We hoeven David Troch niet voor te stellen. Stadsdichter, proza, eenlettergrepige (dat zijn er wel zes) gedichten. Vader, hardloper, treinreiziger. Man van het woord – en dus ook een blog waarin hij over dat alles verslag doet.
Als jij het voor het zeggen had, zou er in elke trein een koffiebarretje zijn. Geen steriel geval, oh nee, je zou het inrichten zoals je jouw barretjes graag hebt. Veel hout, krakend hout, de tafels, de stoelen, de vloer. Boeken tegen de wanden. Een niet al te opdringerig muziekje. Gedempte gesprekken. Beetje donker. Beetje duister. Schaars licht. Lampionnetjes. Kamerplanten. In gouden lijsten foto’s en posters uit de jaren twintig, dertig, veertig van de vorige eeuw. Kleurrijke porseleinen kopjes en bordjes. Een overvloed aan lekkernijen. De verscheurende keuze tussen bananenbrood, appel-kaneeltaart en brownie. Een keur aan koffie en thee. En achter de bar een barista met de gulste glimlach.
De blogs van de week beginnen meteen to the point. Over reizen en kijken vlakbij. Geen blinde toeristen die naar hun buiktasje graaien. Hier volgen observaties van dromers die rustig door de tijd wandelen.
Koen Vandenborre beweert dat hij zelden ergens naartoe gaat. Toch weet hij de treinpassagier tijdens een zeldzame treinrit beter te observeren dan de dagelijkse pendelaar die druk op z’n iPhone scrolt. Anne Broeksma beschrijft het landschap als een figuratief schilderij van Mondriaan. Je zou vergeten hoeveel er vlakbij gebeurt. Van de grond onder je voeten in de tuin tot aan de horizon. Caspar Visser ’t Hooft ziet de figuren van de tekenaar en schilder Daumier in levenden lijve wanneer hij zich begeeft tussen de stakende menigte in Frankrijk. Verschillende tijden en beelden komen samen in het nu.
Ik neem bijna nooit de trein. Dat komt omdat ik zelden ergens naartoe ga. Ik herinner me een treinreis naar Brussel met mijn vader. Ik was nog een kind en hij een gerespecteerde ambtenaar met een belangrijke functie in onze hoofdstad.
De bomenrij in de verte voorbij het weiland is een ribbenkast waarachter Slot Zuylen net te zien is. In de zomer wordt het Slot aan het zicht onttrokken door bloeiende bomen, het riet langs de sloot en de braamstruiken tegen het hek.
Wanneer je vandaag types wil tegenkomen zoals in de negentiende eeuw Daumier ze tekende, of zoals ze voorkomen in Franse zwart-wit films uit de jaren ‘40-’50 – types die sindsdien in ons onderbewustzijn zijn blijven haken onder het label ‘echte Fransen’ – die moet eens meelopen in de bonte stoet van een vakbondsstaking.
Op je eentje is het gemakkelijk. Begeef je in relatie met anderen en de grootste rampen staan klaar om zich te voltrekken. Groot is de kans dat je je dagen, maanden, jaren wilt verstoppen onder een dekentje, je afvragend waarom je in hemelsnaam zo nodig iets moest zeggen/ doen/ tegenkomen. En toch doen we het, constant en vol goede hoop.
De ontzettend moedige mensen van deze week zijn: Herman Loos, die na een Twitteropstoot tevergeefs in verbinding probeert te treden met zijn opponent, Eveline Vanhaverbeke die lijf en geest in handen legt van maestro Heberto om haar angsten aan te pakken en Ingrid Verhelst die – misschien – in de meest angstaanjagende relatie van allemaal stapt: het huwelijk.
