De vangst van Jasmien Vandermeeren (# 128)

In de nasleep van de dood van Sinéad O’Connor, plotse postume muze van talloze nieuw opgestane dichters van het gat in onze samenleving, volgen deze week drie stukken uit de haven die in meer of mindere mate over moed gaan, of het gebrek eraan, en die ook nog eens poëtisch zijn – van vorm, van inhoud of beide.

– Benen?
– Dat zullen we over een kilometer of honderd weten.

Serieuze cliffhanger in deze eerste blogpost: die van (blijkbaar mijn stadsgenoot) Herman Loos, die op zijn blog – ooit begonnen als reisverslag – zijn 405 kilometer lange amateurkoersrit van Leuven naar Orval en terug beschrijft, die hij op minder dan één dag heeft afgelegd.

Koud en warm zweet stromen van mijn gelaat, de mayonaise werkt zich opnieuw naar boven. Ik zwalp.

Geuren die je hebt geweten
Alles kan je nu vergeten
Op de trappers wieg je heen en weer
Zo te sterven in het zadel met je benen van papier.**

Uit: Zo te sterven in het zadel met je benen van papier op Here comes Herman

Ik heb niets met wielrennen, maar na het lezen van deze blog begon het wel te jeuken om mezelf nog eens fysiek naar de kloten te rijden. Ooit reed ik een stukje bergrit van de Tour de France, maar ik ben meer jogger dan coureuse (hoewel het woord coureuse in het Frans ook ‘avonturier in het amoureuze’ betekent). Tegenwoordig focus ik te veel op mentale overwinningen – het verpatsen van een scenarioconcept, mensengeluid trotseren op een hypergevoelige dag. Hoe heerlijk moet het niet zijn om enkel met de benen te moeten trappen en het hoofd te kunnen achterlaten aan de voet van de berg?

Dan over naar een ander soort moed – de moed om week te zijn. Ik moet er ineens aan denken dat ik als kind heel lang gedacht heb dat weekdieren ‘week-dieren’ waren omdat ze maar ongeveer een week lang leefden, net zoals de ééndagsvliegen die éne dag hadden waar ze alles moesten uithalen (wat ook niet klopt, want ze leven tot 20 dagen). In mijn logica waren er dus ook maand-, jaar- en eeuwdieren. Frank D’Hanis heeft alleszins iets weg van zo een wijs eeuwdier dat nooit vervalt in conservatisme én dat zijn tijd ook nog eens ver vooruit is. In ‘De bleitmuil’ schrijft hij over zijn schaamteloze huilbuien en la condition humaine om die weekheid meteen ook als ruggengraatloosheid te bestempelen, terwijl weekheid tonen net zoveel meer moed vereist. Waarom nog wachten om te wenen?

Toen mijn lief onlangs volgens haar perfect normaal gedrag vertoonde wanneer ze na drie keer kotsen op het toilet bij een vrij pijnlijke aanval van buikgriep nog steeds op het feestje waar ze mijn moeder voor het eerst ontmoette wilde blijven, was ik zowat de hele 40 kilometers tellende autorit terug naar Gent een slijmerige, huilende blubbermuil. Moest ze zich inhouden om niet te kotsen en ook nog haar lief min of meer bij elkaar houden. 

Uit: De bleitmuil van Frank D’hanis

Van blubbermuil Frank D’hanis gaat we over naar de eerder panische Ivo Victoria, die in zijn blogpost ‘Een schitterend verval’ (3) geconfronteerd wordt met zijn eigen sterfelijkheid. Hij probeert zijn angst voor een levensbedreigende aandoening met de moed der wanhoop onder controle te houden.

Eén keer verscheen de neuroloog en stond ik al half recht, maar er was nog een koppel voor ons en de neuroloog keek me ijskoud aan en zei: ‘U bent de volgende.’ ‘Daar was ik al bang voor,’ zei ik, maar dat zei ik niet, (…)

De schrijver heeft op de duur nog liever ‘iets’ van aandoening die hij kan aanpakken, dan dat het wrede lot nog langer loensend op de loer zou liggen – om hem op een onbewaakt moment als een weerloze graanhalm omver te zeisen. Begrijpelijk (zo denkt Frank D’hanis nu zeker ook). Maar na de epische overwinning van de dood steekt blijkbaar even snel de banaliteit weer de kop op, bijvoorbeeld in de vorm van drukmakerij over een pot confituur.

Uiteindelijk ga je je toch weer druk maken om wie de pot confituur terug in de koelkast heeft gezet zonder het deksel er weer goed op te draaien.

Uit: Een schitterend verval (3) op Ivo Victoria

Jasmien Vandermeeren, het interview

Jasmien Vandermeeren (38) is niet in een hokje te plaatsen. Als geitenwollensok op hoge hakken, gevoelige ziel in de mediawereld en marginaal tussen de culturele elite, kan ze terugkijken op een beroepenparcours waar yours truly een diepe buiging voor maakt. Ze was al communicatiemanager, leerkracht, vertaalster en bioboerin, om enige jaren terug te landen als scenariste. Ze schreef dialogen voor o.a. Thuis, Zie mij graag en wtFOCK. Als u haar niet kent als Jasmien Vandermeeren van de hilarische Facebookposts, dan misschien als Jasmien Vandermeeren van HUMO, waar ze ons deze zomer met de column ‘Zonde van de match’ wekelijks deelgenoot maakt van haar ervaringen met seks en online daten.

Heb je ook een blog, Jasmien?

“Op mijn website verzamel ik stukjes proza en scenario’s. Het is bedoeld als portfolio maar ik merk dat het ook niet-professioneel wordt gelezen, wat ik wel heel tof vind. Ik wil er nieuwe dingen blijven opzetten. Bij scenario’s ligt het openbaar maken moeilijk, waardoor mijn beste werk er eigenlijk niet op staat.”

