer een column zou krijgen in de landelijke pers. Gelukkig kreeg ze die ook. Nu klamp ik dezelfde vrienden en vreemden aan met de vraag of ze ook zo benieuwd zijn naar haar binnenkort te verschijnen debuutroman.
Maar lees in afwachting van die hoogdag eerst haar stuk in de vangst van de week.
‘De rechter zegt: “De feiten hebben een zekere ernst en brengen een disfunctie in de moeder-zoonrelatie aan het licht.”
Hij spreekt ‘disfunctie’ uit alsof het een vreemd soort ongedierte is. Kakkerlakken met een groene gloed die zo snel mogelijk bestreden moeten worden.
Hij kon ook zeggen: “Laten we eens kijken waarom een moeder zich zo machteloos voelt. Wat heeft een vrouw nodig zodat ze de energie heeft om haar zoon te omhelzen?”’
‘De hele tijd zat ik te wachten tot de vrouw weer iets ging zeggen. En als ze dat deed wachtte ik tot ze stopte. Ik verlangde ernaar te weten hoe de mensen achter me dachten over het gefluister. Of zij wilden dat er iemand ingreep. We zaten al een halfuur, misschien drie kwartier in de film toen ik het niet meer uithield. Ik draaide me opzij en zei: ‘Willen jullie stoppen met dat gefluister, het is heel storend.’’
‘Wat we over Karels karakter te weten komen is niet nieuw, maar ik word het nooit beu. Hij was gierig voor zichzelf en vrijgevig voor vrienden; hij koketteerde met zijn luiheid maar werkte hard om geld te verdienen; hij was een meester van de ironie, maar meende wat hij zei en schreef; in zijn omgang met studenten was hij hartelijk maar terughoudend; hij hield niet van moraliseren maar was erg gesteld op rechtvaardigheid; hij hield hartstochtelijk van de Russische literatuur maar ontkende het bestaan van de Russische ziel; hij was professor in de letterkunde, maar hij publiceerde amper in vaktijdschriften; hij schreef een prachtig gedenkstuk over zijn leermeester Bruno Becker, maar in zijn brieven noemde hij hem bij leven ‘de oude lul’; hij verafschuwde geweld, maar hij joeg op een literair debat de schrijver A. Moonen** met ‘een paar welgerichte stompen’ van het podium waar die ongevraagd was opgeklommen; hij was buitengewoon rationeel, maar in de politiek stemde hij voor de sociaaldemocraten wier programma hij op rationele gronden verwierp; hij deed niets liever dan lezen en schrijven, maar hij ging nog liever zeilen.’
Op het terras kijken dagjesdrinkers ons toe. Niet-randonneurs. De leegheid van die levens schokt me.
Neemt u het vooral niet persoonlijk.
Het leven is onvoorspelbaar, en, zo leert ons de eerste van de vier edele waarheden van Boeddha, vol met onverwachte wendingen. Die brengen angst met zich mee, want al houden we van extremen en uitdagingen, dood gaan we over het algemeen toch niet zo graag.
Ik kleedde me aan, poetste mijn tanden, bekeek mezelf in de spiegel. Ik las ergens, onlangs, weet niet meer waar, dat de kunst erin bestaat om het leven niet te persoonlijk op te vatten. Steeds minder mensen lijken het te kunnen, of te willen. Alles is persoonlijk in deze tijd. Ze moeten jou hebben. Nee, dacht ik. Nee, nee, nee. Zo iemand ga ik niet zijn. En ik liep naar boven, smeerde mijn boterhammen, en tegen de tijd dat ik op de fiets sprong waren de vierentwintig uur voorbij en kon ik gewoon verder met mijn leven, voor minstens een maandje of zo.
Toen ik nog tegen de Pyreneeën woonde, ben ik vaker gestorven bergop dan me lief is. Ik herinner me beklimmingen van Pla d’Adet, een rotklim, waar ik zelfs slalommend nauwelijks vooruit geraakte, ik herinner me liggen in de graskant halverwege de Peyresourde, een hongerklop even voor de top van de Aubisque.
Het schemert steeds dieper. De drie rode lampjes voor me komen opnieuw dichter. Ze wachten. Ik schakel groter en maak tempo. Met vier hebben we een faar ter waarde van de verlichting van een stevige pikdorser.
Sommigen vinden dat de gevel van hun huis, die nu ook te zien is op Google Street View, onherkenbaar moet worden gemaakt. Maar dat is toch te gek? Een gevel is toch een gevel en dient nu toch net om gezien te worden?
