Jan Ducheyne, het interview

Op een maandag in oktober stalde ik mijn fiets in de auto, reed naar Laken en belde aan bij een herenhuis dat meer prestige uitstraalde dan het koninklijk paleis om de hoek. Een hoog opgeschoten dichter deed open en wandelde met zwierige tred terug naar het kookfornuis waar hij het avondmaal voor zijn geliefde aan het klaarmaken was. Aan zijn stap herkende de ware kenner dat hij linksvoetig was en ooit nog furore had gemaakt als aanvalsleider bij KV Oostende. De begroeting was allerhartelijkst. Of moet ik zeggen: de begroetingen? Na elke halve grap omhelsden we elkaar alsof we met vereende krachten België de wereldtitel hadden geschonken. 

En dat treft: want die avond gingen Jan Ducheyne en ik, met nog twee andere vrienden van Jan, naar België – Zweden kijken in het Koning Boudewijnstadion. 

De dichter, die niet alleen furore had gemaakt bij KV Oostende maar ook als treinconducteur bij de NMBS, is tegenwoordig o.m. frontman van de fantastische groep Noodzakelijk Kwaad en stalmeester van de Sprekende Ezels te 1000 Brussel. Geholpen door zijn natuurlijk charisma maakt hij van het laagdrempelig podium voor woord, muziek en hamsterslingeren – in voorheen café De Monk en tegenwoordig BXL Central – legendarische avonden die me sterkten in de overtuiging dat het de verkeerde artiesten zijn die sportpaleizen doen vollopen. 

Zijn goed gestoffeerde bibliotheek getuigt van een eigenzinnige smaak, al lijdt Jan aan hetzelfde euvel als ik: elk boek werd gekocht met de intentie om het effectief te lezen, maar even vaak blijven ze onaangeroerd stof vergaren. Omdat het echte leven tussenbeide komt. Het opvoeden van twee opgroeiende zonen; supporteren voor Royale Union Saint-Gilloise; uit lunchen gaan in De Vismet; met een pen in de hand naar flanerende vrouwen staren in de steeds groeiende overtuiging dat zijn geliefde de allermooiste is; gamen op de Playstation van zijn zonen. Zo komt het dat de literatuur soms moet wachten. Maar niet vandaag. Want vandaag kwam Aanlegplaats op bezoek. De waterglazen werden gevuld en de vragen afgevuurd. 

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Wel, er was een concrete aanleiding. Ik was net vader geworden van een tweeling en ineens voelde ik de onweerstaanbare drang om met een blog te beginnen. Het was een vreemde periode. Ik was zodanig overmand door én slaaptekort én niet meer kunnen slapen én het geweldig fascinerend gegeven van twee pasgeboren kinderen tegelijk te hebben. Daarom ben ik, kort na hun geboorte in 2012, over hen beginnen schrijven en over wat hun aanwezigheid in mijn leven met me deed. Ik heb de blog het Titus en Boris-log genoemd. Uiteindelijk zijn die verhalen in een boek gebundeld geworden. Ondertussen zijn we elf jaar verder en stierf de blog een stille dood. Waarom? De kinderen groeiden op en worden nu veel concreter en daarom schrijf ik nauwelijks nog over hen. Omdat de jongens een eigen persoonlijkheid hebben gekregen, valt het me moeilijk om alles wat ze meemaken en uitkramen te beschrijven. Er speelt ook een zekere terughoudendheid mee om gans hun leven zomaar in de openbaarheid te gooien.’

‘In principe bestaat de blog nog steeds (janducheyne.wordpress.com, nvdr). Grappige uitspraken van de jongens zijn vaak een aanleiding om alsnog een nieuw stuk te schrijven – zeker als mijn lief An me aanspoort om er iets mee te doen, zoals de voorbije zomer.

Soms krijg ik wel opmerkingen van mijn vierentwintigjarige dochter Emma: “Ja hallo, papa: je mag heus wel eens een keer iets over mij schrijven…” Maar welbeschouwd is het best in evenwicht. In mijn tweede dichtbundel Het Leven is Beleven dat het Leven Belévenis staan wel vier gedichten die over Emma gaan én op de plaat van Individual Friends is één van die gedichten bovendien op muziek gezet. Een dochter is poëtischer dan twee zonen, die door hun nadrukkelijke dubbel zijn me veel meer tot proza inspireren. (lacht).’

‘Maar dus, los van het feit dat het met de tweeling begon, die blog die ik met opzet ‘log’ noemde, schreef ik heel breed over allerlei dingen die me bezighielden. Eigenlijk was die blog vooral actief op Facebook tot mijn vriend, de multimedia artiest Adriaan Van Aken, me zei: ’Wat je schrijft is té goed om louter op sociale media stof te vergaren.’ Ik ging overstag en besloot om veel geld te betalen voor een uitgebreid pakket bij WordPress. Voor minder dan de deluxe-versie met allerlei opties, zoals muziek en beeld, deed ik het niet. Het kostte me honderd euro in totaal. Niet mijn allerbeste investering ooit, want ik heb er met moeite een drietal stukken voor geschreven. Ik herinner me nog heel goed één stuk over Trump, dat ik zelf uitstekend geschreven vond – maar er kwam totaal geen reactie op.’

‘Mijn punt is: ik zou het graag doen: bloggen. Maar het ontbreekt me aan regelmaat. En de reacties op sociale media begonnen me op den duur tegen te steken, waardoor ik nu minder snel mijn mening opschrijf.

Want ofwel ben je mee met de nieuwe visies op en over de maatschappij die onder twintigers en dertigers gangbaar zijn – en bij veertigers en vijftigers die denken dat ze de hipheid zelve zijn. Ofwel begin je te argumenteren dat je het, bijvoorbeeld, niet zo tof vindt om met een QR-code te betalen zonder dat er sociaal contact is met de mevrouw die mijn koffie maakt. Dan krijg je vaak te horen dat het toch niet zo erg is. Het gaat mij niet om het nieuwe modewoord, dat ik liever niet in de mond neem, maar om de positie waarin iemand van mijn leeftijd wordt gemanoeuvreerd. Ik voel dat de afstand alsmaar groter wordt en terwijl die groter wordt, verkleint de ruimte waarin mensen zeggen: “Ah, ja. Misschien heb je wel een punt.” Het aantal mensen dat dat zegt is verwaarloosbaar.’

‘Ik heb erover nagedacht en ik vind het een goed idee om weer met een blog te beginnen. Alleen vind ik het bereik ervan vaak zo teleurstellend. Je steekt veel energie in een tekst en dan zie je dat het slechts door een zevental mensen wordt gelezen. Ach, je moet je bereik opbouwen natuurlijk…

Zo zou ik de observerende stukjes die ik over het reilen en zeilen in De Vismet heb geschreven (een fantastisch Brussels visrestaurant waar Jan zich nog meer thuis voelt dan in zijn eigen keuken, nvdr) op een blog kunnen verzamelen. Die zijn daar uitermate geschikt voor.’

