Sam Sterckx, het interview

Het is even zoeken op deze troosteloze dag tussen Kerst en Oudjaar, naar een plek in Antwerpen die authentiek genoeg is voor een Aanlegplaatsinterview met Sam Sterckx. Maar als we er een gevonden hebben, lijkt het moeilijk te geloven dat we ooit ergens anders zijn geweest. De gerant draagt een blinkend trainingspak. Rummikubsteentjes, harige vuisten en levendige discussies zinken weg in hoogpolig tafelkleed. “Hallo!” roept Sterckx bij binnenkomst terwijl hij de mensen toeknikt. Na een moment ijzige stilte gaat hun aandacht weer onverdeeld en luidruchtig naar de rode vijven en blauwe zessen. Weten ze dan niet dat dit de schrijver achter Kotsen op Woensdag is, ongecensureerd en nog nauwelijks gedrogeerd?? Gelukkig is het maandag.

Als de thee en de koffie zijn besteld en we afdoende hebben vastgesteld dat we het echt zijn, wij en niet de online versies van onszelf die elkaar ontmoetten tijdens de online cursus ‘literaire blogs schrijven’ van Dirk Van Boxem, is het tijd om het notitieblok boven te halen en de – inmiddels vermaarde – eerste vraag te stellen.

Waarom heb je een blog?

“Om mijn artistieke praktijk aan de wereld op te dringen, natuurlijk. Ik schreef ervoor al, heb zelfs ooit acht-en-een-halve maand niet gewerkt om een boek te schrijven wat ik uiteindelijk niet goed genoeg vond. Maar de gitzwarte stijl die ik daarin had gevonden beviel me wel, en daar wilde ik verder mee. Toen ik tijdens de cursus van Dirk op de titel Kotsen op woensdag kwam, werd het concept eigenlijk snel helder. Een korte, wekelijkse reflectie op de maatschappij vanuit een fictief personage dat gebroken is, die heel graag wil maar niet kan. Een soort Trainspotting idee. Ik ben nog altijd heel blij met die titel – en ook met de ondertitel alle andere dagen ben ik best oké.”

Op welke manier zie je je blog als reflectie op de maatschappij?

“Ik zie ontzettend veel mensen worstelen met zichzelf. Volgens mij komt dat vanuit een verdrongen dualiteit: we willen een perfect, diep leven hebben en weigeren onze oppervlakkige kanten te omarmen. We willen áchter mensen kijken, terwijl er soms niks achter zit. Oppervlakkigheid interesseert mij mateloos.

Het personage van Kotsen op woensdag gaat heel diep in die oppervlakkigheid. Hij staat met één been buiten de maatschappij en weet niet welke hij moet kiezen om voort te gaan. Hij is megastreng voor alle andere mensen, voor alle externe factoren en weigert naar zichzelf te kijken voor een oplossing. Hij moet maar een klik maken om het te kunnen, maar het gaat hem nooit lukken. Net zoals het Mark Renton van Trainspotting en Charles Bukowski’s Henry Chinaski niet gelukt is.

Toch is hij, misschien meer dan Mark en Henry, een hopeloze romanticus. Kotsen op woensdag is geen puur cynisme. Ik wil laten zien hoe vanuit het gitzwarts iets schoons kan ontstaan. Daarom vind ik De Laatkomer van Dimitri Verhulst ook zo’n fantastisch boek. Het gaat over een 74-jarige man die een stunt uithaalt door dementie te veinzen en in een verzorgingstehuis te worden opgenomen. Tussen alle miserie en zwarte humor door, lees je dat deze man eigenlijk gezien wil worden: hij heeft zijn leven lang een vals leven geleid en heeft daar geen zin meer in. En dan blijkt dat hij niet alleen is; er zijn nog bewoners die doen alsof.

Ik vind het boeiend om te schrijven over de hoeveelheid maskers die we opzetten. Zoveel dat we onze eigen identiteit verliezen. Wat een kwelling, wat een schoonheid!

Ik ben zelf heel slecht in maskers opzetten. Ik ben kunsthistoricus en heb lange tijd als curator gewerkt. Hoe leuk ik het ook vond om met kunstenaars te praten, ik heb moeten aanvaarden dat de kunstwereld te hard is voor mij. Zo gesloten, zo doordrongen van een bepaalde visie. Dan begin ik raar te doen, dan gedraag ik mij als een olifant in een porseleinkast. Nu ben ik leerkracht in Vilvoorde, voor schoolverlaters die alsnog een diploma willen halen. Bij hen is een masker opzetten kansloos, daar prikken ze zo doorheen.

Ik ben nog altijd hooggevoelig, maar met behulp van mindfulness kan ik alle gedachten en emoties die op me af komen vaker loskoppelen van de situatie. Ik heb geleerd meer en meer mijn eigen beste vriend te zijn.”

Je personage is ook leerkracht.

“Ja, hoewel dat wel steeds minder belangrijk wordt. Een olifant in een porseleinkast is hij wel, maar voordat iemand anders dat kan doen gooit hij zijn eigen ruiten in.”

Hamvraag blijft: hoe autobiografisch is jouw blog?

“Mijn blog is fictie met persoonlijke elementen erin. Dat is geen evidente combinatie, dat snap ik wel. Het heeft ook al voor wat problemen gezorgd. Na de eerste posts belde mijn familie ‘wat scheelt er dan precies met uw moeder?’. Op mijn toenmalige job konden ze er niet mee lachen dat ik schreef over het aanranden van leerlingen en toen ik voor Kant en Wal een depressief stuk schreef…”

… mailde ik of alles wel OK was.

“Ja! Terwijl je de mens en de schrijver apart moet zien. Natuurlijk kan ik soms therapeutisch iets van me af schrijven, dat mag er ook zijn. Maar vooral wil ik durven uitspreken waar ikzelf en andere mensen mee zitten. In de meest geslaagde ‘Kotsjes’ schrijf ik niks van me af.”

