Gaat 2024 het jaar worden dat ik de pen van Ingrid van der Graaf leerde kennen? Het is wonderlijk hoe ze me telkens vanaf de eerste paragraaf meekrijgt en me met haar ogenschijnlijk eenvoudige zinnen weet te ontroeren. Vorige keer had ik al opgemerkt dat haar stijl me aan die van Marja Pruis deed denken – de tamelijk sublieme columniste van De Groene Amsterdammer. Dezelfde conversationele toon; dezelfde losse invalshoeken. Het lijkt alsof Ingrid je een verhaal vol impressionistische jazz-toetsen influistert, maar het zit allemaal wonderwel in elkaar. Prachtig stuk over de liefde, het poeziëtijdschrift Het Liegend Konijn en otters
Lennart Vanstaen bespeelt een compleet ander register in Oud ijzer, koper, loodzware job. Iedereen kent, al was het maar van horen omroepen, de in bestelwagens rondrijdende ijzeropkopers die via luidsprekers verkondigen dat ze de mensheid en hun buurtbewoners van oud ijzer willen verlossen. Lennart gaat met dat gegeven aan de slag en maakt er een geestige denkoefening van.
Afsluiten doen we met Ingrid Verbanck. Op Elke dag wel iets iets staan regelmatig opmerkelijke stukken. Intelligent. Weloverwogen. Scherp. Interessant. Aanleiding van haar analyse over Sartre en De Beauvoir is het boek A Dangerous Liasion van Carole Seymour-Jones waarin van de mythe van de denker met de pijp en de vele vriendinnen weinig heel gelaten wordt. Wat rest van zijn omvangrijk oeuvre en van jarenlang met een beschouwende blik door Parijse vensterramen te staren zijn de exorbitante prijzen in Café de Flore.
‘Ik moest denken aan de tijd dat de man en ik uit elkaar dreven. Ook mensen komen in stromingen terecht. Ik dacht aan hoe ver de man en ik van elkaar verwijderd raakten. Dat de gedachte, dat als ik toen gewoon zijn hand had gepakt, me niet meer loslaat. We vonden elkaar, nadat we uit elkaar gedreven waren, wel weer terug hoor, maar daar gingen jaren overheen.’
‘De tweede metaaljager daarentegen gooit het over een heel andere boeg. Hij onderbrak de stilte tijdens mijn lunch met de profetische woorden: ‘Oud aaazer, loewd, koper en zink. Platte batteries en wrakken van awtoos’. Deze man speelt meer in op de omgeving, door het eren van het plaatselijke dialect. Ook heeft hij meer aandacht voor het metrum, waarbij hij erg slim jambische versvoeten afwisselt met de anapeste variant. Persoonlijk vind ik die menging van hoge en lage cultuur erg tot de verbeelding spreken.’
‘Wie wel een rol van betekenis speelt in het verzet? Camus. Als hoofdredacteur van het verzetsblad ‘Combat’ bleef ook hij publiceren, maar zijn teksten werden tijdens de oorlog niet in de Parijse theaters opgevoerd onder goedkeurend oog van de Duitsers. Het was pas toen het duidelijk werd dat Duitsland op een nederlaag afstevende dat Sartre zijn kar keerde en er op een bijzonder opportunistische manier in slaagde om na de oorlog het narratief rond zijn persoon te keren.‘
Deze week reiken 3 bloggers alternatieven aan voor al uw vastgeroeste voorstellingen en dichtgevroren denkkaders. Omdat niets is wat het lijkt. Sarah De Grauwe toont dat vakantie ook zonder kunst, zintuiglijk genot of natuurbeleving kan. Tom Wouters vindt schatten op een boekenkraampje vol vieze, versleten, gedateerde boeken. Jan Devriese droomt over het leven parallel aan dit ene geleefde leven, het niet geleefde, wat had kunnen zijn. En zo heeft elke vangst van Aanlegplaats parallellen met daarin oneindig veel bespiegelingen.
Etalages bekijken, mevrouw, daaruit bestaan mijn vakanties. Ik heb al meer etalages gezien dan musea, meer kleren dan kunstwerken. Alle respect voor de creativiteit van de middenstander, maar het gaat me te ver!
Hij had met al die mensen op straat gehoopt veel te verkopen met zijn inderhaast opgesteld boekenkraampje, tot hij doorhad dat het om voetballiefhebbers ging en de kans op verkoop gering was. Ik was uiteraard wel benieuwd, maar zag meteen dat zijn aanbod bedroevend was. Zelfs als er in de stad een literair congres zou hebben plaatsgevonden met literatoren over de hele wereld of een optocht van Nobelprijswinnaars literatuur zou hij niet veel verkocht hebben.
Misschien had je als kind een droom. Misschien ook niet. Dat herinner je je niet. Je herinnert je wel dat je coureur wou worden, en voetballer, en brandweerman, en zanger, en stukadoor — goh, wat moest dat heerlijk zijn, in zo’n stoere overal pleister glad te strijken op nieuwbouwmuren, met een sigaret tussen je lippen, terwijl de transistorradio knalde. Je bent het niet geworden. Je ging niet naar de stukadorenschool. Dat werd in jouw plaats beslist. Doe jij maar iets met je hoofd, Jantje, niet met je handen — daar ben je te goed voor. Zo ging dat toen. Niet dat het hielp.
Het leven is wiebelig, wiebelie-wobbelie wiebelig. Wij zijn wiebelig. We worden uit bed gespoeld, kunnen niet vermoeden wat komt, raken onszelf een beetje kwijt. En wiebelen voort.