‘Er is een bepalend moment geweest dat ik bij mezelf heb gemerkt dat ik wilde reageren en het niet deed. Die reflex is blijven hangen. Het was tijdens het radioprogramma Nieuwe Feiten van Lieven Vandenhaute en zijn gast maakte zich verschrikkelijk druk over een artikel in de krant waarin de voornaamwoorden van Sam Smith niet altijd correct werden weergegeven. Het klopte niet consistent met zijn geaardheid. Toen zei die meneer van de organisatie die een lans breekt voor voornaamwoorden: “Het is toch niet zo moeilijk, als iedereen een beetje zijn best doet dan moet het lukken. Ik zal nu even op onze website de regels bekijken zodat ik geen fouten maak.” Toen dacht ik: vriend: nu val je heel erg door de mand. Beweren dat het niet moeilijk is, maar zelf op je website de regels moeten napluizen… Hij zette zich zo in zijn hemd. Ik voelde spontaan de drang om te reageren en heb het niet gedaan. Omdat ik besefte: ik ga veel te heftig antwoorden, want ik vind het een pure verkrachting van de taal. Hun/hen gaat mij nooit lukken. Maar toen dacht ik: “Who cares, dat het jouw mening is.”‘

‘Aan de ene kant voelde ik me geremd; aan de andere kant besef ik dat het niet meer mijn tijd is om te reageren. Meer en meer hul ik me een in de Ramses Shaffy-filosofie: Laat me.

‘Je hebt tegenwoordig meestal maar twee kampen. De grijze, genuanceerde zone is weg. De twijfelaars zijn verdwenen.’

‘Ik heb er deze morgen nog eens goed over nagedacht en het is eigenlijk simpel: het zou goed zijn mochten we al die mensen die als twee boksers tot het einde der tijden in de ring willen staan, kunnen gescheiden houden van alle mensen die zoiets hebben van: “alsjeblieft, laat me gerust.” Ik wil gewoon voor mijn kinderen zorgen; mijn geliefde en vrienden graag zien; mij af en toe eens een keer goed amuseren en het zal me worst wezen of jij een Jood of een Palestijn of een Oekraïner of een Rus bent. See if I care. Mochten die twee mensensoorten van elkaar gescheiden kunnen worden, dan denk ik dat we er zijn. Dan leeft de ene helft in vrede, terwijl de andere helft elkaar uitmoordt zodat in één moeite door ook een oplossing voor het klimaatprobleem op een presenteerblad wordt aangeboden.’

‘Rancune is dé spil van dingen die nooit opgelost geraken.’

‘Zelf zou ik in een oorlogssituatie onmiddellijk vluchten. Ik zou nooit of te nimmer vechten, tenzij ze mijn kinderen voor mijn neus molesteren, dan zou ik nog een wanhoopspoging ondernemen en waarschijnlijk zelf meteen het loodje leggen door, na de eerste schermutseling, het onderspit te delven tegen een echte man.’

‘Vaak denk ik dat ik te soft ben voor het schrijverschap want schrijven moet pijn doen en over de dingen gaan die wringen. Terwijl ik het over het geluk van mijn kinderen heb.’.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

Mijn dochter Emma Ducheyne. Zij is met heel veel verschillende zaken bezig en gezegend met the gift of youth. Ze staat nog aan het begin van haar leven. Ze onderneemt nu kleine, schuchtere pogingen om te schrijven. Bovendien heeft ze een eigengereide, bijzondere kijk op het leven: heel observerend. Binnenwandelend in een treinstation kan ze goed verwoorden wat ze waarneemt. Net als ik ziet ze het liefst de mooie dingen, maar ze gaat de lelijkheid van het leven niet uit de weg. Dat vind ik fascinerend.
Vooraf heb ik over je vraag nagedacht en mijn antwoord is natuurlijk persoonlijk, maar ik zou het oprecht tof vinden mocht Emma bloggen.’

‘De kracht van haar schrijfstijl? Ze kan uitstekend het moment weergeven waarin ze zich bevindt en dat aanvullen met gedachten die in haar opkomen. Emma kan, geholpen door haar tekentalent en haar grafisch oog, wat ze ziet en denkt, ook beeldend en sierlijk verwoorden.’

‘Voorlopig heeft ze nog niets gepubliceerd, maar ze stuurt haar teksten door naar mij. Ze voelt er zich nog onzeker over, maar ik ben ervan overtuigd dat ze de stap gaat zetten. Ze heeft nu ook een eigen bedrijf opgericht: Cut the Crab, met een eigen logo en al. De combinatie van haar teksten met haar tekeningen zouden in een blog goed tot hun recht komen; die gaat er esthetisch fantastisch uitzien.’

‘Emma bedacht onlangs een knap idee voor een verhalend concept. Als uitgangspunt neemt ze een gans appartementsgebouw. Daar verzint ze fictieve personages bij, maar tegelijkertijd neemt ze ook interviews op met mensen die eenzaam zijn en door het samenbrengen van die beide elementen ontstaat dan een podcast of een verhaal. Ze woont nu in een nieuw appartementsgebouw op het Saincteletteplein en bij alle bewoners die ze tegenkomt in de gang zit ze levens te verzinnen.’

‘Het is een beetje het verhaal dat het schoon is dat je dochter dingen doet die je zelf ook heel graag doet. Bovendien heeft ze er meer talent voor dan ik en ik heb daar geen gevoelens van mislukking over mezelf bij. Integendeel. Ik ben trots op haar.’

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

‘Kun je een blog vergelijken met een column? Ja? Zo vind ik bijvoorbeeld de stukjes van Christophe Vekeman in De Standaard werkelijk uitstekend. Wekelijks legt Christophe in zijn De week van Vekeman de vinger op de wonde. Hij merkt zaken op die ongemerkt voorbij dreigen te gaan, tot hij er de aandacht op vestigt. Andere columnisten vind ik minder goed omdat die mijns inziens vaak over de mensen zelf gaan zonder dat er veel introspectie bij te pas komt – of juist jawel: héél veel introspectie – maar niet zonder naar het grotere geheel te kijken. Niet elke columnist gaat vanuit het particuliere naar het universele. Of soms wel, maar dan blijven ze beperkt in hun visie.’

‘Wat vind ik verder nog een goede blog? Even diep nadenken… De blog van Jo Komkommer is verpletterend goed!’

Twee jongens van middelbare leeftijd, die voor vijandige troepen nooit een bedreiging zullen vormen, schieten luidop in de lach.

