Guido en de kolderkatten (vangst #209)

Heimwee naar de Nineties; ik wist niet dat ik het had voordat Sarah De Grauwe er in geuren (bubblegum) en kleuren (indigo) over schreef.  Slaappartijtjes en glitter body spray, ultieme geneugten van het leven die de vissen van Ingrid Vanderkrieken naar grote waarschijnlijkheid zullen moeten ontberen. Wat misschien wel in het verschiet ligt: een concert van Guido Belcanto.

Guido, goede naam voor een huisdier. Jan Devriese legt uit hoe belangrijk het is om juist te kiezen – zeker als het gaat om dierennamen.

We dragen crop tops, fluweel, chokers en platformschoenen. Cherry cola is ons nieuwe ‘drink-me’-drankje en we worden steeds groter. De wetten van de realiteit worden in geheime dagboeken herschreven met glinsterende, magische inkt. Sleutel om de hals. We verduisteren onze getransformeerde kamers en verdiepen ons in tienermagazines: “The milleniumbug is real” en “Zoenen doe je zo”. Cocteau Twins op de achtergrond. We lezen stukjes uit ‘De volgelingen van Satan’, roepen geesten op met kaarsen en vlechten vlinders in ons haar. We vouwen voorspelbloemen, schrijven gedichten en bellen met de Droomtelefoon. 

Uit: Y2K op De Grauwe Gekheid

De tergend langzame federale regeringsvorming, het afbrokkelen van de democratie, internationaal gesjacher, gebrek aan moreel besef en het zwembad in Kelmis dat maar niet gerenoveerd geraakt – blij kun je daar toch niet van worden? Gelukkig kon ik gisteravond iets positiefs berichten. We zijn namelijk naar een concert van Guido Belcanto geweest. 

Uit: In de vissenkom – Troost op Rimpelingen

Zij liggen er geen seconde wakker van, wij vinden het een zaak van het allergrootste belang: hoe zullen we ons huisdier noemen? Onze keuze zegt immers niks over het beest, maar alles over ons. Of wij een verfijnde smaak hebben, een goed gevoel voor humor, een rijke culturele bagage.

Uit: Erwin op De week van Devriese

Fantoompijn (vangst #208)

Protest!

Tegen oude en nieuwe pijn, tegen verplichtingen en verboden. Tegen moeten en niet-mogen.

Ook onze bloggers sparen hun verontwaardiging – de pasmunt van deze hopeloze tijd – niet, maar ze doen het ten minste met stijl. Jan-Willem Lubbers, wiens site je echt eens moet (her)ontdekken, gaat op zoek naar wie in de eigen maar geen gelijk kreeg, terwijl Kirsten Malfroid (voor het eerst in onze vangst) genoeg heeft van goedbedoeld advies. Merel de Vilder Robier viert dan weer het kleine protest, zo begint immers elke revolutie.

En neem nou zo’n dwaallicht als Maarten Luther. Zijn bewonderenswaardige tegendraadsheid leidde mede tot de Reformatie en het ontstaan van protestantse kerken, een beweging waarvan de waarden en normen ons rijp maakten voor een arbeidsethos die de Industriële Revolutie tot een groot succes maakte, een revolutie die mede tot een destructieve klimaatverandering heeft geleid. Dank Maarten Luther (heerlijk om eens kort door de bocht te gaan!). 

uit 2062 van Jan-Willem Lubbers

Dat je zelf voor je geluk moet zorgen, dat krijg ik nog al eens mijn richting uit ge-live-laugh-love-zonnestraald. Vooral net nadat ik eindelijk de moed bijeen raap om te zeggen dat er niet veel van die moed meer over is. 

uit Maak maar dat je zelf ’t mooi weer maakt van Kirsten Malfroid

De boodschap was met Sellotape, ook wel du Scotch genoemd, op een inmiddels definitief provisoir verkeersbord/verbodsteken geplakt. U moet namelijk weten dat er in mijn strate al eeuwen werken zijn en er bijgevolg al even lang geen hond meer passeert.

uit Pensée du jour (16) van Merel de Vilder Robier

Aan zacht bruTaal

Dit is de tweede brief in de derde ketting van onze reeks Flessenpost. Anne Broeksma schreef eerder een brief aan Sylvie Marie. Hier schrijft ze voort.