Hoe ben je uitgekomen bij het schrijven van scenario’s?

“Ruim tien jaar geleden heb ik een periode in een bureau voor chaletverhuur in Zwitserland gewerkt. In die periode heb ik heel veel series gezien. Een van de series waar ik aan bleef hangen, was My mad fat diary over een 16-jarig zwaarlijvig meisje dat net een tijdje in de psychiatrie heeft gezeten. Ik vroeg me af waarom er bij ons niet zoiets bestond. Er waren thrillers, er was comedy, maar het mentale stond nog nergens centraal; de dramedy was in Vlaanderen nog niet uitgevonden. Nu is dat gebeterd, er is meer ruimte voor komische series met een dramatische ondertoon, waarin de psychologische ontwikkeling van personages voorop staat; Fuck you very very much en Roomies bijvoorbeeld. Veel schrijvers wilden ook plots een Vlaamse Fleabag maken, dat heeft er wellicht mee te maken. Maar alleszins: toen wist ik wat ik wilde schrijven.”

“Ik moest wel eerst nog drie jaar ploeteren aan een roman van 500 pagina’s – veel te veel, veel te complex, maar het moest eruit – voordat ik dacht aan een scenario. Ik kreeg een idee voor een serie over een vrouw met een minderwaardigheidscomplex die in de psychiatrie belandt – goh – en werkte dat uit. In Word, heel speciaal uitgelijnd en met spaties op rare plekken; ik wilde dat het eruit zag als een scenario maar had eigenlijk geen idee. Dat stuurde ik op naar zes mensen en ik kreeg direct drie mails terug, ‘wij moeten eens samenzitten’. Toen kon ik direct aan de slag.”

“Ik word gevraagd omdat ik veel psychologisch inzicht heb en de gelaagdheid van personages goed kan weergeven in dialogen. Tegelijkertijd heb ik ook veel afkeurende reacties gehad, van mensen die vonden dat ik ‘eerst maar eens het normale parcours moest lopen’ vooraleer ik zou kunnen vragen om een plek in de televisiewereld. Ik ben blijven bijleren en nu verdien ik mijn geld als schrijfster. Dat geeft vanzelf meer zelfvertrouwen. In het voorgeborgte van ‘schrijven na de uren’ neem je jezelf toch minder serieus.”

In je Facebookposts en nu in je column neem je jezelf allerminst serieus.

“Ja, ik ben overtuigd van ‘zelfspot eerst’. Mijn column gaat over mislukte Tinderdates, maar het is nooit mijn bedoeling die mannen te bashen of in een kwaad daglicht te stellen. Het gaat in de eerste plaats over mij, over de loveable loser die ik ben. Net als mijn matches moet ook ik het doen met het pakket dat ik heb. Nu, ook die column zag ik eigenlijk voor mij als een serie: je volgt het hoofdpersonage terwijl ze als Dante afdaalt in de krochten van Tinder en bijleert over zichzelf. Nu is het allemaal nog luchtig, maar vanaf column 5 gaat het steil bergaf – ik ga nog naar Brussel voor een mislukt trio. Er is een spanningsboog, wacht maar.”

Je hebt geduld nodig als schrijver van een serie, lijkt me. Je moet vakkundig opbouwen naar een gebeurtenis.

“Pas op, dat valt goed mee. Mensen zeggen vaak ‘bij Thuis gebeurt er toch niks’. Maar elke scène moet eindigen met een What-the-fuck moment; met een vraagteken of iets spannends. Uit iets banaals moet je magie creëren. Hiervoor moet je als schrijver enorm creatief zijn.”

Terwijl ze vertelt, laveert Jasmien op haar hoge hakken door de keuken. Het witte satijnen kleed dat ooit iemands trouwjurk was, kan haar amper volgen. Ze steekt quiches in de oven, snijdt tomaten en onderbreekt haar loepzuivere cover van de laatste Miley Cyrus om vlot en vakkundig een telefoontje met haar headwriter te beantwoorden.

“In het schrijven heb ik eindelijk plek gevonden voor mijn hyperfocus. Ik ben er pas laat achter gekomen dat ik ADHD heb – door mijn zoontje, die ik op eenzelfde manier zie worstelen op school. In geen enkele job lukte het me om me goed te concentreren. Ik wilde schrijven, maar mijn omgeving zag dat anders. ‘Ga toch in het onderwijs!’ zeiden ze. Ik herinner me nog een fietstocht naar mijn moeder; die pedalen gingen zo zwaar, ik kon niet meer. Toen heb ik drie weken in de psychiatrie gezeten. Waar ik enorm veel heb geleerd en gezien.”   

Jasmien draait zich om. “Ja, die is verbrand hè. Ja.” Met zorg haalt ze het deksel van de pan. “Het valt nog mee: ’t is niet zwart, ’t is bruin. Halloumi kan wel wat hebben.”

Is er een verschil met hoe je schrijft op Facebook en in je column?

“Het schrijven op zich niet, dat ligt in dezelfde lijn. Ik schrijf met humor over liefde en lijden. Dat doe ik door 100% eerlijk te zijn over mezelf: ik heb een paniekstoornis, ik bezat mezelf om sociaal te zijn en ik overshare. Daar wil ik mensen mee raken. Ik wil relevantie creëren zonder te vervallen in cliché’s. Ik wil niet laten zien dat mannen fout zijn, ik wil laten zien dat we allemaal vreselijk zijn. Ook ik heb mensen geghost; ik heb een man voortijdig teruggezet op de Flixbus naar Nederland, begot. We doen dat uit zelfbehoud. Er zijn nog heel weinig gedragsregels bij het online daten en ook al zouden ze er zijn, dan nog zou het rommelig en gedoe zijn. Ik heb al snel besloten om de controle los te laten, anders zou er geen fun aan zijn en zou ik de kans om iemand tegen te komen bij voorbaat tot een minimum beperken.”

