Heleen Debruyne, het interview

Een van de bijzonderste boeken die ik de laatste jaren heb gelezen was De huisvriend van Heleen Debruyne. Maar ook zonder De huisvriend had ik al een zwak voor Heleen. Wekelijks neemt ze in haar columns in Humo genuanceerde standpunten in over maatschappelijk gevoelige thema’s die juist uitnodigen tot polarisatie en ondoordachte brandbrieven. In een sobere maar uitnodigende stijl denkt ze – wars van alle sociale en culturele ideologieën die je van haar als progressieve feministe zou mogen verwachten – zelfstandig na en weet ze op een heldere manier telkens haar punt te maken. Tijdens de treinrit naar haar woonplaats Oostende viel het me op dat we onze boeken in dezelfde jaren publiceren (2016, 2021, 2025,…) en ook dat nam me voor haar in. Net als het feit dat Heleen, laat ik het maar ruiterlijk toegeven, een even oogstrelende verschijning is als haar illustere naamgenote uit Troje. 

Omdat ik in haar een zielsverwante van Nora Ephron vermoedde wilde ik als attentie I Remember Nothing meenemen, maar het boek was nergens in Oostende te verkrijgen en daarom kocht ik Uit pure wanhoop van Geoff Dyer. Dyer is dan weer een zielsverwant van mij, die met zijn mislukte poging om een wetenschappelijke studie over D.H. Lawrence te schrijven hét meesterwerk over uitstelgedrag schreef. 

We spraken af in de net heropende taverne Le Châtelet. Het is een nieuwe brasserie met een afgebladderde, oude ziel. Uit de luidsprekers klinken Franse schlagers die herinneringen oproepen aan zuidelijke vakanties van in de tijd toen de wereld nog in polaroidkleuren baadde. Aan de tafels zitten gepensioneerde, zwijgzame stellen voor zich uit te staren. 

Naar goede gewoonte was ik te vroeg aangekomen en ik nipte, verwachtingsvol door de ramen kijkend, van een cappuccino. Plots verscheen Heleen in de deuropening. Een ranke vrouw met wilde krullen. Ze schreed naar binnen en op slag verstomde de muziek. Ik trachtte in weerwil van hoe ik me voelde een ontspannen indruk te maken, maar moest op mijn tippen gaan staan om haar een begroetingskus te geven. Zonder verder glazen, bloemstukken en tafels om te gooien, ging ik terug zitten. So far, so good. 

Het was vreemd om een stem te horen die ik al jarenlang kende van gewaardeerde radioprogramma’s zoals Pompidou en De jaren. Getrouw aan haar schrijfstijl maakte ze een onopgesmukte indruk. Heleen is geen diva die het als haar taak ziet om de wereld in te palmen. Integendeel: ze heeft tegelijkertijd iets schuchters én zelfbewust, alsof ze voorbestemd is om langs de zijlijn, weemoedig glimlachend, de falende mens te observeren. 

‘Bij mij lukt het niet om mijn existentiële angst met religie op te vullen.’ (lacht).

Als iemand zoiets zegt, herken ik onmiddellijk een lotgenote en het was dan ook een kleine moeite om een ober te wenken en Heleen te trakteren. 

‘Een latte alstublieft.’

‘Voor mij een spuitwater.’

En dat op een maandagochtend in Oostende!

Voor we het gesprek definitief richting bloggen stuurden, vroeg ik haar of ze me de pdf van haar nieuwe roman Aline zou willen mailen. Heleen waarschuwde me dat er in de huidige versie nog spellingfouten zaten, maar geruststellend bekende ik dat ik nog nooit wie dan ook op een taalfout heb kunnen betrappen. Zo is mijn brein niet bedraad. 

‘Ah, echt niet? Ik wel. Ik ben een echte spellingsneuroot.’

In haar ogen danste een zweem van ironie waarmee ze de wereld op afstand houdt. De drank kwam. Het was tijd om ons te verdiepen in de wonderlijke wereld van het bloggen. 

  1. Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Ik vroeg het me gisterenavond af toen je me de vragen doorstuurde, want ik herinnerde me vaag dat ik ooit had geblogd. Daarom ben ik het terug gaan opzoeken en ergens in de krochten van het internet bestaat mijn blog nog. Ik startte ermee in 2014. Het waren kortverhalen. Deels verzonnen en deels gebaseerd op observaties.’

‘Zelf was ik het compleet vergeten. Het was een leuke ervaring om al die stukjes opnieuw te lezen.’

‘Qua schrijfstijl merk ik wel dat ik toen meer mijn best zat te doen. Ik was vierentwintig, de leeftijd waarop je probeert je pen vorm te geven en nog zoekt naar ingewikkeldere metaforen. Dat heb ik nu helemaal niet meer. Tijdens het schrijven doe ik heus wel mijn best, maar ik zit niet meer te schaven aan vergelijkingen. Het verbaasde me vooral om te zien dat ik eigenlijk weinig veranderd ben in de dingen die ik opmerk en interessant vind.’

‘In mijn blog ging het veel over seksualiteit en mensen die blind blijven voor hun eigen pretenties. Ik beschreef personen uit mijn omgeving die ik fictieve namen gaf, maar tijdens het herlezen herkende ik hen onmiddellijk. Weliswaar goot ik mijn ervaringen in verzonnen verhalen en gaf ik er een fictieve draai aan. Maar de dingen die ik nu nog interessant vind, zaten er wel al in zoals: Waarom gedragen mensen zich zoals ze zich gedragen? Waarom willen ze aan bepaalde normen beantwoorden? Hoe komt het dat ze zo graag geloven in hun eigen verhaal dat ze zichzelf voorspiegelen…?’

‘Zelf ben ik iemand die van mening kan veranderen, zeker over zaken waar ik niet veel van afweet. Als je me dan meer en betere informatie verschaft, kan je me gemakkelijk overtuigen en zal ik mijn standpunt herzien. Maar over de aard van de mensheid – over de kern van wie we zijn – ben ik nog niet van mening veranderd. (lacht).’

‘Waarom ik met de blog ben begonnen? Ik heb altijd graag geschreven. Ik was jong en had nog niets gepubliceerd, maar had al wel contact met een uitgeverij. Als je schrijft wil je ook gelezen worden, daarom leek het me een fijn idee om via een blog lezers te zoeken. In die tijd werd er meer geblogd. Het was gangbaarder. Mijn officieel debuut, De plantrekkers, verscheen in 2016. Ik was toen zevenentwintig jaar.’