Dag Nele en Wieland

Al wandelend in de haven kom ik jullie aanlegplaats tegen. De naam van jullie schip, zacht bruTaal, kietelt me. Mooi hoe er zoveel spanning ontstaat bij deze combinatie van woorden. Nieuwsgierig stap ik op, en ik vind jullie, twee stuurmannen.

En dan lees ik. Ik lees een gedicht waarin ‘we staan te dampen in het eerste zonlicht en kijken hoe we elkaars hijgen kunnen inademen’, ik lees een verhaal over een man die ‘uit twee lichamen lijkt te bestaan, één dat vasthangt aan zijn ruggengraat en het andere dat uit hem voorovervalt. Zijn buik, zijn borstkas, zijn schouders, zijn armen, alles wat helt, lijkt te willen losscheuren uit zijn vlees.’ Al verder scrollend lees ik meer van dit soort teksten. Oh, die zinnen vol lijfelijkheid, daar houd ik van. In deze woorden wil ik me wentelen. In elk lichaamsdeel dat wordt opgesomd, voel ik het mijne, raak ik het mijne aan. Ik voel me verwant.

‘Ik leg mezelf op de vloer, op jou’, schrijf jij, Nele. En dan: ‘Ik ga met krijtlijnen langs ons lichaam, maak een misdaadscène. We stappen uit ons vel om te zien hoe het eruitziet.’ Mooi, ons lichaam, ons vel. Niet: onze lichamen, onze huiden. In deze scène zijn twee mensen zo één dat geen membraan hen nog onderscheidt. Ik denk aan mijn zoete lief, met wie ik die versmelting ook opzoek en vind. Het kan niet anders dan dat dat bij jullie ook zo is. En dat is zo fijn om te lezen. Want, wat mijn zoete lief en ik graag doen, is onze liefde bewieroken. En soms durven we zelfs te denken dat het bij geen ander zo groots is. Erg aanstellerig, eigenlijk. Want wat weten wij nu over de anderen hun liefde? Er wordt al eeuwen over geschreven. Liefde, zo intiem en universeel tegelijkertijd, een onuitputtelijk streven naar… elkaar. Wat we echt willen zeggen, is: ‘oh, ik ben blij dat ik jou heb, dat ik van liefde weet’. Dat doen jullie ook.

Mijn zoete lief inspireert me overigens heel vaak, hij loopt bol van de ideeën en laat ze mij graag uitschrijven. Maar hij zou wel eens zelf meer achter zijn laptop mogen
kruipen om te schrijven. Hij kan het, we weten dat hij het kan. Het zou een droom zijn mochten mijn zoete lief en ik ook ooit samen, net als jullie, een blog delen. Uiteindelijk zijn mijn schrijfsels van de laatste jaren al lang niet meer uitsluitend van mij, het zijn die van ons, met ideeën die we samen bijeen fantaseerden. Het zou iets verzilveren, onze symbiose.

En, onze verwantschap met jullie kent nóg meer facetten. Wat is het immers heerlijk om te ontdekken hoe jullie in Opwijk en omstreken op zacht brutale wijze een poëtische guerilla voeren. Met sluikpoëzie, met vertelavonden. Naar Tygerstrepen, jullie maandelijkse podium in Hof ten Hemelrijk, willen wij ooit wel eens op bezoek komen. Ja, jullie weten het ook: de pen is machtiger dan het zwaard. Dat engagement kennen we ook. Ik maakte al matten en wijnglazen van wat poëzie van me (aangevuurd door dat zoete lief natuurlijk). En ik engageer me ook als Klimaatdichter en bij Deus Ex Machina. Er is iets aan de taal waar ik me zo rijk mee voel, waar ik me zelfs ongelooflijk mee kan troosten. Taal als ondergrond, als fundering. Het feit dat jullie de T in BruTaal met een hoofdletter schrijven, toont aan dat ook jullie daar gevoelig voor zijn. Taal die bruist. En bruisen is iets wat je niet kunt tegenhouden of bevriezen, het is een sleeptouw.