‘Wat maakt een blog – en in het verlengde elke geschreven tekst tout court – voor mij goed? Als het mij meevoert. Als ik er nieuwe inzichten door krijg. Als het mij verwondert. Ik ga minder op zoek naar het geshockeerd zijn – dat boeit mij niet. Zoals Climax van Gaspar Noé – soit, dat was nu een film, maar ook daarin ben ik op zoek naar hetzelfde gevoel als bij literatuur. Ik vond dat echt een flutfilm eerste klas. Het was er zo over, dat het lachwekkend werd.’

‘Ik hou meer van iets dat me inzichten schenkt die slim zijn, dan van het larmoyante waarin sommige kunstenaars zich wentelen…

Dat had ik bijvoorbeeld met de poëzie van Baudelaire. Iedereen liep er altijd hoog mee op. “Baudelaire hier, Baudelaire daar,…” Plotseling kreeg ik de vraag toegespeeld of ik voor een bloemlezing van zijn oeuvre me door zijn werk zou kunnen laten inspireren en er een stuk over schrijven. Tussen ons gezegd en gezwegen: ik had nog nooit een letter van hem gelezen. Ik ben dan een aantal van zijn titels in de bibliotheek gaan uitlenen en opende verwachtingsvol Les Fleurs du Mal. Maar… al dat koketteren met pijn en miserie, en dat dan zo ingewikkeld en breedvoerig mogelijk beschrijven: ik vind dat écht geen goede poëzie. Goed dat hij al zo lang dood is, die Baudelaire, dacht ik bij mezelf. Als reactie heb ik dan een kritisch gedicht over hem geschreven en dat hebben ze wel degelijk in de bloemlezing opgenomen. Wat ik chique vond. Want ik heb het expres pas een dag na de deadline ingestuurd – om de samenstellers een goed excuus te geven het te weigeren – maar ik kreeg onmiddellijk de bevestiging dat het ging gepubliceerd worden. Dat was cool van hen, want ik had een afstandelijk, intellectueel antwoord verwacht.’

‘Wie ik – in tegenstelling tot de Prins der kadavers – wél heel goed vind, is Joost Vandecasteele. Op zijn manier haalt hij alles en iedereen onderuit. Er zijn veel mensen die hem een arrogante kwal vinden, maar Joost is gewoon grappig. Dat is het ding. Misschien ben ik ook echt wel mijn leeftijd, want de twee mensen die ik vernoem – Christophe en Joost – zijn generatiegenoten. Er zijn ook jonge, bevlogen schrijvers en schrijfsters die ik goed vind. Maar om nu krampachtig op zoek te gaan naar een vrouwennaam die Ethiopische roots heeft en in de overgang zit van man naar vrouw… die kelk laat ik aan mij voorbijgaan.’

Nadat de waterglazen waren geledigd, sprongen we op onze fietsen. Naast het Koning Boudewijnstadion had Jan gereserveerd in de uitstekende ouderwetse brasserie l’Expo – een plek waar de garnaalkroketten nog naar de tijd van de Belle Epoque smaakten. Eenmaal aan tafel gezeten, werd Jan begroet door een bonte stoet Zweedse supporters in Viking-klederdracht aan wie hij tijdens zijn namiddagwandeling in Brussel brasserie l’Expo had aangeraden. Zijn twee vrienden – waarvan er eentje hetzelfde stemtimbre had als Zwangere Guy  – schoven mee aan en na afloop namen we gevieren met goed gevulde bourgeois-magen plaats in het stadion. Het was een makke wedstrijd die ik nog voor het eindsignaal als ‘zo snel mogelijk te vergeten’ wilde klasseren. Alleen werd het eindsignaal nooit gefloten. Tijdens de pauze verspreidde zich het nieuws dat een terrorist twee Zweedse supporters had vermoord – en dat vlakbij het appartement van Emma Ducheyne. Of hoe de wegen van de godsdienstwaanzin zelfs tot aan het voorportaal van een appartementsgebouw op het Saincteletteplein leidden. 

Ondanks de krantenkoppen de volgende ochtend die het over ‘angst en paniek’ hadden, bleven de dertigduizend supporters in het stadion sereen. Af en toe hielden we een plaspauze. Af en toe zongen we supportersliederen – tot de verveling toesloeg en ik binnensmonds elke nieuwe aanrollende Mexican Wave vervloekte. Achter ons hoorden we mannen uit de Kempen stellig zekerheden verkondigen die weinig goeds lieten verhopen voor het Europees project en de waarden waarvoor het oude continent staat. Kort na middernacht mochten we het stadion verlaten en verkleumd van de koude sprongen we op onze fietsen en aan de voordeur van een nog altijd prestigieus herenhuis werd Jan opgewacht en gekust door een beeld van een vrouw. 

Twee helden hadden het strijdperk ongeschonden verlaten. Nog een allerlaatste keer omhelsden de oud-strijders van 16 oktober 2023 elkaar.

‘Heb je veel plannen voor morgen, Jan?’

‘Niet zo heel veel. Gaan lunchen in De Vismet…’

Een spaarlamp in donkere dagen  (vangst # 141)

In de weekvangst Johan Velter met een gedicht van Simon Vestdijk: ‘November’. De bijbelse Jozef doolt daarin rond. U kent de jongen nog wel uit Genesis. Jozef van de put en de 7 magere en vette jaren. Het gedicht gaat over het tweeledige in deze maand want het wordt winter en koud en kaal maar we proeven ook de vruchten van de velden nu. En dat het daarna licht zal zijn. Als de wereld weer draait, misschien.

In zijn 1 minutentekst vertelt Bart Moeyaert over de ontmoeting met Remad Quabbaj, de drijvende kracht van Tamer, een leesbevorderingsproject.  Ze vertelde hem over Gaza en de Westelijke Jordaanoever en over het leed dat kinderen werd aangedaan.

Tot slot een ontroerend verhaal van Maartje Stam in Babel Magazine over de afvalverzamelaars of ‘zabbalin’ in het Arabisch, die alles opruimen in de straten van Caïro, als mestkevers in de herfst.


Gij hebt in u iets van een zondebok,
Maar ook iets van een heugelijk begin ;
Gij zijt de wijn, de lust, de laatste slok, –
Neen, de vóorlaatste : en dat is uw zin.

Uit:  simon vestdijk – rondgang door het jaar – november  van sfcdt | (wordpress.com)

Je kunt je voorstellen hoe ik sinds zaterdag 7 oktober – ik moet dat getal noemen – verstomd moet vaststellen hoe makkelijk er over de dood van 1500 kinderen – en dat is het laatste getal dat ik noem- wordt heengestapt.

Uit 123 getallen van 60” | Bart Moeyaert

Het vak wordt binnen families overgebracht: zo wordt het ophalen van het afval doorgegeven van vader op zoon, en het recyclen ervan van moeder op dochter. 