“De reacties op de stukjes zijn wel verschillend: op Facebook begaf ik me in een veelal vrouwelijk publiek, dat zich vaak herkent in de dingen die ik beschrijf. Nu door HUMO krijg ik heel veel vriendschapsverzoeken van mannen, die me vervolgens gaan mansplainen: ‘Je moet jezelf niet zo in de kijker zetten, straks gaat niemand u nog willen daten’. Wat me alleen maar strijdvaardiger maakt.”

Wie zou volgens jou dringend een blog moeten beginnen?

“Lena Dunham. Of ze nu scenario’s, columns of Instagramposts schrijft, zij is altijd quirky en overbewust van zichzelf. Ze zoekt de zwaarte van het leven en relativeert tegelijkertijd. Ze voldoet niet aan het ideaalbeeld: ze is de laatste tijd 40 kilo aangekomen en struggelt met het feit dat ze door haar endometriose geen moeder kan worden. Niks weerhoudt haar ervan om zichzelf te laten zien; ze heeft iets te vertellen. Ik vind haar zo cool, ik zou alles van haar lezen.”

“Het is jammer om te zien hoemensen erop gebrand zijn om dit soort sterke vrouwen op de brandstapel te gooien. Eén slip of the tongue en ze worden weggezet als knettergek, hysterisch of zelfs gevaarlijk. Hetzelfde bij Sinéad O’Connor. Pas achteraf zien we dat dit voorvechters zijn van wat het echt betekent om vrouw te zijn. Zij, in plaats van al die zogenaamde body-positive influencers met hun granola-ontbijt. 1,2 miljoen volgers en dat is alles wat je te zeggen hebt? ‘Schaam u’, denk ik dan.”

Kan een blog, of bij uitbreiding de literatuur ook te persoonlijk zijn?

“Persoonlijk is bij uitstek universeel! Alle katten zijn verschillend, maar ze lopen stuk voor stuk achter je aan als je naar de badkamer gaat. We zijn hetzelfde maar we weten het niet van elkaar. Het vraagt durf om over je allerindividueelste beleving te schrijven. Als ik vertel dat ik dronken in bed kruip bij een man die heel de avond over zijn ex praat, gewoon omdat ik nu ook wel eens seks wil, dan deel ik mijn schaamte. En ik weet dat anderen die schaamte gaan herkennen. Er niet over praten is het taboe in stand houden en dat is nu eens echt iets waar ik niet in geloof. Goed schrijven is zoveel persoonlijke details geven dat er altijd wel iemand ergens kan aanhaken.”

In HUMO zei Herman Van Goethem, rector van Universiteit Antwerpen vorige week in het kader van de culturele canon dat hij met afgrijzen kijkt naar de opmars van de autobiografische literatuur: “[D]at is niet de literatuur die mensen dingen meegeeft, dat zijn niet de boeken die je een inzicht cadeau doen over hoe je in de wereld zou kunnen staan.”

“Ik ben gevormd door De Steppewolf van Hermann Hesse, zijn roman gebaseerd op autobiografisch materiaal. De hoofdpersoon, Harry Haller, bevindt zich in een existentiële crisis. Hij voelt zich schizofreen: hij is heel cynisch maar ziet tegelijkertijd de schoonheid van het leven, wil non-materialistisch zijn maar heeft een hang naar comfort, voelt angst, voelt liefde. Gaandeweg het boek realiseert hij zich dat er meer is dan die twee kanten, dat hij wel honderden personen in zich heeft. Dat heb ik ook, ik ben mega-absorberend. Ik ben Frank D’hanis, ik ben Sinéad O’Connor, ik ben mijn personages en ik ben mijn Tinderdates.”

Scherpe blik, zacht oordeel (Vangst #127)


Geen karper, een schoen of radioactieve vaatjes vandaag. Wij hebben verse inzichten voor u gevangen om in de wereld los te laten.

Eveline Vanhaverbeke uit haar woede over kloteziekte k en over journalisten die de angst graag door hun artikels laten gieren. Ze schrijft over hoe ze suiker mijdt maar ook stress want die vreet en smikkelt aan immuniteit en levenskracht. En de doorvoelde woede in deze blog kalmeert en wordt een lied, A Forest van The Cure.


Met humor en pakkende zinnen bespreekt Jan Devriese twee boeken van Achiel Van Acker wiens leven ook op de proef werd gesteld, zij het door andere kloteziektes genaamd armoede en oorlog. Vaak betrapte Jan Devriese zichzelf erop dat hij bij lezing aan zijn grootouders moest denken. Zij zwegen zoals zovelen en dat wil hij respecteren. Maar hij besluit: ‘Sommige stemmen kunnen niet luid genoeg weerklinken in een wereld die selectief doof is.’


Tot slot gaat Ruud Verwaal dieper in op twee kwatrijnen. Een gaat over de schilder Elstir, zo vertelt ons die beste Ruud. Die schilder heeft een afkeer van de beeldhouwer Ski, omdat hij in deze man gebreken weerspiegeld ziet die hij zelf denkt te hebben overwonnen. Het herinnert hem eraan hoe anderen wellicht ooit over hemzelf hebben geoordeeld, toen hij nog niet was wie hij nu is.


Desalniettemin maakt deze vangst u beter, weledelgeboren medemens.

Het schijnt dat je boosheid moet uiten. Niet wegduwen, niet laten uitbarsten, maar wel voelen. En delen. Het schijnt dat angst stress is, dat stress te mijden is, dat het geen zin heeft bang te zijn, dat toch zal komen wat komt, goed of slecht, dood of levend.