Dat sleeptouw brengt me weer naar de haven, waar ik op jullie boot stapte en Anne Broeksma een tijdje geleden op die van mij. Ook zij herkende in mijn anekdota de
liefde voor woorden. ‘Namen zijn een soort toverspreuken die ons toegang verschaffen’, schreef ze me. Ja, zo is het. En in jullie zachte bruTaal kom ik thuis, lieverds. Dankjulliewel daarvoor.

Hartelijke groeten
Sylvie Marie

De vangst van Jeroen Theunissen (#Vangst 207)

(r) foto: Jo Komkommer

Ik heb drie erg uiteenlopende blogs gekozen, want net de blog leent zich tot een grote diversiteit aan stijlen en onderwerpen, lengtes en intenties. Eerst koos ik voor Vincent Merckx, een Gentse schrijver, die regelmatig ultrakorte verhalen op zijn website achterlaat. Het recentste gaat over David Lynch. Vervolgens koos ik voor Marc Reugebrink, die zeer goede, doorwrochte stukken over literatuur schrijft. Ten slotte voor Marieke Groen, schrijfster van het boek Het verhaal van mijn schaarste, die op haar blog knappe observaties uit het alledaagse leven maakt.

In de week waarin de mist weigerde op te trekken, bracht ik de ochtend ineengevouwen door op een treinstoeltje.
uit: Bij de dood van David Lynch van Vincent Merckx

De uitkomst van het ideaal van de democratie, is de afschaffing ervan. We lijken, niet voor het eerst, weer op dat punt aangeland te zijn. Het ontslaat ons van elke eigen verantwoordelijkheid. We hoeven alleen maar te volgen.
uit: Duizend en miljoenen van De inwijkeling


De zakkenrollers waren zonder uitzondering jonge vrouwen die gekleed gingen als toerist, iets waar ik hevig verontwaardigd over was. Het zegt misschien iets over mijn naïviteit dat ik me juist dáár druk over maakte.
uit: Piekepokkets van Marieke Groen

Jeroen Theunissen, het interview

De man met grijzende krullen achter De taal van een verliefde van Roland Barthes is niemand minder dan schrijver en docent Jeroen Theunissen. Geboren in de zomer van 1977 in Gent. Studeerde daar Germaanse talen. Werd leraar Engels en Duits. En schreef.

Tegenwoordig heeft hij een deeltijdse baan als docent in de film- en theaterschool RITCS in Brussel, en is hij onder andere leraar creatief schrijven.

Sinds 2004 publiceerde Jeroen verschillende boeken. Zijn debuut De onzichtbare verscheen bij uitgeverij Meulenhoff. Daarna volgden de verhalenbundel Het einde (2006) en de romans Een vorm van vermoeidheid (2008), De stolp (2010), De omwegen (2013), Onschuld (2014) en Jouw huid (2018). Er zijn ook drie dichtbundels, Thuisverlangen (2005), Het zit zo (2009) en Hier woon je (2015).

In 2022 verscheen Ik = cartograaf, een persoonlijk reisverslag van een wandeling dwars door Europa. Hij registreert een continent dat hem ‘verrassend klein’ voorkomt maar hem ook zorgen baart. ‘Er zijn straatarme streken die echt niet kunnen volgen in dat Europese verhaal.’ Dit boek, dat dankzij de opbouw in fragmenten wat weg heeft van een blog, werd op veel lof onthaald. In 2024 verscheen Een week, een korte roman waarin met mededogen, liefde en lichtheid het portret wordt geschetst van een vrouw die de pech heeft om te jong te sterven.

In zijn romans, gedichten en reisverhalen onderzoekt Jeroen grote existentiële thema’s op een kritische en persoonlijke manier. Zijn veelzijdige en tegendraadse oeuvre wordt regelmatig geprezen.

Wij, bij Aanlegplaats, vinden dat bloggen ook een existentiëel thema is. Maar is het dat ook voor Jeroen? We treffen elkaar op een bankje in een park naast een vijver met ganzen en eendjes. Ik draai de thermos open en giet zo sierlijk mogelijk de lauwe gembergranaatappelthee in een beker. Uit mijn jaszak vis ik letterkoekjes. De ganzen gakken. We zijn klaar voor een boeiend gesprek.

Waarom heb je zelf geen blog Jeroen?

