je moet zo snel leven: dat je, zelfs om je nederlagen nog maar te bekyken, de tyd niet hebt.
Of we ons achter dit levensadvies van Don Vitalski kunnen scharen? Mèh. Bloggen lijkt bij uitstek een middel om terug te kijken op passages in je leven, hoe goed of slecht die ook zijn uitgedraaid. Rein Hannik kijkt terug op zijn beslissing om aan een kanaal te gaan wonen. Pascal Cornet haalt een incident op uit zijn lagere schooltijd. En ook Vitalski praat ons gelukkig wel bij over hoe het komt dat hij de blues heeft. Zonder er verder van wakker te liggen.
In de 20 jaar dat ik er woon is me duidelijk geworden hoe cruciaal een watermassa-voor-de-deur is voor een moeilijke man. Want in die tijd heeft de gemeente aan de overkant een complete wijk uit de grond gestampt. Daar wonen versies van mijzelf die nooit moeilijk hebben gedaan. Die aan een loopbaan hebben gewerkt. Die een gezin hebben gesticht. Die een laadpaal hebben gekocht. Zonder het kanaal was dit voor mijn neus gebeurd. Was ik iedere dag met mijn tekortkomingen geconfronteerd.
In het begin van het tweede leerjaar werd ik van school gestuurd voor een vergrijp, dat niet door mijzelf maar wel door mijn schoolmeester, wijlen meneer Vanthuyne, en de door hem geïnformeerde schooldirecteur, meneer Vervaecke, als ernstig werd omschreven. Ik mocht mijn spullen pakken en kwam midden in de namiddag thuis. Op mijn moeders voor de hand liggende vraag antwoordde ik met de later vaak als anekdote gememoreerde oneliner: ‘Ik moet niet meer naar school’. Waarna ik op de bank ging liggen en mij verdiepte in mijn lectuur van Winnetou, het grote opperhoofd, dat ik toen al voor de tweede of derde keer herlas.
heden loop ik ineens met minstens een vyftal zeer lastige dossiers door mekaâr. in één van de zalen waar ik, met de dinsdagclub in het getouw, binnenkort ten aanval ga trekken, zeggen ze vandaag nu opeens dat ik de drank toch niét zelf mag beheren – behalve als ik, zeggen ze, de zaal zou nemen waar die avond geen chauffage is voorzien. nog een andere slechterik, uit ongeveer diezelfde pampas, heeft my nu al vyf maanden lang die ene, zeer grote factuur niet uitbetaald. van nog andere mensen kryg ik heel kwaaie mails omdat ik, byvoorbeeld, zo zeggen ze dan, “misbruik maak van onze neef in de club!”
dit alles is nog maar de inleiding, vrienden, tot de wérkelyke encyclopedie van de rock&roll. als je hiérvan al gaat wakker liggen, kan je er niet aan beginnen.
BRUGGE — vrouwen van papier bibliotheek (foto Davy Coghe) / Lisa Ottenburgh
Teksten in een mistige sfeertje, het past wel nu we doden en spoken hebben gevierd en de herfst zich helemaal laat gaan.
Kristien Bonneure vertelt over een expo gewijd aan de vrouwen met wie Guido Gezelle correspondeerde. Kamermeiden, opstandige kloosterzusters en adellijke besjes, het palet is divers. Hun brieven aan de priester-dichter herrezen plots uit de mist. Sommige brieven voelen heel hedendaags aan, er zijn zinnen die naar het schijnt niet zouden misstaan in een popsong.
Sylvie Marie zag de mist als metamorfosemachine en vroeg zich af of ze deze gedachte zou opschrijven of ook laten verdwijnen in de mist?
Wieland Heymans vertelt een dromerig verhaal over konijntje Pyriet en mensenmassa’s die zich schreeuwerig en veel te scherp aftekenen in de verte.
De eerste stap was dus het ordenen en digitaliseren van de brieven van Gezelle en zijn correspondentes. Dat was niet eenvoudig: Gezelle verknipte de brieven die hij kreeg en hergebruikte de achterzijde van het dure papier.
‘Kreeg de bal vleugels?’ vraagt mijn lief zich af. ‘Verdween de hond die erachteraan liep ook in de mist om vleugels te krijgen? En de man? Die ook? En zijn de zwermen vogels die we van veraf menen te zien in feite gevleugelde ballen met gevleugelde honden en gevleugelde mannen erachteraan?’ Ik lach. ‘De mist, een metamorfosemachine’, zeg ik. ‘Elke druppel die op je landt, wordt een vogelveer.’