Uit: De kloteziekte van Flow with life


Hij werd geboren in een gezin van twaalf kinderen en begon te werken toen hij een jaar of zes was: een kinderhandje toesteken bij vader, die de kost bijeen probeerde te schrapen als mandenvlechter, een ambacht dat vandaag enkel nog wordt beoefend door mensen met okselhaar, een bakfiets en een knagend gevoel dat hun leven niet compleet is zonder anderen te vervelen met verhalen over hun artisanaal geploeter. Toen Achiel tien was, zat zijn reguliere schooltijd erop. Kinderarbeid was toen volop in de mode, in de Brugse Klaverstraat, waar hij geboren was.


Uit: Achiel van De week van Devriese


Eenmaal geworden die je heden bent,
schijnbaar verlost van vroegere gebreken,
ontmoet je bij een ander soms weer streken
waarin je liever niet jezelf herkent.


Uit: De Recherche in kwatrijnen van Ruud Verwaal

Smakelijk! (vangst #126)

Bouke ten Cate, CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons

Ik ontving een berichtje van D. met de vraag of alles wel goed met me gaat. En waarom ik niet meer schrijf.

De D. die Katrin Van de Velde hier citeert ben ik niet, en dat zeg ik niet zo maar: over wie of wat je ook schrijft, iemand zal zich wel verontgelijkt voelen. En doe je dat nog wel, met zoveel manifest en moedwillig wanbegrip?

Marc Reugebrink waagt zich vanuit Duitsland aan commentaar over de ter plekke helemaal bevrijde vrouwenborst, en weet: niets zo heikel als je als man uitspreken over iets wat vrouwen juist gedurende hele week volkomen terecht als hun eigen domein hebben geclaimd.

Claimen is ook wat de vogelspotters doen bij Els Claessen. Je hebt gewoon een gele kwikstaart gezien. Zelf weet ik niets van vogels, maar in de buurt van Els hebben ze er vast ook met een hoge borst.

Na die daguitstap zag ik het meisje niet meer. Tot ik haar een jaar of vier later zomaar op straat tegenkwam, haar amper herkende. Ik schrok. Ze had nog haar mooie haren en ogen, maar was erg dik geworden. Zelfs de vorm van haar gezicht, de stand van haar ogen, was veranderd. Ze liep moeizaam.
Mijn vriend, die naast me liep, bleek haar te kennen. Ze zat bij hem op school. ‘Iedereen noemt haar Bessie Turf’, zei hij

Uit: Donderdag, 6 juli 2023 op In caso di nebbia

Maar soms lukt het: op het door heggen omzoomde grindterras van de Frannz Club in de Kulturbrauerei hier achter ons huis, bijvoorbeeld, waar mussen op je tafeltje komen zitten om de kruimels op te pikken — soms lukt het: helemaal niets vinden van wat dan ook maar, zelfs niet van de wijn die een dag later toch niet de beste geweest blijkt te zijn.

Uit: Dagen in Berlijn 26: Berlijn zonder mening op De Inwijkeling

In opperste concentratie spiedde ik het jaagpad (opgelet-in-slechte-staat) af naar putten en andere obstakels. Wat verderop zat er een prachtige vogel. Ik herkende hem niet meteen. ‘Wat ben jij mooi,’ zei ik luidop waarna hij opvloog. Zijn blauwgroene buik, felgele hals, en rode kopje vielen meteen op. Zijn snavel deed me denken aan dat van een ijsvogeltje. Maar de vogel daar was groter én mooier. Mijn frank viel: dat was hem. Het was de bijeneter!

Uit: De bijeneter op Gebeurtelijke Ongevallen

Ik hoop dat we hem storen (vangst #125)

Je kon er van op aan, als je aan de nogal excentrieke componist Erik Satie een brief schreef, dan kreeg je ook een antwoord.
Bij zijn overlijden vond men echter een hele resem ongeopende brieven.
Je kreeg een antwoord op iets wat hij helemaal niet gelezen had!

Johan Bosmans probeert de tijdgeest te omschrijven met een persoon en kiest Erik Satie.

De roep om zijn eigen stem te horen klinkt dezer dagen altijd luider dan de roep van de andere.

Luider roepen dan de anderen. Marjanne Sevenant kan ervan meespreken, al is het in haar geval pure noodzaak. Op wandeling in de eeuwenoude stad Amman komt ze uit op een racecircuit, waar gedeelde verontwaardiging uitmondt in een gillend gesprek met een jonge vrouw.

Het trammelant van de auto’s verdwijnt helemaal naar de achtergrond. Hier zitten een Jordaanse en een Belgische amazone samen op hun stokpaardje en daar kan geen blèrende sportbak tegenop. Nog nooit eerder voerde ik schreeuwend dit gesprek, over kinderen, mannen, en relaties. Een toeschouwer kijkt om naar ons, ik hoop dat we hem storen.

Uit: Francorchamman door de Bloghut

Eén van de luidst roepende bloggers in onze haven is Johan Velter. Dagelijks trekt hij van leer tegen ‘katholieken, fascisten, activisten, seksisten en wokisten’ en iedereen die hij daar maar in de verste verte mee in verband kan brengen. Daar stopt hij niet mee als hij het (welhaast genreloze!) werk ‘The woman who always loved Picasso’ van Julia Blackburn bespreekt: En toch is er een zekere sympathie, niet omwille van de kunst maar om de oprechte poging een mens te begrijpen, om het varen tegen de stroom in, het pogen een eigen standpunt te vormen. Blackburn schrijft vanuit het standpunt van Marie-Thérèse Walter, een van de muzes van Picasso. Ze schetst een warm menselijk portret van een relatie, zonder vooroordelen – liefde kan niet beoordeeld worden. 

De liefde niet, maar de afwerking van de publicatie gelukkig wel:

Onbegrijpelijk is dat de dichtbundel geïllustreerd is door Jeffrey Fisher, een illustrator die over de hele wereld bekend is en die toch onnozel werk maakt – de Nederlandse uitgave heeft de vormgeving van het boek overgenomen en is dus even onnozel.

picasso en het geluk door SFCDT

En als ik nu eens een tekst zou schrijven over de tijdsgeest?
Daar moet toch een publiek voor zijn.