Ik heb een huis dat afbetaald moet worden, twee kinderen, enkele vrienden, een deeltijdse baan in het onderwijs en ik schrijf boeken. Wanneer zou ik een blog moeten schrijven? Tegenwoordig publiceer ik wel af en toe stukjes op facebook over het schrijfproces van mijn nieuwe roman, en die stukjes zou je met enige goede wil een soort blog kunnen noemen. Ik zou ook graag op mijn website wat ruimte maken voor een blog, maar heb te veel aan mijn hoofd om er direct aan te beginnen. En ik heb ook – dat is misschien vreemd voor een auteur – constant angst dat ik niets te vertellen zal hebben als ik op regelmatige basis iets zou schrijven, dus soms blokkeer ik, en daardoor heb ik geen blog op regelmatige basis.


Er valt een stilte maar ze voelt niet ongemakkelijk. Door de drukte en het schrijversbestaan zitten we misschien wel hier en niet in een of andere hippe tent bedenk ik. Het zou een nieuwe trend kunnen worden. De parkgesprekken.

Op de vraag wie er absoluut een blog zou moeten beginnen en waarom komt er niet echt een antwoord. Ik ga een beetje vrezen dat Jeroen niets meer te vertellen heeft. De ganzen gakken voort. Ik hoor hoe twee letterkoekjes worden vermalen in de mond van de geïnterviewde.

‘Niemand moet iets’, vervolgt hij plots. ‘Wie een blog begint, moet het niet voor het publiek doen, maar in de eerste plaats voor zichzelf, lijkt me. Een blog is een goede plaats om zaken uit te proberen, zowel inhoudelijk als stilistisch. Het is een speels medium. Blogs van mensen die over alles grote meningen hebben, vind ik maar niets, want ik vind mensen met grote meningen maar niets. De enige goede reden voor een blog lijkt me dat je een experimenteerruimte zoekt. Als een blog een sleur wordt, stop er dan maar mee.’

Zo is het misschien wel met alles, zeg ik gewichtig. En wat maakt dat een blog echt goed is?

‘Tja, wat ik al zei,’ zegt hij. ‘Een goede blog is sowieso experimenteel, niet in de zin dat een blog moeilijk of avant-garde of hermetisch is of zo, net niet, maar in de zin dat een blog een medium is waar zaken op een beperkte ruimte uitgeprobeerd kunnen worden. Ik wil verrast worden door de manier waarop iemand schrijft en formuleert, liefst met humor.

Ik wil nog vragen of hij ook in de eerste plaats voor zichzelf schrijft. En of het ook steeds een experiment is. Ik peil nog even naar zijn laatste facebookpost over het essay ‘Tomorrow Sex Will Be Good Again’ van de Britse schrijfster Katherine Angel. Over seks en verlangen in onze periode van Me Too. En waarom hij het belangrijk vindt om over seksualiteit te schrijven in een roman. Zijn laatste zin was mooi zeg ik:

‘Ik geloof dat een roman – met die typisch literaire zin voor nuance, de eigenschap dat geen antwoorden gegeven worden maar vooral steeds weer nieuwe en net iets andere vragen worden opgeroepen – de ideale plaats is om erotiek te onderzoeken als een mysterieuze plek in onszelf, waar we kwetsbaar en onzeker zijn, een avontuur maar vooral ook een onvoorspelbaar domein, waar we als mensen worden geconfronteerd met onze diepste schoonheid en onze grootste angst.’

Het is te koud voor meer vragen, laat staan antwoorden. Deze plek brengt alles tot de essentie. We hoeven niet te schrappen. Ik draai de thermos dicht, stop de zak letterkoekjes in mijn zak. We nemen afscheid. In de vijver zwemmen de eendjes een nieuw rondje.

Nooit meer blauwe maandagen (Vangst #206)

In de maand dat mijn geliefde schoonmoeder stierf, overleed eveneens – en dat op de gezegende leeftijd van honderdtwee – Raymond Clerick, de vader van Philippe Clerick. Ik heb het al eens eerder gezegd en geschreven: ik hou van de pen Philippe. Meer nog dan van zijn heerlijk badinerende en vaak goed onderbouwde politieke stukjes hou ik van zijn (auto)biografische verhalen. In het portret dat hij van zijn vader schetst blijkt nogmaals zijn groot talent voor het genre. In heldere zinnen schetst Philippe een prachtig beeld van het boeiende leven van een man die zijn hart verloor aan de Verenigde Staten, maar verliefd werd op een meisje uit West-Vlaanderen.