Ik vind het wel durven dat je dingen uit je persoonlijk leven integreert, ook al word je erop aangesproken.

“Ja, als ik twijfel of ik iets moet doen of niet om die reden, weet ik dat ik het wel moet doen. Ik wil mezelf niet censureren. Dat is met momenten best lastig, op een blog moet je ook je eigen editor zijn.”

Ondertussen zit je aan 208 posts: hiermee is het uitgerekend deze week vier jaar Kotsen op woensdag. Is het moeilijk om het vol te houden?

“Soms wel. Uiteraard heb ik ook wel eens een writer’s block – en een week is snel voorbij. In het begin heb ik één keer niet gepost door drukte en toen heb ik me gerealiseerd dat ik dat niet meer wilde laten gebeuren.”

Hoe ga je te werk?

“Ik houd zinnen bij die me bijblijven, vaak uit gesprekken, wat ik zie in de stad, uit muziek. Die noteer ik dan in mijn GSM – ik heb een notitieblokje geprobeerd maar dat werkte echt niet. Tegen de tijd dat het woensdag is heb ik meestal een zin of tien en bouw ik de setting en de sfeer daarrond. Soms laat ik iets aansluiten bij de week ervoor, maar steeds vaker zijn het losse tegeltjes.”

Je schrijft nergens naartoe?

“Nee, ik ben een heel organische schrijver. Daarom denk ik ook dat ik niet snel aan een roman ga beginnen. Mijn stijl is ruw, met korte gebalde zinnen. Die stijl heb ik door deze blog kunnen ontwikkelen. Ik vind mezelf nu veel consistenter schrijven.

De vraag bij een blog is vervolgens hoe je dat brengt in een tijd van ontlezing. Bij elke post plaats ik een beeld van een kunstwerk, waar een bevriende curator me bij helpt. Een vriend uit de marketingwereld hielp me laatst de titels meer in het oog te laten springen. Ik heb 700 volgers en elke post krijgt tien tot twintig likes. Maar die aantallen vind ik niet zo belangrijk, ik vind het belangrijk dat de blog verder deint en mensen vindt.”

Hoe ziet volgens jou een goede blog eruit?

“Eén woord: authenticiteit. David Bowie heeft ooit gezegd dat kunst maken voor een publiek het slechtste is wat je kunt doen. Niet iedereen hoeft je te leuk vinden: ik denk dat de uitdaging erin zit jezelf op zo’n manier te laten zien dat mensen voor zichzelf kunnen uitmaken of ze je leuk vinden of niet. Als mens ben ik voor de middenweg, maar in de artistieke praktijk zeker niet.”

Wie – dood of levend – zou volgens jou dringend een blog moeten beginnen?

“Dan kies ik denk ik toch voor Ernest Hemingway. Ik houd van dat rauwe. Die zou zichzelf waarschijnlijk heel goed kunnen opleggen om elke dag 200 woorden te schrijven. Manisch! En dan in de rum-cola te vliegen, ook mijn favoriete cocktail trouwens. Daarnaast zou ik Maya Angelou zetten. Haar inzichten helpen me om te gronden. Die zouden ook heel goed werken binnen zo’n structuur, denk ik.”

Misschien een briefwisseling tussen de twee.

“Waarom niet? En dan als tweede duo graag Hunter S. Thompson en Alan Watts.”

Laatste vraag: zou het ik-personage uit Kotsen op woensdag gebaat zijn bij mindfulness?

“Oh ja, jazeker, jaaaah. Maar die gaat dat nooit toelaten. Die gaat niet zover in zichzelf durven te zien. Ken je de poètes maudits? Ik vind die enorm boeiend. Ik heb een voorliefde voor het getormenteerde. Maar ook zij kiezen niet voor introspectie, ze dompelen zich onder in hedonisme. En kijk dan hoe die aan hun einde zijn gekomen! Hemingway hetzelfde, die heeft wel een kogel door zijn kop geschoten, hè!

Ik ben blij dat ik aan introspectie durf te doen en bewust kan leven. Het maakt dat ik bijna nergens spijt van heb. Eigenlijk ben ik een heel positieve dude. Een mafketel met een cynische blog.”

Opgelet: bromberen! (vangst #202)

(r) Joe Shlabotnik

Terwijl het ene redactielid (bijnaam: charlatan) trots is op zijn net aangeschafte papieren agenda, beken ik met enige schroom dat ook deze vangst weer op de smartphone is samengesteld. Waarschijnlijk daarom dat hij vol zit met hilarische bromberen.

Want oh, wat heeft Marc Kregting gelijk wanneer hij de lerarenkaart app en de hele prietpraat in het onderwijs  veroordeelt! En je vindt vanalles op het internet, ook het meer dan geloofwaardige bewijs dat Bigfoot echt bestaat. Dank Rein Hannik! Zeker ook voor dat gevoel van schaamte, waaraan het de buurman van Els Claessens dan weer helemaal ontbreekt.

De smartphone blijkt menigeen in een zo complexe knoop te hebben gelegd, dat alleen Houdini nog kan helpen.

De ene collega had in haar digitale agenda ‘focustijd’ ingepland om dan ‘geconcentreerd te kunnen doorwerken’. Een ander installeerde de app To Do, die ervoor zorgde dat ze taken ‘gestructureerd kon bijhouden’, plus de app Mijn Dag die onthulde wat telkens ‘de doelen’ waren. Met mijn analoge verstand begreep ik dat winst bleef gaan naar big tech. En naar de werkgever: verhoogde efficiency, productiviteitsgroei! Neoliberaler kun je het niet bedenken. Werkelijk niemand lanceerde het idee om afstand te doen van de smartphone – die voor alles een asociaal en lelijk ding is dat grondstoffen en stroom slurpt.