Uit: Erik Satie door Vijf voor twaalf

De vangst van Tom Wouters (vangst #124)

NvdR: dit is wel degelijk een vangst samengesteld door Tom Wouters

Philippe Clerick doet aan non-fictie op zijn blog, omdat hij naar eigen zeggen een gebrek aan verbeelding heeft. Dat verbeeldt hij zich maar. Onder de enorme eruditie en intellectuele bagage die hij keer op keer in zijn blogposts laat zien en die ik met veel bewondering lees, schuilt een fantast. Ook iemand die de realiteit op zijn eigen manier met elkaar verbindt doet nieuwe werelden ontstaan. In zijn recente blogpost ‘Pastiche’ deed hij dat op onnavolgbare wijze. Als een Pierre Menard die Don Quichote schreef, behandelde hij onwetend een tekst over een bezoek aan de paus die hij online vond als een geniale pastiche op het werk van David van Reybrouck, tot bleek dat van Reybrouck ook effectief de auteur was. Het geeft deze blogpost een mooie extra laag.

“Eindelijk begreep ik het. Karel had die recensies zelf geschreven en had daarbij de ene keer de stijl van Jacques Gans, en de andere keer de stijl van Marcus Bakker gepasticheerd. Ik heb die achterflappen daarna nog vaak met genoegen herlezen – een genoegen dat mij vreemd was gebleven als ik tot het einde toe was blijven geloven dat de recensies echt van Gans en van Bakker waren. Er was door de wetenschap dat de tekst een nabootsing was, een ‘laag’ bijgekomen, zoals literatuurwetenschappers dat zeggen.”

Uit: Pastiche op Clericks Weblog

Erik Herbosch ken ik sinds een jaartje of wat persoonlijk. Sinds vorige week weet ik dat hij ooit bijna zwemkampioen was, ik heb ‘m niet gevraagd wat die “bijna” betekent. Ik ben er wel vrij zeker van dat hij ooit gepubliceerd schrijver zal zijn, want wat een pen heeft die man. Hij heeft een blogpauze ingeroepen voor de zomer om te werken aan een boek. Wat ik aan ‘Toffe jongens’ zo fijn vind is de luchtige weemoed, een toon waarin Erik uitblinkt. Bonuspunten om er een abecedarium in te smokkelen, daarmee haalt hij me helemaal over de streep.

“Landmeter, Leraar, we beklommen niet bepaald de hoogste treden op de ladder van het beroepenalfabet. Onze bezigheden bezaten niet de importantie van een Advocaat, Beroepsdanser, Criminoloog of Componist, stelden maatschappelijk heel wat minder voor dan Minister of Notaris en droegen ook niet de luchtige speelsheid in zich van een Xylofoonspeler, Yoga-instructeur of Zaalvoetballer. Saai en dor bleven we beiden halfweg steken, bij de L. Hij werd geen Master-chef, ik geen Romancier.”

Uit: Toffe jongens op Sprekershoek van de Schrijverij.

Disclaimer: dit is vriendjespolitiek, maar het is voor de goede zaak. ik ken Jeroen Geuens al jaren. Toen we nog collega’s waren, verbrasten we uren van kostbare werktijd aan absurde gesprekken via Messenger. Hij maakt haast uitsluitend geniale dingen, of het nu tekeningen, filmpjes, muziek of teksten zijn. Vorige week nog stond hij op het podium van Vitalski’s dolle Dinsdagclub, bleek hij de beste podiumkop sinds tijden te hebben. Die man kan alles, alleen is hij zo frustrerend zuinig in het naar buiten brengen van zijn genie. Zo had Jeroen Geuens ooit een blog met daarop hooguit 3 berichten. Intussen heeft hij die ingeruild voor een Substack waar 1 gerecycleerde tekst op staat. Ooit zullen er vuistdikke naslagwerken over het genie Geuens geschreven worden, die dikker zullen zijn dan zijn verzameld werk. Laat deze vermelding in de eerste plaats een introductie zijn tot het onontdekte fenomeen Jeroen Geuens, en in de tweede plaats een warme oproep aan de man zelve om de wereld te laten zien wat ze missen.

“Wat doe je van werk?” zei hij. “O. Vooral in het hoofd dus.”

Uit: Vooral in het hoofd dus op Het Grote Niets

Tom Wouters, het interview

Tom Wouters Recht van Antwoord (TW): Midden juni werd ik op klaarlichte dag ontvoerd door een man die beweerde voor Aanlegplaats te werken, en hij toonde me als bewijs daarvoor een tatoeage van een anker op zijn enkel. Hij zou me pas vrijlaten als ik wat vragen kon beantwoorden over bloggen. Onder dwang deed ik wat hij vroeg en naderhand stuurde hij me onderstaande tekst door, die een loopje neemt met de waarheid. Tijdens mijn ondervraging vreesde ik daar al voor: de man nam niets op en noteerde weinig. Ik heb gelukkig een recht van antwoord gekregen, eentje dat mij in staat stelt om de flagrante fouten en verdraaiingen weer recht te zetten.

Aanlegplaats: Je weet nooit wie er zal komen opdagen wanneer je afspreekt met Tom Wouters, schrijver van kinderboeken, dagelijkse facebookposts en de blog Het Ongerijmde. Stuurt hij zijn Hongaarse influisteraar Milos, zijn reisboekschrijvende oom Isidoor, of – daar hopen we stiekem op – de nederige wijsheid van een nog onbekende Japanner net na de tweede wereldoorlog?