Het was een pijnlijke val, voor allebei, maar de weigering tot gesprek was pijnlijker. Wekenlang analyseerde ik wat er gebeurd was, ik ging op google maps de plek bestuderen, bestookte mijn vrouw met vragen en bedenkingen, tot ze het kotsbeu werd. “Je bent gewoon op een eikel gebotst. Niets meer. Hou op.” En misschien is dat de enige waarheid. Ik ben gewoon op een eikel gebotst. Maar tot op de dag van vandaag kan ik nog steeds niet door het centrum van Mechelen fietsen. Net zoals ik ruim drie maanden van het interactieve deel van internet wegbleef.
De vele trauma’s zitten te diep, ze raken er niet uit. Samen met de zware kankerbehandelingen hebben ze me de das omgedaan. Alle uitputting die er al jaren was werd door mijn ziekte tot op de bodem uitgediept. Ik ben op.
Ik ga dus naar Peru. Geen idee hoe ik er zal geraken, met die ogen die om zeven uur ’s avonds al dicht beginnen te vallen. Geen idee hoe ik met dat uitgeputte lijf drie vluchten na elkaar moet nemen in mijn eentje zonder om te vallen van de vermoeidheid. Maar het moet. Het voelt als de enige keuze, mijn enige kans.
In de sweet seventies gaf ik het jawoord aan de vader van mijn kinderen, in de zekerheid dat ik totterdood bij hem zou blijven. Twintig jaar later liep hij op een zonnige vrijdagmorgen de trap af om niet meer terug te keren. Ik heb me nooit zo mislukt gevoeld als toen. Tenzij misschien die dag, maanden later, toen de rechter de scheiding definitief maakte. Ik val nog liever dood dan nog eens te scheiden, en de enige manier om een scheiding te vermijden, is NIET trouwen. Duidelijk, toch?
Gisteren laat zijn sporen na in vandaag. We kunnen eigenlijk niet anders dan dat accepteren. Wat gisteren was willen we koesteren of net vergeten, we kunnen erom rouwen of opgelucht zijn dat het voorbij is, maar negeren kunnen we het niet.
Veel schrijvers zeggen dat ze schrijven tegen het vergeten in. Om iets vast te houden, ten goede of ten kwade, om het te eren of om eruit te leren.
Neem nu liefdesrelaties. Als ze niet stand houden wacht de vraag wat eigenlijk hun betekenis was. Als ze dat wel doen wacht de dood, die wreedaardig als ze is altijd iemand alleen achterlaat.
Tijdens onze laatste reis gingen we fossielen zoeken aan de Engelse kust. We hadden de reis nooit benoemd als onze laatste, maar we wisten het allebei, al wisten we niet wat er met ons gebeurd was. Dat eerste zinnetje uit ‘Wij ammonieten’ van Lise Delabie deed me meteen van herkenning inhaken. Ogenschijnlijk schrijft ze een vakantieherinnering op, van twee mensen op jacht naar fossielen. Maar die ‘laatste reis’ geeft er een dubbele bodem aan. We namen foto’s van elkaar terwijl de ander niet keek. Als we geen fossielen vonden, konden we toch elkaar vastleggen. Iets vastleggen. Zo’n moment bij het lezen dat je hart breekt.
In ‘Blijven leven voor de kinderen’ van Frank D’hanis Junior neemt een verteller die geen fuck om respect geeft ons mee naar de schemerige woonkamer van een oude buurvrouw. Hij houdt er blijkbaar de vreemde gewoonte op na kerstbomen uit te gaan lachen. In wat naar ik vreesde alleen maar een pijnlijk cynisch, nihilistisch tekstje zou zijn, schrijft hij dit: “Het was geen perfecte man”, had ze nog gezegd, “hij dronk te veel, en hij kon zagen over de meest onnozele dingen. Maar hij was mijn man, snapte?” Je moet de hele tekst lezen om te voelen waarom dit net op dat moment zo binnenkomt, dus doet u dat vooral.