De kennis, vastberadenheid, strijdlust en ook de steun van de mede-inwoners van Caïro hebben ervoor gezorgd dat de Zabbalīn eindelijk hun verdiende erkenning kregen. Hun sociaaleconomische positie heeft de afgelopen decennia heel wat tegenslagen gehad, maar ze zijn terug, net zoals de orde in het afvalsysteem.

Uit: De zabbalīn: overwinnaars op en helden van het vuilnis – Babel Magazine  van https://babelmagazine.nl

ps het eerste boek van Aanlegplaats, Kant en Wal #1, is nog steeds bestelbaar!

Wat je ook niet vaak ziet (vangst # 140)

Deze week vinden we in onze haven verschillende uitzonderingen die de regel bevestigen. Een bejaarde die niet van koffie houdt. Een bejaarde die wel van zorgclowns houdt. En een schrijver die de jackpot wint. In het lunapark. Ons genereus aangeboden door resp. Sarah De Grauwe, Joost Elli en David Troch.

Ik kende in mijn jeugd maar één oud mens dat geen koffie lustte. Ik ben haar naam vergeten, maar het was iemand van de Ziekenzorg die regelmatig op ronde ging om het parochiaal maandblad uit te delen. Een Limburgse van Munsterbilzen, geloof ik. Enfin, koffie dat vond ze maar kolengruis.

Uit: d’Ouwe Egberts op De Grauwe Gekheid

Of ze dragen nog meer gekke namen: contactclowns, gentleclowns en ze vallen godbetert onder de Belevingsgerichte zorg. Clowns, alleen al het idee, en de namen waaronder ze opereren voorspellen weinig goeds: Lachrimpeltjes en NeuzeNeuze. Ik begrijp de keuze voor slapstick, waar dementerenden kunnen voor vallen, zeer zeker. Alleen vraag ik me af wat die potsierlijkheid van de clown daarbij komt doen. Het zal wel zo zijn dat sommige mensen er oprecht plezier aan beleven. Maar wat dan met de bejaarde persoon die het maar niks vindt? En dat niet krijgt gezegd?

Uit: Neuzeneuzen met dementen door Joost Elli

Neem altijd die in het midden, raad je hen aan. Het is wiskunde. Dan schuiven de munten alles open en duwen alles zo uiteindelijk over de rand. Of het waar is van die wiskunde, weet je niet, maar de tactiek blijkt te werken. De munten en de punten blijven maar vallen. Pas ruim twee uur later verdwijnt de laatste munt in de middelste gleuf. 

Uit: Beweging #323 op david troch – man van het woord

Wat is er van de sport? (vangst # 139)

Er zijn weinig schrijvers met een lenigere geest dan Tom Wouters. Als geboren fabulant dist hij deze keer het verhaal op van de Friese polsstokspringer Tjepke Klysma en diens leven leest weg als een sprookje uit 1001 nachten.

Koen Vandenborre kruist op straat een jeugdvriend en op het terras van Punto stelt hij een ongemakkelijke vraag en er ontspint zich een wonderlijk gesprek over de eenzaamheid van de langeafstandloper.

Onze favoriete Kuifje – Vincent Merckx – probeert samen met een marathonloper en een verrekijker het verleden te reconstrueren. De vraag die rest is: was het dezelfde marathonloper als in het verhaal van Koen Vandenborre? Tom Wouters kent ongetwijfeld het antwoord.

Over kunstenaars, wetenschappers en ontdekkingsreizigers schrijf ik vaak genoeg, maar sportatleten blijven opvallend onderbelicht in mijn teksten. Ik heb weinig met sport: ik snap de ontroering wel die uitzonderlijke sportprestaties teweeg kunnen brengen, maar tegelijkertijd vind ik het vaak valse heroïek. Is de snelste mens ter wereld echt het bejubelen waard wanneer hij weer eens een tiende van een seconde sneller heeft gelopen als je weet dat zelfs hij nog steeds met gemak ingehaald wordt door een jachtluipaard? Sportmannen spreken weinig tot de verbeelding omdat ze alleen de grenzen binnen de werkelijkheid kunnen verleggen.’

Uit: De vliegende fries van Tom Wouters

Ik had zin in iets sterker. Op het terras van de Punto waren nog tafeltjes vrij. Hij liep naar binnen en ik nam plaats. Even later zaten we tegenover elkaar met een dampende huisblend en een Lotus Speculoos. We keken mekaar aan en probeerden de tijd uit te gommen, de haarlijn te herstellen, de rimpels te vullen. Hij schoof het koffiekoekje mijn richting uit.’

Uit: Marathonman van Koen Vandenborre

Toen zwegen we, we doken in onze eigen verledens, de marathonloper merkte op dat de jongeren steeds jonger worden en dat we zelf dichter bij ons vijftigste levensjaar staan dan ons twintigste. Zo snel mogelijk telde ik het na, het was waar, we verwijderen ons steeds verder van het begin.

Uit: Waterlijn van Vincent Merckx

ps Zowel Tom Wouters als Vincent Merckx zijn present in ons eerste boek: Kant en Wal #1. Bestellen kan u het hier.

Niemand luistert (vangst #138)

Je moet voorkomen dat je zachtjes praat,
want niemand luistert als men je niet hoort:
gezegend met de gave van het woord
ben je alleen wanneer men je verstaat.

Zo luidt het 37ste kwatrijn dat Ruud Verwaal uit à la recherche du temps perdu van Proust perst.

Een betere inleiding kan deze vangst niet krijgen. Ze gaat van fluisterend stil – Joke Vander Laenen – over het missen van het geluid van de regen – Thijs Feuth – naar teringherrie bij Jan-Paul Van Spaendonck.

Drie schrijvers die hun gave van het woord gebruiken om verlies draaglijk te maken. Ze weten niet beter dan dat het altijd zo zal zijn, citeert Joke in naam van haar jongere zelf en zus Wim Sonneveld. Dat we dat kwijt zijn, de onschuld, en de ijscowagen, en de in de crème-witte lak gezette panelen met hun geometrische ornamenten.

Alleen schrijven helpt.

‘Deze zomer ging ik opnieuw op vakantie. Hopelijk staat de kookplaat uit, denk ik ter hoogte van Venlo. Ook wij rijden niet terug, want we hebben het druk. Mijn lief (de salonfilosoof) kocht een auto waarvoor hij eigenlijk te oud is. Bovendien donderde hij een week eerder van een stelling en brak daarbij zijn pols. In een poging zijn haar te wassen voor vertrek, is het gips in het water terechtgekomen. Er hangt dus een lichte schimmelgeur in de nieuwe bolide.