Onze bloggers kijken niet op een tijdreis meer of minder. Pascal Cornet gaat deze week terug naar 2011 om aldaar de toekomst te voorspellen (hij herpost zijn beste stukken in een serie die onheilspellend ‘afscheid van mijn digitaal bestaan’ heet), Eliane De Bleser teleporteert zichzelf naar 2050 en Marc Vanfraechem blikt eveneens vooruit – met behulp van een tripje de geschiedenis in uiteraard. In dit geval niet tot de gebruikelijke jaren dertig, maar tot de sombere jaren negentig van de Franse Terreur. Hou je vast, daarrrr gaan we!
Toen regeerde de Deugd. Onkreukbaren zoals Robespierre of Saint-Just hielden daar strikt de hand aan. Boeken werden verboden en mensen geguillotineerd. Wat dat betreft loopt woke vandaag hooguit enkele trainingsrondjes. Beetje manieren leren aan Rowling, Dahl of Fleming, en bij ons aan Lindgren en Dante. Paar woordjes vervangen of schrappen. Of een rector die privégesprekken openbaar maakt en eigengereid sancties oplegt. Maar dat werkt wel, en smaakt wellicht naar meer want zo’n onverlaat kan rustig zijn gang gaan zonder dat het academisch personeel hem vertelt dat hij mag ophoepelen.
Interessante gedachte overigens: hoe ouder de foto’s zullen worden, hoe meer schimmen er zullen rondwaren in de straten van Street View en dan wordt Google Street View wérkelijk interessant omdat we ons dan eindelijk een idee zullen kunnen vormen van het hiernamaals.
‘Na verloop van tijd zal ik twee keer moeten duwen om hetzelfde resultaat te hebben,’ zei ze. ‘En na een jaar of zo drie keer. Maar het toestel zelf kan niet stuk, hoeft niet opgeladen te worden en zal nooit verslijten.’
Foto: Jo Komkommer ‘Domweg gelukkig zijn aan de oevers van le Lac de Neuchâtel’
“Een goede blog moet vooral verrassend zijn. Het moet me niet bevestigen in hetgeen ik al weet. Dat je iemand leest en denkt: maar zie, er is nog een heel andere wereld! Wat een opluchting.”
Hoewel dichter/ schrijver/ zanger/ performer Andy Fierens in zijn interview zelf verklaart niet ambitieus te zijn – “Het is mijn ambitie om ooit ambitie te hebben” – is ambitie nu net een terugkerend element zijn in de recente inhoud van zijn favoriete blogs. Jo Komkommer trekt naar Neuchâtel om herinneringen te sprokkelen voor zijn afstudeerproject Fotografie. Vitalski geeft ons een wekelijkse portie alternatieve feiten. Wim Oosterlinck interviewt topdokter Piet Hoebeke over zijn drie favoriete boeken.
‘Dat is mijn jongste zoon Thibaut’, sprak de moeder trots en ze wees een volwassen man aan die uiterlijk veel van mij weg had. Stevige kin, geblokt gebouwd, eerder klein van postuur. ‘Hij woont in Verbier waar hij ’s winters skimonitor is en in de zomer parapente-instructeur. En dit is zijn Canadese echtgenote met hun twaalfjarige dochter Maude. Het meisje barst van het skitalent en zit in de Zwitserse nationale skiploeg.’
Als voetbalvader hield ik me redelijk afzijdig, ook omdat mijn dochter niet voetbalde. Maar als achteroom van het grootste skitalent van Europa was ik niet in te tomen. Cortina d’Ampezzo kwam in 2026 allicht nog te vroeg, maar dat op de winterspelen van 2030 een nazaat van het meisje met de tennisracket olympisch goud zou winnen stond nu al vast.
oorspronkelyk waren gladiatoren slaven en overwonnen vyanden van verre streken, maar in de loop van de eerste eeuw voor christus zien we de tendens van vrywillige gladiatoren; freelancers als het ware, die werden aangetrokken door het geld en de roem. dat waren vaak sukkels die van geen hout pylen wisten te maken, maar soms ook aristocraten, ja zelfs senatoren, die gewoon wilden laten zien hoe goed ze wel niet konden vechten.
Piet Hoebeke (1962) is uroloog aan het UZ in Gent. Hij is gespecialiseerd in kinderurologie en in urogenitale reconstructie, dat betekent aandoeningen van de urinewegen en de geslachtsorganen. Hij werkt onder meer met transpersonen. Daarnaast is hij ook decaan van de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de UGent. Hij komt vaak in de media, was te zien in de reeks Topdokters en heeft zelf een drietal boeken geschreven: ‘De penis’, ‘Gender in de blender’ en ‘De staat van de prostaat’.* “Voor mij is een gedicht lezen een rustpunt in een drukke dag.”