‘Dag vreemde man,’ zegt ze zacht. ‘Zal ik je helpen?’ Natuurlijk weet ze wel hoe bedreigend ze overkomt – ze ziet het aan haar schaduw die de vacht van het konijntje grijs kleurt en hoort het aan hoe het bos plots stil is. Dieren verstoppen zich voor grotere jagers. ‘Kijk, ik ga alleen maar je pootje losmaken.’
Nog niet zo lang geleden liet Anne Broeksma me via haar boek Een verhaal met schubben kennismaken met het schubdier, een geweldig vreemdsoortig schepsel waarvan ik niet wist dat ik er alles van wilde weten. Dankzij een ayahuasca-trip raakte Anne door het schubdier gefascineerd. Ze trok naar Afrika en Azië om er in het wild eentje te zoeken, wat niet meeviel, want het schubdier bleek het meest gestroopte en bedreigde zoogdier ter wereld. Enfin, ze schreef er dus dat boek over, waarin ze behalve het wezen van dit wonderlijke wezen ook dat van misschien wel de raarste diersoort op aarde ontleedt: de mens. Iets soortgelijks doet ze op haar blog. Daar wemelt het van de flora en fauna (en hier en daar een trip), maar gaat het tussen de regels door evenzeer over de mens en het mens-zijn. Anne heeft sinds kort een Kooikerpup, Knut, dankzij wie we kennismaken met de ‘biefstuk-cirkel’ en de Nova Scotia duck tolling retriever. En, jawel, de hondenbaasjes van deze wereld.
Een andere hond en mens die ik jullie niet wil onthouden, zijn de hond en de grootmoeder van Julie Cafmeyer. Ik kan er kort en lang over zijn, maar een blog die begint met ‘We zouden de hond een parachute moeten geven’ wil je natuurlijk lezen. Mocht je nu denken: maar ik houd helemaal niet van honden, laat staan honden die het van een parachute moeten hebben, doe het dan voor de rat. Of de duiven.
Ten derde wilde ik hier ongezien een blog tippen die ik zelf niet kon lezen. Ik ontdekte Kimme Tigra via Aanlegplaats, waar ik werd doorgelinkt naar een Instagram-account. Achter een slotje. Ik dacht: als je het je lezers zo lastig maakt om op een blog te kunnen komen, dan moet het wel goed zijn. Wat ook hielp: dat ze in haar bio repte van zkvtjes – waar ik zeer van houd – over katten en seriemoordenaars. Prima combi leek me, gezien mijn voorliefde voor vreemde dieren en vreemde mensen. Gelukkig accepteerde Kimme mijn volgverzoek tijdig genoeg om bevestigd te zien wat ik al vermoedde: ze kan schrijven. Over kamperen bijvoorbeeld. Een van mijn favoriete bezigheden – maar daarover wellicht, ooit, meer op mijn nog niet bestaande blog.
Dat hij zo schattig is (terwijl ik dit typ kotst hij achter me de mand vol waarin hij net heeft gepiest, eet dan zijn eigen kots op) en dat hij zo groot is voor een kooiker, hoor ik het vaakst. “Wat een poten”, zei gisteravond nog de huisgenoot van een vriendin. Ik was bij haar omdat ik mezelf met enkel Knut en hondensnoepjes op zak had buitengesloten, rond tien uur ’s avonds. Dus ging ik lopen langs de singel naar vriendinnen. “Een klein tot middelgroot hondje maar”, verdedig ik steeds en ik laat aan iedereen een foto zien van een volwassen kooiker. 9-11 kilo staat eronder. De blikken vol medelijden. Zelf geloof ik inmiddels ook niet meer dat het daar stopt en wat maakt het ook uit. “Hij heeft goed aan de borst gelegen”, observeerde iemand anders.
Ik beeldde me de stokoude hond in, zwevend met een parachute over de tuin. Mijn grootmoeder had me gewaarschuwd toen ik enkele dagen bij haar op vakantie kwam in de Dordognestreek. De hond was ziek, had wratten op zijn witte vacht en een tumor in de lever. Het arme dier laat zich vallen van de kofferbak, sleept zich over het gras. “Ik ben er nog niet klaar voor om de hond te laten gaan”, zegt ze. “Het gaat niet om jou”, zegt haar geliefde.