Uit: Langs het tuinpad van mijn vader op Wings & Wonders

Als er iets is wat hij mist, die oudste van ons, dan is het die ijscowagen. Maar gelukkig staat daar heel wat tegenover. Zo smult hij van de ugali en de chapati, en op straat kijkt hij zijn ogen uit. Want in Afrika speelt dáár het leven zich af. Vrouwen in kleurige jurken die in plastic bakken op hun hoofd hun koopwaar dragen, kinderen in schooluniform, mannen die zakendoen. Er wordt gelachen, geroepen, getoeterd, en er bestaat geen manier om je afzijdig te houden. Als de schoolbus onze jongens ophaalt, klimt de oudste direct op de stoel naast de chauffeur, van waar hij het bruisende leven in al zijn details in zich op kan nemen.

Uit: In verhalen thuis van Thijs Feuth

Het was een aardige jongeman met een deftige naam, laat ik hem Diederik noemen. Opvallend open, iemand met wie je makkelijk praatte. Dat we een leuk gesprek hadden en ik aardig wat over mezelf vertelde was dan ook helemaal zijn verdienste. Bij het afscheid nemen zei ik dat we binnenkort maar eens uitgebreider kennis moesten maken. ‘Zeker,’ zei hij, ‘eerst nog een beetje opknappen, en dan trek ik erin.’ 

Uit: Teringherrie in bouwput Damsko op Voorheen Rookzanger

ps U Weet ondertussen al dat we twaalf van onze favoriete bloggers uitnodigden om gloednieuwe verhalen te schrijven. Ze scherpten hun pennen en lieten zich door hun verbeelding op sleeptouw nemen. Elf bijzondere illustratoren maakten er beelden bij. Het resultaat is het prachtige boek Kant en Wal #1 . Bestellen kan u het hier.

De vangst van Julie Cafmeyer (vangst #137)

In onze goed gestoffeerde haven viel Julie onmiddellijk de blog van Vitalski op – de man die zich ontpopte van nachtburgemeester tot Don. Een Don heeft het druk maar als ze uit de Kempen komen, zijn ze ook nog eens gezegend met een doortastendheid en een werkethiek waar de kernleden van de Cosa Nostra hun hoed voor afnemen. Al ruim zeventien jaar blogt Don Vitalski elke dag. Dat zie ik Don Vito Corleone hem niet snel nadoen. 

Julie Cafmeyer: ‘Wat is zo fascinerend vind aan Vitalski is dat hij steeds op stap gaat in de stad en daar dan verslag van brengt. Bovendien is hij een geboren performer, een echt podiumbeest én, als je hem persoonlijk spreekt, blijkt hij ook een beminnelijke man te zijn. ’

In haar netten ving ze ook Catherine Ciseaux, de blog van Katrien Scheir. Een van de best schrijvende illustratrices van het land. Of een van de best illustrerende schrijfsters. 

Julie: ‘Ik heb Katrien Scheir leren kennen kennen toen ze nog voor de Zwarte Komedie werkte – een plek waar ik ook nog een tijdje heb gewoond. Ik vond het als jonge vrouw inspirerend om te zien hoe zij het werken achter de schermen van een theatergezelschap combineerde met schrijven, illustreren en bloggen. Haar satirische kijk sprak en spreekt me aan. Wat me aan Catherine Ciseaux – en aan haar blog – bevalt is haar zachtheid, zonder dat die een maatschappelijk engagement in de weg staat. Ze kan brutaal zijn en neemt geen blad voor de mond.’

Om af te sluiten keerde Julie terug naar haar begindagen in Amsterdam toen ze nog een zoekende schrijfster was. Het eerste online tijdschrift dat haar een kans bood om haar talent voor een breder publiek te verfijnen was Hard//hoofd Zoveel jaren later bestaat het nog steeds. Zoveel jaren later biedt het nog steeds nieuwe kansen aan aanstormende hemelbestormers. 

Julie: ‘Tot slot kies ik Hard//hoofd omdat ik daar begonnen ben. Het was de eerste keer dat mijn blogverhalen door een extern platform werden opgepikt en dat ik de kans kreeg om me verder te ontplooien. Die waardering deed me deugd. Hoewel het niet steeds evident was – na de vrijheid die ik als blogger genoot – om plots met een redactrice samen te werken, toch ben ik Hard//hoofd nog altijd dankbaar dat ze mij die kans geboden hebben. Mijn teksten werden ook geïllustreerd en daarvoor deed ik beroep op de zeer getalenteerde Anouk Vercouter. Voor jonge artiesten is het een platform van onschatbare waarde. Het is een eerste brug tussen je eigen ding doen en gepubliceerd worden.’

met die elektrische fiets is dit een vreugde, mensen; dat fietsen zelf ook, bedoel ik… ik was juist zes uurs aan één stuk door aan het typen geweest, aldoor aan die laptop in deze harde ligzetel; en cyferen en bellen, met ministeries van binnenlandse zaken – heel eventjes een frisse neus, goed idee

    zo’n elektrische fiets is eigenlyk een brommertje – maar dan zonder dat debiele rumoer.

    zo’n elektrische fiets is eigenlyk een skateboard – maar dan zonder dat je jezelf ermeê moet staan afduwen…’

Uit: State of being van Vitalski

‘Het Pomodore-model en de Eén-twee-drie-methode worden mij bijgebracht, terwijl ik verlang naar een lunch met zongedroogde tomaatjes in het leescafé niet ver van hier, waar er grote ramen de zon verwelkomen, waar ze Johnny Cash draaien en waar er kranten en tijdschriften liggen.

De vrouw van de zelfzorgcursus gooit de bles van haar kievitkapsel elegant achter haar oor. Ze betaalt veel voor lelijkheid maar werkt er gelukkig hard voor.’

Uit: Zelfzorgzorgen van Katrien Scheir

‘Een knap en stoer gekleed persoon met een gitaar, met wat van een afstandje lijkt op een kinpiercing, stapt in. Als de gitarist een FIFA-poppetje was, waren de statistieken als volgt: persoon, niet mannelijk en niet vrouwelijk, een meter of 1.70, opvallend tenue. Gitaar op de rug. Snelheid: ondergemiddeld. Kracht: ondergemiddeld. Tactiek: ontwijken. De gitarist checkt kort de arena en verplaatst zich naar een andere coupé. Maar daar komen een paar aanvallers op af.’ 

Uit: We hebben een probleem met de derde helft van Marthe van Bronkhorst in Hard//hoofd

Julie Cafmeyer, het interview

Er is niet veel waar ik me op laat voorstaan, maar wél op het feit dat ik onmiddellijk inzag dat Julie Cafmeyer een groot talent was. Als bij toeval ontdekte ik haar blog en werd al meteen na het lezen van de openingsparagraaf een fan. Maandelijks verblijdde Julie mijn leven als hotelreceptionist door nieuwe stukken te posten over haar leven als jonge vrouw aan het begin van het derde millennium. Telkens verstond ze de kunst om haar schaamtegevoelens zo humoristisch en tegelijk zo pijnlijk te verwoorden dat ze herkenbaar werden. Terwijl ik mijn administratie bijwerkte, verzamelde zij teleurstellingen in de liefde. 