En dan is er ‘Geschiedenis’ van Marjon Meijer waarin een zij-instromer tijdens een of ander schoolfeest-na-een-verbouwing de honneurs waarneemt in een klaslokaal. Oud-leerlingen komen binnen en vertellen wat er veranderd is. Hoewel ik natuurlijk nougabollen met de verbouwing te maken heb gehad. Ik kwam aanwaaien als zij-instromer, haalde een nat doekje over de tafels, liet de zonwering zakken en kon beginnen met lesgeven. Die zonweringen, of de lamellen die er vroeger hingen, laten het steevast afweten. Wat word ik blij van dit stukje, al is het maar omdat – te midden van alle onheilsberichten over het onderwijs – een zij-instromer aan het woord is die van haar job houdt. Laat de zon maar binnenkomen.
We wisten niets over fossielen. We wisten eigenlijk nooit wat we precies zochten, maar we wilden het wel vinden. Dus raapten we alles op. We raapten elke steen op met een inkeping, afdruk, bijzondere kleur of patroon. Schelpen in de vorm van een rieten dak. Losgerukte poten van een krab. De namen kenden we, maar we hadden geen idee wat we in onze handen hielden.
Ik dacht aan hoe mijn grootmoeder en overgrootmoeder nog decennia binnenshuis bleven verderleven na de dood van hun echtgenoten. Ze ontvingen nog mensen, maar de drempel van de woning gingen ze nauwelijks nog over. Het leven was geleefd, dertig à veertig jaar herinneringen aan tijden samen zaten veilig ter opvraging in de hippocampus, er was daarbuiten niks meer, ze bleven enkel nog bestaan omdat ze vaag het gevoel hadden dat hun dood de kinderen te veel pijn zou doen. Madeleine had geen kinderen, of ze had toch nergens foto’s van hen hangen, wat op hetzelfde neerkwam.
Vandaag ontmoet ik mensen die wel geschiedenis met het gebouw hebben. “Ik ben afgestudeerd in ’76. Haartooi,” zegt een kleine gedrongen vrouw. “Het eerste jaar dat de meisjes Herenkappen kregen.” Ze kijkt rond. “Hier was het aardrijkskunde. De zon brandde altijd door de ramen want de helft van de lamellen was kapot.” We kijken naar het raam waar één van de vier zonweringen aan de bovenkant opgefrommeld vastzit. De vrouw zoekt naar dingen die wel echt zijn veranderd. “Het bord was vroeger aan de andere kant. En dat toilet was een godsdienstlokaal.”
Isabelle Rossaert is schrijver en schrijfdocent, oprichter van De Schrijfkaravaan en auteur van bijzonder fijngevoelige literatuur. Ze publiceerde onder andere Dat is wat ik bemin (roman) en En dit zal zo voorbij zijn (Verhalen), beiden bij Uitgeverij Cossee.
Ook wanneer we haar uit de flow halen – ze werkt aan een nieuw boek – blijft ze in haar antwoorden op onze ondertussen traditionele vragen trouw aan zichzelf, gepassioneerd door schrijven, lesgeven, en het verbinden van mensen met elkaar.
Een blog. Je had er toch ooit een?
Zeker. In de tijd toen ik als voltijds freelancer aan de kost probeerde te komen, kreeg ik vlak voor de zomervakantie een opdracht die 1. Behoorlijk Saai was en 2. Goed Betaalde. Resultaat: de hele maand juli, terwijl iedereen om me heen op reis vertrok, zat ik opgesloten in mijn appartementje te proberen me op een saaie opdracht te concentreren.
Als tegengif begon ik een blog: Louise in wonderland. Doel was gedurende 50 dagen elke dag een heel kort stukje te schrijven over een vakantieherinnering. Misschien deed ik het wel meer voor mezelf dan voor potentiële lezers: ik had immers al vaak vastgesteld dat ik door te schrijven zelf helemaal op een andere plek kon zijn – een soort teleportatie via mijn pen. Het lukte: ik werd er vrolijk van. Het lukte ook niet: ik haalde de 50 stukjes niet, onder andere omdat ik uiteindelijk toch zelf op vakantie vertrok.