Voor onze kampeertrip neemt mijn reisgenoot micellaire reinigingslotion, vochtinbrengende crème, revitaliserende vitamine D druppels, hydraterende moisturizer, 4 gezichtsmaskers, start-to-glow lotion, 2 lippenbalsems (één met en één zonder zonnefactor), een pedicuresetje en handcrème mee. Ik een spork.
Lieke van den Krommenacker is freelance cultuurjournalist en boekverkoper. Ze schrijft regelmatig voor onder andere de VPRO Gids, LETTER en het Fries Museum en is (co-)auteur van de novelle Hogelandlopers, het boek Waanzinnige verhalen over volwassenen met het Foetaal Alcoholsyndroom en de bundel Ik wacht, waarin 101 verhalen van Groninger aardbevingsslachtoffers zijn verzameld. Daarnaast geeft ze boekbindworkshops.
We studeerden samen Cultuurwetenschappen in Maastricht. “Hoelang hebben we elkaar niet gezien? Decennia!” De laatste keer was in een café in Amsterdam, waar Lieke was neergestreken voor een stage bij het tijdschrift Intermediair. Sindsdien maakten we een soort van omgekeerde beweging waarbij zij als Brabander in Groningen terechtkwam en ik als Drent in Antwerpen. Vóór Joris Luijendijk wisten wij al dat je geen airmiles hoeft te maken om je antropologisch hart op te halen.
Voor de gelegenheid stoffen we ons Zoomaccount nog eens af. De zoektocht naar een goede verbinding en een ongestoorde praatplek stemt bijna nostalgisch. Groter voordeel nog is dat ik binnen een halfuur in Lieke’s living, bibliotheek, keuken en kleerkast ben geweest én haar vriend heb gesproken. ”Mijn aandachtspanne is over het algemeen nogal kort. Het is een wonder dat ik alweer zes jaar met deze man samen ben.”
Lieke van den Krommenacker is opmerkzaam, kan fantastisch schrijven en heeft een groot gevoel voor humor. Daarmee is ze een uitgelezen kandidaat om een blog te hebben. Of niet soms?
“Ik heb twee keer een dappere poging gedaan. Eerst met studiegenoot Nanda toen we net waren begonnen aan onze master Journalistiek. Eens kijken… ja! Hij bestaat gewoon nog (www.dubbelklikken.blogspot.com, red.). We schreven over wat ons bezighield, een beetje columnachtig. Het waren de beginjaren 2000, de hoogtijdagen van de blog, daar moeten we op meegesurfd hebben. Na een tijdje kwam de klad erin. Daarna heb ik zelf nog eens een blog gehad (journalieke.blogspot.com, red.), maar daar legde ik mezelf zodanig veel regeltjes op – het moest elke week, op die-en-die dag – dat het me teveel moeite kostte. Ik heb het dan een stille dood laten sterven.”
Maar mis je dat dan niet? Ik neem aan dat je het leuk vond om te doen?
Ik heb wel plezier in het schrijven, ben dol op het gepuzzel met taal, maar het kost me ook veel moeite. Ik ben te perfectionistisch, ik wil het te goed doen. Dat zet een rem op mijn creativiteit. Als ik schrijf zit ik constant na te denken over woorden, woordvolgorde, zinsbouw. Ik worstel ermee. Ik schrijf nu amper voor mezelf en vooral in opdracht.
Enkele jaren geleden schreef je live liefdesbrieven op bestelling, dan is er toch geen tijd voor perfectionisme?
Hmm, daar ging het me toch ook wel om de zuivere aandacht, de vertraging van ‘ouderwetse’ briefschrijven en de zorgvuldigheid in denken en typen die daarmee gepaard gaat. Het is ooit begonnen in een boekhandel, daarna zat ik veel op festivals, wat geweldig was. Na een aantal jaren was ik toe aan iets nieuws, ook omdat ik mezelf voor mijn gevoel had uitgeput in de hoeveelheid manieren waarop ik namens mensen aan mensen had geschreven waarom ze zo leuk/lief/mooi/grappig/zorgzaam/bijzonder etcetera waren.
Wat maakt een blog voor jou goed?
Ik lees eigenlijk zelden blogs, ik vrees dat ik er te ongedurig voor ben. Ik lees wel veel boeken, kranten en tijdschriften voor en naast mijn werk. De laatste blog die ik heb gevolgd was Fuck die studieschuld van mijn vriendin Maaike Wind, over het aflossen van haar studieschuld. Dat is een populaire blog geworden, mede door het thema, geld. Jouw blog vind ik leuk omdat ik je ken. Maar anders zou ik niet zo snel een blog lezen. Tenzij het over sektes zou gaan.
