Lieke van den Krommenacker, het interview

Lieke van den Krommenacker is freelance cultuurjournalist en boekverkoper. Ze schrijft regelmatig voor onder andere de VPRO Gids, LETTER en het Fries Museum en is (co-)auteur van de novelle Hogelandlopers, het boek Waanzinnige verhalen over volwassenen met het Foetaal Alcoholsyndroom en de bundel Ik wacht, waarin 101 verhalen van Groninger aardbevingsslachtoffers zijn verzameld. Daarnaast geeft ze boekbindworkshops.

We studeerden samen Cultuurwetenschappen in Maastricht. “Hoelang hebben we elkaar niet gezien? Decennia!” De laatste keer was in een café in Amsterdam, waar Lieke was neergestreken voor een stage bij het tijdschrift Intermediair. Sindsdien maakten we een soort van omgekeerde beweging waarbij zij als Brabander in Groningen terechtkwam en ik als Drent in Antwerpen. Vóór Joris Luijendijk wisten wij al dat je geen airmiles hoeft te maken om je antropologisch hart op te halen.

Voor de gelegenheid stoffen we ons Zoomaccount nog eens af. De zoektocht naar een goede verbinding en een ongestoorde praatplek stemt bijna nostalgisch. Groter voordeel nog is dat ik binnen een halfuur in Lieke’s living, bibliotheek, keuken en kleerkast ben geweest én haar vriend heb gesproken. ”Mijn aandachtspanne is over het algemeen nogal kort. Het is een wonder dat ik alweer zes jaar met deze man samen ben.”

Lieke van den Krommenacker is opmerkzaam, kan fantastisch schrijven en heeft een groot gevoel voor humor. Daarmee is ze een uitgelezen kandidaat om een blog te hebben. Of niet soms?

“Ik heb twee keer een dappere poging gedaan. Eerst met studiegenoot Nanda toen we net waren begonnen aan onze master Journalistiek. Eens kijken… ja! Hij bestaat gewoon nog (www.dubbelklikken.blogspot.com, red.). We schreven over wat ons bezighield, een beetje columnachtig. Het waren de beginjaren 2000, de hoogtijdagen van de blog, daar moeten we op meegesurfd hebben. Na een tijdje kwam de klad erin. Daarna heb ik zelf nog eens een blog gehad (journalieke.blogspot.com, red.), maar daar legde ik mezelf zodanig veel regeltjes op – het moest elke week, op die-en-die dag – dat het me teveel moeite kostte. Ik heb het dan een stille dood laten sterven.”

Maar mis je dat dan niet? Ik neem aan dat je het leuk vond om te doen?

Ik heb wel plezier in het schrijven, ben dol op het gepuzzel met taal, maar het kost me ook veel moeite. Ik ben te perfectionistisch, ik wil het te goed doen. Dat zet een rem op mijn creativiteit. Als ik schrijf zit ik constant na te denken over woorden, woordvolgorde, zinsbouw. Ik worstel ermee. Ik schrijf nu amper voor mezelf en vooral in opdracht.

Enkele jaren geleden schreef je live liefdesbrieven op bestelling, dan is er toch geen tijd voor perfectionisme?

Hmm, daar ging het me toch ook wel om de zuivere aandacht, de vertraging van ‘ouderwetse’ briefschrijven en de zorgvuldigheid in denken en typen die daarmee gepaard gaat. Het is ooit begonnen in een boekhandel, daarna zat ik veel op festivals, wat geweldig was. Na een aantal jaren was ik toe aan iets nieuws, ook omdat ik mezelf voor mijn gevoel had uitgeput in de hoeveelheid manieren waarop ik namens mensen aan mensen had geschreven waarom ze zo leuk/lief/mooi/grappig/zorgzaam/bijzonder etcetera waren.

Wat maakt een blog voor jou goed?