De Louise uit Louise in Wonderland viel daarna wat in slaap, en werd opnieuw wakker in een andere blog: Onder de toren. Daarin schreef ik vooral hele korte stukjes over mijn kleine gezinnetje. De hoofdrolspelers waren er Ottokar (die ook al in Wonderland voorkwam) en Prinsje T. Je hebt het al door, een van die blogs waarin mensen over of voor kinderen schrijven die nog niet kunnen lezen wat je over ze schrijft (daarna doen ze dat denk ik niet meer).
Ik moet meestal lang googelen voor ik de blogs terugvind maar eerlijk gezegd vind ik ze nog helemaal niet zo slecht. Of misschien is het ook wel omdat ze voor mij zoveel herinneringen oproepen. Ik hou geen albums met vakantiefoto’s bij en heb ook geen dagboek over mijn opgroeiende zoon bijgehouden, maar als ik de blogs herlees komt het allemaal terug.
Dit alles speelde zich af in het tijdperk van de virtuele prehistorie. Facebook was er nog niet en toen het er wel was er ik nog niet bij. En toen ik dan uiteindelijk toch zwichtte was het vrij snel gedaan met het bloggen. Wat uiteraard niet veel goeds zegt over Facebook.
Al die tijd was ik wellicht aan het oefenen. Mijn grote droom was ooit een literair auteur te worden. Mijn blogs waren vingeroefeningen voor het ‘echte’ werk, dacht ik.
Nu ik er, een roman en een verhalenbundel later, op terugkijk is dat helemaal niet waar. Blogs zijn een genre op zich, het zijn teksten die zich niet in een boek laten drukken, die snel op de tijd kunnen inspelen en die hun eigen poëtica hebben. En het allergrootste voordeel is natuurlijk dat je er je lezers onmiddellijk mee bereikt.
Maar ik zou nu geen blog kunnen onderhouden. Ik duik nu elke ochtend (dat is tenminste de bedoeling) onder bij de personages van mijn nieuwe roman. Ik heb er geen idee van of het goed is. Of het ergens toe leidt. Of ik binnen drie of zes of twaalf jaar werkelijk een verhaal geschreven zal hebben dat de moeite van het publiceren waard is. Ik weet alleen dat dat nog steeds mijn droom is. En dat er in die creatieve bubbel die ik het liefste de hele dag met me mee neem altijd maar plaats is voor één project. Nu is het er eentje van lange adem, een dat lang op zijn lezers zal moeten wachten. Kiezen is altijd ook verliezen.
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?
Ik denk dus meteen aan schrijvers. En dan denk ik meteen: schrijvers hebben daar, net als ik, meestal niet de tijd en de ruimte voor. Sommige schrijvers bloggen op Facebook of Instagram. Jeroen Olyslaegers bijvoorbeeld. Nog vluchtiger, nog lichter, nog vrijer, maar op een bepaalde manier wordt het wel een soort oeuvre op zich. (James!)
Gesteld dus dat ze wél tijd hadden, dan zou ik bijvoorbeeld graag een blog lezen van Jeroen Theunissen. De fernweh waarmee hij naar de wereld kijkt, de grijsheid van Vlaanderen die hem in ademnood brengt, ik denk dat dat heel boeiende stukjes zou opleveren. Al is het maar omdat ik daar een soort zielsverwantschap in zou herkennen.
En heel graag, als ik dat zomaar mocht bestellen, zou ik een blog van Els Moors lezen. Een soort verderzetting van Mijn nachten met Spinoza: die intelligentie, die eruditie en tegelijk dat vitalistische in zijn vrouwelijke variant. Moors schrijft alsof ze dubbel leeft. Eén keer voor zichzelf, een keer voor de lezer. Haar blog lezen zou een beetje zijn als dubbel leven: een keer als mezelf, een keer als Els Moors – die van alles doet dat ik niet zou aandurven. Heerlijk.
Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?
Er is op dit moment maar één blog die ik lees met een gretigheid die naar devotie neigt: The Red Hand Files van Nick Cave. Ik krijg een mail als Cave er een nieuw stukje op heeft gepubliceerd en de link naar zo’n stukje volgen voelt als de zijdepapieren wikkel losmaken rond een heel kostbaar geschenk.
Wat die stukjes – antwoorden op vragen van zijn fans – zo goed maakt? Ik faal al bij voorbaat als ik daar woorden aan probeer te geven, net zoals je al bij voorbaat faalt als je probeert te verwoorden waarom je zo veel van iemand houdt – maar je doet het toch, tegen beter weten in.
Eén: zijn stukjes zijn altijd ontzettend goed geschreven, in een stijl die vaak speels, vol humor en uitermate verzorgd is. Twee: ze zijn zo strak geschreven dat je aandacht geen moment verslapt en ze geven tegelijk enorme voldoening. Drie: soms lijkt hun inhoud heel licht en ronduit hilarisch – zoals dat stukje waarin hij het over zijn ontmoeting met een beroemde bijna naamgenoot heeft – soms zijn ze rechttoe rechtaan eerlijk, kwetsbaar en op een bepaalde manier diep spiritueel – zoals dit stukje over het belang van vreugde – maar altijd, altijd, tonen ze in de eerste plaats een Mens. Met de hoofdletter M van hoe we elk op onze eigen Magnifieke manier ook maar een beetje aanklooien op deze wereld. Dus mijn tips zouden zijn: schrijf zo verzorgd als je maar kan, schrap tot er geen woord meer te veel staat, toon de mens die jij bent. Zoek de diepte die je met schrijven kan bereiken.
In de tijd dat ik hockey speelde, was ik een tiener waarin de hormonen lelijk huishielden. Ik weet nog dat ik toen dacht: mocht ik er uitzien als Paul Newman, dan zouden al mijn problemen verdwijnen. Dan had ik totaal geen zorgen. Onlangs las ik zijn autobiografie: The Extraordinary Life of an Ordinary Man. En wat bleek: mijn zorgen waren klein bier vergeleken met die van Paul Newman. Zijn hele leven ging hij gebukt onder zelftwijfel.
In een bijzonder knap stuk gaat Philippe Clerick dieper in op het lage zelfbeeld dat Paul Newman van zichzelf had. Maar hij trekt het breder dan dat. Newman is, vernam ik uit betrouwbare bron – namelijk de auteur zelf -, de favoriete acteur van Philippe Clerick en in een paragraaf die alleen door aan ware cinefiel kon geschreven worden – en die ik trouwens hieronder integraal citeer – analyseert hij knap waarom King Cool zoveel meer is dan twee prachtige blauwe ogen.
U herkent het ongetwijfeld ook: de sociale drang om te plannen. En de paniek die tafelgenoten overvalt als blijkt dat je nog geen kampeerplek hebt gereserveerd voor je zomervakantie van 2027 in Burkina Faso. In de De week van Devriese beschrijft Jan Devriese met veel humor hoe we ons leven kapot plannen. Hoe we als lemmingen naar de uitgang rennen. Tot iemand zich misstapt.
In een heerlijk surrealistisch stuk herbeleeft Tom Wouters, auteur van de blog Het ongerijmde, de openingswedstrijd van het wereldkampioenschap voetbal. Zijn verhaal baadt in een bevreemdende, absurdistische sfeer die hij tot het einde knap weet vol te houden. Als een geslaagde loopdribbel die bekroond wordt met een doelpunt.
Terwijl de gouden generatie Belgische voetballers op het WK roemloos ten onder gingen, speelde de échte gouden generatie – de hockeyers – een weergaloze finale en gingen naar huis met zilver met een gouden rand.