Pardon?
Ja, ik heb een fascinatie voor sektes en (schimmige) werelden waar je normaliter niks van te zien krijgt, of hooguit in zeer gefilterde of diplomatieke vorm. Ik heb interesse voor waar het schuurt, de rafelranden; ik denk dat dit voortkomt uit het slecht kunnen verdragen van onrechtvaardigheid, waar de wereld nogal vol mee zit – en ook gewoon een grote nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit en wat mensen – soms in godsnaam – beweegt. Als je daarover goed kunt schrijven, hang ik aan je lippen.
Weet je welk boek zo’n inkijk geeft? V13 van Emmanuel Carrère, over het proces na de aanslagen in Parijs. Hij schrijft dagelijks over wat er in de rechtbank gebeurt. Er komen andere journalisten op de meer spectaculaire processen af, maar hij gaat elke dag. Die stukjes verschenen in Le Monde en later werden ze gebundeld, als korte hoofdstukken. Een boek als een mokerslag, vond ik het.
Dus, als de vraag is: ‘moet er iets gruwelijks gebeuren vooraleer je er een blog over zou lezen?’ ben ik bang dat het antwoord ja is (lacht). In het verlengde daarvan: een blog vanuit het koningshuis zou ik ook interessant zou vinden. Maar een echt eerlijke blog dan wel.
Zelf nooit gedacht om undercover te gaan?
Nee, ik kan heel slecht liegen.
Zijn er specifieke personen van wie zou je graag een blog zou willen lezen?
Dan ga ik om te beginnen over naar een andere fascinatie van mij: de diepzee. In het boek Het licht van de diepzee van Brad Fox wordt beschreven hoe ontdekkingsreiziger William Beebe in 1930 in een glazen bol tot 900 meter de oceaan afdaalt. Wat hij onderweg ziet wordt genoteerd door zijn vrouw Gloria Hollister, die hij aan de telefoon heeft tijdens zijn reis. Zij geeft hierbij heerlijk droogkomisch commentaar. Je merkt aan de mannen dat ze neerkijken op haar, maar uiteindelijk gaat ze ook mee naar beneden en verovert ze een plek in de geschiedenis. Van haar zou ik heel graag een blog willen lezen.
En van mijn vriendin Elline. Zij is een van de grappigste mensen die ik ken op aarde, ze heeft een zelfverzonnen vocabulaire, gebruikt woorden als ‘onderoog’ en ‘projectiekots’ en ik denk dat heel veel mensen gebaat zouden zijn met haar kijk op de wereld.
Wat moet er gebeuren om jou weer aan het bloggen te krijgen?
Ik denk toch een andere persoonlijkheid. Of misschien: mijn pensioen.
Het allermooist vind ik de verhalen van mensen die zichzelf overstijgen. Een middelmatige muzikant die een lied met eeuwigheidswaarde componeert; een schrijver van dertien in een dozijn die dat ene meesterwerk schrijft; een doordeweekse voetballer die enkele begenadigde weken beleeft en zijn vaderland in vuur en vlam zet. Toto Schillaci was zo’n voetballer. Matige techniek. Klein van postuur. Vroeg kalend. Een zondagsschilder in een elftal vol virtuozen. Maar tijdens de zomer van 1990 groeide hij uit tot de held van Italië. Op het wereldkampioenschap voetbal leefde hij – en samen met hem alle huismoeders in het land van Marcello Mastroianni – op een wolk. Elke baltoets lukte. Na die gouden weken leek het of zijn geluk voorgoed op was. Zijn vrouw verliet hem voor een prima donna met zwarte lokken; de spits was het scoren verleerd en belandde op de bank van steeds amechtiger voetballende ploegen. Vierendertig jaar na die ene zomer waarin zijn ster zo hevig schitterde in het shirt van La Squadra Azzurra stierf Toto Schillaci op negenenvijftigjarige leeftijd aan kanker. Bruno Willaert schreef op zijn blog Reloaded een knap portret van de aanvaller uit Palermo. Net als Marcello Mastroianni zal Toto Schillaci nooit vergeten worden.
We beginnen onze triptiek echter met een verhaal uit De sprekershoek van de schrijverij. Erik Herbosch blikt op de melodie van een klassieker van De Strangers terug op de voorbije gemeenteraadsverkiezingen en plaatst kanttekeningen bij de viering van een verkiezingsoverwinning die deed denken aan goedkope sandalen-film uit het Hollywood van de jaren vijftig. Het was kitsch zonder dat relativerend vleugje camp en dan krijgen feestvierende vuisten in de lucht al snel een andere lading.