Ik lees eigenlijk zelden blogs, ik vrees dat ik er te ongedurig voor ben. Ik lees wel veel boeken, kranten en tijdschriften voor en naast mijn werk. De laatste blog die ik heb gevolgd was Fuck die studieschuld van mijn vriendin Maaike Wind, over het aflossen van haar studieschuld. Dat is een populaire blog geworden, mede door het thema, geld. Jouw blog vind ik leuk omdat ik je ken. Maar anders zou ik niet zo snel een blog lezen. Tenzij het over sektes zou gaan.

Pardon?

Ja, ik heb een fascinatie voor sektes en (schimmige) werelden waar je normaliter niks van te zien krijgt, of hooguit in zeer gefilterde of diplomatieke vorm. Ik heb interesse voor waar het schuurt, de rafelranden; ik denk dat dit voortkomt uit het slecht kunnen verdragen van onrechtvaardigheid, waar de wereld nogal vol mee zit – en ook gewoon een grote nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit en wat mensen – soms in godsnaam – beweegt. Als je daarover goed kunt schrijven, hang ik aan je lippen.

Weet je welk boek zo’n inkijk geeft? V13 van Emmanuel Carrère, over het proces na de aanslagen in Parijs. Hij schrijft dagelijks over wat er in de rechtbank gebeurt. Er komen andere journalisten op de meer spectaculaire processen af, maar hij gaat elke dag. Die stukjes verschenen in Le Monde en later werden ze gebundeld, als korte hoofdstukken. Een boek als een mokerslag, vond ik het.

Dus, als de vraag is: ‘moet er iets gruwelijks gebeuren vooraleer je er een blog over zou lezen?’ ben ik bang dat het antwoord ja is (lacht). In het verlengde daarvan: een blog vanuit het koningshuis zou ik ook interessant zou vinden. Maar een echt eerlijke blog dan wel.

Zelf nooit gedacht om undercover te gaan?

Nee, ik kan heel slecht liegen.

Zijn er specifieke personen van wie zou je graag een blog zou willen lezen?

Dan ga ik om te beginnen over naar een andere fascinatie van mij: de diepzee. In het boek Het licht van de diepzee van Brad Fox wordt beschreven hoe ontdekkingsreiziger William Beebe in 1930 in een glazen bol tot 900 meter de oceaan afdaalt. Wat hij onderweg ziet wordt genoteerd door zijn vrouw Gloria Hollister, die hij aan de telefoon heeft tijdens zijn reis. Zij geeft hierbij heerlijk droogkomisch commentaar. Je merkt aan de mannen dat ze neerkijken op haar, maar uiteindelijk gaat ze ook mee naar beneden en verovert ze een plek in de geschiedenis. Van haar zou ik heel graag een blog willen lezen.

En van mijn vriendin Elline. Zij is een van de grappigste mensen die ik ken op aarde, ze heeft een zelfverzonnen vocabulaire, gebruikt woorden als ‘onderoog’ en ‘projectiekots’ en ik denk dat heel veel mensen gebaat zouden zijn met haar kijk op de wereld.

Wat moet er gebeuren om jou weer aan het bloggen te krijgen?

Ik denk toch een andere persoonlijkheid. Of misschien: mijn pensioen.

De ogen van de Siciliaan (vangst #193)

Het allermooist vind ik de verhalen van mensen die zichzelf overstijgen. Een middelmatige muzikant die een lied met eeuwigheidswaarde componeert; een schrijver van dertien in een dozijn die dat ene meesterwerk schrijft; een doordeweekse voetballer die enkele begenadigde weken beleeft en zijn vaderland in vuur en vlam zet. Toto Schillaci was zo’n voetballer. Matige techniek. Klein van postuur. Vroeg kalend. Een zondagsschilder in een elftal vol virtuozen. Maar tijdens de zomer van 1990 groeide hij uit tot de held van Italië. Op het wereldkampioenschap voetbal leefde hij – en samen met hem alle huismoeders in het land van Marcello Mastroianni – op een wolk. Elke baltoets lukte. Na die gouden weken leek het of zijn geluk voorgoed op was. Zijn vrouw verliet hem voor een prima donna met zwarte lokken; de spits was het scoren verleerd en belandde op de bank van steeds amechtiger voetballende ploegen. Vierendertig jaar na die ene zomer waarin zijn ster zo hevig schitterde in het shirt van La Squadra Azzurra stierf Toto Schillaci op negenenvijftigjarige leeftijd aan kanker. Bruno Willaert schreef op zijn blog Reloaded een knap portret van de aanvaller uit Palermo. Net als Marcello Mastroianni zal Toto Schillaci nooit vergeten worden.

