Lara Taveirne, het interview

Op de eerste zonnige dag van het jaar wandelde Lara Taveirne zwierig het restaurant binnen waar we hadden afgesproken en het leek, om het met Lieven Tavernier te zeggen, of ze de lente in haar haar had gevlochten. Lara had nog niets van de gratie verloren waarmee ze tien jaar geleden het podium van het poëziefestival in Watou besteeg en in het licht van de schijnwerpers bewees dat het bezingen van schoonheid en verdriet niet louter toekomt aan uitgezakte dichters. Waar Lara gaat, trekt de motregen zich beschaamd terug. We omhelsden elkaar en in haar ogen, waarvan literatuurcritici beweren dat het de mooiste van de Lage Landen zijn, scheen een gloed die twijfelt tussen romantisch en ironisch en die er zichtbaar van genieten je op het verkeerde been te zetten. Nog voor het eten was besteld trok een spraakwaterval zich op gang.

‘Ik heb nog niet het gevoel dat het lente is, want normaal gezien word ik dan voortdurend verliefd.’

Lara Taveirne is – samen met o.m. Ethel Portnoy, Renate Rubinstein, Nora Ephron, Maria Kalman en Eve Babitz – een van mijn favoriete schrijfsters. Je voelt aan haar taal dat ze steeds op zoek gaat naar schoonheid. Haar verbeeldingskracht is als een cocon waarin je kunt schuilen voor de schreeuwerigheid van de moderniteit en leverde al prachtige boeken op als De kinderen van Calais en Pluto: aan het eind van de weg rechtdoor. 

Waar Lara helemaal in uitblinkt is de korte baan. Of het nu brieven zijn – waarvan ze er zoveel heeft geschreven dat het transporteren ervan de jaaromzet van een middelgrote containerfirma zou goedmaken – of cursiefjes. Dankzij haar bezwerende stijl weet ze me telkens weer te ontroeren en aan het lachen te brengen en het blijft een mysterie waarom hoofdredacteuren van kranten en tijdschriften niet uit hun winterslaap ontwaken en haar een column aanbieden. Lara’s pen werkt heilzamer dan een vitamine d-kuur.

De drank en het eten werden opgediend en de conversatie schoot alle kanten uit, maar werd steeds gekruid door haar aanstekelijk gevoel voor humor en avontuurlijke uitstraling. Tegenover Lara gezeten denk je dat er weinig belangwekkendere beslissing genomen moeten worden dan de finale keuze tussen de garnaalkroketten of de pasta Amatriciana. Het gesprek ging over de schaduwkanten van de liefde, de eerste lentekriebels, de toekomstige klassieker Lara van de door ons beiden zeer bewonderde Gentse songschrijver Lieven Tavernier, over de door ons al evenzeer bewonderde Stijn Tormans en uiteraard ook over haar op stapel staande boek. 

‘Mag ik je onderbreken, Lara? Want het is tijd om over te stappen op het officiële gedeelte. Ik heb hier namelijk nog drie vragen liggen die met spanning op een antwoord wachten.’

1) Waarom ben je nooit met een blog begonnen?

‘Ik ga om te beginnen je openingsvraag enigszins verdraaien. Een blog heb ik weliswaar nooit gehad, maar ergens heb ik het altijd jammer gevonden dat ik er geen heb bijgehouden in de periode dat ik op het platteland in het vervallen sluiswachtershuis woonde met mijn man en twee kleine baby’s. Als ik nu op die periode van dertien jaar terugkijk, denk ik dat het heel fijn was geweest als er mensen over onze schouders hadden meegekeken naar ons primitieve leven op die afgelegen plek. Dan had ik me misschien op donkere dagen ook minder eenzaam gevoeld. Als ik nu over ons leven in dat huisje vertel, dan zie ik dat mensen vaak ongelovig met het hoofd schudden. Dan zie ik ze denken: ‘Lara is een schrijfster, ze is weer aan het verzinnen.’ Terwijl ik het juist aan het afzwakken ben, zodat het geloofwaardig blijft.’

‘Door de hectiek van het leven – want ik kreeg snel na elkaar twee kinderen en intussen lekte het dak en moest er water gehaald worden – ben je je er niet van bewust dat het iets bijzonders is wat je aan het doen bent. Soms moeten er jaren overheen gaan tot je op een dag grasduint in oude foto’s en beseft: merde: dat was misschien het hoogtepunt van mijn leven. Enfin, niet het hoogtepunt: maar wel het meest unieke stuk. Achteraf gezien had ik daar graag lezers bij betrokken. Aan de andere kant ben ik ergens ook wel blij dat ik het niet heb gedaan – dat ik geen blog heb bijgehouden – want dan had ik dag na dag gerapporteerd wat er daar gebeurde en dan zou tijdens het herlezen misschien blijken dat het uiteindelijk allemaal minder kleurrijk was dan hoe het in mijn herinnering voortleeft. Bovendien was ik dan niet in staat geweest om een boek als Pluto: aan het einde van de weg rechtdoor te schrijven waarin ik alleen de sfeer en het huis heb overgehouden en alle persoonlijke anekdotiek en betrokkenheid heb weggefilterd. Juist door dat wegzuiveren werd literatuur mogelijk. Het is heel dubbel. Ik had graag getuigen of toeschouwers gehad, want ik heb me toen soms echt wel eenzaam gevoeld. Maar aan de andere kant: juist omdat ik de eenzaamheid zo intens heb beleefd is er later een donker boek als Pluto uit kunnen ontstaan.’

‘Mijn eerste boek – De kinderen van Calais – heb ik geschreven toen ik nog Germaanse talen studeerde. Ik zat op kot in Gent toen ik eraan begon. Het was wat hoogmoedig, maar ik had zoiets van: we studeren literatuur en het enige wat we doen is erover nadenken en erover discussiëren. Waar blijft het effectief doen? Ik wilde echt schrijven – dat was ook de reden dat ik was gestopt met toneelschool, want tijdens die studie ontdekte ik dat het onderdeel dat ik het allerleukste vond het schrijven van monologen was. Tijdens mijn opleiding heb ik een toneelstuk voor kinderen geschreven én geregisseerd. Op een dag dacht ik: als ik toneel kan schrijven, moet ik me misschien ook maar aan een roman wagen. Omdat ik iemand was die niet echt veel naar de les ging, had ik erg veel tijd. Ik was me ervan bewust dat ik later in mijn leven nooit meer zoveel vrije tijd zou krijgen.’

‘Als jonge twintigster heb ik dan Kinderen van Calais geschreven. Maar nadat ik het had voltooid heb ik het onmiddellijk verstopt. Geen moment dacht ik: wow, wat voor een meesterwerk heb ik nu aan de mensheid geschonken! Het was bedroevend slecht en ik was me er terdege van bewust. Maar ik vond wél dat de opzet – de verhaallijn – een goed idee was. Het is ook een écht boek geworden. Thuis heb ik het manuscript nog liggen. Maar ik durf er geen drie zinnen uit voor te lezen: zo abominabel geschreven is het.’