“Het is niet zo dat ik me identificeer met iemand uit de 19de eeuw, maar qua levensstijl en persoonlijkheid ben ik toch niet helemaal compatibel met elektronica en internet. Ik ga er ook heel omhandig mee om: ik druk op verkeerde toetsen, delete abusievelijk dingen die ik moest opslaan en als ik iets bewaar slaag ik er vaak in om het niet meer terug te vinden wanneer ik het nodig heb. Ik ben bij de laatste der Nokianen,” – haalt “een baksteen, zoals mijn kinderen het noemen” uit zijn broekzak – maar het liefst van al zou ik zelfs die kwijtspelen en al mijn telefoontjes door mijn vrouw laten afhandelen. Het wordt erger en erger, mijn afkeer van mails en sociale media. Wat is de meerwaarde?”
Het is maandag, 9 uur ’s morgens en we bellen aan bij taalvirtuoos Andy Fierens. Dichter (vorig jaar nog met de geweldige bundel ‘De Trompetten van Toetanchamon’), woordkunstenaar in het algemeen, en deze maand de gastvisser van Aanlegplaats. Of ja, eigenlijk bellen we aan aan de overkant van de straat. Het bordje ‘tandarts’ bij de deur had ons wellicht al op andere gedachten moeten brengen, maar in de wereld der taalvirtuozen is het zaak een open geest te houden. Gelukkig had Andy ons in de smiezen, zodat we met open geest en al alsnog bij hem aan de keukentafel konden plaatsnemen om het over blogs te hebben. Het lijkt alsof er vogels fluiten, maar daarover later meer. Eerst verder met de kritische beschouwing van het internet!
“Ik gebruik internet vooral als encyclopedie. Als ik iets wil weten, zoek ik het op. Het gebeurt ook vaak dat mijn vrouw en ik tijdens het eten over iets zitten te praten en niet op een naam, een jaartal of de titel van een liedje kunnen komen. Ik kan dan niet gaan slapen voor ik weet wie of wat we precies zochten. En al googelend kom je natuurlijk van het een op het ander. Dat is verslavend en daar ben ik wel gevoelig voor; ik kan mij moeilijk focussen. Internet is als een gevaarlijke vrouw. Puur escapisme. Ik lees veel, dat is natuurlijk evengoed vluchtgedrag, maar anders: een boek neemt je daadwerkelijk mee naar elders. ”
Jij schrijft poëzie, theater, romans, hoorspelen, … Heb je ooit een blog overwogen?
“Nee, ik schrijf in de eerste plaats voor mezelf, ik heb geen nood om alles wat ik doe elke dag of week te etaleren. Ik publiceer ook weinig, terwijl ik veel fantasie heb en voortdurend ideeën en invallen noteer. Ik ben heel snel geprikkeld. Ik droom volledige boeken. Maar ideeën uitwerken is tijdrovend. Terwijl ik ermee bezig ben zijn mijn gedachten vaak al bij een volgend verhaal. Ik heb een speelse geest, als een kwispelend hondje.”
“Al schrijvend geef ik vorm aan een idee, een prikkeling, een ongemak waarvan zich in eerste instantie vaak alleen vage contouren openbaren. Ik krijg mijn ideeën al wandelend, soms ook lezend. Ik heb altijd een notitieboekje bij om ze te noteren, als ik dat niet doe lossen ze meteen weer op. Ik lees ook weleens wandelend, op een of andere manier neemt mijn brein een tekst dan beter in zich op. Ik moet alleen opletten dat ik ondertussen niet tegen een boom, een lantaarnpaal of een agent die het verkeer staat te regelen loop. Ook als ik niet aan het wandelen ben schrijf ik bijna altijd met de hand, in notitieboeken. Zo houd ik de afstand tussen het idee en de tekst beperkt. Daaruit typ ik over, dan print ik het uit en schrijf ik met de hand daarop voort. Een heel proces. Moest ik bloggen, ik zou compleet onleesbare en veel te lange teksten schrijven – op zo’n klavier tikt alles lekker weg en zit je voor je het weet oeverloos te lullen over je zelfgemaakte pad thai of iets anders waar geen kat op zit te wachten. Ik zou enkel bijdragen aan de chaos. Maar anderzijds: zeg nooit nooit.”
Lees je wel online?