We beginnen onze triptiek echter met een verhaal uit De sprekershoek van de schrijverij. Erik Herbosch blikt op de melodie van een klassieker van De Strangers terug op de voorbije gemeenteraadsverkiezingen en plaatst kanttekeningen bij de viering van een verkiezingsoverwinning die deed denken aan goedkope sandalen-film uit het Hollywood van de jaren vijftig. Het was kitsch zonder dat relativerend vleugje camp en dan krijgen feestvierende vuisten in de lucht al snel een andere lading.

Veel te laat aangemeerd in onze haven is blogger Mike. In het verhaal Leven in de breedte herontdekt hij zijn oud droomboek en bedenkt een systeem om meer uit het leven te halen dan erin zit, zodat iedereen zijn of haar persoonlijke zomer van 1990 mag beleven.

De Kiezer in het land had zijn zegje wel gehad, het woord was aan de Keizer nu. Beschermd door bonkige bodyguards en omstuwd door zijn discipelen schreed de Keizer onder het wakende oog van een adelaarskop op een spies met geheven hoofd en vaste tred naar het spreekgestoelte vooraan in de arena. Op een teken van zijn hand bedaarde het gejoel. Begeesterd als een konijn voor een lichtbak hield het volk de tongen stil en de lippen op elkaar.’

Uit: Een Stranger van Erik Herbosch

‘Maar toen draaide ik het om. De tijd die mij nog rest kan ik wezenlijk verlengen door er ook mijn dromen bij op te tellen. De avonturen die ik s nachts beleef zijn misschien nog wel meer de moeite waard dan overdag. Ik moet er alleen voor zorgen dat ik ze onthoud. Ziedaar de terugkeer van het droomdagboek. Niet per se om lucide te dromen, meer een zaak van leven of dood.’

Uit: Leven in de breedte van Mike

‘Zijn naam alleen al boezemt ontzag in, en dat in een jaar waarin naamgenoot Toto Cutugno voor Italië het Eurovisiesongfestival won. Het zijn vooral zijn doordringende ogen, die door alles en iedereen boorden, die in het collectieve geheugen gegrift blijven. Ieder doelpunt werd vol passie en vuur gevierd, alsof het zijn laatste zou worden. Zijn naam, Salvatore, wat verlosserbetekent, leek hem tijdens dit toernooi op het lijf geschreven.’

Uit: Toto Schillaci van Bruno Willaert

Enshittification (vangst #192)

Veel meer nog dan de aankomst telt de reis,
verlangend naar een doel dat je niet kent,
want meestal blijkt, als je er eenmaal bent,
de eindbestemming niet het paradijs.

De recherche in kwatrijnen (45) van Ruud Verwaal

Het is Jan-Willem Lubbers die me op het woord ‘enshittification’ wijst. Platformverval in het Nederlands, of verteringisering of vershitting – wie een betere vertaling verzint, graag! Het proces is altijd hetzelfde: Surpluses are first directed to users; then, once they’re locked in, surpluses go to suppliers; then once they’re locked in, the surplus is handed to shareholders and the platform becomes a useless pile of shit (Corow Doctorov). En zo blijft er van het sympathieke Google, Apple, Twitter, Amazon – en wie weet straks ook Aanlegplaats – niets over.

En wat is het leven anders dan een platform? Het paradijs al zeker niet, zoals Ruud Verwael uit Proust hertaald. Jan-Willem Lubbers, Rene Van Densen en Vincent Merckx zijn het roerend met hem eens.