‘In mijn studententijd heb ik nooit voor een schoolkrant of een studentenblad geschreven, want ik had geen zin om in een redactiesysteem opgenomen te worden. Als bijverdienste schreef ik echter wel voor gratis stadsmagazines zoals Zone 09 en Zone 03 – weekbladen die het culturele en culinaire reilen en zeilen in Gent en Antwerpen op de voet volgden.’

‘Wie mijn invloeden waren? Al op jonge leeftijd las ik Willem Elsschot en ik was er danig van onder de indruk. Met hem deel ik dezelfde blik op de wat sukkelige mens. Zijn taal is op een onopvallende manier uitzonderlijk goed. Iedere keer als ik een boek van hem herlees, geraak ik opnieuw begeesterd. Laatst herlas ik een van zijn minder bekende novelles: Het tankschip. Wederom uitstekend. Later las ik de kortverhalen van Tsjechov. In hun droogheid zijn die voor mijn verwant aan die van Elsschot. Een derde grote invloed is Simone de Beauvoir en niet alleen vanwege haar kijk op de maatschappij. Haar visie op de mensheid vind je ook terug in haar romans. Dat is wat ik probeer te doen als ik fictie of autofictie schrijf: de ideeën die ik over de samenleving heb – en hoe mensen er in hun dagelijks leven onderhevig aan zijn – te illustreren met behulp van een verhaal.’

‘Het is gek, want je wordt als schrijver heel vroeg gevormd. Bij mij is het allemaal voor mijn tweeëntwintigste gebeurd en hoewel ik nadien best nog veel gelezen heb, is er niet veel meer bijgekomen dat me echt heeft beïnvloed.’

Mocht Wim Oosterlinck (lees je mee, Wim?) je ooit uitnodigden voor zijn podcast Drie boeken welke drie boeken zou je dan aan de luisteraars aanraden? 

‘Wat ik nu net zei. Niet persé Het tankschip, maar wel het volledige oeuvre van Elsschot. De kortverhalen van Tsjechov. En De mandarijnen van Simone de Beauvoir.’

2) Wie zou je willen dat een blog begint en waarom?

‘Spontaan denk ik aan een van de eerste voorvechtsters van vrouwenrechten: Mary Wollstonecraft. Ze leefde in de achttiende eeuw en was een feministe avant-la-lettre en tevens de moeder van Mary Shelley, de schrijfster van Frankenstein. Ten tijde van de Franse revolutie geraakte Mary Wollstonecraft erg geïnspireerd door het revolutionaire gedachtegoed en ze reisde er zelfs voor naar Parijs. Daar besefte ze plots: “Maar wacht eens: die vrijheid en broederlijkheid en zo dat geldt niet voor mij! De revolutionairen zijn de vrouw helemaal vergeten.” Als reactie heeft ze A Vindication of the Rights of Woman geschreven. Een pamflet waarin ze vooral Rousseau affakkelt, maar ook Voltaire en vele andere verlichtingsdenkers. Ze belichtte hun tekortkomingen in hoe ze naar de vrouw keken.’

‘Het zou goed zijn mocht ze bloggen omdat ze dan kort op de bal kan spelen en snedig op bepaalde politieke misstanden kan reageren.’

‘Mary Shelley heeft haar moeder nooit gekend want die is in het kraambed gestorven.’

3) Wat maakt een blog goed?

‘Door je vraag ben ik erover beginnen nadenken en ik vind het jammer dat ik bijna nooit meer blogs lees. In de jaren dat ze erg populair waren, las ik er best veel. Zo was er bijvoorbeeld een Amerikaanse blog over fashion history die ik interessant vond. Wekelijks werden er filmkostuums of afleveringen van Mad Men geanalyseerd. Vroeger las ik veel meer van dat soort zaken, maar die zijn bijna allemaal naar de sociale media gemigreerd en dat is toch niet hetzelfde. De stukken op de blogs waren vaak langer en beter onderbouwd dan die op Facebook en aanverwanten. Verder serveren de algoritmes je voortdurend dingen voor, terwijl je bij de blogs zelf de beslissing moest nemen om er naartoe te gaan. Dat is iets heel anders dan een selectief algoritme dat kiest wat het je laat zien en wat niet.’

‘De toenmalige kracht van het echte internet was dat er meestal geen commercieel gewin achter zat. En een blog was ook democratisch. Iedereen kon er eentje beginnen en je werd op bijna eerlijke wijze veel of weinig gelezen. Dat speelveld is nu verpest door de bedrijven die de algoritmes in handen hebben en hard bepalen wat wij te zien krijgen.’

‘Blogs doen me gewoon denken aan de betere tijden van het internet toen onze aandachtsspanne nog niet zo kort was. Je ging naar het forum en zocht op wat je interessant vond en hield daar dan met andere geïnteresseerden een discussie over.’

‘Rond de tijd dat mijn debuut verscheen ben ik met mijn columns in Humo begonnen.’ 

‘Waarover mijn nieuwe roman Aline gaat? Het is een portretschets van mijn sociale klasse. Het hoofdpersonage is een vrouw uit mijn middenklasse-omgeving die verhuist naar een nog niet gegentrificeerde straat in Oostende waar er van alles speelt en ondertussen is het ook niet bepaald gezellig in het kerngezin. De thema’s en de omgeving zijn autobiografisch. Maar het hoofdpersonage is niet op mij geënt – wel op de omgeving waarin ze zich beweegt. Het gaat over hoe mensen zichzelf dingen kunnen wijsmaken.’

‘Soms is het moeilijk om inzicht in jezelf te hebben en blijf je blind voor je eigen aandeel in bepaalde situaties. Aline handelt over veel zaken tegelijk, maar het centrale thema is de beklemming van het kerngezin. Ze is bijzonder boos. Ik wilde een vrouwelijk hoofdpersonage creëren dat niet bovenmatig sympathiek is. Soms weet je als lezer niet of je al dan niet aan haar kant moet staan. Ze is ook een onbetrouwbare vertelster.’