Ze begon met haar blog in 2010, toen we nog met zijn allen dachten dat Lance Armstrong zeven keer de Tour de France had gewonnen. Bevriende journalisten, schrijvers en kleurenwiezers viel ik lastig met mijn bewondering voor haar pen en stuurde hen ongevraagd de ene na de andere blogpost van haar door. De kleurenwiezers reageerden verdeeld; maar de journalisten en schrijvers onderkenden haar talent. De legendarische Paul Mennes – een man die niet kwistig met complimenten strooit – zei zelfs, nadat hij enkele van haar stukken had gelezen: ‘Wie is Julie Cafmeyer? Ze is echt goed. Er zit geen ruis op haar teksten.’

Er was een tijd dat ik aan een Julie Cafmeyer-obsessie leed. Ik ging naar haar one woman shows en theatervoorstellingen en verbaasde me over hoe boeiend en eerlijk ze op geestige wijze over haar mislukkingen kon vertellen. Was de nieuwe Nora Ephron in Lier geboren?

Haar talent kon niet onopgemerkt blijven en dat deed het ook niet. Julie werd opgepikt door de reguliere media en bloeide open tot een gevierde columniste. Het is nu wachten op haar romandebuut dat binnen afzienbare tijd zal verschijnen.

Stipt op het afgesproken tijdstip belde Julie aan en hield, voor de fotoshoot, een boek van Sophie Calle onder de arm. De zon scheen, we nestelden ons in de luwte op het terras en tot driemaal toe schonken we de waterglazen vol. Pure rock ’n roll! Net voor we aan een kabbelend gesprek wilden beginnen, beging Julie een kapitale vergissing. Ze ging in op de vraag van onze hond Zaz om haar bal weg te gooien – niet beseffend dat als je een Nova Scotia Duck Tolling Retriever een vinger geeft hij je tot je allerlaatste ademsnik zal verplichten ballen richting de einder te gooien. 

Als Vitalski de keizer der bloggers is en dat is hij – dan is Julie Cafmeyer de keizerin. 

Terwijl op de achtergrond een blaffende hond Julie tot actie aanspoorde, begonnen we aan ons tweegesprek.

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Hoe het allemaal begon? Ik herinner me dat ik op het internet een blog van Marit Stocker had gezien en ik vond dat zo’n magisch idee. Het gegeven dat je thuis achter de computer kunt bloggen en dat mensen je teksten dan lezen. Dat idee bleef in mijn achterhoofd spelen en zo is er een rechtstreekse lijn met mijn allereerste blogpost. Ik was, tijdens een intense periode op de Gentse feesten, verliefd geworden op een jongen uit de Arteveldestad. Kort nadien vertrok ik op reis. Maar nadat ik was teruggekomen van mijn trip naar Portugal vertelde mijn Gentse coup de foudre dat hij al met iemand anders was. Die teleurstelling inspireerde me tot het schrijven van een verhaal. De liefdesbreuk verwerkte ik in een blog. Zo ben ik altijd te werk gegaan. Door te schrijven probeerde ik mijn gevoelens beter te begrijpen. Daar ligt de voedingsbodem van mijn schrijven: poëzie maken van de werkelijkheid om die dan beter aan te kunnen. Dat was de reden dat ik ben beginnen bloggen. En ik voelde me ook wel vernederd door hem. Ik zie schrijven als een soort van wapen: ik ben niet iemand die je zomaar aan de kant kunt schuiven. Op een manier schreef ik het ook voor hem. Ik wil dat er van ons intens samenzijn niet alleen maar lelijkheid en teleurstelling overblijft. Schrijven is voor mij een gevecht tegen zinloosheid.’

‘Of ik meteen mijn stijl had gevonden? Ik denk dat ik er toen wel minder over nadacht. Ik deed het gewoon en als je blogt heb je sowieso lezers die op je stukken reageren. In het begin gebruikte ik veel metaforen. Tot een vriendin zich hardop afvroeg of dat strooien met vergelijkingen wel nodig was. Eigenlijk zit dat zoeken naar de juiste metafoor niet in mij. Nadien heb ik het niet meer, of toch veel minder gedaan. Op die manier slaagde ik er meer en meer in mijn eigen stem te vinden.’

‘Ik heb ooit eens een stuk geschreven over een man en de onmogelijkheid van die relatie en dan heeft hij vanuit zijn perspectief een stuk teruggeschreven. Een tof concept. Als ik me goed herinner werd het toen veel gelezen. Een duizendtal hits per dag. Soms gebeurde het dat je iets schreef dat aansprak. Hoe dat komt valt niet altijd te verklaren. Het kon in iets kleins zitten.’

‘Mijn lezers bereikte ik louter via sociale media zoals Facebook. Hoewel het er de schijn van heeft zijn mijn verhalen, in tegenstelling dat wat jij denkt, niet puur autobiografisch. Ik zal een voorbeeld geven. Het uitgangspunt van mijn laatste lange stuk – Ode aan de duif -, dat ook in De Morgen is verschenen, was: hoe is het om een alleenstaande zesendertigjarige vrouw te zijn? Overal om je heen zie je koppels; niet alleen geldt voor hen een andere economische realiteit, maar het is ook het voorbeeld dat je via je ouders hebt meegekregen. Dat is een gegeven. Daarnaast heb ik het laatste jaar veel gelezen in De tweede sekse van Simone de Beauvoir en in haar boek viel het me op dat er altijd al een taboe op alleenstaande vrouwen rustte. Er zijn tal van archetypes. De maagd. De non. De heks. De vrouw die niet van straat geraakt. Dat is dan voor mij allemaal inspiratie om het echt te gaan dramatiseren. Ik vertrek vanuit iets dat mij raakt, maar door te citeren en het stuk te voeden met culturele en maatschappelijke referentiekaders trek ik het verder door. Wat het soms lastig maakt. Tijdens het bloggen worstelde ik regelmatig met de vraag of ik niet zielig overkwam. Of afschrikwekkend. Het was zeker niet mijn bedoeling om medelijden op te wekken. Vroeger kreeg ik af en toe reacties als: ‘gaat alles wel goed met jou?” In het begin werd ik daar kwaad om. Maar nu besef ik dat je al schrijvend een klein beetje kunt manipuleren, maar uiteindelijk weet je nooit wat je bij je lezer teweeg gaat brengen. Maar nooit hoop ik op medelijden. Voor mij is het geen compliment als ze zeggen: “ocharme, Julie”.’

‘In mijn verhalen wil ik een magische laag over de werkelijkheid leggen. Dat maakt mijn leven zinvoller. Het is zoals een muziekstuk. Het komt uit me voort, maar het staat ook los van mij.’  