‘Het is pas nadat we in het huisje op het platteland zijn gaan wonen, zo rond mijn dertigste, dat ik de vraag kreeg van een uitgeverij (en niet zomaar een uitgeverij maar Manteau! nvdr) of ik een boek wilde schrijven. Het was via een jongen die ik nog kende uit mijn studententijd. We hadden in onze jonge jaren een klein beetje een ding gehad… briefjes in elkaars jaszakken, bliksem als we elkaar kruisten. Ik herinner me nog goed dat ik hem in een opwelling, net voor een examen, in een auditorium spontaan een kus heb gegeven en daarna vluchtte ik snel snel naar de andere uithoek van de zaal. Ondanks de kus legden we daarna allebei een rotslecht examen af. Later is hij bij Manteau gaan werken en hij was het die me contacteerde met de vraag of ik niet ergens nog iets had liggen. Die dag heb ik Kinderen van Calais uit mijn schuif opgevist en het volledig herschreven. Geen zin bleef gespaard. Maar aan de andere kant heb ik niets veranderd aan het verhaal zoals ik het eerst had neergepend. Dat was mijn blog (lacht).’

2) Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Mag ik zo wild te keer gaan als ik wil? Bedankt voor je suggesties, Jo, maar ik dacht niet spontaan aan Jane Austen (lacht).’

‘Ik ben nu net iets aan het lezen van Gerjon Gijsbers. Ken je die? Hij is een Nederlandse schrijver die ik kort heb gesproken tijdens een boekpresentatie van Herman Brusselmans. Maanden later kreeg ik een bericht van hem: “Ik heb je derde roman Kerkhofblommenstraat gelezen en ik weet dat je er negatief over bent, maar je boek betekende zeer veel voor mij.” We zijn dan berichten naar elkaar beginnen sturen en zo kwam het dat hij opbiechtte waarom hij zich zo aangetrokken voelde tot Kerkhofblommenstraat. “Sinds drieënhalf jaar ben ik hovenier op begraafplaatsen, dus er zijn reeds talloze chrysanten door mijn handen gegaan, maar die eindigen dan voornamelijk in de perscontainer. Enfin, ik wil maar zeggen dat ik genoten heb van je boek!“‘

‘Nu hij mijn boek had gelezen, vond ik dat ik ook zijn werk moest lezen. Ik kocht zijn debuut Scheuren in het canvas. Eergisteren ben ik erin begonnen en ik zit nu al over de helft en de hele tijd vraag ik me af hoe het komt dat wij die schrijver niet kennen. Hij heeft zo’n bijzondere pen. Je wordt als lezer – en dat heb ik graag  – voortdurend een stukje misleid. Ik ben aan het gieren van het lachen, tot ik besef dat ik tegelijkertijd ook diep ontroerd en geraakt ben. Iemand met zo’n unieke pen én zo’n persoonlijke blik die op een kerkhof werkt, daar zou ik graag een blog van lezen.’

‘Nog iemand anders waarvan ik hoop dat die zou gaan bloggen…? Je geeft niet af, hè. Laat me even nadenken. Ja: ik heb nog een tweede naam.’

‘In het laatste jaar dat mijn grootmoeder leefde, overstelpte ik haar met vragen die ik op voorhand had voorbereid omdat oudere mensen vaak een arsenaal aan vaste verhalen hebben waar ze op terugvallen. Bij een welbepaald thema hoort een welbepaalde anekdote en die wordt dan woordelijk herhaald. Om dat repetitieve te omzeilen, ben ik vragen gaan verzinnen, zoals: ‘Wat at je als meisje van zes? ‘Zaten jullie met alle veertien kinderen samen aan tafel?’ ‘Wat voor kleren droeg op je eerste communie?’’

‘Ik ben intussen best al wat mensen verloren, en toch is mijn grootmoeder de persoon die in mijn hoofd het meest aanwezig blijft. Ik blijf haar horen. Ze had een enorme verhalende kracht en sprak het zangerige oud Brugs.’ 

‘Een van haar vaste verhalen was: “Ik heb een jaar bij een hoedenmaker gewerkt en ik krijg er nog altijd een stukje pensioen van.” Dan denk ik: waarom heb ik haar daar nooit over uitgehoord? Ik woon nog steeds in Brugge en fiets er elke dag rond. Waar zat die hoedenmaker? En ook: wat deed ze daar? Kon ze vilten, naaide ze pluimpjes op de hoeden?’

‘Wat ik er bijzonder aan zou vinden is om het woord te geven aan iemand van voor het blogtijdperk. In de periode dat ik Kerkhofblommestraat schreef, heb ik in het archief veel dagboeken van oudere mensen opgevraagd en gelezen en die schreven op een volstrekt andere manier. Die schreven – net omdat er geen getuigen over hun schouder meelazen – met een grotere oprechtheid die ook in de taal voelbaar is. Goed, soms is die gelardeerd met knullige foutjes en opgesteld in de oude spelling, die ik trouwens vaak van een aandoenlijke schoonheid vind. Iemand van voor het blogtijdperk dus en het liefst mijn grootmoeder die altijd zei: “Door de schuld van de oorlog heb ik nooit goed leren schrijven.” Mijn boeken stonden bij haar in het vensterraam, alsof ze aan voorbijgangers wilde laten zien: “Kijk: mijn kleindochter schrijft boeken!” Maar zelf kon ze nauwelijks lezen. Als ik haar opzocht, vertelde ze: “Ik lees je woordje voor woordje.” Vaak zei ze bewonderend: “Amai, jij kent veel woorden…”’

‘Hoe zouden de dagen in haar taal vorm gekregen hebben?’

‘Grote schrijvers zijn daarom geen taalvirtuozen. Het zijn vaak mensen die dicht bij hun eigen stemgeluid blijven. Mijn grootmoeder had niet anders gekund dan met haar eigen stem te schrijven.’

‘Of ik nog een derde voorbeeld heb? Je wilt écht dat ik Jane Austen zeg, hè (lacht).’

3) Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

‘Wat voor mij van wezenlijk belang is: de schrijfstijl moet in het verlengde van de persoon liggen – anders merk je als lezer snel dat er iets niet klopt. Het moet aansluiten bij de persoonlijkheid van de schrijver.’