Uit: Adieu op De Honingpot

Nu ik mijn huiswerk heb gedaan wil de scepticus-in-mij een believer worden. Ho ho ho! Dat gaat zomaar niet. Belangrijkste reden waarom ik mij niet gewonnen geef, is schaamte voor eigen soort. Als Bigfoot daadwerkelijk bestaat en een volle neef is, dan wijst ie ons af omdat wij hem hebben opgejaagd als een monster, in plaats van onthaald als een dakloos familielid.

Uit: De ongenode neef van Rein Hannik

… dan wat de Kreuners in me teweeg brengen: afschuw. Ik kan er niet mee om. Niet met de man die zich op de camping in een douchecabine kreunend afdroogt, niet met de werkman die kreunend een nieuwe kabel door het plafond trekt en niet met de buurman die zich kreunend naar een hoogtepunt toewerkt.

Uit: De kreuner op Gebeur-te-lijke ongevallen

De redactie van Aanlegplaats wenst u een deugddoend 2025!

Als een blogger een boek schrijft (vangst #201)

We zullen u niet lastigvallen met nog meer lijstjes, maar willen toch niet voorbijgaan aan het feestelijk gegeven dat er ook in 2024 weer prachtige boeken uit de Nederlandstalige blogcommunity zijn ontsproten. Marieke Groen schreef een klepper, Julie Cafmeyer maakte haar romandebuut, Bart Moeyaert en Pascal Cornet publiceerden een autobiografie, Anne Broeksma schreef het schubbenverhaal, van Frank D’hanis verscheen op het nippertje nog zijn non-fictiedebuut en Sylvie Marie trok haar schoenen uit en haar vleugels aan.

Als je je op een gegeven moment realiseert dat je al een tijdje niets van een bepaalde blogger hebt gelezen, is dat een indicatie dat hij of zij goed bezig is, zei Rob van Essen in het eerste interview dat we ooit vanuit Aanlegplaats deden (een citaat dat we vorige week in onze feestvangst opdiepten). In de aanloop naar de publicatie van zijn eigen roman vorig jaar, was het inderdaad even wat stiller op zijn blog.

Aan een boek werken is natuurlijk maar één manier om goed bezig te zijn. Dat er eigenlijk geen reden is om die twee niet te combineren, bewijzen bloggers als Vitalski en Lennart Vanstaen, net als onze eigen Katrien Scheir, Dirk Van Boxem en Jo Komkommer. En anders kun je lezers ook op de hoogte brengen via een uitgebreide out of office zoals Ivo Victoria, of ze na maanden radiostilte ineens uitnodigen voor de boekvoorstelling zoals David Troch. Het leukst vinden wij het wel als ze een stukje schrijven over het schrijven van het boek, zoals Kathy Mathys deed vier dagen voor de lancering van haar roman (ook verschenen dit jaar!), of Herman Loos, zes jaar na dato. Ook tof natuurlijk als andere bloggers schrijven over wat je boek bij hen losmaakt, zoals Suzanne Brink over het verhaal van Marieke Groen.

Maar het aller-allerleukst vinden we het als onze bloggers na een drukke periode weer veilig terugkeren in de haven en ons op de hoogte houden over hun dagelijkse beslommeringen, groot en klein. Fijne Kerst iedereen!

In mijn schrijfhuisje wordt niet enkel aan De Roman gewerkt. Ik rol er mijn yogamatje uit, plak er gedroogde bloemen op kaarten om te versturen en ik schrijf brieven, heel veel brieven (ja, Ik ben zo een negentiende-eeuws personage dat graag schrijft bij kaarslicht, meer daarover in een andere blog). Bij mijn brieven en kaarten stop ik bijna altijd een fraai ingepakt theezakje.

Uit: Theezakjes inpakken op Kathy Mathys

En toen kwam het boek uit en belde ik mij de ziel uit het lijf. De Morgen was eerst en we spraken af voor een interview in Hasselt. Ik was te laat vertrokken maar dacht dat ik dit wel goed kon maken door sneller te fietsen. Op een kleine veertig kilometer kan je tijd winnen. Onderweg begon het te miezeren, wat ik niet had verwacht, en in Hasselt kon ik de locatie niet meteen vinden. Toen ik iets te laat binnenwaaide als een uitgemergelde, verzopen kater stelde de journaliste zich voor. En de fotograaf.

Uit: Een andere mens met een ander leven op Here comes herman

Pure mazzel dat ik niet straatarm ben geworden, denk ik na het lezen van Marieke Groens boek Het verhaal van mijn schaarste. Wat voor andere mensen normaal was, was dat voor haar niet. Stress als ze met vrienden naar de kroeg ging. Ze kon maar één drankje betalen. Killing voor je sociale leven. Ik herken haar dankbaarheid voor elke vorm van vergoeding voor wat je doet. Als ik als freelancer artikelen schreef, was ik daar weken mee bezig, veel te lang voor wat ik ervoor kreeg.

Uit: Betaal voor liefde op Suzanne Brink

Aan Dirk Van Boxem

Foto Anne Broeksma: Koos Breukel

Dit is de tweede brief in de tweede ketting van onze reeks Flessenpost. Vorige week schreef Dirk Van Boxem een brief aan Anne Broeksma, hier schrijft ze terug.

Beste Dirk,

Voordat ik weleens ‘gevangen’ werd op Aanlegplaats, was ik ervan overtuigd dat niemand mijn blog las. Heel erg vond ik dat niet, want het is ook een soort notitieblok; een manier om in beweging te blijven, ook als niemand kijkt. Toch is het fijn om iets minder alleen te zijn. Lezers te hebben. En zelf in andere hoofden rond te dwalen door de weekvangst te volgen. Een stuk fijner gebruik van het internet dan scrollen langs uitroeptekens, reclameblokken en onheilstijdingen. Dus veel dank aan jou Dirk; voor je mooie brief en voor het oprichten van Aanlegplaats. Een haven om op adem te komen.