‘Toen ik begon te bloggen was schrijven zeer belangrijk voor mij. Ik genoot van het bevrijdende gevoel dat je er niemand voor nodig hebt. Je bent baas over alles: je kiest de afbeeldingen, de teksten, de onderwerpen. En bloggen is iets intiems. Je volgt iemands leven. Verder zag ik het vrij snel als een discipline en verplichte ik mezelf om elke maand een stuk te publiceren. Omdat ik aanvoelde dat elk stuk andere reacties teweegbracht en weer andere lezers bereikte.’

‘Het deed me deugd om lovende reacties te krijgen van mensen uit de culturele wereld die ik zelf bewonderde. Het gaf me zelfvertrouwen en bevestigde mijn gevoel dat ik iets kon; het voedde mijn hoop dat ik er ooit mijn werk van zou kunnen maken.’

‘Als kind zat ik voortdurend verhalen te schrijven. Maar op de universiteit – waar ik taal & letterkunde studeerde – moesten we ons bekwamen in het schrijven van gortdroge essays. Elke creatieve inbreng werd meteen afgestraft. Op het einde van mijn studie voelde ik me uitgeblust. Nadien ben ik theaterstudies in Maastricht gaan studeren. Ah neen, ik vergis me. Eerst volgde ik nog een jaar lang een opleiding tot theaterdocente in Utrecht. De schrijflessen daar gingen plots heel goed, want de docente gaf me zelfvertrouwen. Je hebt dat wel nodig op je pad, denk ik. Je leert van kritiek. Maar af en toe heb je nood aan mensen die je aanmoedigen.’

‘Of mijn columns het schrijven van mijn blogposts hebben vervangen? Voor mij zijn ze onderling inwisselbaar. Toch ga ik niet alle columns op mijn blog plaatsen. Dat zouden er te veel zijn. Ik zet er enkel diegene op die me het meest tevreden stemmen.’

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Goede vraag. Sophie Calle bijvoorbeeld of Maggie Nelson die De Argonauten schreef. Maggie Nelson heb ik net geïnterviewd naar aanleiding van de publicatie van haar nieuwste boek Over vrijheid. Het is een bundeling van vier essays over onderwerpen als seksualiteit, klimaat, kunst en drugs en ik vond haar ideeën op een bepaalde manier heel zacht. En dat hielp. Ze was niet veroordelend. Je voelt dat ze op zoek gaat naar boeken en kunst en dat die haar kunnen troosten én inspireren. Dat boeken helpen om de verwarring waar ze mee zit te ontwarren. Dat geeft me hoop. Ook voor mezelf, omdat ik altijd boeken rond mee heen zal hebben. Dankzij haar voelde ik me geruggesteund. Vooral door de wijze waarop Maggie Nelson omgaat met haar twijfels en dilemma’s. Haar boek is zoals een schatkaart die laat zien waar je allemaal terecht kunt als je het spoor bijster bent.’

‘Waarom Sophie Calle? Wat me boeit in haar werk is hoe ze de werkelijkheid via haar kunst probeert te beïnvloeden. Ook bij mij is dat een rode draad. Via kunst naar oplossingen zoeken. Wat ik bijvoorbeeld met mijn project Belgiëlei 109 gedaan heb, dat is vragen aan andere mensen: hoe is het voor jullie? Je roept de hulp van derden in. Zo heeft Sophie Calle met haar werk Take Care Of Yourself – waarin ze worstelt met liefdesverdriet – een afscheidsbrief van een ex-geliefde laten analyseren door een waarzegster, een taalkundige, een advocate enzovoorts. In totaal legde ze de brief aan 107 professionele vrouwen voor. Het idee dat anderen je kunnen helpen vind ik boeiend. Het plooit terug op de realiteit maar je geeft die een duwtje, zodat je iets anders gaat doen dat wat je onder normale omstandigheden zou doen. Calle combineert beeld en tekst. Ze is ook fotografe.’

‘In het boek Take Care Of Yourself heeft ze niet alleen al die vrouwen gefotografeerd, maar ze nam ook hun analyses van haar brief op. Daarom zou ik een blog van Sophie Calle interessant vinden. Want ik ben heel nieuwsgierig naar hoe haar dagelijks leven eruit ziet als er zulk werk uit voortvloeit. We worden al van jongs af aan opgevoed met het idee om hard te werken. Een werkdag begint om 9.00 en eindigt om 17.00; een schooldag loopt van 8.30 uur tot 16.00 uur. Terwijl het in de performance kunst gewoon om een goed idee draait. Die flits van inspiratie duurt soms niet langer dan een seconde. Maar geldt dat in de romankunst niet evenzeer? Er is een briljante vondst en daar bouw je dan op verder. Los van hoeveel tijd het kost ben ik bij haar geïnteresseerd in hoe ze haar leven inricht om tot die ideeën te komen. Een blog is toch een soort van gedeeld dagboek.’

‘Als je schrijft, zeker ook in een blog, speel je met schaamte. Het kan louterend zijn om humor te maken van iets waar je je voor schaamt. Of dit gevoel zo te verwoorden dat het voor anderen herkenbaar wordt. Schaamte is bij mij sterk aanwezig. Daar speel ik de hele tijd mee.’

‘Ik haal er veel plezier uit om het autobiografische meer en meer te mengen met fictieve elementen. Zoals in mijn project Belgiëlei 109. De voorbije zomer was er een man bij me blijven slapen. Na het ontbijt vertrok hij. Ik herinner me dat ik geen zin had om zijn kopje en bord op te ruimen. Ik betrapte mezelf erop dat ik de herinnering aan die one night stand niet wilde uitvagen, en dat het ook iets zieligs had, omdat ik de man waarschijnlijk nooit zou terugzien. Dat vind ik dramatisch, hardnekkig willen vasthouden aan een herinnering van iemand die voor altijd verdwijnt. Dan begin ik meteen te fantaseren over een vrouw die wekenlang het servies van een one night stand laat staan. Op die manier krijgt het gegeven iets dramatisch of brutaals. Ik baseer me in mijn columns en verhalen op dingen die echt gebeurd zijn, maar probeer het in mijn wereld te passen. Daardoor is het ook minder therapeutisch. Maakt niet uit. Liever wil ik een lezer inspireren met een wereld die ik heb gecreëerd, dan te laten zien wat ik allemaal heb meegemaakt.’

‘Een Belg die ik graag zou zien bloggen? Admiral Freebee! Bij hem heb ik het gevoel dat hij ook onder bepaalde zaken lijdt en dat hij bezig is met vragen zoals: Wat is liefde? Wat is kunstenaarschap? Wat is succes? Ik denk dat hij zichzelf goed kan troosten en verder weet hij zijn heerlijk gevoel voor humor in zijn kunst te gebruiken.’