‘Vooraleer ik aan een boek begin te schrijven gaat er veel denkwerk, geploeter en geschrap aan vooraf. Maar eenmaal dat proces achter de rug ligt, gaat het vrij snel. Aan Aline heb ik ongeveer anderhalf jaar gewerkt – eigenlijk langer, want ik heb een eerdere roman weggegooid. Ik denk lang over de opbouw en de scènes na, maar het schrijven zelf redigeer ik bijna niet meer. Zoals gezegd zoek ik niet naar metaforen. De taal moet vooral zijn doel dienen en helder zijn, want het is voor mij meer een vehikel dan een speeltuin. Hoewel ik me wel kan ergeren aan slechte taal hoor. Je kan met metaforen ook zo uit de bocht vliegen. Ik lees veel Nederlandstalige boeken en regelmatig denk ik: ‘Oei, als je dit beeld ten gronde doordenkt slaat het werkelijk nergens op.’

‘Het kunnen gebruiken van metaforen is gewoon een gave en als je die niet bezit, kan je er beter van wegblijven. Willem Elsschot schreef zelden vergelijkingen, maar als hij het deed was het meteen zo goed. “Haveloos, als iemand die te voet uit Rusland kwam.” Dàt beeld klopt, je ziet het meteen voor je.’

‘Vorige week las ik iets heel straf: het in eigen beheer uitgebrachte boek van Michiel Leen over zijn alcoholverslaving. Hij beschreef zijn worsteling op een droge manier, weg van alle clichés en pathos.’

‘Het is niet zo dat ik naar een boekenwinkel hol telkens als er een nieuwe roman van die of die auteur is verschenen. Ik heb niet zo’n talent voor bewondering. Het fandom-schap is me vreemd. In een schrijversleven gaat het ook op en af. Er zal eens een geniaal boek tussenzitten en dan misschien twee mindere. Je kan niet altijd op hetzelfde niveau presteren.’

‘Voor de gasten die in de De jaren langskomen – het programma dat ik op Klara presenteer – volg ik eigenlijk altijd de suggesties van de redactie. Ik zeg op alles: ‘Ja!’ Tijdens het gesprek laat ik mijn voorbereiding zoveel mogelijk los en luister ik aandachtig naar de gast en probeer ik in te pikken op hoe de conversatie verloopt. Hoewel er natuurlijk wel onderwerpen zijn die ik aan bod wil laten komen en dan stuw ik het gesprek opnieuw die kant uit.’

‘Ik ben enig kind. Soms vind ik dat knap lastig. Later zal ik de enige zijn met herinneringen aan hoe het vroeger thuis was. Het is nu niet aan de orde, want mijn ouders zijn nog kerngezond, maar ik ben een beetje een doemdenker. (lacht).’

Het interview was afgelopen en haar nieuwe vriend, die sprekend op de jonge Iggy Pop lijkt, kwam erbij zitten. Ook hij vloog, als een ware protopunker, onmiddellijk in de cappuccino! Net als Heleen spreekt hij vloeiend Latijn, maar opdat dat ik de conversatie enigszins zou kunnen volgen schakelden ze welwillend op het Nederlands over. 

Het gesprek dartelde alle kanten uit en surfte van Alain de Botton, over radicale eerlijkheid in relaties tot de noodzaak om moedig voor je principes op te komen. Op een bepaald ogenblik vertelde Heleen dat ze als jonge twintigster in het ouderlijk huis regelmatig de Knack zag rondslingeren. In dat tijdschrift las ze bijna altijd de reportages van Stijn Tormans. Onder andere zijn pen spoorde haar aan om, na haar studies geschiedenis, journalistiek te gaan studeren; alleen besefte ze na het behalen van haar diploma dat er in het toenmalige (en huidige) medialandschap te weinig ruimte was voor typische Stijn-stukken. Daarom wilde ze stage lopen bij Klara en sindsdien verblijdt ze de meerwaardezoekende luisteraars met haar beschouwende terzijdes en doortastende vragen. 

Op de trein huiswaarts begon ik Aline te lezen. Twee avonden later was het uit en opnieuw was ik onder de indruk van Heleens heldere pen. In een achteloze maar stilistisch vaak briljante stijl – die net als die van Elsschot ten dienste van het verhaal staat – verdween ik voor de duur van een roman in de wereld van hoofdpersonage Aline. Ik werd deelgenoot aan haar worstelingen, twijfels en obsessies. Het boek gaat over de verwarring na een relatiebreuk, maar het schetst tegelijkertijd een boeiend beeld van de niet bij naam genoemde stad Oostende en de omgeving waarin het zich afspeelt. Het knappe aan het boek is dat de vele maatschappelijke thema’s die Heleen beroeren op een natuurlijke manier in het verhaal worden verwerkt. Nooit staan ze opzichtig op de voorgrond, maar onderhuids voel je wat er speelt.

Aline is een sterk verhaal over de valkuilen van hedendaagse verwachtingspatronen rond moederschap, relaties, status, feminisme en buurtbewoners. En dat allemaal heerlijk lichtvoetig neergeschreven.

We stonden onze volwassen levens te spelen. Verantwoordelijk en bedachtzaam waren we, maar toch nog wild van geest, niet vatbaar voor clichés. We lazen allemaal dezelfde boeken van vrouwelijke auteurs die de pietepeuterige details met een pincet uit hun levens pulken om ze met eindeloos veel woorden te beschrijven.”

Bo Vanluchene in Londen

Dichter Bo Vanluchene – haar solodebuut verschijnt op 7 februari 2026 – verhuisde naar Londen voor de liefde, en doet daar in een schitterende blog verslag van. An Englishman in New York, beginnen wij dan spontaan te fluiten, maar dan anders en beter.

De Britse humor heeft Bo alvast helemaal onder de knie.

Later kwam een enthousiaste vrouw mijn boekenkast en Kallax-kast ophalen, geholpen door haar oude moeder tegen wie ik haar hoorde zeggen: “De vorige keer kreeg ik nét geen twee Kallaxen op elkaar gestapeld in de koffer”. Bestaan er verwoede verzamelaars van Zweeds meubilair? Is haar huis een labyrint van vakkenkasten? Kan iemand er té veel hebben? Ik had misschien moeten gaan voor de persoon wiens doodzieke hond alleen maar in Kallaxen zijn medicatie wil nemen of zo.

Hip en cool en zo (vangst #245)

Niet de middelbare school van Rein Hannik (r) Wim Bladt

Wie hip en cool en succesvol is en zo, die heeft geen tijd om goede blogs te schrijven.