Ook al is het hoogzomer, dan nog doet Vincent Merckx verlangen naar gure wintermaanden. Zelfs zondagen in juni lijken in zijn verhalen op blauwe maandagen in januari. Laaf u aan zijn herfstige poëtica.

In de periode waarin een stralende zekerheid ons ontviel – want dat wàs de moeder van mijn vrouw Jolanda – is het goed terug te grijpen naar een andere zekerheid: de wonderlijke Tom Wouters. Het verhaal de Literaire bouwfirma Wouters dat hij voorlas op de literaire wandeling van het Hubert Lampo-genootschap is werkelijk een Wouters-Grand Cru.

‘Papa was er niet rouwig om toen hij op pensioen ging. Hij had nu meer tijd om te lezen in de Encyclopedia Britannica. Hij begon te schrijven, in elegant Engels, over zijn leven, en ook verzonnen verhalen, die hij slechts aan de allernaasten liet lezen. In die verhalen probeerde papa samen te vatten wat het leven hem had geleerd. Onder zijn beminnelijke charme was papa redelijk bitter. Papa zag gemakkelijk de belachelijke en de tragische kant van het leven. Een tragedie en een komedie, zei hij. De verhalen die hij schreef waren een oefening om ánders naar het leven te kijken: met humor en milde liefde. Op het doodsprentje staat een kort gedicht van papa, met de wijsheid ‘Beauty is all around’. Dat was voor papa niet vanzelfsprekend. Hij moest daar zijn best voor doen, om die ‘beauty’ te zien. En hij dééd zijn best.’

Uit: Raymond ‘Ray’ Clerick 1923-2025 van Philippe Clerick

Onder bleekgrijze luchten dacht ik aan de voorbije herfst, toen al had ik de herderin gewezen op de eerste gevallen bladeren, ze vond het prachtig, de kleuren en de belofte. Mij stemden ze droef, ze herinnerden me eraan dat al vanaf eind juni de dagen alweer naar de nacht strompelen, ik ben dan nog maar net aangekomen.

Uit: December-belofte van Vincent Merckx

‘Voor wie oud wordt, wordt het onmogelijk om ooit nog een ander leven te leiden. Je bent een bepaald vak gaan studeren, daarna gaan werken, af en toe ben je van job veranderd, je bent getrouwd en hebt 3 kinderen gekregen, je hebt jarenlang gevoetbald en nooit een goal gescoord of je hebt schilderijtjes gemaakt maar aan niemand getoond, je hebt voor je zeventigste verjaardag een groot feest georganiseerd waarop je voor het eerst in je leven danste met je kleinkind en uiteindelijk ben je dan toch niet meer wakker geworden. Dat is het verhaal.’

Uit: Literaire bouwfirma Wouters van Tom Wouters

Aan Sylvie Marie

Foto Sylvia Marie: Nadine Ancher / Foto Anne Broeksma: Koos Breukel

Dit is de eerste brief in de derde ketting van onze reeks Flessenpost.

Beste Sylvie Marie,                                                              Utrecht, 4 januari 2024

Ik hoop dat het nieuwe jaar je veel goeds brengt. We kennen elkaar eigenlijk niet; alleen vluchtig hebben we elkaar weleens gesproken. Wat ik me herinner is een ontbijtbuffet in een hotel, met witte borden in de hand schuifelend langs de kaas- en vleeswaren, de zoete broodjes. Je kinderen waren erbij en ik denk dat het in het noorden van Nederland was, na een poëziefestival.

Hoe dan ook: dankzij Aanlegplaats lees ik af en toe de anekdotums (anekdota?) op je blog en sinds een paar weken heb ik Trek je vleugels aan in huis. Wat een fijne frisse bundel vol taalplezier. Ik krijg gelijk zin om zelf te gaan schrijven. Er zit iets luchtigs in, iets speels, met veel regels om in te lijsten. Misschien komt dat luchtige door hun ontstaansgeschiedenis: dat je de woorden letterlijk loswrikte uit hun vorige verband – die misdruk van de dikke Harstad-pil – en nieuwe constellaties creëerde. Woorden: vrij te vergaren bouwmateriaal waarmee we schrijven en spreken. Ik weet dat wel en toch; wanneer iemand met een schaar de woorden uit de zinnen van een roman knipt (althans zo stel ik me dat voor), aan het combineren slaat en op die manier een dichtbundel creëert, wordt dat wel heel concreet.