Over onheilstijdingen gesproken: ik deel je zorgen. Al leven we altijd in tijden van grote veranderingen; meer dan ooit trekken groepen zich terug in hun loopgraven, daarbij de geluidswerende koptelefoons opzettend. Als je zo duidelijk weet wat er allemaal mis is in de wereld en wie daar verantwoordelijk voor is, waarom zou je dan nog luisteren naar iemand aan de overzijde? Sterker; er bestaat geen overzijde meer wanneer we veilig in ons eigen algoritme op een luchtbedje dobberen. (Algenritme, typte ik bijna). Des te harder komt dan de realiteit binnen: dat de meerderheid op een polariserende populist stemt. In Nederland, in Amerika. En ook in België en andere delen van Europa is radicaal rechts natuurlijk groeiende.

Vorige maand was ik bij een concert van Cosmo Sheldrake, een Engelse muzikant die veel geluiden van dieren, planten en schimmels in zijn muziek verwerkt. ‘Everything listens’ zei hij. De precieze context van zijn uitspraak weet ik niet meer maar ik zag gelijk een wereld vol oren voor me: in het mos, de bomen, de tuinen, de steden. Ik en velen met mij zijn zo druk met communiceren; met posten, met praten of korte berichtjes heen en weer schieten, dat we er niet altijd bij stilstaan dat taal beweging is; dat we met elke letter, elk geluid, deelnemen aan een choreografie. Een trilling sturen die iets veroorzaakt. Soms iets kleins, wanneer ik mijn pup roep en hij toevallig zin heeft om te luisteren. Soms iets groots, wanneer een populist roept dat een bepaalde bevolkingsgroep een bedreiging voor de veiligheid van de meerderheid vormt. We denken vaak dat we de werkelijkheid aan het beschrijven zijn, maar we zijn hem aan het maken. Rosanne Hertzberger, voormalig NSC-kamerlid in Nederland, zei het in een interview met NRC nadat ze het polariserende kabinet verliet: taal doet ertoe.

Dat is ergens ook geweldig nieuws, toch? Zo gemakkelijk als het is om groepen tegen elkaar op te zetten, zo gemakkelijk moet het zijn om taal in te zetten voor verbinding. En de mens is een verbindingsdier. Een Trump- of Wilders-stemmer heeft ook een hond, een tuin (met iets teveel tegels weliswaar), geniet van het opgroeien van de kinderen, van een boswandeling, bakt een taart voor de buren. Nu we via schermen constant naar het wereldtoneel zitten te kijken, vind ik het niet zo gek dat mensen angst voelen en de eigen kleine wereld willen beschermen in plaats van – zoals progressief-links voorstelt – die wereld te willen delen met andere wezens buiten de groep, menselijk of meer-dan-menselijk.

Probleem is natuurlijk dat de belofte van bescherming vals is en de zondebokken gecreëerd. Waarom stemt in Amerika Average Joe op een wandelende uitwas van nineties-Wallstreet, terwijl zijn goud nooit naar hem of haar toe zal stromen en vooral de allerrijksten nog rijker maakt? Is dan toch de schittering, de valse belofte (maar: belofte) van het goud genoeg, of is het alternatief zo afschrikwekkend dat elke stem tegen de gevestigde orde aantrekkelijker is?

Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat de devaluatie van de werkelijkheid ten gunste van het verhaal; het idee; het plaatje, niet alleen iets is van populisten, maar iets is dat zich breder in de samenleving voltrekt en iets te maken heeft met onze virtuele levens. Als we de technologische revoluties waar we nu middenin zitten niet leren begrijpen, hebben we ook geen grip op onze toekomst, schrijft Yuval Noah Harari in Homo Deus. De Engelse schrijver Paul Kingsnorth heeft het in zijn nogal cultuurpessimistische essays op The Abbey of Misrule over een soort machine, een perpetuum mobile buiten onze macht, die maar blijft doorrollen. Het doel van de machine: de natuur vervangen door technologie.

Ik zie een bekende bioloog een AI-afbeelding van een schubdier gebruiken. Ik zie een vriendin naar haar app kijken om te weten of ze een blaadje bij haar tomatenplant moet afknippen. Ik zie een dichter een AI-gedicht ‘in de stijl van Rutger Kopland’ op Facebook plaatsen en huiveren van de gelijkenis, terwijl het gedicht er niet bij in de buurt komt en aan elkaar hangt van clichés. Ik zie een vrouw chemicaliën in haar gezicht spuiten om te voldoen aan een schoonheidsideaal gebaseerd op bewerkte en neppe foto’s.

Het is net of onze zachte, aardse, kwetsbare, zintuiglijke, creatieve, intuïtieve vermogens als stervelingen structureel worden onderschat. En de herkauwde, zielloze vermogens van een reeks datasets structureel worden overschat. Moet ik echt onder de indruk zijn van wat het internet uit kan kotsen, alleen omdat we er nu eenmaal veel hebben ingestopt?

Het spijt me dat ik zo doordraaf, maar ik las in jouw brief een verlangen je werkelijk te verbinden met de wereld om je heen, als tegengif voor duistere ontwikkelingen. Ik deel dat verlangen en ik denk dat je gelijk hebt dat de hang naar iets collectivistisch aan beide politieke zijden bestaat. Komt dat verlangen niet voort uit een diepe eenzaamheid, die toeneemt en iets te maken heeft met de ontwikkelingen die Harari en Kingsnorth beschrijven?