‘Het is heel tof om iets te lezen dat je goesting geeft om iets creatiefs te doen. Dat effect had Maggie Nelson op mij. Na haar boek dacht ik: “Ik wil nog dat en dat en dat lezen.”. Bij Sophie Calle dacht ik: misschien kan ik ook ooit zo’n idee hebben. En bij Admiral Freebee herkende ik de bevestiging dat iedereen met gelijkaardige problemen worstelt.’

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

‘Dat is de moeilijkste vraag. Ik denk wel: als iemand iets op het spel zet.  Als je iets durft te zeggen waar anderen schoorvoetend omheen lopen. Teksten op een blog hebben iets kwetsbaars en die gooi je zomaar onbezoldigd te grabbel. Je geeft het echt. En dan denk ik inderdaad aan het gevoel dat de blogger door een bepaalde schaamte heen is durven breken en er een andere uitingsvorm aan heeft gegeven.’ 

‘Je speelt met schaamte omdat je ook weet dat je op een bepaald punt niet de enige bent die dat heeft. Wat ik heb, hebben anderen misschien honderdvoudig.’

Dingetjes tegen de vergankelijkheid (vangst #136)


Foto: Grand Foulard

Voor dag en dauw drie mannen gevangen in mijn net. Sterke koffie nu. Blogs vanuit de male gaze vraagt u zich af? Het perspectief lijkt me universeler dan politiek correct.


Gerbrand Bakker belandde op een streng religieuze islamitische meisjesschool waar hij ‘voor de neus weg’ getuigt over cosmetische ingrepen in Istanboel. Vrouwen met vet ingespoten lippen en een zwart rekverband om hun hoofd. Mannen met stukken uit de schedel. Wat bedenkt een mens toch gezellige dingen tegen de vergankelijkheid.


Gert-Jan van den Bemd beschrijft het werk van Jenny Ymker (NL.) op de tweede fotobiënale van Oostende. Foto’s van een vrouw in een desolaat landschap. De fotograaf is haar eigen model, maar… het zijn geen zelfportretten. Ze staat met haar rug naar de camera. De beelden roepen eenzaamheid op en een zoektocht naar houvast.


Tot slot mijmert Hannes Couvreur voluit over durven sterven en leven. Dat is wat anders dan doodgaan.


Het leek erop dat er ergens van de schedel een brede strip huid was verwijderd, die elders weer vastgeplakt was. Sommigen hadden ook dat aparte zwarte rekverband om. En ze zaten er allemaal bij alsof wij – de andere passagiers die niets hadden laten doen – de vreemde eenden in de bijten waren.

Uit: Cosmetische vlucht van Gerbrand Bakker

Het ontbreken van de boom en de resterende stronk versterken het gefotografeerde beeld: alles is vergankelijk. Niet alleen wij, ook de wereld waarin we ons bevinden. En steeds vaker zijn wijzelf daarin de bepalende factor.

Uit: Zoek de verschillen op Grand Foulard

Als het niet doodgaan is
Wat is het dan wel?
Tot aan de dood gaan
Maar er niet voorbij.
Als dat sterven is,
Vroeg zij,
Wat is dan leven?

Uit: Bijna van arneschoenvuur.blogspot.com

ps Weet u al dat we twaalf van onze favoriete bloggers uitnodigden om gloednieuwe verhalen te schrijven? Ze scherpten hun pennen en lieten zich door hun verbeelding op sleeptouw nemen. Elf bijzondere illustratoren maakten er beelden bij. Het resultaat is het prachtige boek Kant en Wal #1 . U kan het hier bestellen.

Aanlegplaats lanceert eerste boek

Na twee en half jaar een louter virtueel bestaan te hebben geleid, laat Aanlegplaats nu voor het eerst een schip te water. Een papieren boot. Een boek!

We nodigden twaalf van onze favoriete bloggers uit om gloednieuwe verhalen te schrijven. Ze scherpten hun pennen en lieten zich door hun verbeelding op sleeptouw nemen. Elf bijzondere illustratoren maakten er beelden bij.

Tromgeroffel en trompetgeschal: Kant en Wal #1.

Binnenkort in uw boekenkast? U kunt uw exempla(a)r(en) al bestellen via deze pagina (zolang de voorraad strekt).

De officiële lancering gaat door op 29 oktober tijdens literair festival Archipel, waar bloggers Joke Vander Laenen, Dirk Van Boxem en Jo Komkommer om 12u op het podium staan.

Ik weet niet wat je nog meer van me wil (vangst #135)

Liefde en wetenschap deze week. Dennis Pauwels mijmert over het fenomeen van de aanspreking. Waar de literatuurwetenschappen en de psychologie constateren dat er steeds minder aangesproken wordt, voelt de schrijver dat de achterliggende nood om gezien te worden, springlevend is. Johan De Crom houdt een pleidooi voor informatie: hoe meer we van elkaar weten, hoe beter de seks, hoe levendiger het leven. Ook René van Densen is verliefd – en daar is eigenlijk alles mee gezegd.

Goethe wist het al: Newtons lichttheorie doet niets af aan de schoonheid van een regenboog.

Ergens in de kinderjaren raken we het kwijt. Er komt een dag waarop je vader of je moeder net dat tikkeltje té geërgerd reageert op de vraag ‘Papaaa, kan je…’ en de durf verdwijnt. We leren het af. Tegelijk, dat voelde ik in die trein, blijven ouders paraat staan. Wachtend, vrezend, verlangend zelfs, op dat moment dat ze toch weer nodig zijn.

Uit: Mama! op Brieven aan mijn zoon

Het is niet het mysterie dat tot hartstocht leidt, noch het geduld, hoe lang houd je eiwit stijfgeklopt? Neen. Alleen van ongeremdheid en open communicatie wordt ons kruis nat en gaan de poorten open. Daarachter loopt een spoor van ontspanning en veiligheid, vertakken zich wegen om langs te verbinden, krioelen hersenspinsels om in lepeltjeslig samen doorheen te woelen, terwijl je haar langs de slapen streelt. Er ligt een Kalmthoutse heide aan brandbaar materiaal, je hoeft het vuur maar aan te poken.

Uit: Lekker neuken om goed te praten door Johan De Crom

Ik voel me soms zo ontspannen dat ik me een schop onder de kont moet geven om te luisteren naar wat ze daadwerkelijk zegt. Omdat ik me bijna in tevreden steen voel vormen. Ik wil alleen nog maar nabij haar zijn en me zo voelen.

Natuurlijk zouden er dingen zijn die wetenschappers hierover zeggen. Of spiritueel onderlegde experts. Of vrienden, familie, statistici, bedrijven die data van ons op allerlei private servers opslaan. Maar ik kijk in haar ogen en ruik haar en de wereld ruikt juist. Ik weet niet wat je nog meer van me wil.

Uit: De wereld ruikt juist door René van Densen