“Omdat ik van nature nieuwsgierig ben en voortdurend van het ene naar het andere fladder, zijn er geen auteurs of sites die ik de hele tijd volg, maar er zijn zeker heel veel goede sites en sommige zaken komen op een of andere manier toch regelmatig weer op mijn pad terecht. Via de aanbevelenswaardige column van Steven Van Ammel heb ik de geweldige podcast ‘Backlisted’ leren kennen. Heel tof vind ik ook Fokcast van Fokke van der Meulen, dat gaat voornamelijk over comedy maar mondt uit in meer. Via Steven Boers kwam ik op ‘Drie boeken’ van Wim Oosterlinck, dat vind ik ook interessant. Vorig jaar las ik veel Amerikaanse horror uit de jaren ’80. Michael McDowell was een ontdekking. De laatste tijd lees ik veel over schrijvers, momenteel ben ik bezig in biografieën van Arthur Rimbaud en Mark Twain. Maar online, wat nog…”
Een raadpleging van het beklaagde internet lijkt onontbeerlijk. Met gezonde tegenzin verplaatsen we ons naar de living, waar het bereik beter is. Nu zien we waar het getsjilp vandaan komt! Op de vensterbank staat een kooi met drie vrijpostige parkieten, die ondanks het opendeuruurtje over het traliewerk blijven hoppen. “Op zich ben ik daar niet voor, een vogel in een kooi. Maar mijn vrouw had deze blauwe op straat gevonden. En dan lazen we dat die eigenlijk met twee moeten zijn, dus wij die groene erbij gehaald. Maar toen vond mijn vrouw er nog één, de paarse.” Die dus een echte aanwinst is, hij heeft dit weekend zelfs een truc geleerd – we geven hem even de tijd maar het lijkt er niet op dat hij hem gaat herhalen voor Aanlegplaats. “Ik ben benieuwd hoeveel ze er nog gaat vinden, ze heeft er klaarblijkelijk talent voor.”
Eén voordeel van laptops boven vogels: ze werken op commando. We ploffen neer op een zetel die eveneens direct uit de 19de eeuw lijkt overgevlogen en openen de bookmarks. “Ah ja, kijk: Art & Letters Daily. Dat vind ik boeiende site, net als de cultuurbijlage van The Guardian. Daar heb ik pas nog een goed artikel over Moby Dick gevonden – walvissen, nog een fascinatie.” Ook de blog van Philippe Clerick staat gebookmarked. “Daar heb ik waarschijnlijk ook weer elders iets over gelezen…”
Lees je vaker literaire blogs?
Ja, die van Jo Komkommer vind ik altijd onderhoudend, net als die van Vitalski. Goed geschreven, grappig, fris…
Wacht, dit is de officiële vraag twee van Aanlegplaats: wat maakt een blog goed?
Een goede blog moet vooral verrassend zijn. Het moet me niet bevestigen in hetgeen ik al weet. Dat je iemand leest en denkt: maar zie, er is nog een heel andere wereld! Wat een opluchting.
Ik ben graag verwonderd. Ik vind het fijn dat ik omringd ben door mensen met veel levenservaring van wie ik regelmatig iets nieuws bijleer. Wat dat betreft tel ik mijn zegeningen.”
Je noemde ook humor. Hoe belangrijk is dat?
“Humor is de saus die het leven draaglijk maakt. Er is niets dat ik liever doe dan lachen. Bij voorkeur in een gesprek. Als het spontaan komt, als het moment en de context je bijblijven als een fijne herinnering die je af en toe kunt terughalen. Niet via die internetmemes bijvoorbeeld, dat is zo bedacht. Aan brol geen gebrek op internet. Ik weet nog toen het digitale tijdperk eraan kwam: alles zou veranderen! De mensheid zou met rasse schreden vooruitgaan, we zouden voortdurend in contact staan met de andere kant van de wereld, op een gouden dienblad zou alles wat we maar wilden weten binnen handbereik liggen. En kijk nu, waarvoor gebruiken de meeste mensen internet? Als ze niet aan het scrollen zijn, zijn ze wel aan het swipen. Van porno naar nieuws en weer terug. Dat zegt iets over de mens. Prima dat internet, maar het moet niet ten koste gaan van mijn medemensen.”
“Weet je, ik ben nu bezig aan mijn tweede leven. Toen ik 32 was ben ik bijna gestorven na een zware hersenbloeding. Poëzie had mijn leven al richting gegeven, maar heeft me ook de energie te geven om door te gaan. Ik ben volledig hersteld. En ik merk steeds meer dat ik wil leven, volop leven, in een echte wereld, niet in een virtuele. Internet loopt niet weg, maar andere dingen en momenten wel. Ik geef mijn tijd graag aan echte mensen.”