‘Als docente verbeter ik regelmatig teksten van studenten. Ik geef het vak schrijven aan het conservatorium in Antwerpen en ik begeleid pas afgestudeerde Nederlandse en Vlaamse studenten in het Slow writing Lab in Amsterdam. Dit jaar kwam er een prachtige jonge vrouw binnengewaaid in het lab. Een vat vol verhalen, die ze zwierig kan vertellen. In een heel eigen taal, een mengeling van Nederlands, Frans en Arabisch. Ze heeft over de hele wereld gewoond, werkte op cruiseschepen, kan een helikopter besturen. Dus keek ik er enorm naar uit om haar te mogen lezen. Maar dat viel een klein beetje tegen. Alles was in keurig opstel-Nederlands geschreven. Ik vond haar veel spannender en vooral veel eerlijker in haar gesproken taal. Ik denk dat ze aan de schrijftafel is gaan zitten vanuit het idee: literatuur moet zo en zo klinken. En dan wordt het wat krampachtig. Uiteraard was ze aanvankelijk wat teleurgesteld door mijn feedback, maar ze nam het wel ter harte. Twee weken later kreeg ik bericht van haar: “Schrijven is ineens zoveel leuker…”’

‘Maar inderdaad, Jo. Gekunsteld of geaffecteerd schrijven kan ook werken. Iemand zoals Ilja Leonard Pfeijffer lees ik bijzonder graag. Hij is iemand die uitpakt met zijn taalvirtuositeit. Maar dat klopt dan weer zo hard met de mens die hij is dat je denkt: prachtig!’

‘Voor mij is de stem iets dat altijd terugkomt in mijn oordeel over blogs of literatuur. Voor mij heeft elke goede blog of elk goed boek een voice-over.’

‘Wat ik op lezingen graag vertel is een verhaal van mijn moeder. Waarbij ik wel moet aanstippen dat zij niet altijd een even betrouwbare bron is. Het verhaal gaat dat ik als zesjarig kind net had leren lezen. Het fascineerde me enorm hoe ik plots die symbolen-wereld kon decoderen. Niet veel later leerde ik het woordje pop en ik was volledig de kluts kwijt omdat het van links naar rechts én ook van rechts naar links volledig hetzelfde geschreven wordt. Ik flipte en kreeg het niet in mijn hoofd. Sterker nog: bevangen door twijfel draaide ik mijn schriftje om en toen stond er dod. Dat woord kende ik niet, maar als je klein bent zijn er tal van woorden waarvan je de betekenis nog niet kent. Mijn vader zei vaak: “Ik ga naar de vergadering.” Ik dacht dan dat hij naar God ging. Van dod dacht ik dat het ook zo’n woord zou zijn. Het betekent iets, voelde ik, maar ik weet nog niet wat. En dan vertelt mijn moeder – en we zitten nog steeds in haar onbetrouwbaar verhaal (lacht) – dat ik op een nacht ziek was geweest en urenlang had liggen overgegeven. En toen ze de volgende morgen mijn gewassen beddengoed, en knuffels ophing aan de waslijn en mijn pop bij het voetje met een wasknijper aan de lijn hing, wees ik naar mijn omgekeerde pop aan de wasdraad en zei: “Kijk, mijn dod…”‘

‘Mijn moeder had toen het gevoel: dit kind kijkt anders naar taal en naar woorden.’

‘Ik ben altijd blij geweest met dit verhaal omdat het naar de kern gaat van datgene wat me boeit aan schrijvers – onder welke vorm dan ook. Omdat ze de taal niet nemen voor wat hij is. Ze proberen die naar hun hand te zetten en nieuwe woorden te verzinnen als ze denken dat er nog geen geschikte term voor bestaat. Ze durven de taal te kneden en hebben er schik in om er eindeloos mee te spelen.’

Het gesprek was afgelopen en de tijd voor een afscheidsomhelzing aangebroken en ik haalde De aanraking van Frans Pointl uit mijn rugzak. 

‘Waar is de tijd, Jo…  Jaren geleden heb ik op jouw aanraden nog zijn debuut De kip die over de soep vloog gelezen. Ook mijn vader was er danig van onder de indruk.’

Nog verder terug in de tijd, lang voordat we elkaar op een boekvoorstelling van Stijn Tormans voor het eerst spraken, dacht Lara dat ik een strenge leraar Nederlands was voor wie elke taalfout een reden bleek om verongelijkt door het raam te staren. ‘Ik had me je ingebeeld als een pinnige, grijze man die alle grammaticaregels uit het hoofd kende.’

Ik stelde haar gerust, want nog nooit heb ik wie dan ook op een taalfout kunnen betrappen en daarom verraste haar volgende vraag mij.

‘Zou je mijn proeflezer willen zijn voor mijn volgende boek?’

Zelden was ik vergulder met een verzoek, maar zelden meende ik ongeschikter te zijn – tot Lara me uitlegde waarom ze aan mij had gedacht. 

Buiten wachtte de zon en overvolle terrassen waar Sinjoren en Parkingbewoners aan het verbroederen waren. Overal lachten flirtende mensen hun winterblues weg en ik wandelde met vrolijke tred de stad in, want ik wist eindelijk wat ik later zou zijn. Later word ik een proeflezer van Lara Taveirne.

Amuse (vangst #162)

foto (r) Karolina Grabowska

... dat vele mensenkinderen, jong en oud, vandaag zeer hebben aan hun verbeeldings- en inlevingsspieren, ligt niet aan hen. Maar aan hetgeen hen voorgeschoteld wordt.

Er mag heden ten dage wel een serieuze bete tegengas gegoven worden, zal ik dan zeggen.

Aldus Merel de Vilder Robier, en dat tegengas, daar dragen we hier bij Aanlegplaats graag aan bij.

Om te beginnen door – dat is lang geleden – Chrétien Breukers nog eens aan het woord te laten. Hij brandt boek en voorstelling van Roxane Van Iperen af. Het is een hiaat in onze belezenheid, maar haar werk kennen we niet en we hebben dan ook geen mening. Breukers wel. En we selecteren hem hier enkel omdat ons soms een heimwee overvalt naar de tijd dat schrijvers gewoon ruzie maakten, zoals echte mensen.

Echte mensen maken fouten. En rechtsomkeer. Zo observeert Vincent Merckx.

En vroeg of laat gaan ze ook nog eens dood. En verdwijnen. Als een wolk in het water, zoals de vader van Victor Frölke.

Het is nog even wachten op Pasen.

Maar eerst dus:

Bij teveel openlijke liefde voor de natuur, zo zei Van Iperen bijna letterlijk, had je te maken met naarlingen die voor ‘een sterke leider’ waren. Ik voelde de neiging opkomen keihard in lachen uit te barsten, maar het devote en muisstille publiek dwong me het binnen te houden.

Uit ROXANE VAN IPEREN Maakt van broddelig essay een nóg broddeligere theatershow op De Nieuwe Contrabas

… hij surplacete zo lang mogelijk voor het stoplicht, alles om toch maar geen voet op de grond te moeten zetten. Toen de zwaartekracht leek te zullen winnen, begon hij een rondje te draaien rond zijn as, ook hij wist dat het belangrijk is om in beweging te blijven.

Uit Soep op Vrijdag

nu zijn we helemaal van je af pap
je bent los
er is niets meer van je over


Lees Laatste Uitvaart verder bij Viktor Frölke

De blogger die hardop nadenkt (vangst #161)

Ik wil geen schrijver meer lezen, waarbij men het aanvoelt dat hij een boek wilde maken, maar alleen een wiens gedachten onvoorzien tot een boek werden.