Maar voor de niet zo hippe meisjes en jongens is de blog het ultieme wraakmiddel. Zie je wel dat ze goed zijn terecht gekomen? Zoals deze week Rein Hannik, die ook vertelt over mijn jeugd – of zo lijkt het toch. Of dichter Bo Vanluchene (nieuw op Aanlegplaats!), die voor de liefde naar London is verhuisd, en daar verslag over uitbrengt. Of Suzanne Brink, die voor een fietstijdschrift iemand interviewt die niets over fietsen te vertellen heeft, en geen idee heeft hoe het gesprek af te kappen.

lk dool weer door die gang, nu als een ‘aanwezigheid’, om een jonge Rein te waarschuwen voor wat er komen gaat. Ik hoor de piepende schoenzolen. Het geschreeuw. Het gelach. Het gehoon. De bassen van de leraren. Het krijsen van de juffen. Het rinkelen van de schoolbel. Ik voel de onmacht weer. De onoverbrugbare afstand tot meisjes. Tot populariteit. Maar ook tot thuis. Tot alles.

Uit: De absentie van Rein Hannik

Na de aankoop van wat poëzie, trok ik naar het gratis deel van Tate Modern. Voor Cultuur met de grote C. Nu klinkt het per ongeluk toch alsof ik een cool leven heb, maar ik heb vooral wat overweldigd naar reusachtige Rothko’s gestaard en een deur proberen te openen waarop stond dat die naar een ‘stille kamer’ leidde voor mensen die even rust nodig hadden, maar ik kreeg die helemaal niet open, er was geen klink en op den duur moest ik cool wegwandelen alsof dat aldoor al mijn bedoeling was.

Uit: De gezonde inbreker van Bo Vanluchene

Daarna ging hij los. Levensloop, cv en alle boeken die hij had geschreven. Soms stond hij op: ‘Dit boek heb ik ook nog geschreven.’
Zijn vrouw zat er ook gezellig bij en lachte hard om zijn anekdotes. 
‘Maar om terug te komen op de fiets’, probeerde ik vaak. 
Hij luisterde graag naar de Tour de France op de radio, fantastisch hoe die wielrenners de grenzen van hun eigen kunnen opzochten. Verder had hij niks met fietsen.

Uit: Mislukt interview over Jezus en de fiets van Suzanne Brink

Vleermuys

Vleermuys is gewoon mijn schrijvend alterego, aldus Iris Salembier. Ze neemt bij momenten mijn gedachten over en verspreidt ze in blog en tekst. Ze is onverschrokken en durft neerschrijven wat ik nooit had durven zeggen. Vleermuys is mijn wereld op z’n copy.

En schrijven doet ze, aldus redactielid Jo Komkommer, met een frisse en vindingrijke taal.

De hoogdagen van het naseizoen (vangst #244)

Het viel onze geweldige collega Marjon al op dat Dirk en ik in onze inleidingen en blogs bovenmatig veel koffie drinken. Dat kan beter en gezonder. Daarom zette ik op een maandagochtend verse gemberthee, begon de blog Vleermuys te lezen en werd meteen ingepalmd door de frisse, vindingrijke schrijfstijl. In de voetstappen van de schrijfster reis je mee naar een stad aan de Noordzee en dat in de steeds groeiende overtuiging dat van alle seizoenen het laagseizoen het allermooiste is.

De Kopenhagen-trilogie van Tove Ditlevsen vond ik een van de meest overrompelde leeservaringen van de laatste jaren. Het deed me dan ook plezier om te merken dat Ingrid van der Graaf die – anders dan Dirk en ik – haar koffies hoofdzakelijk in Deventer drinkt, er precies hetzelfde over denkt. Bovendien brengt zij perfect onder woorden waarom de (autobiografische) boeken van Ditlevsen zo uitzonderlijk goed zijn.

Besluiten doen we met Jan-Willem Lubbers die terugblikt op de tijd dat hij een studentenkamer deelde met een jongeman die Marcel Proust en Plato adoreerde en desondanks overtuigd was van de volmaaktheid van zijn kennis.

En dan ga ik nu koffie drinken.

De kust vind ik op z’n best buiten het zomerseizoen, om vele redenen, en één ervan – die ik nu pas ontdek- is dat ik hier blijkbaar gratis mag parkeren, dat kan zelfs niet op de parking van het ziekenhuis.’

Uit: Zeehond van Vleermuys

Ik denk aan Tove Ditlevsen die in het geheim aan haar eerste roman schreef. Daarna schrijft ze verder, verhalen vooral, ‘het gordijn tussen mij en de werkelijkheid is weer dik en geeft me een gevoel van geborgenheid.’ Vanaf haar twaalfde schreef ze gedichten, droomde ervan een boek te zijn dat door anderen meegenomen zou worden, gelezen worden. Is dromen het begin van succes?’

Uit: Neem me mee, lees me van Ingid van der Graaf

Maar onze enthousiaste gesprekken werden in de loop der tijd steeds vaker discussies en die discussies werden steeds moeizamer en pijnlijker. Zeker op het gebied van klassieke muziek. Waar ik ook enthousiast over was, hij wist altijd een dirigent of pianist te noemen die natuurlijk beter waren (of het beter zouden doen) en stond niet open voor alternatieven en de gedachte dat het ene het andere niet uitsloot. Waar ik eeuwig zoekend was, mat hij zich een air aan dat hij het allemaal al gevonden had. Waar ik twijfelde wist hij alles zeker. Dat ik muziekwetenschappen had gestudeerd en het soms toch echt beter wist, daar had hij geen boodschap aan.

Uit: 2096 van Jan-Willem Lubbers

Dope sucks (vangst #243)

Onze bloggers hebben nood aan verdovende middelen. Kimme Tigra staat in de rij voor neusspray, Gerbrand Bakker houdt het bij shag. Dat Herman Brood al in 1978 wist dat Dope sucks, vernemen we deze week via Marc Kregting in zijn onderzoek naar een specifiek soort spreektaal – “Ik denk aan termen uit een laag register, die allicht eerder een andere taal bereiken dan jargon uit de zoveelste exacte wetenschap. Scheld- en geslachtstreekwoorden, zoals fuck.”

Iedere schrijver zijn verslaving.

Het is Black Friday in de apotheek. Wie vroeg genoeg was kon neusspray in bulk kopen. Terwijl ik sta aan te schuiven in de monsterlijke wachtrij hoor ik op de podcast die ik aan het beluisteren ben een man zeggen dat zijn vriendin geen vorige bedpartners mag hebben gehad. Voor ze dus met hem samen was moest ze al rekening met hem houden.