Qué será, será. Whatever will be, will be. Een lastige oorwurm voor controlefreaks. Ondanks beheersbare apps en meetmachines glipt er nog steeds van alles van tussen. Mark Nankman fantaseert over toekomstige spiegels die afspraken met de kapper regelen, spiegels die zijn petje te boven zullen gaan. Registreert een hartslagmeter ook de grote glimlach? vraagt David Troch zich af. In afscheidsbrief aan Luuk toont Marie Meeusen dat het leven niet te vatten is in een appje.
Ik vroeg me af hoe ik in een verre (heel verre) toekomst als ik zelf heel oud ben, mijn knipafspraken regel. Ik zal dat natuurlijk nog ouderwets online doen. Met een aftandse laptop. Tegen die tijd zullen slimme spiegels automatisch die afspraken voor ons willen plannen, maar dat zal ik allemaal niet willen begrijpen.
Sinds die vermaledijde woensdagochtend in maart dat ik online las dat je hart je in je slaap overmeesterd en tegelijkertijd in de steek gelaten had, wil ik je al een brief schrijven. We zijn nu bijna een twijfelende lentemaand verder. Je miste paasbloemen in de berm van de weg en het koppeltje futen dat in het water gestaag een nest bouwt, met bladeren van modder en twijgjes die alle kanten op vertakken. Je miste ijzige slagregens en verrassende nachtelijke kou. De maan werd voor het eerst sinds je geboorte vol zonder dat je haar invloed voelde.
Je hebt productieve en spaarzame bloggers. Marieke Groen behoort tot die laatste categorie. Ze schrijft slechts sporadisch stukjes, maar telkens wanneer een nieuw verhaal van haar verschijnt maakt mijn hart een vreugdesprong. Want ze bewaart perfect de balans tussen vreugde en verdriet. Wie bovendien een titel als Net alsBarbapapa kan verzinnen, kan bij mij niets verkorven. Laat u meeslepen door haar verhaal Oversized, dat voor de rest niets met Barbapapa te maken heeft.
Zijn er grenzen aan de fantasie van Tom Wouters? Ik begin er ernstig aan te twijfelen. Telkens als ik hem lees, verlang ik opnieuw naar mijn kinderjaren. Het mooie is dat het bij hem ook nooit duidelijk is of het ‘Wahrheit oder Dichtung’ betreft. En al helemaal niet in het wonderlijke en heerlijk absurde Vereniging der Zuid-Nederlandse encyclopedisten – waarvan ik stiekem hoop dat het allemaal op Wahrheit berust.
Bij Katrin Van de Velde twijfel je nooit aan de echtheid van haar verhalen, noch aan haar oprechtheid. Wanneer het miezert in haar leven is ze op haar allerbest. In Dinsdag28 maart2023 neemt ze de lezer bij de hand naar het land dat duizend en één regensoorten kent: Schotland. Het stuk is zo mooi dat je stiekem uitkijkt – in dit langste aller tussenseizoenen – naar het aanbreken van de volgende herfst.
‘Ik liep door, maar merkte dat ik een beetje van mijn stuk was. Onopvallend bekeek ik mezelf in het spiegelende glas van een pand dat ik passeerde. Ik liep de brug over, koos het knuppelpad en de hele tijd dacht ik aan de jongens en aan wat ze hadden gezegd. Tegen mij, een volwassene. Kutkinderen, zei ik zachtjes in mezelf.’
‘Bovendien hadden ze zich tot doel gesteld om een encyclopedie te schrijven met “uniek wetenswaerdig materiaal”, en dus schreef de notulist van dienst telkens alleen die feiten op die maar één van hen kende. Zodra iemand te kennen gaf dat hij ook al gehoord had van ‘dat merkweerdig verschijnsel’ of ‘die eigenaerdige plant’, kwam dat onderwerp niet langer in aanmerking voor het naslagwerk waar ze aan bezig waren. Ze streefden niet naar volledigheid, maar naar uitzonderlijkheid. De lat lag dan ook bijzonder hoog in zo’n belezen kring, en op heel wat avonden werd er niets genoteerd.’
‘Ik was een beetje uitgetoond. En uitgepraat. Niemand ziet mijn gepersonaliseerde armbanden. Niemand ziet mijn nieuwe kapsel. Niemand zag mijn oude kapsel. Niemand ziet mijn mooie, zorgvuldig uitgezochte kleren. Niemand zag me stikken in een saffraanpil. Niemand hoort mijn roep om hulp. Niemand ziet mijn -7 kilo. En al helemaal niemand ziet wat daar allemaal onder zit.’