Dit citaat van Nietzsche vormt het motto van de blog vijf voor twaalf van Johan Bosmans. Deze week in onze vangst: drie bloggers die hun gedachten laten stromen.

Te beginnen met Bosmans zelf: hij begint met een logboekje van zijn grootvader en eindigt met een uitvoerige analyse van het werk van Wittgenstein.

Soms denk ik over een tekst van Wittgenstein hetzelfde als wat ik denk over een tekst van mezelf die ik na verloop van tijd  herlees: “wat had die kerel toen gedronken zeg?” Wat op het moment van het schrijven nog zo helder leek als het water van een klaterend bergriviertje, lijkt bij nader inzien zo troebel als een traag meanderende stroom bij de monding. Alleen al de ontelbare teksten die over het werk van Wittgenstein geschreven zijn maken dat duidelijk. Als het allemaal zo gemakkelijk te begrijpen was, zouden die volstrekt overbodig zijn.

Uit: De vriend op vijf voor twaalf

Ook Els Claessens denkt hardop na deze maand. ‘Wanneer spreekt men van een mislukking?’ ‘Hoe had ik me zo in zijn stugheid kunnen vergissen?’ ‘Ik was er bijna, maar wat is dat waard?’ Er is in haar huishouden duidelijk iets anders gelopen dan gepland. Maar wát..??? We komen het niet te weten en de uitstapjes die haar brein maakt, helpen hoegenaamd niet.

Bijna is nog niet half, en een koe is geen kalf. Dat deed me aan het verhaal van de oude boer Hendrick en zijn koeien denken. Boer Hendrick was in een ver verleden te weten gekomen dat ze in Japan hun koeien masseerden en bier te drinken gaven om zo het vlees malser te krijgen. Hij had het zelf ook een paar maanden geprobeerd, maar dat was geen succes geweest. De kalveren werden dronken en zijn vrouw jaloers. 

Uit: De nabeschouwing op Gebeur-te-lijke ongevallen

Tenslotte de koning van de stream of consciousness, zij het ingekookt tot smaakbommetjes van overpeinzingen: Don Vitalski. In zijn state of being van 19 maart behandelt hij in drie alinea’s de thema’s geld, quality time en geluk.

vooral snachts kan ik niet tegen geluiden op straat. draaiende motoren, marokkaanse conversaties… zelfs indien die dingen zich relatief stilletjes voltrekken, is dit een teveel voor my. ’s mensens zegswyze is dan: “jy moet in een bos gaan wonen.” maar: in een bos is het niet beter, daar volstaat dan weêr één voortdurend blaffende, jankende waakhond in de tergende verte.

    het dorp is nog minder een optie. doctor dirk, bezyden lies robbeneiland, woont in een dorp (hoogstraten) – doch: hy rent weg richting de ardennen, omdat zyn buurman in de tuin daarneven graâg zyn radio heeft spelen…

    de mooiste tyd van myn leven was die allereerste, aller stevigste lockdown, mei 2021. toén was ik echt gelukkig.

Uit: State of being 19 maart op Vitalskiblog

De laatste ridder van de ronde tafel en andere verhalen (vangst #160)

In de week dat het gros van de schrijvers uit de Lage Landen opnieuw in God ging geloven, wandelden wij rond de abdij van Westmalle en dronken een trappist met de zoon van een schrijver uit een generatie die zich juist van de ketens van het geloof had weten los te maken. Die zoon vertelde enkele smakelijke anekdotes uit het leven van de tweede grootste fabulant van de Vlaamse letteren. En dat brengt ons naadloos bij de allergrootste fabulant: Tom Wouters. Op Netflix loopt nu de goede serie Supersex over de legendarische Italiaanse pornoster Rocco Sifredi. Zwoel en sensueel in beeld gebracht, mede dankzij de feministische scenariste Francesca Manieri – de bedenkster van de reeks. Maar lang niet zo sensueel als het verhaal Blootsbloemen van Tom Wouters.

Pascal Cornet van Pascal Digital – de enige blogger die al langer dagelijks blogt dan Vitalski – stelde in de week dat ik de biografie van Frans Pointl uitlas een interessante vraag: is elk leven de moeite van het opschrijven waard of enkel die levens waarin voldoende rode draden, spanningsbogen en hoogtepunten verweven zitten? Het is een aanzet tot mooie mijmeringen over de beproevingen die zijn moeder op haar pad aantrof. Het miezerige bestaan van Frans Pointl – de joods Amsterdamse schrijver die tot zijn 56ste en de publicatie van zijn debuut De kip die over de soep vloog in de marge leefde – was in al zijn kleinheid zo ontroerend, beklemmend en schoon dat ik er met plezier de biografie van een Titaan, die meer dan een halve eeuw in de schijnwerpers stond, voor opzij legde. 

Afsluiten doen we, zoals wel vaker, met Marieke Groen. Ergens doet haar verhaal over een mysterieuze meneer Goudoever me aan de wereld van Frans Pointl denken en dankzij haar vertelkracht laat Marieke nogmaals zien dat zo goed als alles de moeite van het opschrijven waard is. Zolang het maar, en dat gaf Pascal Cornet al aan, met de juiste pen gebeurt.

Voor iedereen die van goede pennen houdt: lees de vangst van de week. En lees nadien De kip die over de soep vloog, het meesterlijke debuut van Frans Pointl.

‘Wat het mooiste eraan is: in onze familie ben ik de eerste die in de adelstand verheven is. Voor de keizer er was, leek het voor het geslacht Wouters onhaalbaar om ooit een eretitel, wapenschild of lintje te krijgen voor bewezen diensten. Ik ben het gaan nakijken in de stamboom die ooit door een oom werd opgesteld: in de 76 generaties die onze familie heeft gekend was er niemand ooit de held.’

Uit: Blootsbloemen van Tom Wouters

‘Elke levensloop is een plot – alleen is het vaak jammerlijk voorspelbaar. In het geval van mijn moeder nam de voorspelbaarheid in de loop der jaren toe. Ze startte onvoorspeld: ze was ‘een achterkomer’. De oorlogsjaren vormden het laatste grote avontuur in onze contreien en zij maakte dat avontuur mee. Zij ontsnapte aan het keurslijf van haar zeer voorspelbare omgeving: boers, katholiek, provinciaal, Zuid-West-Vlaams. Zij belandde in een maalstroom van rampspoed, calamiteiten, ongeluk. ‘

Uit: Afscheid van mijn digitaal bestaan 333 van Pascal Cornet

‘Ik besloot het Dagblad van het Noorden te bellen. Een vriendelijke vrouw met een vet Fries accent nam op. Ik zette mijn onderdanigste stem op, want, dacht ik, daar in het Noorden denken ze dingen van mensen uit Amsterdam. Ik vertelde over de facturen voor meneer Goudoever en dat ik nooit iemand met die naam gekend had. Ik dikte het een beetje aan, misschien was ik bang dat de vrouw me niet zou geloven, dat ze zou gaan denken dat ik Goudoever had verstopt in mijn kledingkast.‘

Uit: Goudoever van Marieke Groen

De vangst van Dennis Pauwels (vangst #159)

© The Trustees of the British Museum

De haven van Aanlegplaats stel ik me het liefste voor als de Vieux-Port van Marseille. Je kan ze betreden langs de toeristische, naar zeep geurende, smalle straatjes, langs de moderne mastodonten van het Mucem waar de Europese visie voor je klaar ligt, of via het heuvelachtige Romeinse parcours.