Uit: Kimme Tigra op Instagram

Tankstations zijn zo’n beetje de enige plekken waar je nog shag kunt kopen. Ik zei tegen het meisje achter de balie wat ik wilde en zij vroeg: ‘Mag ik uw identificatiebewijs zien?’ Eerst keek ik haar zonder iets te zeggen aan. Daarna zei ik: ‘Ik ben drieënzestig!’ Haar collega, een vrouw die een stuk ouder was, zei: ‘Nieuwe regels.’ Ik stond naar adem te happen. ‘Maar kijk naar me, ik ben drieënzestig!’ Ze wees naar een bord dat op de balie stond. ‘Daar staat het.’ Alsof alles wat op een bord staat onmiddellijk geldig en allesbepalend is.

Uit: Agressie en geweld op Gerbrand Bakker

Afgaand op Van Dale bestaat in het Nederlands sinds 2009 de term sucker. Ik ontdek dat dankzij de computer, want het was te vinden in het lemma ‘zuigen’. Daar leer ik verder dat to suck betekent: waardeloos zijn. Maar sinds wanneer? Herman Brood poneerde in 1978 dan wel ‘Dope sucks’, maar dat deed hij in slang-Amerikaans. Historisch vind ik het onbegrijpelijk interessant dat Van Dale in oktober 2012 fok in de betekenis van fuck toevoegde, en fak in april 2018.

Uit: Altijd sukken op De honingpot

De vangst van Alain Grootaers (vangst #242)

‘Een blog die ik hogelijk waardeer is die van Philippe Clerick. Hij weet de actualiteit altijd met een scherpe scalpel te fileren en te duiden. Bovendien weet hij ook vaak de feiten historisch te kaderen, iets waar ik een zwak voor heb.’

‘Een andere blog die ik regelmatig lees is victa placet mihi causa van Marc Vanfraechem. Hij volgt de Franse actualiteit en literatuur op de voet en schijnt op die manier een licht op een donkere hoek in mijn kennis, vermits ik me nu meer bezig hou met de Spaanse actualiteit.’

Wie de beslissing van het Festival verdedigt, haalt aan dat Shani niet geweerd werd omdat hij een Jood is of een Israëlische staatsburger is, maar omdat hij muziekdirecteur is van het Israëlisch Filharmonisch Orkest. Dat is waar. Shani is wel degelijk muziekdirecteur van dat orkest. Tja, wat wil je? Voor zulke functies neemt men nu eenmaal de meest getalenteerde dirigenten aan. Is het een misdaad om getalenteerd te zijn?
      Ja maar, antwoordt men, daardoor is Shani gelieerd aan het ‘regime’, daardoor bekleedt hij, schrijven 14 Vlaamse cultuurhuizen, een ‘invloedrijke functie’.
Invloedrijke functie? Dat zal dan toch om muzikale invloed gaan hoop ik. Of heeft de dirigent een vinger in de pap bij het Israëlisch kabinet? En gelieerd? Shani niet meer gelieerd aan het Israëlische ‘regime’ dan Michaël De Cock aan het Belgisch koningshuis, ook al is hij hoofd van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg.’

Uit: Bedenkingen bij het gecancelde concert van Philippe Clerick

Met zijn zware ingrepen in de marktwerking, en zijn idee dat wat één land wint een ander land verliest, komt Trump dicht bij de economische opvattingen van bijvoorbeeld Ferdinando Galiani (1728-1787), of Voltaire (1694-1778) en de meesten van hun tijdgenoten. Ook zij vonden dat import en export (minstens wat graan betreft) door de staat geregeld moest worden.

Al hoorde men toen ook andere stemmen, die van de fysiocraten namelijk, die eerder l’ordre naturel voorstonden, het laissez-faire waarbij de staat zo min mogelijk tussenkwam.

Misschien is Trump wel een stiekeme lezer van Galiani?’

Uit: Leest Trump Ferdinando Galiani? van Marc Vanfraechem

Alain Grootaers, het interview

Telkens als ik Alain Grootaers zie moet ik aan het credo van Johan Anthierens denken: Niemands meester, niemands knecht. Zijn dwarse, sprankelende geest heeft iets ongrijpbaars. Je weet dat hij denkt, maar niet op voorhand wat hij denkt.

Net als zijn gedachten dartelde ook zijn loopbaan alle kanten uit. Als student had ik een mateloze bewondering voor Alains ondernemerschap. Terwijl ik me afvroeg welk leven me in de schoot geworpen zou worden, startte hij in de jaren negentig – nauwelijks twee jaar ouder dan mij – het ene na het andere tijdschrift. Ze waren allemaal losjes geïnspireerd op de Engelse mannenbladen die toen in zwang waren. P-magazine, Ché, Teek,… Stuk voor stuk voelden ze de tijdsgeest goed aan en de aandachtige lezer begreep dat ze meer om het lijf hadden dan de prikkelende en in jongenskamers legendarische badpakken-specials. De magazines stonden vol spitse artikels en onbevangen pennen kregen er de kans om ervaring op te doen en in alle rust aan te scherpen. Een betreurde vriend werkte enige tijd op de redactie van P-magazine en vertelde me dat het er zeer kameraadschappelijk aan toe ging. Er mocht wat afgelachen worden.

Dat goedlachse heeft Alain altijd gehad. Zijn donkere ogen stralen een jeugdige schalksheid uit, ook al rukken de rimpels eronder ongenadig op. In zijn gezelschap regent het kwinkslagen en dat hoeft niet te verwonderen want een van zijn oudere broers, Walter, was de zanger van De Kreuners en de bedenker van een van de meest poëtische Belgische LP-titels aller tijden: Natuurlijk zijn er geen Alpen in de Pyreneeën

Hoewel Alain voor luiheid als kunstvorm het grootste respect opbrengt, leest zijn biografie als die van een man met zeven levens. Niet voor niets noemen intimi hem de Leonardo da Vinci van Lier. Talentvolle doelman die voorbestemd leek om Danny Verlinden in het eerste elftal van K. Lierse S.K. op te volgen; begaafd fotograaf die uiteindelijk besliste om politieke wetenschappen aan de VUB te gaan studeren; manager van De Kreuners; eerste winnaar van de populaire quiz De Slimste Mens ter Wereld; olijfboer in Spanje; reisbegeleider; begenadigd kok die met Table d’Alain de culinaire lat in Antwerpen voor mindere goden zoals Sergio Herman op onbereikbare hoogte legde; betrokken vader; paardenfluisteraar; schrijver van een zeer divers oeuvre; maar bovenal: levenskunstenaar. Een heuse Pallieter. 