Ik lees in jouw blogs, jouw antigifverhalen, ook een hang naar dat concrete; naar de fysieke, tastbare wereld. Je schrijft over een vrouw die worstelt met de wespenplaag in haar huis. Over een zoon die een dopmoer uit een tankmonument vist als ‘kampherinnering’ aan zijn schoolkamp. Je bestudeert de houdingen van twee geliefden in een bed, denkt na over de binnenkant: de adem, het bloed. De poëzie die boven de grond komt wanneer een man kleine metalen objecten vindt, sorteert en op naam brengt. Hoe elke wereld, elke nieuwe bezigheid een eigen taaluniversum kent.

Zelf ontdek ik het in de natuur. Je leest vaak hoe men ‘voorbij de taal’ wil geraken om de meer-dan-menselijke wereld direct te kunnen ervaren, in het ‘hier en nu’. Onderdeel ervan te worden. Want de taal van de wetenschap is een hiërarchische, onderdrukkende taal. En toch vind ik dat soortnamen me juist toegang verschaffen tot nieuwe werelden. Tijdens het uitlaten van mijn pup loop ik anders langs de verwilderde hoek van een plein op de hoek nu ik weet dat het ‘onkruid’ dat daar groeit luistert naar de namen ‘verwilderde raket’ en ‘gevlamde fijnstraal’. En in een boek over insecten las ik laatst over de honderden soorten springstaarten – nog net met het blote oog waar te nemen – die ’s winters door ogenschijnlijk dode tuinen springen. Alleen het woord ‘springstaart’ al vind ik fantastisch. En dan zijn er ook nog honderden soorten. Namen zijn ook een soort toverspreuken die ons toegang verschaffen, vind ik. En mensen, andere dieren en planten kunnen meer op onze empathie rekenen als we hun naam kennen. We zijn echte naamwezens, of we dat nu leuk vinden of niet.

Vraag jij je weleens af of je gelukkiger zou zijn wanneer je geen woordentaal had? In elk geval zouden we andere beroepen moeten kiezen. Vanuit een ooghoek zie ik mijn pup maximaal uitgestrekt op de bank liggen, op zijn rug, in volledige overgave. Zo kan hij uren liggen. Het is gemakkelijk om het leven van dieren te romantiseren; dat ze zo in het ‘nu’ leven. Of van huisdieren: dat ze zo’n relaxed leven hebben. Maar ik heb ook regelmatig medelijden met mijn pup wanneer ik aan zijn kop zie dat hij mijn soms warrige gebaren en woorden niet kan volgen, al doet hij nog zo z’n best. Problematisch voor een dier dat volledig van mij afhankelijk is. Ik las ergens dat je honden het beste kunt zien als een soort Peter Pan-versie van een wolf: eeuwig verkerend in een magische fase waarin verantwoordelijkheid (zoals jagen om de roedel te voeden) of al te ver vooruitdenken omdat een seizoen verglijdt, niet bestaat.

Ik denk niet dat ik jaloers ben op het leven van mijn pup, maar soms kan ik wel met weemoed terugdenken aan de tijd dat het leven nog niet uit het afwerken van to do-lijsten bestond, maar ik in bed lag te wachten tot mijn oudere zus mij kwam halen. Vooral omdat ik nu voor het afvinken van de taken meestal achter een computer moet kruipen. En dan is er nog de verstrooiing van het internet zelf, waardoor ik vergeet met welk doel ik was gaan zitten. Een dubbele knoop, terwijl ik mijn dagen liefst doorbreng met een beetje lezen, schrijven, koken, wandelen, in bed liggen, tuinieren. Herken je dat? Of trekken je kinderen je vanzelf de fysieke wereld wel in? Ik ben niet zo van de goede voornemens – waarom opeens in januari dingen verbeteren – maar als ik er één moet hebben is het: minder virtuele verstrooiing meer leven, met óf zonder taal.