Een eenzaamheid die niet bestaat wanneer we met vrienden rond een vuur onder een sterrenhemel zitten. Of in samenwerking met bacteriën, schimmels, dieren en de seizoenen iets eetbaars proberen op te kweken. Of met kinderen en dieren spelen. Of met een kop thee achter de computer plaatsnemen en de tijd nemen om op Aanlegplaats even te verdwalen in het hoofd van een ander, net als in een boek. Een eenzaamheid die te verdrijven is met liefde en aandacht, in het hier en nu. Dat inzicht lees ik ook in jouw brief. Afijn, ik ben al veel te lang aan het woord voor iemand die het heeft over het belang van luisteren. Het wordt wat eenzaam hier. Eens verder praten in een Brussels café onder het genot van een biertje?

Anne

200 tips voor een goede blog! (vangst #200)

‘Zoals elke dinsdag klokslag elf uur houdt de wereld ook nu een moment de adem stil en buigt zich over die ene vraag die er werkelijk toe doet: wat zou de selectie van de week van Aanlegplaats zijn?‘

Dat was de inleiding van de allereerste vangst van de week, nu tweehonderd weken geleden. Tweehonderd is feest, en terwijl we eerst dachten uit eigen werk te citeren, zijn we er na rijp beraad voor gegaan om te grasduinen in de wijsheden die onze gastvissers ons hebben geschonken.

Hier dus, een redelijk willekeurige greep uit de context gerukte citaten (en wie de volledige interviews nog eens wil nalezen, daarvoor hebben we nu ook een interview pagina!)

Als je je op een gegeven moment realiseert dat je al een tijdje niets van een bepaalde blogger hebt gelezen, is dat een indicatie dat hij of zij goed bezig is (Rob van Essen in het allereerste interview).

Het is mijn tweede natuur geworden. Zelfs als ik om drie uur ’s nachts doodop thuiskom en de volgende dag om zeven uur moet opstaan: zelfs dan moet ik bloggen (Vitalski).

Ik voel dat de afstand alsmaar groter wordt en terwijl die groter wordt, verkleint de ruimte waarin mensen zeggen: “Ah, ja. Misschien heb je wel een punt.” Het aantal mensen dat dat zegt is verwaarloosbaar. (Jan Ducheyne)

Moest ik bloggen, ik zou compleet onleesbare en veel te lange teksten schrijven – op zo’n klavier tikt alles lekker weg en zit je voor je het weet oeverloos te lullen over je zelfgemaakte pad thai of iets anders waar geen kat op zit te wachten. (Andy Fierens)

Niet elke volzin is zinvol. Ik ben allergisch voor onnodig gewichtig, ambtelijk en barok taalgebruik. Alsjeblieft geen gekunstelde taal die een zweem van literaire pretentie oproept. (Ben de Graaf)

Het is hoger gezeur (Steven Van Ammel).

Bij literaire schrijvers kan ik afhaken als ze willen imponeren door te laten zien hoeveel moeilijke woorden en hoeveel puntkomma’s en heel den bataklan ze kunnen gebruiken. Zinnen met te veel puntkomma’s… dat is voor mij heel moeilijk. (Johan Petit)

Er staan trouwens echt veel teksten op Instagram. Dikwijls zijn het halfzachte motivational quotes, passief-agressieve excuses om vooral jezelf te blijven, ook al ben je een zeur. (An Olaerts)

In een blog kun je iets stelligs zeggen en het de zin erna weer onderuit halen. Daarom vind ik blogs vaak interessanter dan columns, die veel meer ‘af’ zijn. (Dennis Pauwels)

Ik wil dus eigenlijk best schrijven, maar liefst als de stem, in zang of spraak, uiteindelijk het instrument wordt. Ik schrijf met mijn oren. (Erik Strieleman)

De eerste schrijver waarvan ik graag een blog zou lezen: Emily Dickinson. Ook doden kunnen prima bloggen, toch? (Kathy Mathys)

Grote schrijvers zijn daarom geen taalvirtuozen. Het zijn vaak mensen die dicht bij hun eigen stemgeluid blijven. (Lara Taveirne)

Terwijl voor een blog uiteraard dezelfde basisvereiste geldt als voor eender welke literaire tekst: vindt en gebruik alsjeblief je eigen stem. (Gert Brouns)

Een blog ontdekken voelt soms als een mengeling van huisvredebreuk en tegelijk thuiskomen en nieuwsgierig rondneuzen in andermans universum. (Virginie Platteau)

Ik mis het enorm in het huidige medialandschap: goede sigarenrecensies. (Christophe Vekeman)

Schrijven is een vorm van archeologie, voor mij. (Tanja Wentzel)

Verbeelding is het vermogen om zelf je augmented reality te maken, de dorre werkelijkheid aan te vullen met wat ook mogelijk zou kunnen zijn. Ja, er is echt te weinig verbeelding. En humor. (Tom Wouters)

Ik zoek ook meer dadaïsten geloof ik (Katrien Scheir, toen ze nog geen deel uitmaakte van de redactie).

Wat me in ook blogs aanspreekt is het onaffe element. Een gedachte hoeft nog niet voltooid te zijn – zoals in een boek – maar kan groeien en zich al schrijvend verder ontwikkelen. (Han Soete)

Blogs die ik boeiend vind, verstaan de kunst om algemene en persoonlijke informatie schrander en spits te combineren. (Dirk Leyman)

Persoonlijk is bij uitstek universeel! Alle katten zijn verschillend, maar ze lopen stuk voor stuk achter je aan als je naar de badkamer gaat. (Jasmien Vandermeeren)

En zo, beste lezers, met het beeld van katten in je badkamer, laten we je deze week achter. Volgende week weer een gewone vangst. Beloofd!

Aan Anne Broeksma

Foto Anne Broeksma: Koos Breukel

Dit is de eerste brief in de tweede ketting van onze reeks Flessenpost.

Beste Anne,

Laat ik het meteen bekennen: ik houd geen twee hondenrassen uit elkaar, weet niet welke plant ik kan roken of welk gif me plezier oplevert cq de dood injaagt. Hoogstens ben ik een theoretisch liefhebber van natuur.