‘Newman behoort tot de eerste generatie ‘moderne’ acteurs. Hij was minder arrogant dan Marlon Brando, sympathieker dan Montgomery Clift en extroverter dan James Dean. Newman was cool én fatsoenlijk, jeune premier en karakterspeler, schoft én gentleman, beau garçon en toch mannelijk, puberaal en toch volwassen, all american en toch gekweld, ernstig maar met de nodige ironie. Hij kon een pak dragen als Gary Grant, maar ook een trui als Steve McQueen. Hij was veelzijdig, niet zozeer in de betekenis die men er gewoonlijk aan geeft, van iemand die heel verschillende soorten rollen aankon, maar in de betekenis dat hij in één personage veel eigenschappen kon samenbrengen.’
‘Geen idee wat voor een jaar het wordt, 2023. U waarschijnlijk ook niet. We doen maar wat, en we zien wel. De dingen die er waarlijk toe doen, overkomen ons. De rest is versiering.
Willen kan helpen. Plannen ook. We plannen ons een ongeluk. We hebben agenda’s. Afspraken. Meetings. Brainstormings. Teambuildings. Avondjes. Etentjes. Drinks. Uitstapjes. De boekhouding. De coiffeur. De nagelspecialist. De veearts. We houden gaatjes vrij voor iets spontaans.
En dan verstap je je op de stoeprand en lig je vier weken met je been omhoog.’
‘Ik ben uitermate blij dat ik mijn voetbalhart toch ben gevolgd, want wat ik daarnet zag tijdens de openingsmatch van het toernooi in Qatar had ik niet willen missen. Niet omwille van de voetbalkwaliteiten van de twee tegen elkaar strijdende landen – zijnde Noord-Macedonië en Oman – maar door het zeer bijzondere verloop van de wedstrijd. Het begon al bij de volksliederen. Weinigen weten wellicht dat het volkslied van Oman bestaat uit welgeteld 45 minuten stilte, waarbij de grimassen van zij die het volkslied uitbeelden de hele duur van het lied niet mogen veranderen.’
De redactie van Aanlegplaats houdt deze week de adem in. Niet omdat de wereld nogmaals / alsnog dreigt te vergaan of de winter toch even doet alsof ze het meent, nee, het is erger dan dat. Een flink aantal van onze bloggers rapporteert namelijk helse pijnen, en we vrezen voor sommigen het einde van de schrijverscarrière.
Het is allemaal wat tongue-in-cheeck, de buikpijn van Erik Herbosch en de nachtblindheid van Ivo Victoria. Maar naar Marieke Groen durven we – na haar tandoperatie – geen tong meer uit te steken.
Deze pijn is immers niet verzonnen. Iemand spande tijdens mijn slaap een stalen kabel rond mijn buik, onder mijn huid en extra strak zodat ik hem onmogelijk los kon maken. Aan de buitenkant kan je het niet zien, maar onderhuids heb ik een wespentaille. Het vraagt weinig woorden om te zeggen hoe hels deze pijnen zijn.
Ik reed voorovergebogen met mijn neus tegen het raam ‘Ik zie niks ik zie niks!’ roepend, pakte her en der wat stoeprandjes mee bij het afslaan, en daardoor moest ik ook terugdenken aan die arme scooter die ik enkele weken eerder op een druilerige avond in Amsterdam had aangereden en ik herinnerde me mijn eigen verbijstering – hoe kon ik haar niet hebben gezien, ze stond stil, ik reed vijf kilometer per uur – en toen ik even wat symptomen gegoogeld had, was het inderdaad zo dat ik me ook vaker stootte, in mijn vinger sneed, of iets niet zag liggen, allemaal aan de rechterzijde van mijn zichtveld en daarnaast manifesteerde zich sinds kort een ploppend geluid in mijn rechteroor dat hier ogenschijnlijk niks mee te maken had maar toch.