Het liefst van al bezoek ik mijn vaste favorieten, die je als toerist misschien wil vermijden, zo kan ik niet passeren zonder binnen te glippen bij Jo Komkommer, Caro van Thuyne, Tom Wouters, Bijgekleurd, de werkplek van Marjon of Katrien Scheir, maar die lezen we allemaal al wel.

Verder werd ik gecharmeerd door de (tegenwoordig) woordeloze Pluus, die me nog steeds met haar lijfelijke Bodies, Drawings & Sculptures doet hopen op een woordelijk vervolg. Ook wilde ik een touw werpen naar de charmes van de observaties uit het ondermaanse van Pieter Van der Schoot, maar diens boot was niet aangemeerd.

Ik liet me loodsen door het toeval en stootte willes nilles uit op een triumviraat waarin de fysica een glimps laat zien via het meest menselijke en ontdekte daarmee wederom de kracht van Aanlegplaats, waar het altijd veilig thuiskomen is.

In de origami ontvouwt Rein Hannik een oude vriendschap aan de hand van een google-zoekopdracht, een reis door Griekenland en koude, maar kleurrijke metaalkunst. Zijn gedachten cirkelen als eenzame hadronen door de ruimte, op zoek naar botsingen met zichzelf en de ander.

Ik leerde B. halverwege de jaren ’80 kennen. Hij was een even bescheiden als opvallende verschijning in het Rotterdamse: boomlang en broodmager, met diepe stem en zachtaardige persoonlijkheid. Hij had het aura van een nachtburgemeester. B. maakte kunst. Geen gezellige kliederkunst, nee, hij vervaardigde strakke constructen waarin je het hart van een ingenieur hoorde kloppen. Ik zou zijn objecten later omschrijven als ‘existentialistische origami’.

Uit: De Origami – Rein Hannik

Marjanne Sevenant gebruikt in De kaart de ouderwetse, papieren stafkaart als middel om niet alleen hoogte te krijgen van het veranderende landschap, maar ook van de trekkende mens. Tussen de vouwen en door nagels ingekraste lijnen kijkt ze verder dan de huid, beklimt ze schoonheid en wandelt ze door de dalen van onze gedachte.

[I]n het bijzonder wil ik me één ontmoeting rond de kaart herinneren, en wat ze aan mijn wereld toevoegde. Ongevraagd en zonder introductie kwam hij zich tussen mijn koffie en bosbessentaartje wurmen. Of hij even mijn kaart mocht bekijken, vroeg hij niet. Hij trok alles naar zich toe. Zijn tegenbod was een stafkaart van een recenter jaar (2008) dan de mijne (1991), en een A4-tje, al zo gefrommeld als zijn bruine handen die het vasthielden, met vlakken in regenboogkleuren en gekrabbelde notities.

Uit: De Kaart – Marjanne Sevenant

In tweeëndertig woorden beschrijft René van Densen een wereld die je van een overprikkelde metrohalte, tot bij Stephen Hawking of zelfs de resonanties van Gérard Bodifee brengt, of toch, dat doet hij in mijn hoofd, maar wat doen zijn woorden met dat hoofd van jou?

Licht is ook lawaai want

Trillingen enal weetjewel

Uit: Trilletjes overdacht – René van Densen

Dennis Pauwels, het interview

Aanlegplaatsinterviews hebben grotere slaagkans in etablissementen met een nautische kwinkslag, daarmee dat we deze maand opgetogen in café De Gouden Vis in Mechelen plaatsnamen voor een gesprek met gastvisser én voormalig redactielid Dennis Pauwels.

Dennis gebruikt online liever pseudoniemen, enerzijds omdat hij zich graag verschuilt achter de pluimen van een ander, anderzijds omdat het een voortschrijdend onderzoek is naar het geurverschil bij literaire rozen. Hij is een millennial, vader van een zoon, professioneel actief binnen het Brussels Nederlandstalig onderwijs, liefhebbend passief binnen de LaagLandse literatuur. Hij is geplaagd met een nostalgische ziel die houdt van keukenpsychologie, artificiële intelligentie, experimenten op de Scovilleschaal; en uiteraard Tom Gauld-cartoons.

We legden hem dezelfde drie vragen voor die we iedereen stellen – waarom sleutelen aan een winnend format? Gelukkig blijkt Dennis zelf ook een fan van regelmaat. “Blogs moeten regelmatig verschijnen, ja. Zelfs in een boek beginnen nieuwe hoofdstukken voor mij best om een vast aantal pagina’s.”

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

Omdat ik vader werd. Mijn eigen vader is gestorven toen ik jong was en de herinneringen die ik van hem heb zijn aangepast en gekleurd door degenen die ze mij hebben verteld. Toen ik zelf vader werd, ben ik een blog gestart als een manier om na te denken over mezelf, over vaderschap en over mijn kind. Hij gaat het misschien nooit lezen, dat hoeft ook niet, maar dan is het er in elk geval – iets dat zegt hoe en wat ik momenteel denk, voor het geval ik ooit onverhoopt moest verdwijnen of sterven. Iets dat nuance brengt.

In mijn blog probeer ik vragen die me bezighouden, te beantwoorden. Mijn laatste blog bijvoorbeeld, gaat over het lichaam. Waarom pieker ik over hoe ik eruit zie? Ik trek me er toch niet écht iets van aan? Van zo’n idee maak ik een notitie van op mijn GSM. Die vul ik aan met associaties in de weken die volgen en vervolgens schrijf ik de blog – die op dat moment in mijn gedachten eigenlijk al helemaal gevormd is.

Ik lees al blogs vanaf 1995, toen ik elf was. Het prille begin van het internet. Ik was helemaal weg van The Simpsons en een van de producers had een blog: een blik achter de schermen van de productie, met stemmen, muziek, animatie en scenario’s. Het eerste wat ik opzocht als het eindelijk was gelukt om verbinding te maken; alles ging heel traag toen. Tien jaar later begon ik zelf mijn eerste blog: gefictionaliseerde belevenissen van een Belgische jongen die in New York woonde. Het was gebaseerd op mijn persoon, op wat ik meemaakte, maar dan gefictionaliseerd en uitvergroot en zat ik in een dorpje in de Limburgse Kempen en niet in New York. Op een dag werd mijn blog opgepikt door een zekere Pietel, ook een blogger – “Kijk, zo interessant, een Belg in New York!” – en opeens had ik er duizend lezers bij. Toen ben ik met deze blog gestopt. Ik leid aan succesangst, om niet te zeggen zelfsabotage.