Jouw prachtige blog Notulen bij het ongetemde, en nu ook je boek Een verhaal met schubben zijn voor afstandsliefhebbers als ik goud waard. Je toont ons hoe vanzelfsprekend het kan zijn om afstand te nemen van het Bijbelse recht van de mens om de natuur te beheersen, en in de plaats daarvan onze plaats te kennen – die van een schamel bewust wezen tussen al die andere bewuste wezens.

Wetenschap vermoedt dat ook planten bewust zijn, in staat om uit ervaringen te leren en hun gedrag aan te passen aan een verwachte toekomst. Dat inzicht hebben Oosterse en animistische godsdiensten en wijsbegeerten natuurlijk al eeuwen.

Wij, arme Westerlingen, fluiten bewonderend naar die kaalgeschoren monniken, nemen hun rituelen en ikigai’s gretig over, hopeloos op zoek naar de zin van ons leven, of hoe we simpelweg een goed mens kunnen zijn.

De mens moet kleiner, bescheidener, het blikveld breder. Naar verdwenen en toekomstige generaties, naar het hele ecosysteem met alle levende wezens erin. Het is onze verdomde plicht, sinds we met de klimaatopwarming onze eigen apocalyps hebben.

Des te vreemder is het dan dat blijkbaar niet iedereen deze zo vanzelfsprekende inzichten deelt, en in de plaats daarvan voor een narcistische, egocentrische klootzak stemt, of voor de lokale varianten daarvan. Eigen volk eerst, Make America (of vul naar believen je eigen streek of land in) great again, …

Hoe harder wij, de weldenkenden, overtuigd zijn van ons wereldreddende gelijk, hoe meer stemmen ook die andere kant lijkt te halen. De tegenstellingen staan op scherp, we zijn klaar om te roepen, te betogen, te bezetten en te vechten – waarbij we onze eigen roep om verdraagzaamheid nogal potsierlijk negeren.

Ik sta er een beetje naar te kijken, en denk: is er nu echt niets dat ons zou kunnen verbinden?

Ik kan het niet helpen, ik zoek het meteen in systemen en langzaam verschuivende historische trends. Als zowel dat universele bewustzijn van liefde als het lelijke tegengewicht toenemen, zijn het dan misschien twee kanten van dezelfde munt? Ruilen ze niet allebei het ongebreidelde individualisme van de vorige decennia in voor een meer collectivistich waardesysteem? Zijn we onze eenzaamheid zo grondig beu? Verschillen we niet vooral in wat we beschouwen als gemeenschap dan dat we gemeenschap boven het individu stellen?

Dat collectivisme is niet zonder risico. In het Westen noemen we het fascisme of communisme, maar ook de landen van die Oosterse wijsheden hebben bijzonder wrede regimes gekend, of kennen ze nog – het is blijkbaar niet omdat je alles en iedereen bewustzijn toekent dat de verleiding om baas te spelen verdwijnt.

Als we het zo beschouwen, dan is de weg voorwaarts misschien wel wat jij al doet: spelen met een hondje, de wereld vertederen, bijna uitgestorven dieren gaan zoeken in een donker oerwoud en daarover vertellen. Liefde tonen, voor alles en iedereen, ook voor jezelf.

Het is allicht daarom dat ik jouw teksten met zoveel plezier lees, beste Anne. Niets menselijk is je vreemd, je toont hoe die liefde voor alles wat leeft een kracht heeft die niet te stuiten lijkt. Van het volkstuintje naar het oerwoud en terug naar het Antwerpse Astridplein.

Voor iemand die vanop een afstandje naar de natuurkrachten staat te kijken, is dat een bijzonder lavende ervaring. Dank je wel.

Je trouwe lezer,

Dirk

De vangst van Erik Strieleman (vangst #199)

Drie stukjes of drie schrijvers, waarmee ik tijdens het lezen plots een link voelde. Zo kan belangstelling ook ontstaan. Tanja Wentzel die een poëziezoektocht laat beginnen aan het Flageyplein in Elsene, waar ik mijn eerste stemproef opnam voor de toenmalige BRT. Ik deel ook de liefde voor filosofische teenslippers van Koen Vandenborre. En om te beginnen Caspar Visser ’t Hooft, een schrijver in Frankrijk, die niet eens zover woont van de plek waar ik zeven jaar van mijn leven doorbracht.


Willen we ons nog herkennen in monsieur le professeur, in het grijze ezeltje, in Céline? In wat miskend wordt, in wat achterblijft, in wat een beetje triest is? In wat niet ik-ik schreeuwt, en I can’t get no-o satisfaction? Een mooi chanson loutert. Katharsis. Ja, jij bent het grijze ezeltje, dat eenzaam sterft (sterven we niet allemaal eenzaam – alles welbeschouwd?). Jij bent die monsieur le professeur. We vinden allemaal dat zoveel dingen die we met de beste bedoelingen deden onopgemerkt zijn gebleven. We zijn allemaal een beetje losers

uit: Adieu, monsieur le professeur van Caspar Visser ’t Hooft

Je moet een beetje zot zijn om negenendertig zondagen op rij in regen, wind en zonneschijn ergens in de stad wat verzen te gaan voorlezen en te geloven dat het zin heeft. Van buitensporig veel moeite doen gesproken! Het doet onvermijdelijk denken aan Camperts “Verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden”.
Eén keer was er alleen een vrouw met een hond, maar nog nooit is niemand komen opdagen, vertelt Filip. Ook dan zou hij lezen voor de passanten. Ik hoop dat steeds meer mensen hem zullen vinden, volgen, elkaar ontmoeten daarna samen iets gaan drinken.

uit : Poëzie in de Aarschotstraat van Tanja Wentzel


‘De Griekse dichteres Sappho van Lesbos zei dat wat mooi is goed is en wat goed is mooi wordt. Als we die redenering doortrekken, wordt wat lelijk is slecht. Misschien toch iets om bij stil te staan.’ De aircoman zag de verbazing in mijn ogen en verduidelijkte. ‘Naast een diploma koeltechnieken heb ik een master filosofie.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Rond het jaar 2000 was de wereld in een existentiële crisis beland. Filosofie leek toen een verstandige keuze met werkzekerheid (zucht).