Eenmaal thuis val ik dan in slaap boven mijn lectuur en dat vind ik uitermate frustrerend. Kan ik gaan doen waar ik voldoening uit put, ben ik te moe, moet de batterij opgeladen worden. 

Uit: 238 van Jan-Willem Lubbers

De schrijver had genoteerd dat elke 40 jaar zo zijn onruststoker kent, zijn brandstichter, “we spelen oorlogje, want we hebben genoeg van vrede”, besloot hij. 

Uit: Wol van Vincent Merckx

Met een zak vol koffiekoeken loop ik langs de arme, magere hongerige rij die bij de Voedselbank staat. Ik wijs naar de zak en gebaar dat het lekker gaat smaken. Je moet de mensen iets te dromen geven in het leven, beaamt ook het barmeisje dat vandaag haar decolleté nog wat meer gedecoreerd heeft.

Uit: Verveling van Rene van Densen

De vis, de helm en de prinses (vangst #191)

Voor de vangst van deze week moesten we niet ver gaan zoeken. Marita en Ingrid Vanderkrieken, beiden deze zomer nog actief in Flessenpost, hadden een nieuw stukje op hun blog staan dat we wel moesten delen. Ingrid schreef nog eens over haar vis, de vis waarvan ik dacht dat het een logeervis was, maar die nu toch al even rondzwemt in de Oostkantons. Groot gelijk, als Ingrid je iedere avond op onnavolgbare wijze bijpraat over haar dag: “Ik zei ook hoe betreurenswaardig ik het vind dat Gerbrand Bakker niet voorkomt in de lijst van de beste Nederlandstalige boeken van deze eeuw volgens de Knack. Ik kijk naar geen enkel lijstje meer, lamenteerde ik, al die onzin.” 

En ja, als Marita schrijft over een fietshelm, dan weet je dat het gaat knallen. “De helm ligt al weken verstopt in de fietstas, ik voel toch enige gêne om het ding op mijn hoofd te zetten. Het is zo on-Nederlands, straks schelden ze me uit voor ‘expat’. Of voor Duitser, dat zou ook niet voor het eerst zijn.”

Naast het vertrouwde leesplezier geven we u ook graag inkijk in iets nieuws: de blog van Suzanne Brink meerde hier vorige week aan. In ‘Prinses Viola te paard’ schrijft ze over haar vriendschap met een excentrieke klasgenoot op de kunstacademie.

Maar goed. Gisteravond begon ik gemoedelijk aan het gebruikelijke avondpraatje. Ik vertelde dat mijn man de bomen heeft gesnoeid, dat de eerste bladeren vallen en ik vanaf nu de was weer binnen laat drogen. Dat we in de namiddag bij vrienden op de koffie waren, en de vrouw én de man ieder een taart hadden gebakken. Dat Duitsers bij elk gebak slagroom serveren, slagroom zonder suiker, en ik dan geneigd ben er te veel van te eten. De vis keek bijzonder begripvol maar meende het niet. Hij heeft immers geen probleem met zijn gewicht.

Uit: In de vissenkom – slagroom en meningen op Rimpelingen

Na het ontbijt in de strandtent overweeg ik om op de terugweg de helm in de fietstas te stoppen. Ik doe het niet, want stel je voor dat er onderweg wat gebeurt. En het zou toch heel suf zijn dat je in de krant komt met de volgende tekst: “Fietsster met ernstige hoofdwonden aangetroffen in de berm. Uit nader politieonderzoek is gebleken dat de vrouw een helm bij zich had, maar deze niet droeg. De vrouw heeft ernstige hersenschade opgelopen, de kans op herstel is klein.’

Uit: Fietshelm op Marita’s overpeinzingen

Viola’s favoriete onderwerp was seks. Ik hoopte dat ze ophield als ik niks terug zei. Ze had het over een Rotterdamse vriendin die de hele tijd met haar naar bed wilde. Lesbisch was ze niet, misschien bi, want ze had het ook over jongens en hoe goed ze wel of niet beften. In de zomer droeg ze rokken en jurken zonder iets daaronder. ‘Gewoon lekker’, zei ze. 
Bij het uitgaan ontmoette ik een jongen, maar toen we begonnen te zoenen, tikte zij me boos op de schouder: ‘Samen uit, samen thuis.’ 