Ik ken hem niet, deze pijn, ik weet niet wat hij aan kan richten. Ik neem de toegestane dosis paracetamol met ibuprofen en daarna een niet toegestane dosis. De pijn komt er dwars doorheen. Ik leg een zak spinazie deelblokjes op mijn wang. Ik smeer er pepermuntolie op. Ik maak soepen en smoothies en snijd eierkoeken in hapklare brokken. (Ik wil een fles sterke drank aan mijn mond zetten en me bewusteloos zuipen.)
De honderdste vangst van Aanlegplaats schittert na een troosteloze blauwe maandag. Wij tillen een schatkist vol verhalen uit drukke steden. Personages zijn uit hun kader ontsnapt en gevat door de eigenzinnige en poëtische blik van bloggers die in de marge durven dwalen. Drie bloggers vertellen over de wonde onder trekpleisters, dwars door stereotypen. Weg van de marktmodellen en glazen buildings. Deze schrijvers hebben ogen die verder kijken dan een neus lang is. Heerlijke figuren dolen en manken en lachen vreemd. Wankelmoedige clowns, een jonge vrouw in zwartwit uit een andere tijd, een jongetje met een handgranaat.
Els Claessens kijkt achter het masker van Antwerpen, waar een clown zich spiegelt in een gebouw.
Schrijver / kunstenaar / wetenschapper Gert-Jan van den Bemd moet door een déjà-vu plots denken aan een foto uit New York.
Tanja Wentzel ziet achter het been van een op het Vossenplein wandelende toerist een foto van een jonge, waarschijnlijk nu dode dame en wordt nieuwsgierig.
Nu glimlacht hij, want is alsof hij in een spiegel kijkt. Het gebouw op de hoek met de Sint-Michielskaai is net zoals zijn T-shirt: zwart-wit gestreept en met golvende rondingen. Enkel zijn twee bruine bretellen ontbreken aan het gebouw. Die zijn voor hem onontbeerlijk om zijn altijd afzakkende zwarte broek rond zijn bolle buik omhoog te houden. Met het bosje bloemen in zijn linkerhand en zijn rechterduim achter een bretel gehaakt, vervolgt hij zijn weg.
Onlangs had ik opnieuw een déjà vu-ervaring, maar dan met een foto die ik op een veilingsite ontdekte…. Op de fameuze foto van Arbus staat een jongen met een waanzinnige grimas en een speelgoedversie van een Mk 2 handgranaat in zijn rechterhand. Arbus kwam de jongen – Colin Wood – tegen in Central Park, New York. Ze maakte elf foto’s van hem.
Ik ben op het Vossenplein. Op zoek naar cadeautjes. Niets specifieks, dat lukt hier niet. Je kijkt om je heen tot je iets ziet wat bij een dierbare in je hoofd zou kunnen horen. Hier komen de dingen naar je toe, als je ze je laat overkomen.
Soms is het allemaal wat veel. Zoveel werk om te verzetten, zoveel rollen om op te nemen, zoveel dingen die je zou kunnen doen om een beter mens te worden. En dan die sociale media die ons lopen op te fokken. Laura Buelinckx overstroomt en steekt bij de ‘peut’ een monoloog af over hoe ze als moeder om de oren wordt geslagen met ongevraagd (maar door het ‘fucked up algoritme’ toch standaard geleverd) advies. “Zeg niet ‘huil niet’, maar zeg ‘huil maar zoveel je wilt, klein mensje’…” Philippe Diepvents kan nipt aan de vloek van de persoonlijke ontplooiing ontsnappen door zich te realiseren dat je niet meer dan papier en potloden nodig hebt om een oude kinderliefde weer op te rakelen. En voor wie toch nog enige druk van de socials voelt is daar Marita. Zij vermaakt zich met de aloude vijand van continue groei, pinterestproof learning curves en blijvend resultaat: de legpuzzel.