Wat maakt een blog in jouw ogen goed?

Authenticiteit vind ik heel belangrijk. Dat mensen dicht bij zichzelf blijven. Ik denk dat het Jan Ducheyne was die in zijn interview Joost Vandecasteele prees. Ik zie de literaire kwaliteit van Vandecasteele wel, maar ben geen fan. En dat komt door dat gebrek aan authenticiteit. Hij begint bij een mening, die waarschijnlijk wel van hemzelf is, maar die hij vervolgens gigantisch oppompt. Dan wordt het voor mij te gechargeerd, fake. En ook – en dat brengt ons direct bij mijn tweede vereiste voor een goede blog: het mist complexiteit. Blogs gaan vaak over meningen. Ik zie een mening als een gedachte die niet volledig is. Ik heb zelf ook meningen, maar hoe sterker mijn mening, hoe sterker mijn vermoeden dat ik er niks over weet.

Een laatste criterium voor mij is ‘het onaffe’. Ik lees heel graag kunstboeken en mijn favoriet is Unfinished – thoughts left visible van Kelly Baum. Dit boek gaat in op de gedachte die een kunstenaar heeft bij het maken van een kunstwerk. Ik ben geïnteresseerd in die gedachte, meer dan in het bewonderen van iets. In een blog kun je iets stelligs zeggen en het de zin erna weer onderuit halen. Daarom vind ik blogs vaak interessanter dan columns, die veel meer ‘af’ zijn. De blogs van Arnon Grunberg bijvoorbeeld, lijken een voorbereidend denken op zijn columns. Ik las die blogs veel liever dan zijn columns. Het publiek voor blogs is kleiner, dus er mag meer. Het hoeft niet af te zijn. Bij blogs is het proces belangrijker dan de argumentatie.

Waarom is dat aantrekkelijk? Is het herkenbaar, geeft het meer ruimte aan de lezer?

Ik weet niet precies wat het is, maar ik denk dat het echt met taal te maken heeft. Ik luister bijvoorbeeld ook heel graag naar gesproken interviews; in The New Yorker Fiction Podcast wordt er elke maand een kortverhaal voorgelezen met een bespreking achteraf. Ik wil die bespreking eerst horen. Ik houd van spreektaal. Van het ritme, de herhaling, … Ik heb het gevoel dat dat beter pakt in mijn hersenen.

Betekent dat ook dat je geen taalpurist bent?

Ik was er een, tot ik mezelf hierin onuitstaanbaar begon te vinden. Ik herinner me een voorval met de cello. De Taalunie besloot dat we geen sjello meer mochten zeggen, zoals de Italianen, maar dat het sello moest zijn. Dat ging zo tegen mijn gevoel in, dat ik ben moeten afstappen van hetgeen ik dacht te zijn.

Dus gevoel is belangrijk bij taal?

Ja, zeker. Daarom houd ik zo van Caro Van Thuyne; zij schrijft heel gevoelig, heel lijflijk, ze is alles wat ik niet ben. Zij vindt dat ik te rationeel in het leven en in het schrijven sta. Heel soms vindt ze dat niet. Ik heb nog zo’n vriend, een dichter: als ik iets zeemzoets heb geschreven krijg ik van hem ook direct een bericht dat hij het fantastisch vindt.

Ben je veel met je publiek bezig?

Ja en nee: ik ben heel erg met een publiek bezig, alleen heb ik geen verwachtingen meer van ze. Ik probeer zo goed en correct mogelijk te schrijven voor een zo breed mogelijk publiek, maar schrijf het tegelijk enkel voor mijn zoon. Dat wil zeggen dat ik bepaalde zaken niet concreet zal maken, of verduidelijken, die voor mijn zoon later wel duidelijk zullen zijn, maar voor de modale lezer niet.

De laatste vraag: wie zou wat jou betreft zeker een blog moeten beginnen?

Mensen die ik vaker zou willen horen of lezen. Coetzee geeft te weinig interviews, daar zou ik graag meer van weten. Bregje Hofstede, héél interessant; de filosoof Martha Claeys en bij uitbreiding alle filosofen: hoe zijn ze tot hun inzichten gekomen, ‘wat speelt zich af aan de achterkant van de filosofie?’ – Slavoj Žižek doet dat op een podium, ter plekke nadenken, dat zou heel goed werken in blogvorm. Cees Nooteboom, die ik zo goed vind dat ik er bijna een beetje verliefd op ben en Connie Palmen natuurlijk. Dan de dichter Maarten Inghels; alle beeldend kunstenaars, met name Michaël Borremans: wat hij maakt is zo fantastisch. En hij zou het goed kunnen, hij heeft het muzikale, het beeldende… Er zijn kunstenaars die schrijven, Gerhard Richter deed dat vroeger, hij had ook een strip. Vandaag doet de Cubaans-Amerikaanse kunstenaar Cesar Santos het, ook interessant. Dus ja, alle kunstenaars. En dan bij uitbreiding iedereen eigenlijk. Iedereen zou moeten bloggen. Maar ik ga ze niet allemaal lezen, natuurlijk. Alleen als ik denk dat hun ongeziene kant de moeite zou kunnen zijn.

Het is altijd de schuld van een schrijver (Vangst #158)

Het is altijd wat met schrijvers. U houdt ze best wat op afstand: soms zijn ze ziek, soms hebben ze een ongeval, en vaak kunnen ze geen andere mensen verdragen. Het volstaat om hun teksten te lezen, daarin schuilt de liefde. Groots of klein. Voor de wereld en ook wel een beetje voor zichzelf.

Gelukkig maar.

Ingrid van der Graaf zoekt soelaas in de herinneringen aan A.L. Snijders, dat werkt altijd tegen misantropie. Eliane De Bleser komt weer boven water dankzij – en dat verbaast ons geenszins – de lectuur van Kant en Wal #1, onze onvolprezen en nog steeds te verkrijgen debuutbundel. Viktor Frölke tenslotte moet het helaas zonder cappuccino stellen op zijn verjaardag. Maar hij schrijft wel een gedicht.

Het komt wel eens voor dat ik geen mensen verdraag. Dat het al teveel is wanneer ze langs mijn keukenraam voorbij lopen. Ik trek dan de voordeur open en roep: ‘U bent de zoveelste vandaag. Kunt u alstublieft ergens anders voorbij gaan lopen.’ En dat de nietsvermoedende wandelaar, ‘Oh, dat spijt me’, zegt, vind ik mooi.

Uit: Mag het een zkv meer zijn op Werk in uitvoering

Ik gaf de planten water. Keek rond. Ging zitten. Startte de laptop maar zette hem dadelijk weer af.
Ik keek nog eens rond.
‘Wachten op Godot’, daar moest en wou ik in voortdoen. Ik nam het vast, deed het niet open en legde het opzij.
Wat lag er nog op mijn altijd veel te volle tafel?
Ik viste een ander niet al te dik boek vanonder de oude getrouwe Zomer van Pavese.
Kant en Wal # 1.