Uit: Prinses Viola te paard op Suzanne Brink

PS: Heeft u een idee voor een brief aan een van onze bloggers, als startpunt voor een nieuwe Flessenpost? Stuur een berichtje naar aanlegplaats@gmail.com

Mike

Hedenochtend, terwijl het water door het doucheputje verdween, overviel mij de volgende zinloze, en incidenteel terugkerende, gedachte: “Hoe zat dat ook maar weer, verdwijnt water nu links- of rechtsom door doucheputjes op het noordelijk halfrond?” Ik wist dat het ofwel iets te maken had met de Coriolis kracht en de draaiing van de aarde, ofwel domweg onzin was en gewoon afhankelijk van het type doucheputje.

Zo begon, in 2002 al, Mike aan zijn blog.

En die ontdekken wij nu pas! Schande!

Suzanne Brink – Troostkoper

Suzanne Brink is schrijfster, journalist en weet beroepshalve alles over fietsen, versnellingen en regenkleding.

Haar verhalen stopt ze vol met kleurrijke details en een gezond gevoel voor humor.

Vergeleken bij Viola was ik heel gewoontjes. Maar zij kwam dan ook uit de grote stad Rotterdam en had gescheiden ouders. Scheidingen vond ik waanzinnig interessant. Volgens mijn voor de eeuwigheid getrouwde ouders was niks erger dan scheiden. 

Naast de website / blog is er ook een nieuwsbrief, Troostkoper, op substack.

Kathy Mathys

In mijn blog wil ik het hebben over wat me bezighoudt, en dat is toch in de eerste plaats literatuur: over hoe de boeken die ik lees me vormen, over schrijven, schrijftechniek, zo zei schrijfster en schrijfdocent Kathy Mathys het in haar interview als gastvisser.

En dat ze regelmatiger gaat bloggen.

Daar zijn wij, samen met al die andere schrijvende lezers, alvast heel blij mee.

De gretigheid van deze schrijvers ontroert me, het gekras van pennen maakt me rustig. Nu al weet ik dat enkelen van hen mij zo zullen raken door de verbazing die siddert in hun stem. Heb ik dat echt geschreven? Is het echt goed?

Stem Leven (vangst #190)

Verkiezingskoortsrood en kiespotloodrood. Schaamrood van uitslag en uitslagen. Het Rode Gevaarrood. Verliefde blos- en rozenrood, rode oortjesrood, rooie cijfersrood, roodborstjesrood, rode loperrood. Bordeauxwijnrood en roestrood,
het vuur van de wingerd in de herfst. Vergoten bloed dat drupt en drupt, wat een rood is dat precies en waarvoor dient het?

Mark Reugebrink duidt waarom de AfD (extreem rechts in Duitsland) won in Thüringen, Saksen en Brandenburg. Hij haalt er virtuoos Eribon bij met zijn Terug naar Reims en ook Michel Foucault, Dirk Tielemans, de Iraanse revolutie komen aan bod. Hij heeft het over rood dat bruin werd of nog een andere roodsoort kreeg. Ik noem het maar het bittere verbodsbordrood.

Sarah De Grauwe bezingt de herfst met facetten diepgroen, citroengeel en goud. Maar ook scharlaken esdoorns, het vermiljoen van appelbomen, de gloed van late septemberavonden. Ze lanceert het Duitse woord ‘zugunruhe’, over de migratie van vogels door het hemelsblauw.

Laura Buelinckx vertaalt in haar Ministerie van Hysterie vrij een gedicht van Rafeef Ziadah We teach life Sir en lijkt leven te verkiezen boven vergeldingsacties, teeveebeelden van gewonden en wenende piëta’s, boven partijen en volkeren. Leven in kleuren. Ook als het winter wordt.