Veel te laat aangemeerd in onze haven is blogger Mike. In het verhaal Leven in debreedte herontdekt hij zijn oud droomboek en bedenkt een systeem om meer uit het leven te halen dan erin zit, zodat iedereen zijn of haar persoonlijke zomer van 1990 mag beleven.
‘De Kiezer in het land had zijn zegje wel gehad, het woord was aan de Keizer nu. Beschermd door bonkige bodyguards en omstuwd door zijn discipelen schreed de Keizer onder het wakende oog van een adelaarskop op een spies met geheven hoofd en vaste tred naar het spreekgestoelte vooraan in de arena. Op een teken van zijn hand bedaarde het gejoel. Begeesterd als een konijn voor een lichtbak hield het volk de tongen stil en de lippen op elkaar.’
‘Maar toen draaide ik het om. De tijd die mij nog rest kan ik wezenlijk verlengen door er ook mijn dromen bij op te tellen. De avonturen die ik ’s nachts beleef zijn misschien nog wel meer de moeite waard dan overdag. Ik moet er alleen voor zorgen dat ik ze onthoud. Ziedaar de terugkeer van het droomdagboek. Niet per se om lucide te dromen, meer een zaak van leven of dood.’
‘Zijn naam alleen al boezemt ontzag in, en dat in een jaar waarin naamgenoot Toto Cutugno voor Italië het Eurovisiesongfestival won. Het zijn vooral zijn doordringende ogen, die door alles en iedereen boorden, die in het collectieve geheugen gegrift blijven. Ieder doelpunt werd vol passie en vuur gevierd, alsof het zijn laatste zou worden. Zijn naam, Salvatore, wat ‘verlosser’ betekent, leek hem tijdens dit toernooi op het lijf geschreven.’
Veel meer nog dan de aankomst telt de reis,
verlangend naar een doel dat je niet kent,
want meestal blijkt, als je er eenmaal bent,
de eindbestemming niet het paradijs.
De recherche in kwatrijnen (45) van Ruud Verwaal
Het is Jan-Willem Lubbers die me op het woord ‘enshittification’ wijst. Platformverval in het Nederlands, of verteringisering of vershitting – wie een betere vertaling verzint, graag! Het proces is altijd hetzelfde: Surpluses are first directed to users; then, once they’re locked in, surpluses go to suppliers; then once they’re locked in, the surplus is handed to shareholders and the platform becomes a useless pile of shit (Corow Doctorov). En zo blijft er van het sympathieke Google, Apple, Twitter, Amazon – en wie weet straks ook Aanlegplaats – niets over.
En wat is het leven anders dan een platform? Het paradijs al zeker niet, zoals Ruud Verwael uit Proust hertaald. Jan-Willem Lubbers, Rene Van Densen en Vincent Merckx zijn het roerend met hem eens.
Eenmaal thuis val ik dan in slaap boven mijn lectuur en dat vind ik uitermate frustrerend. Kan ik gaan doen waar ik voldoening uit put, ben ik te moe, moet de batterij opgeladen worden.
De schrijver had genoteerd dat elke 40 jaar zo zijn onruststoker kent, zijn brandstichter, “we spelen oorlogje, want we hebben genoeg van vrede”, besloot hij.
Met een zak vol koffiekoeken loop ik langs de arme, magere hongerige rij die bij de Voedselbank staat. Ik wijs naar de zak en gebaar dat het lekker gaat smaken. Je moet de mensen iets te dromen geven in het leven, beaamt ook het barmeisje dat vandaag haar decolleté nog wat meer gedecoreerd heeft.
Voor de vangst van deze week moesten we niet ver gaan zoeken. Marita en Ingrid Vanderkrieken, beiden deze zomer nog actief in Flessenpost, hadden een nieuw stukje op hun blog staan dat we wel moesten delen. Ingrid schreef nog eens over haar vis, de vis waarvan ik dacht dat het een logeervis was, maar die nu toch al even rondzwemt in de Oostkantons. Groot gelijk, als Ingrid je iedere avond op onnavolgbare wijze bijpraat over haar dag: “Ik zei ook hoe betreurenswaardig ik het vind dat Gerbrand Bakker niet voorkomt in de lijst van de beste Nederlandstalige boeken van deze eeuw volgens de Knack. Ik kijk naar geen enkel lijstje meer, lamenteerde ik, al die onzin.”