Uit: Het is de schuld van An Olaerts op Met Andere Woorden

vorige week op mijn 57ste verjaardag kwam ik
hard fietsend door de regen
op de weg terug van de supermarkt
waar ik melk had gehaald voor een cappuccino
ik vond dat ik daar wel recht op had
onder een bus

Hoe het verder gaat leest u op Melk bij Viktor Frölke

ps we menen het, he, als u nog geen exemplaar in huis hebt van Kant en Wal #1, grijp alsnog uw kans – nu met bewezen genezend effect.

Er moet just niks (vangst #157)


Deze week serveren wij u blogs die op het eerste zicht niets met elkaar gemeen hebben.
Droogjes somt Caro Van Thuyne op wat er allemaal van de ander moet. De lijst is taai en lang. Met als ondertoon de dooddoener ‘doe maar al gewoon’. Wat zou er gebeuren als al dat moeten vervangen wordt door ‘willen’?

Bruno Willaert beschrijft de bijzondere geschiedenis van de voetbalploeg van Oostende. Van Kamagurka tot roem in Johannesburg en inbraak in de grotten van Han. Die grotten hebben blijkbaar ook een kantoor. En zo leert een mens nog iets bij als het over voetbal gaat.

Gerbrand Bakker vraagt openhartig de hulp van het volk bij een creatie van een roman of een blog. Een sujet en een plaats om te beginnen, een plannetje zoals bij het Billyboekenrek van Ikea is voor later.

je moet beter je best doen
je moet toch begrijpen dat
je moet dat anders bekijken
je moet jezelf niet zo
je moet niet altijd denken dat
je moet denken aan
je moet aan jezelf denken

uit: Je moet beter je best doen van het kleine kijken

Plots kwam de wereldpers over de vloer in Oostende, terwijl het duidelijk was dat de ploeg een vogel voor de kat was in Eerste Klasse. De volgende die Oostende naar de hoogste afdeling bracht was de ook al ex-keeper Gilbert Bodart. Die viel door de mand eens hij tegen zijn eigen ploeg begon te gokken. Later zou hij ook nog opgepakt worden na een inbraak in de kantoren van de Grotten van Han, waar hij toen werkte.

Uit: Vissen in de tribune van reloaded

Tot slot een ongewone maar wel gemeende vraag: wie heeft een idee voor een roman? Ik heb zin om een roman te schrijven (de romans van bevriende schrijvers vliegen me om de oren) maar zoals gebruikelijk een gebrek aan verbeelding. Het liefst een idee met twee elementen, zoals in De omweg Wales en dat gedicht van Emily Dickinson en in De kapperszoon die gevaarlijk verliefde kapperszoon en de vliegramp op Tenerife. De plek is ook van belang, daar moet ik mee uit de voeten kunnen. Misschien is een betere vraag: waar zouden jullie – de lezers van dit blog – zin in hebben?

Uit: Oproep van Gerbrand Bakker

Groetjes uit het multiversum (vangst #156)

In de vangst van deze week bespreken we het fenomeen tijd en de beleving van parallelle werelden. Deze krenten in de filosofische pap door de eeuwen heen, worden door ons team omgebakken tot hapklare brokken advies waar je als drukbezet modern mens iets mee kunt – of beter, iets mee bent. Gewoon, in de brooddoos!

Er is te weinig leven in dit leven om alle levens te leiden die een mens wil leiden. Dingen en mensen komen te vroeg of te laat op je pad. Mogelijke werelden sterven als koude golven in het rooster van de zwemkom. Daar ligt de troost van het multiversum van Hugh Everett III – de pa van E van eels overigens. Die levens zijn er wél, zegt hij, maar je ziet ze niet omdat de menselijke ervaring tekortschiet om de kwantummechanica ten volle te beleven.

Uit: In het schoonste zwart op Here comes Herman

De menselijke ervaring misschien, ja – maar niet de wereld van de blogs! Je hoeft maar twintig minuten in de haven van Aanlegplaats rond te dobberen of je weet (voelt!) hoe het is om een bestsellende schrijver, een ex-rockzanger of een hysterische jonge moeder te zijn.

Dat we niet moeten wachten om aan onze gedroomde levens te beginnen, argumenteert ook Isaura Fluit, die het boek 4000 weken van Oliver Burkeman las. “4000 weken, dat is hoe lang een gemiddeld mensenleven duurt. Het klinkt ontstellend kort, en dat is het ook.” Het is een pleidooi om dingen te doen waar we blij van worden. Gelukkig neemt Herman ons mee naar het afscheidsconcert van De Brassers.

Aan Els Claessens hoeven we het ook niet meer te zeggen. Zij werkt (schrijft!) een “speciale” kennis die niets anders lijkt te kunnen dan haar (ons!) te beledigen, uit haar leven.

En het is nog maar vrijdagmorgen.

Je abonnement op de krant opzeggen. Een saaie subsidieaanvraag invullen. Een afspraak regelen bij de tandarts. Op de één of andere manier leven we allemaal (enfin, jullie misschien niet, maar het was voor mij wel heel herkenbaar) in de kinderlijke illusie dat we ooit, ergens in de toekomst ‘vrij’ zullen zijn. Dat er een magisch moment zal komen – als we groot zijn, als we dichter bij huis kunnen werken, als de kinderen het huis uit zijn, als we met pensioen kunnen gaan – waarop het leven niet meer grotendeels zal bestaan uit geregel en gedoe. Dàt zal het ogenblik zijn waarop we aan al onze gedroomde levens zullen kunnen beginnen, dàn maken we werk van alles wat we tot nu toe hebben uitgesteld en opzij geschoven. Alleen bestaat dat moment niet. 

Uit: 4000 weken op Elke dag wel iets

Dan viel haar oog op mijn oorbellen: ‘Zelf gemaakt?’ ‘Nee,’ zuchtte ik, ‘gekocht op een ambachtelijke markt.’ ‘Dat zie je,’ zei ze. ‘Artisanaal. Had je zelf ook gekund, toch?’ In dubio of dit nu een compliment was, of net niet, begon het me te dagen waarom we elkaar al zo lang niet meer gezien hadden. Toch, ik kon haar niet meteen buitenwerken. Niet alleen omdat dat buitengewoon onbeleefd zou zijn, ik had ook een berg eten klaargemaakt.