Want het ‘eigene’ van de eigen (culturele of sociale) identiteit bestaat nog steeds bij de gratie van het ‘andere’ en de uitwisseling, soms confrontatie tussen het gekende en het andere. Het toverwoord daarbij is niet ‘uniformiteit’, maar juist ‘diversiteit’. Diversiteit kan niet bestaan zonder eigenheid.
uit: De consumens en de Landeswahlen in Duitsland van Mark Reugebrink

Het Duitse woord ‘zugunruhe’ beschrijft de seizoensgebonden migratie van de vogels. Willen migreren vanuit een onrustig enthousiasme… Het is herkenbaar. Ik lig languit op de bank te luisteren naar Five Leaves Left van Nick Drake. Tegen de gloed van de late septemberavond tekent zich de reislust van wat ganzen af. Ja, in deze dagen van vreugdevolle urgentie zou ik eeuwig willen blijven hangen, als een hele grote, angstaanjagende spin, om elk geluid te horen, en dromerig in de belofte van het eeuwig sterven te staren.
uit: Zugunruhe van Sarah De Grauwe

Vandaag was mijn lichaam een bloederig tv-beeld
dat moest passen in een soundbite en een woordenlimiet
en toch ook wel genoeg statistieken om reacties te weerleggen.
En ik verruilde mijn moedertaal voor het Engels
en ik kende mijn VN-resoluties.

Wij leren leven, meneer.
Wij leren over leven, meneer.
Wij leren overleven, meneer.

uit: We teach life, sir
Mijn banale bestaan
door Laura Buelinckx

De vangst van Kathy Mathys (#189)

Eigenlijk hou ik het meest van blogs die een specifiek onderwerp hebben. Een blog over Victoriaanse jurken, over bloemen drogen, over haiku’s schrijven: helemaal mijn  ding! Toch heb ik gekozen voor twee blogs die het leven in al zijn vormen en gedaantes onderzoeken.

Als eerste kies ik voor de blog van Sylvie Marie. Of het nu gaat over de poëzie van de metaaldetector of over een lezing in Colombia, altijd weet ze me mee te nemen. Ik lees haar blogs meestal via Facebook. Haar observaties zetten me altijd weer aan het denken en zijn speels en ontregelend.

‘Ik houd van de woordenschat in het wereldje. Weet u bijvoorbeeld het verschil tussen een bodemvondst, een voetvondst en een oogvondst? En wat zou een donderbus, een lepelsonde of lansschoen zijn? Je leert wel wat bij. Maar het mooiste aan deze hobby is natuurlijk dat je oneindig veel kunt verzinnen over waarom en hoe welk voorwerp waar is beland. Bovendien heb je ook nog je eigen verhaal dat je eraan toevoegt. Over die dag op het veld, over wie erbij was, onder welke weersomstandigheden, en over hoe je erin slaagde de boer te overtuigen eens op zijn grond te mogen zoeken.’

Uit: Metalen van Sylvie Marie (en er is meer op haar facebookpagina)

Ingrid van der Graaf schrijft op ‘Werk in uitvoering’ over het leven, maar ze linkt haar observaties vaak aan boeken. Dat is voor mij de aantrekkingskracht van dit blog. De manier waarop ze boeken en leven aan elkaar koppelt is zowel intiem als erudiet.

‘Dan begint het bladeren, van achter naar voor. Als bij het leggen van de tarot laat ik de regels van een gedicht tot me spreken. Mijn blik vangt woorden, regels die onbekommerd ontvangen worden. Niets is mooier dan het moment van de eerste keer. Regels van dichter Dirk Vis: ‘zeeloos zwom de vis van gootstenen en stroompjes’ en ‘Hoe is het om zee te zijn? vraagt de vis’, springen naar voren. Toen kwam Anne Provoost met, ‘Mijn zusje brak. Ik liep rond in de stad want ik wilde haar lijmen maar’. Daar kom ik bij terug wist ik. Maar eerst bladerde ik door tot: ‘en iedereen schrijft al over otters die elkaars poot vasthouden’, van Lena Plantinga. Ik voel me betrapt. Zij geeft aan dat dit teken van saamhorigheid onder otters een gegeven is dat je zou kunnen gebruiken, maar niet in de vorm van: ‘Zeg weet je…’. Plantinga gebruikt het als ontkenning, niet over otters schrijven omdat iedereen dat al zou doen. En ondertussen. Er was eerst een schok, alsof iemand er met mijn otters vandoor was gegaan. Nadat ik het hele gedicht gelezen had, fluisterde ik, ‘Geweldig, hoe ze dit gebruikt.’