TW: Na de Tweede Wereldoorlog waren er nochtans niet veel Japanners meer die nederig noch wijs waren. Wel ontmoette ik in Parijs ooit een Japanner die beweerde dat de Seine ontsprong in zijn geboortedorp in Japan, en om dat te bewijzen nam hij een landkaart en tekende de weg die het water aflegde. De Seine ging bij de officiële bron immers ondergronds verder, onder land door en uiteindelijk zelfs onder de Japanse zee door, om in zijn dorp ten slotte weer boven de grond te komen.

Aanlegplaats: Hier, op het terras van Watmann aan het Berchemse Tramplein, huisden immers vroeger de Tramwegen van Antwerpen en Omstreken, gemeenzaam afgekort tot Tao. En was een tante van Tom Wouters daar niet de strenge directrice Personeelszaken?

Het is even wachten, maar dan duikt hij op uit de kelders van het etablissement, hij slaat het boekweitmeel van zijn kleren. “Dit is nog steeds een geheime bakkerswerkplaats, zoals vroeger, wist je dat niet? We werken er aan nieuwe pannenkoeken, waaruit je niet zoals gebruikelijk de toekomst, maar wel het verleden kan aflezen.”

TW: Ik heb nog nooit gehoord van pannenkoeken waarmee je de toekomst kan voorspellen. Wel maakte ik ooit een pannenkoek waar ik in de brandvlekken Formiosa kon herkennen, het vergeten land. Daarover uitweiden zou te ver leiden. 

Aanlegplaats: Ik schenk een groot glas San Pellegrino voor hem in, dankbaar voor het bruggetje naar onze traditionele eerste vraag.

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

Aanlegplaats: Omdat jullie het gevraagd hebben, tiens! (hier, en ook wel elders). Maar dat is niet het hele verhaal. Al sinds het internet bestaat, ben ik er wel ergens op te vinden geweest. Tumblr, MySpace, SoundCloud, ik heb het allemaal gehad. Als muzikant, dadaïst, kinderboekenschrijver of journalist. Maar ik heb een rusteloze schrijversziel, dus heel lang hield ik dat nooit vol. Zo had ik vroeger ook een nieuwsbrief met boekentips: de boekenkast van Oom Tom.

TW: Ik ben nooit een dadaïst geweest, daarvoor ben ik te serieus.

Aanlegplaats: Ik heb altijd veel geschreven, en het schrijven op zich neem ik heel serieus. Dit is wie ik ben, wie ik zal zijn en altijd geweest ben. En toch zat er een zekere terughoudendheid in het zoeken naar een publiek. Het is kwetsbaar, je uiten als kunstenaar. Wat als het niet goed is, of niemand het goed vindt? Die schroom is nu weg, ik ga voluit voor de verovering van de Nederlandstalige Letteren.

TW: Dit is een verdraaiing van mijn woorden. Ik ga niet voluit voor de verovering van de Nederlandse Letteren, want voor je het weet moet je een roman schrijven van 800 pagina’s of meer, moet je mensen te woord staan over de betekenis van je boek, sta je in weekbladen met foto’s. Liever dan de verovering van de Nederlandse letteren zou ik graag een hoekje krijgen, een stukje weiland waar niemand iets mee is, maar waar mensen me wel af en toe kunnen horen. Dat zou al een hele zegetocht zijn.

Aanlegplaats: Mijn dagelijkse stukjes op facebook dienen daarvoor, en ik geef toe de likes en aanmoedigingen wel fijn te vinden. Ze bevestigen dat er voor wat ik schrijf een publiek bestaat. Welke van die stukjes ik ook op de blog plaats is een intuïtieve beslissing. Het heeft zeker te maken met wat bewaard kan worden, maar ze zijn daarom niet per se beter of zo. Vaak zijn het ook de iets langere stukken. Een flits moet flitsen, die leg je daarna niet in de kast.

In de komende periode staan ook wat papieren publicaties op de agenda. In Deus Ex Machina bijvoorbeeld, en nog wat andere, maar daar mag ik nog niets over vertellen. Weet jij daar trouwens niet meer van?

Soit, uitgevers en samenstellers allerhande mogen zich melden.

TW: Al die geheimdoenerij alijd over publicaties! Het doet me denken aan een anekdote die ik ooit uit een geschiedenistijdschrift haalde, waarbij een Chinese keizer er een sport van maakte om zijn vijanden uit de nodigen op een diner en dan tijdens dat diner voor te lezen uit verhalen waarin stond beschreven hoe de rest van de avond ging verlopen. Terwijl de rivaal van zijn soep genoten had en wachtte op de hoofdmaaltijd, hoorde hij de keizer zeggen: “toen hij wachtte op de hoofdmaaltijd, voelde de gast zich slechter worden en stilaan begon hij te beseffen dat de soep vergiftigd was.” Maar goed, was er nu iets met Aanlegplaats?

Wie zou er nog een blog moeten beginnen?

Aanlegplaats: Dat is een bijzonder lastige vraag. Ik lees bijzonder graag over boeken en schrijvers en mensen die daar goed over kunnen vertellen. Op Facebook volg ik wel een aantal mensen die daarover schrijven. Ik denk aan Steven Van Ammel of Arsene Droogakkers. Die heeft al een blog zeg je? Dan staat die toch niet op Aanlegplaats.

En dan verder eenieder die zich niet kan inhouden, denk ik. Die de drang voelt om gelezen te willen worden. Ik volg wel wat facebook mensen, er zijn er niet zo veel die zoals ik dagelijks iets posten.

En verder Steven Boers, beter bekend als Stef Bef, vroeger van Katastroof. Die heeft tijdens de lockdown in een aantal weken De Wesley Trilogie geschreven, een knotsgek boek over buitenaardse wezens, aangevuld met filosofische theorieën, autobiografische elementen en originele invallen. Zou perfect passen in een blog. En het hoeft niet allemaal even ernstig te zijn.

Alhoewel.