Uit: Bloempotten op Gebeur-te-lijke ongevallen

De vangst van Philippe Clerick (vangst #155)

Aanlegplaats heeft, als ik goed geteld heb, 89 bloggers in haar haven en daar moet ik er 3 uitkiezen. Graag had ik iets gekozen van de oude soixant-huitard Flor Vanderckhove, maar zijn veelkantige blog De laatste Vuurtorenwachter, is nog niet in het aanbod opgenomen. Nog liever had ik iets gekozen van Joachim Stoop die wel in het aanbod voorkomt. Ik ken Joachim van de hilarische ‘rare gedachten’ die hij soms op Facebook plaatst – hij is al aan deel 7 toe.  Maar Joachim verwaarloost zijn blog en laat na van die ‘rare gedachten’ een meer duurzaam onderkomen te bieden. En liefst van allemaal had ik een korte arabeske van Tom Wouters gekozen, maar die plaatst helaas alleen zijn langere stukken op zijn blog, en die worden al geregeld gekozen door andere vissers. Tom vergist zich in elk geval als hij denkt dat zijn korte stukjes – vaak niet meer dan één alinea – minder goed zijn dan zijn lange.

Laat mij beginnen met iets makkelijks. Op de lijst van de 89 neemt Marc Vanfraechem, als ik goed geteld heb, de 56ste plaats in. Ik heb, voor ik mijzelf aan het bloggen zette, gedurende meer dan een maand alle toen verschenen stukjes van Marc meerdere keren gelezen. Ik wou iets in die richting doen. Met name zijn polemiek met Vlaamse opinieschrijvers was altijd geestig en scherp, scherper dan ik ooit zou durven. Marc citeert en vertaalt ook veel: schrijvers van vorige eeuwen, artikels uit de Franse pers, interviews die hij nauwkeurig getranscribeerd heeft. In een van zijn oude stukjes vertelt hij hoe hij op een oudejaarsavond, begin de jaren ’80, in de Hotsy Totsy aan het kaarten raakt met Hugo Claus en zijn broers. Kort na middernacht had de Grote Dichter gezegd: ‘Zoeme ’t eerste spelleke van ’t jaar niet doen?’

Ik meen dat het iets over tweeën moet zijn geweest, dat Hugo terloops naar de stand vroeg. Hij stond een goede vijfduizend frank in het rood en begon zich luid te beklagen over de goden die hem ongunstig gezind waren.
En toen maakte Odo, die geen dichter was, een ongelukkige opmerking: “Mor Hugo, ge kent gi niet van kaarten ook, hé.”
Hugo stond op, grabbelde zes briefjes uit zijn broekzak, gooide die op tafel en liet ons beduusd achter in de feestvreugde.
Dat heb ik altijd erg kunnen appreciëren van hem, die plotse kolere. 

Uit Hugo Claus aan de kaarttafel op Victa Causa

Wie ik ook altijd lees, is Pascal Cornet, de nr 82 op de lijst als goed geteld heb. Zijn blog Het leven als voorlopige oplossing bevat zowel teksten als eigen foto’s, heeft aparte secties die bestaan uit autobiografische fragmenten, commentaren bij A la recherche du temps perdu, boekbesprekingen, filmrecensies, enzovoort. Er is zelfs een handleiding voor het lezen van de blog.  Ik ben het zelden met Cornet eens. Hij is links en ik ben rechts. Hij is tegen consumptie en ik ben voor. Hij beslist om de film L’année dernière à Marienbad mooi te vinden terwijl ik de film in alle opzichten een draak vind. Toch ben ik onder de indruk van – en het volledig eens met – de pijnlijk nauwkeurige beschrijving die Cornet van Marienbad in zijn recensie geeft..

De laatste tijd schrijft Cornet vooral korte stukjes van 100 woorden. Laatst eentje over Niels Destadsbader (en Helmut Lotti). En daar heb je het weer. Er is in dat stukje, waarvan ik hieronder 58 woorden citeer, geen hoofd- of bijzin waar ik het mee eens ben. Maar ik word getroffen door de zuivere eenvoud van de formulering die alle mooischrijverij ver achter zich heeft gelaten.

Het lucht op, je vooroordelen te herkennen en bij te werken. Ik beken: ik heb de neiging om voor mijn beurt te oordelen. Maar ik heb er ook geen moeite mee mijn meningen te herzien waar nodig. Zo leerde ik nu Niels Destadsbader te appreciëren. Ik heb het niet over zijn exorbitant hoge salaris, maar over zijn talent.

Uit De geweldige Helmut Lotti (honderd woorden 566) op Het leven als voorlopige oplossing

Hoog tijd om iets nieuws verkennen. Ik begin voor mij onbekende blogs aan te klikken en daar stukjes te lezen. Een blog die mij eerst in verwarring brengt, is die van Philippe Diepvents. Ik zie geen tekst, geen titeltjes, alleen cirkelvormige illustraties. Maar als ik met de muisaanwijzer over die illustraties beweeg, verschijnen titeltjes, en als ik klik verschijnen teksten.

‘Stapvoets’ bijvoorbeeld is een erg geestig en onderkoeld verslag van een korte opname in een ziekenhuis. ‘Een plakje ernst over kunst en crisis’ is een originele beschouwing bij het schilderij De Medusa van Géricault. Ik leer de auteur kennen als een linkse jongen: ‘Ongelijkheid ontspoort … ongeziene concentratie van rijkdom … fascisme steekt zijn lelijke kop op in de Westerse wereld.’ Daar moet ik mij bij neerleggen. Er zijn nu eenmaal verstandige mensen die zo denken. Ik ga daar geen discussie over aangaan, want ik ben niet gek: Diepvents is directeur van de studiedienst van het ABVV, die praat mij zo onder tafel.

In de blogpost ‘Iets anders’ geeft Diepvents heel kort drie ervaringen weer: een dag shoppen in Antwerpen met een gewezen Oegandese kindsoldate, een impressie uit Kosovo kort na de oorlog aldaar, en een monoloogje van een paracommando. Als ex-paracommando herken ik mij niet in monoloogje. Dat drie minuten boksen was in mijn tijd (48 jaar geleden) al afgeschaft en overleefde alleen nog in verhalen. Ik was bij een parachutesprong niet erg bang. Een sprong uit een vliegtuig weigeren was ongeveer onmogelijk – (je kon echter wel weigeren vanuit een helikopter of ballon te springen). En die truuk, gewoon als eerste uit het vliegtuig springen, zoiets kon je niet zomaar zelf beslissen. Maar hoe fris is het monoloogje weergegeven!

‘Ik weet nog’, vertelt hij me, ‘ik weet nog de eerste keer dat ik klaar stond om uit een C-130 te springen. Honderd keer heb ik dat misschien wel gedaan. Dat hoort bij paracommando zijn. We werden hard getraind. We waren de elite. Soms moesten we drie minuten met elkaar boksen, zonder handschoenen en je mocht niet afweren. Deed je het toch, dan begon de klok opnieuw.’

‘Ik was enorm zenuwachtig, toen ik in de rij stond voor die eerste sprong. Twee jongens voor mij durfden niet. Dat maakte het erger, want in volle vlucht moesten zij aan de kant schuifelen, plaats maken voor de volgende. Chaos en geroep van de sergeant. Later leerde ik een truuk om ermee om te gaan. Je moet gewoon altijd als eerste springen. Wat ze ook zeggen, ook soldaten zijn bang.’

Uit Iets anders van Philippe Diepvents