En mag je echt niet meer tegen een kind zeggen dat het niet moet huilen? Want ik huil zelf veel, en toch vind ik dat je soms mag zeggen dat het niet hoeft. Wanneer je bijvoorbeeld drie stappen verder zet en ze beginnen te wenen omdat je de volle dertig centimeter bent opgeschoven. Toch? TOCH? TOOOOOOOCH?
Even heb ik wel getwijfeld. Ik zag er tegenop: uitzoeken waar ze tekenles geven, me inschrijven, na het werk ernaar toe hollen. Maar toen besefte ik dat dat allemaal niet hoeft. Ik kon ook gewoon wat potloden en papier kopen. Het is niet omdat sociale media ons wijsmaken dat mensen tegenwoordig niet ‘lopen’ maar wel ‘trainen voor een marathon’, dat ze geen cake bakken maar Instagram waardige glazuursculpturen bouwen, dat ze niet klussen maar eigenhandig designmeubels herstofferen, en ga zo maar door… dat dat ook voor ons hoeft te gelden.
Het maken van een legpuzzel verloopt normaal gesproken in een bepaalde volgorde. Ik begin met de kantjes en daarna worden gedurende het leggen de puzzelstukjes in drie groepen ingedeeld: water en lucht, de groenvoorziening en overig. Deze methode werkte prima voor de eerste puzzel (Parijs) die ik deze week heb gemaakt. De tweede puzzel is echter een ander verhaal, deze is namelijk met ‘smart cut technology’ gemaakt.
Vorig jaar, ergens in de lente, bezocht ik een vriend in Palermo. Er is de haven, er is het eten, er is de muziek en de zon die ook in koude maanden nog wat nazindert in de muren van de huizen. Zelden zag ik een wildere stad. Op een van de wandelingen langs de haven zag ik hoe een oude man netten boette in zijn sloepje, bij valavond. Ach, een visser te zijn bij valavond, dacht ik toen.
Als gastvisser trok ik voor het eerst in jaren nog eens ouderwets gezellig van blog tot blog, met het doel een mooi netje vol stukjes te vangen. Algauw merkte ik net als vroeger, toen ik me vaker door de blogs op het wilde web las, dat het niet zozeer gaat om de stukjes te laten bijten, wel om het gebeten worden.
“Laatst kwam de verantwoordelijke van de leefgroep waarin Kleindochter verblijft verslag uitbrengen bij mijn dochter die in een rolstoel woont. Dochter keek niet uit naar dat gesprek, “die mevrouw babbelt de hele tijd, ik krijg er geen speld tussen, hoe kan ze dan eens naar mij luisteren?”
“Kortom, wij zijn kinderen van de splintertijd. Punkie nog meer dan ik. Je merkt het aan de kauwgomballen. Hij plopte ze alle 16 tegelijk uit de strip en slokte ze allemaal op, plus de 5 extra kauwgomballen van Yussuf. Hij wilde lachen om het nieuwe record, maar het ging moeizaam. Al zijn kaakspieren moesten hetzelfde doen: een reusachtig plaksel van suiker, mastiek en E-nummers onder de knoet houden. Hompf. Hompf. Hompf. Daarbij moest ergens ook nog speeksel worden afgevoerd. Sjlurmpf. Sjlurmpf. Het ging niet. Het ging niet. En toen gebeurde het.”
“Vanochtend wilde ik een afspraak maken bij de huisarts. Ik deelde de dienstdoende mevrouw aan de receptie mee waar ik last van had: ‘Algehele belabberdheid.’ Dat leek me wel veelzeggend. Maar dat vond zij niet. Ze vroeg me het nog eens. ‘Algehele belabberdheid,’ zei ik nog maar eens. Nou, daar kwam ik niet mee weg. Aan het einde van het gesprek hing ze nogal geërgerd op.“