Liefs,

Anne

Aanrakingen (vangst # 205)

De dag na Blue Monday vraagt om blogs die contact zoeken, naar de ander reiken. Het is al winterstil genoeg. Langzaamaan zijn we opgesloten in onszelf met berenmutsen en wanten, gedachten draaien in kringetjes. We mummelen wat af en zien scheel van de huidhonger.

Thijs Feuth is longarts die ook zuurstof toedient via teksten. In zijn stukje filosofeert hij over zelfkritisch zijn en somt er de voordelen en nadelen van op. Hij komt tot de conclusie dat je niet zonder de verschillende percepties van een debat kan. Ingrid van der Graaf vertelt over het lezen, waarom en hoe en wat het tussen mensen doet.

Caro Van Thuyne ten slotte schrijft het kindje tot leven. Zo zintuiglijk, zo lichamelijk. De winter wordt er al bijna lente van. Alles leeft.

De oplossing ligt, denk ik, toch in het debat. Daar horen stellingnames bij – de ene keer wat ongenuanceerder dan de andere. Zolang mensen zich maar kwetsbaar durven op te stellen, zich niet ingraven, en behalve het spreken ook de kunst van het luisteren verstaan.

Uit: Over domheid van Thijs Feuth

Als je leest worden personages de maat der dingen. Met de man sprak je over de moeder van een vriendin. Er was sprake van egocentrisch gedrag, afwijzen van het eigen kind. Je wilde nog meer zeggen toen hij zei, ‘Dat klinkt als de moeder in Halfbroer van Nicolien Mizee.’ Precies, zo’n moeder! Als je beiden leest, begrijp je elkaar beter.

Uit: De boeken van 2024 van Werk in uitvoering

Maar waarom niet? Jij was gek op harde wind en regen, met gesperde mond en uitgestoken tong en zwierend en zwiepend met heel je heftige lijfje gaf je je over aan de wildheid, je wàs de overgave, je wàs de wildheid, je wàs de storm, en alleen al daarom ging ik met jou gelukkig door alle weer en wind. Zonder jou ben ik een slap kasplantje geworden. Het is net goed dat dit het weer is vandaag. Dit is jouw weer.

Uit: We drijven samen weg van het kleine kijken

We zullen ons in stilte bezighouden (vangst #204)

Januari is de maand van de herinnering. Ik hoef er mijn blog maar op na te slaan. Vele stukjes schreef ik rond deze tijd die het (meestal verre) verleden als onderwerp hebben. Ik heb daar verklaringen voor gezocht en ook gevonden, de een wat plausibeler dan de andere. Ik laat het op heden maar liever bij de vaststelling, dat in dit niemandsland tussen de decemberfeesten en het nog niet goed op gang gekomen nieuwe jaar de gedachten een beetje ronddobberen zonder zich nog te hechten aan dringende zaken, en de herinneringen vrij spel hebben.

Aldus beschrijft Jan-Paul van Spaendonck deze eerste maand van het jaar. Het klopt hoor, 2025 is inderdaad nog niet echt van start gegaan, wat die complottheorie die de actualiteit heet ons ook wil doen geloven. Bovendien ligt de helft ziek in bed, dus marcheren zou het sowieso niet. De andere helft kan nog even doen wat hij wil. Mijmeren over vroeger, freubelen aan apparatuur die niet kapot is zoals Mark Nankman of jezelf een indigeste lezen aan merkwaardige producten met Merel de Vilder Robier. Niemand die je tegenhoudt.

Voor me ligt een stapeltje foto’s. Floor en Maartje kijken me lachend aan, Floor heeft een brandende filtersigaret tussen haar vingers, wat ik een raar gezicht vind. Glenn speelt, voorovergebogen, het zwarte haar valt schaduw-brengend over zijn gezicht, op zijn sunburst Gibson. Jan Hart zit ernstig achter zijn drumstel, een stokje klaar om toe te slaan.

Uit: Foto’s op Voorheen rookzanger

Een Philips F7511. Volautomatisch en werkt perfect, als ik de verkoper moest geloven. Heeft alleen wat liefde nodig. Precies wat ik zocht. Voor drie tientjes wisselde het van eigenaar. Mijn eerste plan was om een ouderwetse naaidoos om te bouwen tot platenspeler, maar dat idee parkeer ik vanwege gebrek aan geschikte naaidozen.