Ik ben ook lid van de Nederlandse Academie voor Patafysica. Dat is de wetenschap die zich bezighoudt met denkbeeldige oplossingen. Uit de website: De patafysicus berekent de zijwindgevoeligheid van de optelsom, de oppervlakte van God, of de velosofie, een religieuze studie waarbij de fiets het een en al is; hij stelt een atlas van witte kaarten samen, werkt aan een kadaster van de leegte of aan een geografie van het niets. Hij verdiept zich in de theologie van de spoorwegen en de bronnen van het Oera Linda boek. Sommigen van deze wetenschappers hebben een goede pen, schrijven ook heerlijke boeken. Een patafysische blog zou zeker welkom zijn.

TW: Er wordt hier misschien wat smalend gedaan over de Patafysica, maar neem het van mij aan dat het bloedserieus is. Het is een internationaal vertakte onderzoeksinstelling die teruggaat tot Alfred Jarry eind 19de eeuw en in het verleden roemruchte leden kende als Boris Vian, Umberto Eco en Marcel Duchamp.

Wat zijn de criteria waaraan een goede blog moet voldoen?

Ik hoef niet per se tot in het intiemste detail mensen te leren kennen via hun blog. Leuker vind ik het als mensen literatuur maken van wat ze meemaken, dat ze mooie zinnen maken. En dan hoeft het niet per se allemaal echt gebeurd te zijn.

Het zal je ook niet verbazen dat ik een grote liefhebber ben van verbeelding. Dat is niet hetzelfde als fantasie. Verbeelding is het vermogen om zelf je augmented reality te maken, de dorre werkelijkheid aan te vullen met wat ook mogelijk zou kunnen zijn. Ja, er is echt te weinig verbeelding. En humor.

TW: Dit heb ik niet gezegd. Misschien was er een andere Tom Wouters die dit heeft gezegd. Wel klopt het dat ik een grote liefhebber ben van verbeelding, maar ik heb nooit het onderscheid gemaakt met fantasie. Eerder is verbeelding de verinwendiging van de werkelijkheid. Als ik een man op straat met een ladder zie lopen, dan ontstaat daar automatisch een verhaal bij, en die verhalen schrijf ik op. Daarom ook is de werkelijkheid niet ‘dor’: ze is eerder een sleutelgat waar je door kan kijken. Alleen vergeten mensen dat te doen. Er is dus niet te weinig verbeelding, mensen hanteren ze te weinig. Humor zou ik wel graag meer vinden in blogs.

Aanlegplaats: Op dat moment kijkt Tom Wouters – het was toch de echte, vermoed ik – op zijn horloge. Ik moet gaan, zegt hij, ik heb zo dadelijk les over kwaliteitszorg in het schrijfproces. Iets patafysisch, gok ik, en kijk hem na. Uit zijn hoofd valt af en toe een parel. Die staat morgen op facebook, denk ik.

Al was het misschien de reflectie van de avondzon op een zweetparel.

TW: De auteur van dit interview wil hier een afsluitende poëtische toets geven, maar ik was erbij en het was geen avondzon, het was een bureaulamp die tijdens het gesprek voortdurend op mij stond gericht. Als ik niet op dat moment was begonnen met het uiteenzetten van mijn leven, startend vanaf het moment dat ik uit het ei kwam tot het moment dat ik dood ging in 2099, ik zou er wellicht nog steeds zitten. In de plaats daarvan begon ik mijn interviewer te vervelen met vele details over mijn leven, over het aantal blaadjes dat aan de boom hing waar ik soms onder lag te mijmeren en de oorsprong van het hout van de meubels in mijn kamer. Hij wist genoeg zei hij, en liet me gaan. Maar ’t zou best kunnen dat ik daar nog steeds zit, dat men mij verplicht heeft vanaf nu alleen nog maar te bloggen over de werkelijkheid.


Over onder andere Het Ding, een hofnar en paardengebries (vangst #123)

foto: Grand Foulard

Gert-Jan van den Bemd vertelt een beetje melancholiek over Het Ding dat in Oostende plots verdwenen is. Het Ding laat zich niet makkelijk beschrijven en amper iemand zag het verdwijnen. Een ding is zeker: Het Ding was een veilig baken.

Jan Devriese brom-beert gezellig over het vreemdsoortige theater van koninklijke families. ‘Met koning Albert kon je wel geheid pinten drinken en seksistische praat uitslaan,’ relativeert de hofnar, maar Boudewijn hield het waarschijnlijk bij wijwater.

Geen verdwijnende dingen en stijve toneeltjes van monarchen bij Sarah De Grauwe. Zij laat alles los in La Manche. En droomt het droomlandschap daar hardop.

Ik heb nooit begrepen wat het was. Het leek op een vitrine, een tafeltje op kitscherige poten, gestileerd als muzieknoten. Het was een ding.
Uit: Weg ding van Grand Foulard

Krijg je in een opleiding tot monarch eigenlijk ook een workshop balkonwuiven?
Doorgaans valt ermee te leven, maar af en toe heb ik heel erge last van monarchitis. Bijna tot bubbeltjes toe. Dan zie ik in een flits weer eens zo’n scène op een bordes of balkon, en schiet ik in een kramp.

Uit: Hofnar van De week van Jan Devriese

De oude heuvels zingen, de valleien luisteren. De valken en de hoornaars, het paardengebries en het ezelgebalk, de mestmachines, de krakende stap van de wandelaar, die in zijn spoor telkens wat van zijn zware zelf afwerpt en de steden vergeet. ‘Des paroles qui courent dans le vent.’ Weelderige weilanden, met camembertkoeien, gezandstraalde kathedralen, slaapdorpen, piratenhaventjes.
Uit: La Manche van Sarah De Grauwe

De wereld die jij voor mij toegankelijk maakt (vangst #122)

portret Johanna M Pas, (c) Katrien Scheir

Geef me herkenning, bied me een spiegel, én tover me naar een andere wereld die ik niet ken maar wil ontdekken, die me een beetje bang maakt, maar die jij voor mij toegankelijk maakt.