Jarenlang woonden we in dezelfde straat en terwijl onze langbenige Nederlandse vrouwen de wereld rondreisden, brachten wij plichtgetrouw onze dochters naar school. Elkaar aan de schoolpoort begroeten schept een band en ik had dan ook maar wat graag met Alain op café afgesproken om het over vroeger te hebben, maar zijn drukke bestaan liet het niet toe. Daarom werd het – primeur! – mijn allereerste online interview. 

Als digibeet riep ik de hulp van mijn vrouw Jolanda in en na wat gesteggel verscheen als bij toverslag Alain in beeld met op de achtergrond een staalblauwe hemel waarvan ik veronderstelde dat het de Spaanse was. Het was echter, verklapte hij me, een computeranimatie. Moet je daarvoor helemaal naar Andalusië verhuizen?

Er was wat onduidelijkheid over de beeldkwaliteit en Jolanda vroeg hem of hij ons goed kon zien.

‘Ik zie jou groot en Jo in het klein, zoals in de werkelijkheid.’

Het interview kon beginnen en vooraf vroeg ik Alain of ik het gesprek mocht opnemen.

‘Ik heb liever dat je het allemaal met de hand noteert.’

De toon was gezet.

1) Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Tijdens corona heb ik met mijn toenmalige partner Jakobien Huisman en regisseur Mark Sanders de documentairereeks Tegenwind gemaakt waarin ik wetenschappers interviewde die het niet eens waren met de maatregelen die de regering aan de bevolking oplegde en plots verloor ik al mijn werk. Ik werd gecancelled. Tot die periode schreef ik regelmatig bijdragen voor DS Weekblad en af en toe voor de website van de VRT-redactie of De Morgen. Ineens waren alle opdrachten weg.’

‘Met Tegenwind hebben we de Publieksprijs van de Ultimas gewonnen. De laatste aflevering werd in de Elisabethzaal vertoond en er was enorm veel volk komen opdagen. De eerste drie afleveringen van de reeks zijn in totaal door 7 miljoen mensen bekeken geworden. Vanaf dat moment kregen we zelf van de mainstream media veel tegenwind – met Knack, De Standaard en De Morgen voorop.’

‘Ik ben geschrokken van die tegenreacties, want ik had enkel mensen geïnterviewd waarvan ik vond dat het nuttig was om hun stem te laten horen. Een van de kernwaarden van de journalistiek is waarheidsvinding. Als ik nu de verslaggeving over Gaza lees: daar zijn zoveel gaten in te schieten. Je herkent de pertinente leugens of de verdraaiingen van de waarheid. Ik denk dat de journalistiek daar zwaar in de fout is gegaan. En het is allemaal met corona begonnen. De kritische houding van de journalistiek is toen verdwenen. Sindsdien is ze volgzaam geworden en loopt ze gedwee aan de hand van de overheid mee. De huidige pers is een beetje de Pravda van vroeger geworden.’ 

‘Maar om op je vraag terug te komen: Ik ben met mijn blog begonnen om mijn pen geoefend te houden. Op basis van mijn stukjes werd ik door Doorbraak gevraagd om een column te schrijven die in het verlengde van de blog lag.’

Zet twee oudere jongeren bij elkaar en algauw worden herinneringen opgerakeld aan de tijd dat we dachten voetbalgoden te zijn die in afwachting van een gouden toekomst bij Real Madrid, na een zoveelste nederlaag, in vermolmde kantines in de Kempen Oxo dronken.

‘Dat je dat nog weet, Jo! Inderdaad: de voor mannen van onze generatie legendarische rockjournalist Marc Mijlemans woonde achter het stadion van Lierse op het Lisp. Hij kwam naar de wedstrijden van de reserves kijken en stond achter mijn goal. Hij moedigde me aan om vooral te blijven schrijven. “Je moet een nieuwe Jan Mulder worden.” Op zijn aanraden ben toen aan een boek met verhalen over de kleedkamer-avonturen van een voetbalploeg begonnen. Het waren waarachtige, uit het voetballeven gegrepen anekdotes. Spelers die in de douche tegen elkaars benen pisten en ander hoogstaand cultureel vertier.’

‘Als vijftienjarige richtte ik met mijn neef Marc Hendrickx een eigen striptijdschrift op: Clumsy’. Ik was gek van stripverhalen en we reisden het hele land af om striptekenaars te interviewen. Zelf ben ik een abominabele tekenaar, daarom dat die wereld me zo fascineerde.’

‘Wat me altijd is bijgebleven is het gesprek met Pom, de tekenaar van Piet Pienter en Bert Bibber. Achter zijn tekentafel hing een houten plankje met daarop twee boeken: een exemplaar van het Groene Boekje – want Pom was in Duitsland opgegroeid en worstelde soms met de Nederlandse taal. En Hommeles in Rommelgem uit de Robbedoes-reeks van André Franquin. Het exemplaar was door veelvuldig gebruik volledig stukgelezen. Als Pom bijvoorbeeld moeite had om handen te tekenen – een ware nachtmerrie voor de meeste schilders en tekenaars, zo verdubbelde de Spaanse schilder Goya zijn prijs als hij zijn opdrachtgever met beide handen moest schilderen, vandaar dat je op veel werken van Goya in het Prado edelmannen ziet die één hand achter hun rug houden – greep hij telkens weer terug naar het album van grootmeester Franquin, want volgens Pom tekende er niemand beter dan de geestelijke vader van Guust Flater.’

‘Of ik dankzij mijn blog nieuwe opdrachten heb gekregen? Ja en neen. Het helpt om je bezig te houden; om je pen aan te scherpen; om je te stimuleren en na te denken; om onderwerpen en invalshoeken te zoeken. Dat is belangrijk. En in mijn geval, toen ik ziek werd (Alain werd in 2023 op de motor in Malaga getroffen door een hersenbloeding), fungeerde het als een soort van dagboek waar ik later op kon terugvallen. Mijn dagboeknotities vormden de basis voor mijn recent verschenen boek Beroerd.

‘Het aantal lezers van mijn blog schommelt enigszins. Het hangt ervan af hoeveel reclame ik er op sociale media voor maak. Maar het varieert tussen de 5000 en 20.000 per week. Een zeer behoorlijk bereik.’

‘Mijn kracht als schrijver is dat ik mezelf niet té serieus neem. Ik zal altijd proberen er wat humor in te steken. Ik tracht alles door een schertsende bril te bekijken. Mijn credo is: Jezelf niet te serieus nemen, maar je werk wél.’