Uit: Zeg weet je op Werk in uitvoering

Een van mijn passies, naast lezen en schrijven, is tuinieren of liever: lezen over tuinieren. Mijn tuinbibliotheek dijt uit. De natuur en landschap spelen ook altijd een grote rol in mijn romans. Ik kon dan ook niet weerstaan aan het blog van Anne Broeksma, ‘Notulen bij het ongetemde.’

‘Drie uur lang zaten we min of meer geluidloos en bewegingsloos in dat dassenbosje aan de rand van een maisveld. Onder een eik en onder jonge vogelkers. Twijgjes brak ik zo stil mogelijk af om ruimte te maken voor mijn stoeltje, mijn hoofd. We tuurden met de verrekijker paraat richting burcht, naar een ‘pijp’ die een week geleden nog ‘belopen’ was en zaten zelf natuurlijk ‘onder de wind’. Natuuronderzoek is taalpret. Zo leerde ik tijdens het inlezen over ‘snuitputjes’ en ‘mestgaten’. Mooie woorden die zo goed de lading dekken, dat je ze niet hoeft uit te leggen.’

Uit: Dassen tellen op Notulen bij het ongetemde

Kathy Mathys, het interview

Ik tref Kathy Mathys op een donderdagochtend, online, in haar werkkamer in Breda. Ze heeft het druk. Eerder deze week stelde ze haar nieuwe boek Tot het glinstert voor in boekhandel Limerick in Gent, straks moet ze naar een vergadering van de Querido Academie in Amsterdam.

Voor een schrijver is de periode vlak na het verschijnen van een boek de meest spannende. Je gooit een steen in een put, en wacht op een echo. Zo veel boeken krijgen niet de aandacht die ze verdienen, dat weet ze zelf maar al te goed. Meer dan vijftien jaar was ze een vaste recensente voor de Standaard der Letteren, en ook daar is het vaak moeilijk kiezen.

Nu focust ze zich meer op het eigen schrijfwerk en op les geven. Bij de Querido Academie, de Nederlandse Schrijversacademie en de Vlaamse Schrijversacademie (twee organisaties die overigens niets met elkaar te maken hebben).

Soms moet je keuzes maken, zegt ze. Mijn lichaam dwong me er ook wel toe, om me te richten op wat me het meeste energie geeft. Op het pure recenseren was ik een beetje uitgekeken. Sowieso heb ik het liever over boeken die me inspirereren, die ik kan aanprijzen. Liever leesmissionaris dan sabelaar.

Zo ben ik ook als docent. Schrijvers zijn onzeker, en in een eerste les moet je ze geruststellen. Wijzen op wat er allemaal nog veel beter moet, kan later nog. Dat ik nu weer met een blog ben begonnen heeft met dat positieve, vrije gevoel te maken. Ik kan er schrijven wat ik kwijt wil, het avontuur opzoeken.

In mijn blog wil ik het hebben over wat me bezighoudt, en dat is toch in de eerste plaats literatuur: over hoe de boeken die ik lees me vormen, over schrijven, schrijftechniek. Dat doe ik trouwens ook in mijn artikelen voor Schrijven Magazine.

Maar op mijn blog kan dat op een andere toon, intiemer, uitnodigend. En het voornemen is er om dat nu heel regelmatig te doen. Al heb ik dat altijd al wel gedaan. Eerst in de SdL, toen we daar als losse medewerker ook af en toe een plek kregen om een column te plaatsen.