En ja, als Marita schrijft over een fietshelm, dan weet je dat het gaat knallen. “De helm ligt al weken verstopt in de fietstas, ik voel toch enige gêne om het ding op mijn hoofd te zetten. Het is zo on-Nederlands, straks schelden ze me uit voor ‘expat’. Of voor Duitser, dat zou ook niet voor het eerst zijn.”
Naast het vertrouwde leesplezier geven we u ook graag inkijk in iets nieuws: de blog van Suzanne Brink meerde hier vorige week aan. In ‘Prinses Viola te paard’ schrijft ze over haar vriendschap met een excentrieke klasgenoot op de kunstacademie.
Maar goed. Gisteravond begon ik gemoedelijk aan het gebruikelijke avondpraatje. Ik vertelde dat mijn man de bomen heeft gesnoeid, dat de eerste bladeren vallen en ik vanaf nu de was weer binnen laat drogen. Dat we in de namiddag bij vrienden op de koffie waren, en de vrouw én de man ieder een taart hadden gebakken. Dat Duitsers bij elk gebak slagroom serveren, slagroom zonder suiker, en ik dan geneigd ben er te veel van te eten. De vis keek bijzonder begripvol maar meende het niet. Hij heeft immers geen probleem met zijn gewicht.
Na het ontbijt in de strandtent overweeg ik om op de terugweg de helm in de fietstas te stoppen. Ik doe het niet, want stel je voor dat er onderweg wat gebeurt. En het zou toch heel suf zijn dat je in de krant komt met de volgende tekst: “Fietsster met ernstige hoofdwonden aangetroffen in de berm. Uit nader politieonderzoek is gebleken dat de vrouw een helm bij zich had, maar deze niet droeg. De vrouw heeft ernstige hersenschade opgelopen, de kans op herstel is klein.’
Viola’s favoriete onderwerp was seks. Ik hoopte dat ze ophield als ik niks terug zei. Ze had het over een Rotterdamse vriendin die de hele tijd met haar naar bed wilde. Lesbisch was ze niet, misschien bi, want ze had het ook over jongens en hoe goed ze wel of niet beften. In de zomer droeg ze rokken en jurken zonder iets daaronder. ‘Gewoon lekker’, zei ze. Bij het uitgaan ontmoette ik een jongen, maar toen we begonnen te zoenen, tikte zij me boos op de schouder: ‘Samen uit, samen thuis.’
PS: Heeft u een idee voor een brief aan een van onze bloggers, als startpunt voor een nieuwe Flessenpost? Stuur een berichtje naar aanlegplaats@gmail.com
Hedenochtend, terwijl het water door het doucheputje verdween, overviel mij de volgende zinloze, en incidenteel terugkerende, gedachte: “Hoe zat dat ook maar weer, verdwijnt water nu links- of rechtsom door doucheputjes op het noordelijk halfrond?” Ik wist dat het ofwel iets te maken had met de Coriolis kracht en de draaiing van de aarde, ofwel domweg onzin was en gewoon afhankelijk van het type doucheputje.
Suzanne Brink is schrijfster, journalist en weet beroepshalve alles over fietsen, versnellingen en regenkleding.
Haar verhalen stopt ze vol met kleurrijke details en een gezond gevoel voor humor.
Vergeleken bij Viola was ik heel gewoontjes. Maar zij kwam dan ook uit de grote stad Rotterdam en had gescheiden ouders. Scheidingen vond ik waanzinnig interessant. Volgens mijn voor de eeuwigheid getrouwde ouders was niks erger dan scheiden.
Naast de website / blog is er ook een nieuwsbrief, Troostkoper, op substack.
In mijn blog wil ik het hebben over wat me bezighoudt, en dat is toch in de eerste plaats literatuur: over hoe de boeken die ik lees me vormen, over schrijven, schrijftechniek, zo zei schrijfster en schrijfdocent Kathy Mathys het in haar interview als gastvisser.
En dat ze regelmatiger gaat bloggen.
Daar zijn wij, samen met al die andere schrijvende lezers, alvast heel blij mee.
De gretigheid van deze schrijvers ontroert me, het gekras van pennen maakt me rustig. Nu al weet ik dat enkelen van hen mij zo zullen raken door de verbazing die siddert in hun stem. Heb ik dat echt geschreven? Is het echt goed?