Uit: Teenslippers van Koen Vandenborre

Erik Strieleman, het interview

oplus_1058

Aanlegplaats interviewt jongeling op rust Erik Strieleman. Hij zit al klaar in een treincoupé achteraan in de Muze als ik te laat -gedoe met tram 7- arriveer. Na een decennium wonen in Frankrijk is de Muze een vorm van thuiskomen voor Erik. Al staat er geen croque monsieur meer op de kaart. Maar een bolleke is ook voedzaam.

Voor de actieve jongelingen: Erik Strieleman was freelance journalist voor o.a. Humo, De Post, Zondagsblad en vaste redacteur bij Panorama (het weekblad). Vanaf 1980 producer bij Radio 1 en Radio 2 van o.a. ‘De Ochtendploeg’ (met o.a. Stef Bos) en ‘Platenpoets’, oprichter van Radio Donna, netmanager van Radio 2 en TV1. Schreef samen met Paul Jacobs ‘Het Grote Blufboek’ (uitg. In Den Toren 1984). Was gitarist en zanger bij ‘The Previous Century Band’ (1999-2000).

Wij peilen naar het blogbewustzijn van onze man. Is radiorot en zoon van krantenman Frans Strieleman mee met dit toch wel zeer actuele en moderne medium? Al snel blijkt dat we hier te maken hebben met het auditieve type, van de soort Socrates zeg maar. Pas Plato typte alles over.

Ik heb geen blog, want ik ben lui. Nochtans heb ik als journalist talloze artikels uit mijn elektrische schrijfmachine geperst. Maar dat ging altijd met veel moeite gepaard. Een verhaal uitpluizen, iemand interviewen, dat was nooit een probleem. Maar daar dan 5 velletjes kwarto uitpuren was altijd een marteling. Ik ben geen schrijver en daar heb ik me bij neergelegd. Gelukkig was er de radio. Ik hoorde een programma (Het Oorbeest van Edwin Brys op Radio 2) en ik wist meteen: dit wil ik ook doen. Spelen met muziek, techniek en taal, dat was een ideale combinatie voor mij. Een tekst, dat zijn letters op een blad. Als die luidop gelezen worden, dan krijgen ze een andere dimensie. Of zoals Leo Ferré zei over poëzie:

“Toute poésie destinée à n’être que lue et enfermée dans sa typographie n’est pas finie.
Elle ne prend son sexe qu’avec la corde vocale tout comme le violon prend le sien avec l’archet qui le touche… »

Ik wil dus eigenlijk best schrijven, maar liefst als de stem, in zang of spraak, uiteindelijk het instrument wordt. Ik schrijf met mijn oren. Dat gebeurt ook als ik lees: ik hoor de stemmen van de schrijver en zijn personages in mijn hoofd, echt waar.

(We bestellen nog een voedzaam bolleke omdat De Muze geen croque monsieur meer heeft. Ik hoor plots muziek in elke blog van Aanlegplaats. Elvis, Roy Orbison, Prince bij Vitalski, Dirk van Boxems stevige basso continuo, Sinead O’Connor bij Marieke Groen… Verbeter, vul aan…)

Een gezongen blog, daar wil ik nog eens over nadenken.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?

Mensen die, weg van hun tribune, in mensentaal durven schrijven.

Wat is tegenwoordig mensentaal?

(na twee bollekes:)

Heren en Dames die hun eigen leven minder belangrijk durven vinden dan de mensen en dingen die hen omringen en muziek die hen ontroert. Heren en Dames die hardop durven vragen en twijfelen en kwetsbaar zijn. Petra De Sutter. Mijn vroegere hoofdredacteur (van Panorama, n.v.d.r.) Piet Teigeler, die schitterende stukjes pleegt op Facebook. De man die in de supermarkt een wijnrek stond in te laden en die een klant, die om advies vroeg, antwoordde: “Wijn? Daar weet ik niks van. Dat zijn rotte druiven in een fleske, dat drink ik niet!” En ook elk jongmens dat iets wil vertellen en iets te vertellen heeft, dat wil schrijven , dat de woorden in een boek wil ruiken en de stemmen horen in zijn hoofd, en dat ik wil toeroepen: “schrijf, schrijf, gooi je woede, je hartstocht, je tederheid eruit en oefen, oefen tot je vingers blauw zien van de schrijfkramp”.

Een blog van Wannes Van de Velde had ik ook gevolgd. Gelukkig heb ik hier zijn dagboeken.

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er nog steeds naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

Ik kan enkel zeggen welke teksten mij kunnen aanspreken. Een tekst met een begin dat een verwachting oproept, correcte taal, met veel fantasie en humor en betrokkenheid. En als het even kan, een slot dat een antwoord geeft op het begin en dat alle onrust wegneemt. Maar de ware schrijver is degene die alle regels beheerst maar ermee durft te spelen en vrij durft zijn.

Frituur borseggiatrici (#vangst 198)

Deze week heb ik verhalen geselecteerd van drie schrijvers waar ik al vanaf het eerste stuk dat ik van hen las weg van was. 