Het zijn ook de thema’s die in Tot het glinstert aan bod komen. Daarin vertel ik het verhaal van Anna, schrijfdocente, die geconfronteerd wordt met Billie, de dochter van een oud-student. Billie wil meer weten over de laatste dagen van haar vader, een beroemd geworden schrijver die onder verdachte omstandigheden stierf. Ik ben niet Anna, maar mijn ideeën over schrijven komen wel aan bod in het boek.

Ook die over het (auto)biografisch schrijven, waar een blog toch dicht tegenaan zit. De moeder van Anna, een kunstenares, stierf toen Anna zeven was, en ze mist verhalen over haar. Het gaat dus ook over herinneringen, en hoe onzeker we daar eigenlijk over zijn. Schrijvers die laat in hun leven nog weten hoe het allemaal precies gegaan is, vertrouw ik niet. Zelfs niet wanneer ze dagboeken bijhielden.

En dat brengt me naadloos bij de eerste schrijver waarvan ik graag een blog zou lezen: Emily Dickinson. Ook doden kunnen prima bloggen, toch? Ik ben me voor een nieuw project erg in haar aan het verdiepen. Veel van haar brieven zijn bewaard, maar een dagboek had ze dus niet. Een blog zou een mooie aanvulling zijn.

De rechtstreekse feedback van lezers kan ze dan misschien wel niet meer lezen. Jammer, want dat is het zaligste wat er is. Ik merk dat nu ook aan het boek. Oud-studenten van mij, willekeurige lezers, … velen laten weten dat ze het boek waarderen, en dat doet deugd.

Want makkelijk is het niet, voor niemand, ook niet voor mij: aan de geboorte van een boek gaat veel twijfel vooraf, en afwijzingen en aanmoedigingen. Dat zal ook wel herkenbaar zijn voor de bloggers op Aanlegplaats, dat is toch een mix van publicerende en niet publicerende schrijvers?

Van wie ik ook graag een blog zou lezen, is Donald Niedekker. Zijn Ochtenden, korte meditatieve stukken die zich buiten in een Noord-Hollands landschap afspelen, zijn eigenlijk al een beetje een blog. Daar mogen er zeker meer van zijn. Ze hebben op mij hetzelfde effect als haiku’s, het zijn momenten van bezinning.

Voor mijn derde blog kies ik een auteur uit Friesland – ik kom er graag, mijn schoonouders zijn Friezen. Jannie Regnerus heeft een heel mooi, poëtisch oeuvre. Heel atmosferisch ook, net als haar beeldend werk. De manier waarop ze daarin de wereld verkent en beschrijft leent zich ook voor een blog, vind ik.

Maar als je me nu vraagt wat een blog precies goed maakt, dan kom ik toch ook bij wat andere dingen uit. Het mag avontuurlijk zijn, speels, me ook aanzetten om verder door te klikken. Wat Nicole Ex (hoofdredacteur van See all this) in haar wekelijkse nieuwsbrief doet bijvoorbeeld, of Maria Popova in The Marginalian.

Spontaan lees ik enkel blogs waarvan de thematiek me boeit. Dani Shapiro had vroeger een blog over haar twijfels en haar schrijfproces, dat las ik met gretigheid. Beelden zijn ook belangrijk. Maar geen van die criteria is absoluut, de blog is vrijheid. Maar een eigen toon is het allerbelangrijkste.

Blogstukjes mogen ook niet te lang zijn. Niet meer dan vierhonderd worden, dan haak ik –

(En zo, beste lezer, eindigt dit interview dan ook abrupt: met 928 woorden is de limiet al lang overschreden. Terwijl we het verder nog hadden over de verschillen tussen Nederland en België, de band tussen voedsel en literatuur, en wat andere schrijvers, Georges Saunders voorop, in hun office hours te vertellen hebben.

Maar lees Tot het glinstert, stuur haar een spontane reactie, lees haar blog!)