Met deze woorden leidde Johanna M. Pas (het interview van april dit jaar) haar vangst van de week voor Aanlegplaats in. Johanna overleed donderdagochtend. We hebben haar in onze gedachten als we door onze haven struinen, verdrietig en geïnspireerd.

En dan zien we dat Fien De Block terug is. Vastbesloten terug is: “Dat ik de energie die ik het voorbije half jaar in vruchteloze sollicitaties stak voortaan in schrijfsels omzet waarvan ik zelf de regels bepaal.” Daar. Een glimlach.

Een glimlach die alleen maar sterker wordt als Viktor Frölke ons vertelt waarom hij zo van Amsterdam houdt en Erik Herbosch uit de doeken doet waarom hij niet van juni houdt.

Juni. Juni neemt, de literatuur geeft.

Morgen gaat de derde laatste maand van mijn job als gastprofessor in. Ik solliciteerde voor een resem academische verderzettingen en uitlopers, schreef projecten op rare dagen en ontiegelijk vroege uren voor en na mijn lessen. Ik maakte nieuw lesmateriaal, gaf gratis lezingen, praatte op podcasts en ging op alle uitnodigingen – kansen – in. Ik plande verhuis- en pendelscenario’s voor jobs in zowat alle continenten. Maar er kwam niks. Echt. Niks.

Uit: One more cup of coffee for the road van uittreksels.

ik negeer haar omdat ik wil profiteren van deze prima plek al zeg ik het zelf, maar dan spreekt zij mij natuurlijk toch aan, en niet zonder reden, ze wijst licht hysterisch op een drone boven het water, en juist dan, als we samen de drone gadeslaan, die nogal doelloos in de lucht hangt, als een luie UFO,  een UFO die niet goed weet wat hij wil, of hij wel wil kennisnemen van onze beschaving, wordt hij, de drone dus, aangevallen door een, twee, drie meeuwen, een The Birds-moment; de vrouw en ik halen onmiddellijk onze telefoons tevoorschijn om deze strijd tussen natuur en technologie te filmen, die zal het beslist goed doen op de socials, of anders bij het thuisfront, of ons latere zelf, bij gebrek aan thuisfront, …

Uit: Dit is waarom ik in Amsterdam woon van Viktor Frölke

Juni kondigt zich aan als een prachtig gedicht van dertig verzen. Prelude voor de zomer. De zon heeft de kilte nu echt voorgoed uit het land verjaagd. De truien liggen op het hoogste schap, de nagels van de tenen worden lila gelakt, elegante voeten schuiven in lichte sandaaltjes. Het is juni, het wordt zomer.

           Het is alles schijn.

Uit: Waarom ik niet van juni houd van Sprekershoek van de schrijverij

Mark Verstraelen (vangst #121)

U gaat nu toch al niet weg zeker, sjongesjongetoch! U bent er pas! Neemt u toch de tijd om hier even te vertoeven, wat is dat met u!? Het wordt een aangename tijd, gelooft u mij nu maar. Als u maar luistert.

Zo staat het op de homepage van Sjongesjonge, de blog van – sinds gisteren – wijlen Mark Verstraelen.

De laatste post op de blog dateert van 13 april dit jaar, en begint zo:

Luister: vroeger zat er een jongetje bij mij in de klas, dat was in de jongensschool te V., begin jaren 60. Hij heette Eric of Erik, hoewel het ook Dirk kan geweest zijn. Hij ging dood. Vaak was hij afwezig in de klas en dan wisten wij dat het niet goed met hem ging, ook al werd ons dat niet verteld.

En verderop: Ik ben gezond hoewel ik kleine kwaaltjes heb.

Nog geen tien dagen geleden liet Mark me weten dat hij zou best zou doen om nog één luister te schrijven en te posten: er zitten nog zoveel luisters in mijn hoofd. Ik probeer er met een vriend nog een allerlaatste uit te persen, als het lukt zie je het wel.

En dat de dokters hem nog twee weken gaven.

Zo lang heeft het niet meer mogen duren.

Wie wil, kan uit de stukken op zijn blog zijn leven samenstellen. Boeken. Lezen en schrijven. Vonnegut, leed en veerkracht, liefde en scheppingsdrang. Mensen die hem beter kenden, zullen zich de komende uren en dagen troosten met het opschrijven van hun herinneringen, en die delen op Facebook. Daar leerden ook wij elkaar kennen.

Hier, op Aanlegplaats, laten we hem zelf spreken. Klikt u, net als wij, even door, verdwaal in de teksten en het leven waarover ze getuigen.

Luister: het liefst van al had ik op Gedichtendag mijn vrouw als weesgedicht tegen het raam geplakt, mooier is nooit geschreven. Maar we wonen op drie hoog en stel dat ze loswappert…

Uit: daggedicht

Vannacht zocht ik in het donker van ons appartement naar de essentie van scheppingsdrang. Ik wist zeker dat ik die hier ergens had laten slingeren. Ik keek zelfs even op het balkon, want zo werkt het brein, het laat je overal waar je was zoeken. Terug binnen zag ik in het midden van de houten tafel de vaas met haar bloemen. Ze roken naar stilte en spraken boekdelen.

Uit: Stilte spreekt boekdelen

Luister: gisteren zou Kurt Vonnegut honderd geworden zijn. Zo gaat dat.

Ik ben schatplichtig aan mijn grote literaire idool. Heel veel van mijn stukjes beginnen met “Luister:”.  Het is het eerste woord in zijn meesterwerk Slaughterhouse Five. Dat klopt niet helemaal. Kurt begint dit boek met een soort intro, waarin hij vertelt waarom dit boek er moest komen. De eerste zin van de intro – en dus eigenlijk van het boek – luidt: “Dit is allemaal min of meer waar gebeurd”.

Uit: Luister: Vonnegut heeft me door