2) Wie zou je willen dat een blog begint en waarom?

‘Ik zou weleens een blog van onze premier willen lezen. Ik heb net op YouTube zijn bijzonder intelligente voordracht in Nederland voor Elsevier Weekblad gezien. Bart De Wever is een historicus en tijdens de lezing greep hij meteen terug naar de splitsing van de Nederlanden. Hij kaderde het in een historisch perspectief en kwam uiteindelijk bij het huidige Europa uit. Die splitsing is ook een beetje mijn stokpaardje want ik ben, net als De Wever, een orangist (het orangisme is een beweging die ijvert voor het herstel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden). De Wever staat daarin niet alleen. Ook socialisten zoals ‘vadertje’ Edward Anseele zijn hem daarin voorgegaan. Volgens Anseele was de grootste historische fout uit onze geschiedenis de Belgische revolutie en de scheiding van de Nederlanden en ik ben het daar volledig mee eens. Ik zou dus wat vaker in het hoofd van De Wever willen kijken omdat ik hem een intelligent en belezen man vind en ik wil weten hoe hij zelf die spreidstand ervaart om nu als Vlaams nationalist plotsklaps ook de Belgische staat te moeten belichamen.’

‘Politiek gezien zou je mij een progressieve conservatief kunnen noemen. Ethisch progressief, maar cultureel en economisch conservatief. Ik heb politieke wetenschappen en internationale betrekkingen gestudeerd en ben Marxistisch opgeleid. Op mijn achttiende was ik uitgesproken links, maar dat is wel veranderd – ook door de geschiedenis beter te bestuderen en te zien wat het communisme ons heeft gebracht en vooral niet heeft gebracht. Op dat vlak is er bij mij mentaal een sterke verschuiving geweest. Ook in het Gaza-conflict sta ik eerder, denk ik, aan de Israëlische kant dan aan de kant van Hamas. Ik bekijk het wat pragmatischer. Ik vind de reacties op het conflict heel emotioneel. En ook hier is de rol van de pers weer in twijfel te trekken waarbij propaganda soms moeilijk van verslaggeving te onderscheiden valt. Propaganda-gewijs worden veel mensen gevoelsmatig in een bepaalde richting geduwd. Die psychologische oorlogsvoering in ons hoofd is tijdens de coronacrisis begonnen, waar mensen als kuddes een eenduidige visie werd opgedrongen. Als je niet plooide was je asociaal, of een antivaxer of een complottheoreticus. Je werd meteen gemarginaliseerd. En nu zie ik hetzelfde gebeuren met Gaza. De tragiek van 7 oktober 2023 – waar onschuldige festivalgangers werden afgeslacht – veroorzaakte een trauma in de Israëlische samenleving. Stel je voor dat op Rock Werchter zweefvliegtuigen zouden overvliegen en parachutisten neerdalen en op de massa beginnen schieten. Ga je dan nog zo reageren? Ik heb Israël een tiental jaar geleden bezocht. Het was naar aanleiding van een boek dat ik al lang had gepland over de reis die de Vlaamse Fransiskaner monnik Willem van Ruysbrouck te voet ondernam naar Mongolië om daar in opdracht van de Franse koning en de paus de grote Khan te ontmoeten. Zijn reis en dus ook mijn onderzoek, startte in Acre, het bruggenhoofd van de tempelridders in Israël, dichtbij de grens met Libanon. Bovendien heb ik tijdens dat bezoek veel van oorsprong Arabische Israëliërs ontmoet, want mensen vergeten dat 21% van de inwoners van het land van Arabische origine is en dezelfde rechten genieten. Het is de enige democratie in wat wij nog steeds het Midden-Oosten noemen – terwijl het alleen maar zo heet omdat het in het midden tussen Londen en Indië ligt. Velen onder hen werkten in de tech-industrie en vertelden me dat ze zich in een Arabisch land nooit zo hadden kunnen ontwikkelen. Ze kregen toen van de Israëlische overheid evenveel kansen, ook financieel, als de andere bewoners. Dat heb ik tijdens dat bezoek geleerd. Ik denk dat reizen een sleutelpunt is om de wereld beter te kunnen begrijpen. En uiteraard de geschiedenis kennen!’

3) Wat maakt een blog goed?

‘De kans om in het hoofd van een schrijver te kijken. Waar is hij of zij mee bezig. Hierbij gaat het niet alleen om het aankaarten van wereldproblemen maar ook om de persoonlijkheid van de auteur, om hoe hij zijn levenssfeer inkleurt. Dat was de grote kracht van een van mijn favoriete schrijvers: Godfried Bomans. Hij gaf een inkijk in zijn privé-leven en verstond de kunst om van daar uit te waaien naar bredere onderwerpen. Meestal speelden die zich dan op café af. (lacht).’

‘Als jonge tiener las ik naast Bomans eveneens bijzonder graag P.G. Wodehouse. Maar als ik zelf een boek aan het schrijven ben, moet ik goed uitkijken wie ik lees, want ik heb de neiging om een stijl waar ik van hou over te nemen. Als ik in een Dashiell Hammett bezig ben, wordt een column soms een hard-boiled mysterie uit de jaren dertig vol spitse one-liners en fatale blondines. Daar moet ik echt voor oppassen.’

‘Het visuele aspect van een blog is voor mij minder belangrijk. Het gaat om de tekst – hoewel ik er zelf wel foto’s tussenschuif om het geheel wat te verluchten. Maar in de kern draait het voor mij om het verhaal.’

‘Hoewel ik graag in België ben – en zeker in Lier waar ik opgroeide – blijf ik in Spanje wonen. Het is mijn thuisland geworden. Ik ben nu een filmscript voor een televisiereeks aan het schrijven. Samen met mijn Spaanse echtgenote Estrella, die binnenhuisarchitecte is, heb ik een productiehuis opgericht en daar gaan we mee aan de slag. Eind december moet het scenario klaar zijn. Het zal een kostuumfilm worden die zich afspeelt in het Spanje van de zestiende eeuw. Hun gouden eeuw.’ 