Uit: Freubelvirus op Verwoede noten

“Mijn goudmijn is een vuilnisbelt en vice versa,” zeg ik heel den tijd aan al wie ook maar een beteke luisteren wil.

Mijne gelieven schenken mij dan ook vaak rare resten van in hun ogen obsolete bibliotheken en af te stoten verzamelingen. Mijn boekenkasten puilen ondertussen uit en ongeopende bananendozen stapelen zich op tegen elke vrije muur van mijn Paradife Loft.

Maar ik versaag niet, lees elke letter plutôt deux fois qu’une en laat alleen de dubbels en de non-fictie weer los.

Uit: In de hangmat met… #9 op Merel de Vilder Robier

De vangst van Sam Sterckx (#203)

Op woensdag laat je me best met rust. Woensdag is kotsdag. Dan gooi ik mijn principes overboord, verdwijn ik achter een laptop en ram ik woorden uit het toetsenbord. Als het niet bloedt, dan is het niet goed genoeg. Of toch zoiets. Maar als Marjon van Aanlegplaats aanbelt, dan doe ik, gefrustreerd en bitsig uiteraard, de deur open. Of ik nu wil of niet. Ze vraagt me of ik enkele blogs uit de haven wil selecteren. Ik stem knikkend in en smijt de deur dicht.

Alle donkerheid op een spies, Aanlegplaats ligt me nauw aan de lever. Niet alleen wordt het vrijwillig gerund door schrijvers die ik respecteer. Of verscheen onder hen mijn eerste publicatie ooit. Het format biedt een kans aan opkomend schrijftalent dat een blog als medium gebruikt voor artistiek werk. Of het nu vanachter de keukentafel wordt geschreven of op de slachtbank zoals bij mij. Authenticiteit drijft altijd boven.

Zo raken de korte zinnen vol nijd en absurditeit van René van Densen mijn zwartgallig hart. Of hoe de foto van een badeend op tweedehands.be de schrijver verleidt de verkoper ervan een mail te sturen en hem een prutser te noemen. In mijn hoofd schreef René de mail echt. Al was het maar om zo zijn eigen eenzaamheid te verhullen. Heerlijk, met hem wil ik een pint drinken en met een volle doos koffiekoeken naar zwervers zwaaien.

Met Devriese ga ik op de koffie. Zwart, zoals de ziel. Hij is op zijn beurt gedoctoreerd in het zagen. En dat mag met je met zinnen zoals “ge zijt een oude vent aan het worden, zegt men mij dan, en men probeert dat erg te laten klinken,” best letterlijk nemen. Hij maakt van ik-ben-een-versleten-alleenstaande-vader-met-een-rotkarakter een kunst die me helpt vlot naar het toilet te gaan.

Doe mij maar een volle rum om de dag af te sluiten. Een wolkje cola erbij en naakt op de zetel hangen om er de teksten over seriemoordenaars van Kimme Tigra als een digestief in me op te nemen. In de lagere school snoof deze schrijfster aan wc-verfrissers en aan de zelfscan jaagt ze creepy winkelbediendes weg die haar ongevraagd uitnodigen om een gratis fles sodastream bij hen thuis te nuttigen. Voor minder dan een lijn en alcohol zou ik het ook niet doen. My kind of woman.

Dat noem je toch geen verzameling. Ik stuur een foto van mijn badeendjes mee. Ik heb er meer dan zevenhonderd, in grote manden, in de badkamer staan. Ik schrijf: dat is pas een verzameling. Ik hou me in en stuur niet na dat hij een prutser en een quitter is. Ik ben in een lieve bui vandaag.

Uit: Verveling op René van Densen

Dat buiten de wereld woedt, immer donderende voortekenen van nakend onheil, stuiptrekkingen bij door hebzucht gedreven zelfdestructie: vertel me iets nieuws. Daarvan behoef ik geen overzicht. Ik leef bij de gratie van inzicht. 

Uit: Jaaroverzicht op De week van Devriese

Tijdens één van mijn langdurige toiletbezoeken verscheen Jezus aan mij in een schimmelplak op de muur. Het kan ook koning Boudewijn zijn geweest. Als dit zo doorgaat gaan we de neuroloog moeten bellen, zei Jezus met de stem van mijn moeder.

Op Kimme Tigra