Het is niet zo dat Lennart Vanstaen een groots en meeslepend leven leidt, maar hij bezit de gave om het alledaagse buitengewoon te laten lijken. Zijn laatste verhaal, Samen oud, vond ik persoonlijk een van zijn allerbeste. Het gaat over een avondje uit met de gevierde en bijzonder sympathieke schrijfster Diane Broeckhoven, in bijberoep een halve digibeet. Samen gaan ze naar de boekvoorstelling van Lize Spit in de Blauwe zaal van De Singel. Of was het in de Rode zaal? Wat volgt is een groots en meeslepend avontuur aan de ticketbalie waarin een dankbare bijrol is weggelegd voor dé nemesis van alle mensen die zich nog een wereld zonder Elon Musk kunnen herinneren: het geheime wachtwoord.

De pen van Tom Wouters, zoals ondertussen genoegzaam bekend, is uniek en ik ben dan ook verheugd dat uitgeverijen zijn talent hebben opgemerkt en in de loop van 2026 een boek van hem gaan uitbrengen. Dagelijks verblijdt hij zijn lezers op Facebook met korte, absurdistische maar tegelijkertijd ook ontroerende verhalen en een kleine selectie hiervan plaatst hij op zijn blog Het ongerijmde. Alleen al voor het bestaan Tom Wouters kunnen we Mark Zuckerberg niet genoeg danken. Wie een verhaal begint met de zin: ‘Ik heb het onhebbelijke talent om unieke momenten aan mij voorbij te laten gaan…’ is van zeer goeden huize. De rest van Word blind en leer zien is al even sterk. 

De verfijnde miniaturen die Marieke Groen voor haar blog schrijft lieten het beste verhopen voor haar autobiografische boek Het verhaal van mijn schaarste dat in het najaar is verschenen. Maar hoe goed die korte stukken ook zijn, het boek overtrof mijn hooggestemde verwachtingen en behoort – samen met Wolf van Lara Taveirne – tot het meest beklijvende dat ik de laatste jaren heb gelezen. In een lichtvoetige stijl vertelt Marieke haar aangrijpend verhaal. Marja Pruis verwoordde het in De Groene Amsterdammer beter dan ik ooit zou kunnen: ‘Wat een zegen om een echte schrijver te lezen over gezinsterreur en maatschappelijke neergang(…). Het verhaal van mijn schaarste is hartbrekend, zonder dat het daarop uit is.’

Lennart Vanstaen, Tom Wouters en Marieke Groen: drie schrijvers die ik ontdekte dankzij Aanlegplaats. We hopen van u hetzelfde. 

(Het verhaal van mijn schaarste van Marieke Groen is samen met elf andere boeken genomineerd voor het NPO Radio 1 Non-fictie boek van het jaar 2024. Het is een publieksprijs. Mocht u haar willen steunen dan kan dit via deze link: Stem op het npo radio-1 non-fictie boek van het jaar 2024.)

‘We hadden om 19u30 afgesproken voor de ingang. Zij ging met de tram, ik nam de fiets. Dat ze binnen aan de vestiaire op me wachtte, las ik in een berichtje, terwijl ik mijn fiets vastzette, het was wellicht te koud om buiten te wachten. Ze zag er keurig en fleurig uit, ze ging in het paars gekleed en droeg ook jeugdigheid in haar ogen.’

Uit: Samen oud van Lennart Vanstaen

‘De kans om hen in het echt aan het werk te zien heb ik dus 25 jaar geleden laten liggen. Mijn vader en ik hebben nooit meer over de zonsverduistering gesproken, en nu durf ik er ook niet meer naar te vragen. Spijt heb ik er wel van: ik was graag met mijn vader naar Noord-Frankrijk gereisd, ik had er samen met hem de zonsverduistering willen bekijken, als twee mannen die niet beter wisten.’

Uit: Word blind en leer zien van Tom Wouters

‘Op vrijdagmorgen om 10:03 zag ik in de metro van Rome drie zakkenrollers. Het regende, of wat de Italianen regen noemen, en alle metrowagons waren stampvol.’

Uit: Piekepokkets van Marieke Groen 

Vraag hem hoe hij over katten denkt (vangst #197)

Er bestaat een lange geschiedenis van ideeën over vrouwelijkheid en katten: vrouwen vertonen kattig gedrag en zijn gekke kattenvrouwtjes als ze na een bepaalde leeftijd geen partner of kinderen hebben. Dit laatste stereotype, de crazy cat lady, kwam ook meermaals uit de mond van de toekomstige vicepresident van de Verenigde Staten, JD Vance. Als je wilt weten hoe een man over vrouwen denkt, vraag je hem hoe hij over katten denkt.

Uit: Het kattenvrouwtje dat de boom in sprong van Lieke van den Belt op Hard//Hoofd

Wat bedoelen we precies wanneer we zeggen niemand luistert? Hebben we die niemand een naam gegeven? Praten we voor iemand of tegen iemand?

Er is altijd iemand die het gehoord of gezien heeft. De kat (bij Lieke van den Belt), de schrijver (bij Eliane De Bleser), God desnoods (bij Johan Bosmans).

En u natuurlijk. De lezer.

Zij zijn veel slimmer dan wij.
[ik neem mijn hoed af]
Ze zitten de ganse dag aan een van hun
tafels
en voeren diepgaande
gesprekken
over hun hoogstaande
leven,
[ik neem mijn hoed af]

uit: Soms is het een ronde tafel, of een hoge op Met andere woorden

“Toch vreemd dat Onze-Lieve-Heer soms zo stil spreekt dat we hem niet meer horen. Hier in deze kamer hoorde ik Hem niet, maar dan later in mijn auto, toen ja, toen hoorde ik Hem fluisteren. ‘Jij hoort jezelf toch zo ongelofelijk graag babbelen hé’. Daar hoorde ik Hem pas.”
Even bleef het stil.
Toen keek Maya even de kring rond.
“Dat is waar oma, soms spreekt opa zo stilletjes dat het wel lijkt alsof hij er niet meer is.”

Uit: De hogepriesteres op Vijf voor Twaalf