Lier is altijd mooi, en zeker op een donderdagavond in de herfst. In een goed gevulde galerij Artisjok hield Alain Grootaers er zijn nieuwste boek Beroerd boven het doopvont. In de grote ruimtes van de kunstgalerij wemelde het van gezichten uit zijn rijkgeschakeerd verleden en hoewel de neergang bij de meesten van ons aan een onstuitbare opmars was begonnen, werd er behoorlijk wat afgelachen. Iedereen voelde zich welkom: zelfs Royale Union Saint-Gilloise-supporters uit de Brusselse rand. Na de zwierige inleidingen van Liesbeth Imbo en Bert Kruismans – die zelf door een herseninfarct was getroffen en een lotgenoot was – nam Alain het woord. Zijn stem klonk nog immer krachtig en zijn gedachten waren nog steeds – zoals het motto van de Amsterdamse verzetskrant Het Parool – vrij en onverveerd. Er werd gul met grappen gestrooid maar even vaak zag je dat hij, rondkijkend in de zaal, door emoties werd overmand. Oude jeugdliefdes met wie het goed toeven was aan de oevers van de Nete waren oma’s geworden; bevriende journalisten met scherpe pennen leunden nu op wandelstokken; kortom: le tout Lier was aanwezig en inwoners van andere Metropolen konden alleen maar afgunstig toekijken op de warmte die er die avond in de Pallieterstad hing. 

Na het overdonderende applaus verscheen Yarrid van uitgeverij Pelckmans met een grote bos bloemen ten tonele, waarop Alain hem verwelkomde met de woorden: ‘Yarrid dacht dat ik dood zou neervallen en heeft bloemen meegenomen voor op mijn graf.’

Yarrid bood niet alleen bloemen maar ook een helpende arm aan en ondersteunde een fier rechtopstaande Alain. Met het klimmen der jaren is hij – die ooit door een optimistisch gestemde moeder naar Alain Delon werd vernoemd – meer en meer op een Spaanse edelman gaan lijken. Slank. Trots. Maar ook breekbaar. Een man die tot voor zijn hersenbloeding met de motor de hoogste bergkammen beklom, schuifelde nu behoedzaam naar zijn signeertafel.

Op de trein begon ik Beroerd te lezen en twee avonden later was het uit. Het boek is een wervelend geschreven verslag van de ziekte die zijn leven danig overhoop gooide. Nooit wentelend in zelfmedelijden, nooit tranerig, nooit belerend. Afwisselend geestig en ontroerend vertrekt het uit een particuliere ervaring om algemene zaken over een ziekte te zeggen die in België jaarlijks 19.000 mensen treft. De toon is vintage Alain Grootaers: al monkellachend het leven en de liefde omarmend, zonder evenwel de schaduwkanten ervan uit het oog te verliezen.

Als ik mijn hele leven naar dit soort handelaars in angst had geluisterd, dan was ik verzekeringsagent geworden in plaats van journalist. Dan was ik nooit naar Andalusië verhuisd, de beste beslissing ooit. Of dan had ik nooit een sabbatjaar genomen om met mijn toen negenjarige dochter door India en Zuid-oost-Azië te reizen, een ervaring waar ze nu nog steeds de vruchten van plukt. Of dan had ik nooit de Himalaya en de Andes overgestoken met de motor. Ik zou mezelf beroofd hebben van levensveranderende ervaringen en herinneringen waar ik nu, in een Spaans ziekenhuisbed – trouwens ook een levensveranderende ervaring – nog steeds van geniet als ik eraan terugdenk.

Meer moet dat niet zijn (vangst #241)

Gouden raad van Tante Kaat op een dinsdag in de herfst. De bomen kleuren al amber, mahonie, koper. Verslik u niet in uw Espresso Macchiato, slurp geduldig met genotvolle slokken, proef het zachte schuim. Dat je niet moet moeten, behalve doodgaan op het einde. Hoe je dan misschien wel meer betekenis geeft aan alles, schrijft Joe Duncair.

Eveline Vanhaverbeke heeft slaaptips in petto. Praktisch nu de donkere dagen en lange nachten lonken. Het misschien wel goede nieuws: seks kan altijd.

Margot Springvlo schetst een ruimte waarin leven nog mag zonder regelneefjes en kommaneukers en muggenzifters. Tranen, lege flessen wijn, peuken, een snorrend kacheltje, lieve warmte.

Sinds het relatief vroege overlijden van zijn ouders, leeft hij het leven veel meer van dag tot dag. Dat wordt door zijn ziekte nog versterkt. Ik beheers die vaardigheid nog niet. De kankerliefde leerde het mij, van dag tot dag. Zelfs een restaurant dat louter een afspiegeling is van de werkelijke vakantiebestemming, wordt hierdoor iets moois, iets wat we zelf invullen, zelf betekenis geven. “Niets moet” is geen universeel geldende wijsheid – die bestaan namelijk niet. Het is wat er gebeurt als de dood je in de ogen kijkt. Dan realiseer je: enkel sterven moet. Dat werkt bevrijdend. Het is die vrijheid die ik als tiener projecteerde op veertigplussers. Op voorwaarde dat ze niet sterven natuurlijk.

uit:  Herinneringstempel  van: Ontaarding

Tip 13: Hou je bed exclusief als een plek om te slapen.

Het is belangrijk dat onze geest ons bed ziet als de plek waar er geslapen wordt. Doe daarom geen andere activiteiten in bed dan slapen (en seks). Laat je gsm sowieso buiten de slaapkamer, maar ga ook niet lezen in bed of tv kijken. Door je bed alleen te gebruiken als een plek om te slapen versterk je de associatie die je geest maakt tussen je bed en slaap.

uit: Volg-deze-16-tips-om-snel-in-slaap-te-vallen-en-eindelijk-weer-goed-door-te-slapen van Flow with life

in de schuur ben ik thuis
mijn tranen hebben zich in het hout genesteld
mijn lach ligt achter de boormachine
mijn boek in de hoek
lege flessen wijn 
volle bakken peuken
het kacheltje snort 
ik lees er de krant 
ik kijk er een film 
in de schuur ben ik thuis

uit:  Schuur  van Margot ten Kaat

Gevleugelde woorden

Geen literaire blog, maar wel veel te leuk om niet op te nemen, zo oordeelde de redactie van Aanlegplaats.

In Gevleugelde Woorden brengt Aron Groot elke zaterdag een stuk taalgeschiedenis. Met als bonus een handleiding Proto-Indo-Europees lezen. Onweerstaanbaar toch?

Het schrijven van deze stukjes kost tijd – in dit geval mijn hele donderdagnacht. Mocht je mij willen motiveren om door te blijven gaan, dan kan dat door a) dit stukje te liken, b) je te abonneren, of c) een donatie te doen. Maar wees niet bang: ook zonder jullie steun zou ik door blijven gaan! Ik vind het schrijven van deze stukjes namelijk erg leuk.