We verliezen stukjes van onszelf: als we weggaan, als anderen weggaan. Eenzaamheid. Nieuwe stukjes zullen zich aandienen, als water dat over de kant klotst. We forceren niets. We schrijven. Met deze week: Katrin Van de Velde, Marijke Cornelis en Jan-Willem Lubbers
De man die elke dag kaarsjes voor me brandt, zegt dat hij doodgaat. Maar dat sterven doet hij al zo lang. Hij probeert me wanhopig (de tijd dringt!) naar zijn huis te lokken, een huis dat ik nooit zag. Ik ben het helemaal mooi aan het maken, schrijft hij, speciaal voor jou. Ik wil dat je hier komt ontbijten, een hele dag blijft, en ’s avonds maak ik iets lekkers voor je klaar. Ik heb het gevoel dat ik iemand zijn laatste wens onthoud. (En dat mijn komst zijn dood zal versnellen.) Hij is teleurgesteld dat zijn kaarsjes niet werken.
Antoni, heet hij. Een warme naam voor de stormdepressie die ons vandaag trakteert. Ik maak me klaar om tegen hem in te gaan, op bezoek bij mijn vader. Hij zit daar nu nog in zijn kamertje, tussen een krappe selectie van zijn geliefkoosde spullen. Een houvast in de grote zee van eenzaamheid. Als ik op zijn deur klop, roept hij luid en duidelijk ‘JA’. Hij bedankt herhaaldelijk als ik weer vertrek.
Lezers of niet, waar het mij om gaat is dat mijn website mij ruimte geeft om te vinden waar ik niet naar zocht, maar wat misschien juist datgene is waar ik wel naar zocht. Ruimte waarin iets zich aandient waarvan ik in het begin van het schrijven nog geen vermoeden had. Niet ik schrijf deze website, de website schrijft mij. Daarom is het meer dan een adres in de virtuele wereld, het is een onzichtbare plek in mijn leven.
Salman Rushdies boek Mes ligt op salontafels, nachtkastjes en knieën in treincoupés. Het boek waarin hij niet alleen verslag doet van de gruwelijke mesaanval die hem aan een oog blind maakte, maar ook de liefde bezingt en taal als een mes ziet dat de wereld kan opensnijden en de waarheden ervan blootleggen. Reden genoeg voor een vangst messcherpe stukjes van Aanlegplaats. Een diepzintuiglijk verhaal van Nele Bruynooghe die samen met Wieland Heymans de blog zacht bruTaal onderhoudt (voor het eerst in de vangst!)
Een ontroerend absurd relaas van Rein Hannink. In aanvang lijkt het of hij zelf onder het mes moet, maar hij is het die de chirurg opensnijdt en daarmee fileert hij ook zichzelf.
Ten slotte zeer boeiende wetenswaardigheden van Vitalski over haaien, mensenvlees en goudvissen.
De cicaden in mijn buik werden voor het eerst rustig. Ik ging liggen toen een man een parel met een mes uit het vlees sneed. Ik bleef tot na de schemering en daar vond ik in het zand gloeiende woorden. Ze wilden dat ik ze vond, niet om de woede, maar omdat ze in mij wilden gaan liggen. Parels maken van al wat binnendrong in mijn buitenhuid. Vanaf dan vocht ik overdag met stieren en liet ik ’s nachts de woorden in mijn huid groeien.
De chirurg is geen geboren verteller. Ik zie hem praten en praten in het microfoontje van mijn recorder, maar luister allang niet meer. Ik had gehoopt op spannende verhalen uit de operatiekamer: hoe hij een knoeperd van een gezwel had weten te verwijderen op luttele millimeters van een slagader, terwijl de zweetparels op zijn voorhoofd gedept werden door een OK-assistente met enorm decolleté… verhalen met een Hemingwayeske doorbloeding!
Laatst ging het in een gesprek over Amélie Nothomb. Dat ze géén live interviews geeft, alleen aan de telefoon. En dat ze niet wil dat iémand foto’s van haar neemt. Lukraak! Uit een invalshoek die er geen is, of gewoon de verkeerde. En hoe marketeers van de uitgeverij bewonderaars uit het publiek moeten verzoeken hun foto’s te wissen. Diva is het. Heerlijk is het. Zoals Marlène Dietrich ooit sprak: “Ich kleide mich für mein Image. Nicht für mich selbst, nicht für die Öffentlichkeit, nicht für die Mode, nicht für die Männer.” Het zijn van die mensen die onweerstaanbaar zijn. Caro Van Thuyne voelt zich misschien ongemakkelijk worden. Maar ondertussen heeft ze wel een hele handleiding op haar blog staan. In kapitalen.
Ik ga haar boek lezen. Hoop dat het meedogenloos goed is. Denk van wel.
Marieke Groen houdt niet van voetbal, schrijft desalniettemin voor Hard Gras en misbruikt het logo van een automerk. Het zit meteen goed. En dan is er nog haar blog over haar verjaardag, het gratis pannenkoekenplantje in het tuincentrum.
Op de ochtend van mijn verjaardag liep ik naar het tuincentrum. Ik had gelezen dat je daar op je verjaardag een gratis pannenkoekplantje kreeg. Dat klopte, tevreden en met het plantje in mijn tas liep ik naar de Lidl, waar je op je verjaardag een gratis chocoladereep kreeg.
Wat volgt is tragikomisch. Kinderachtig, onnozel en aandoenlijk, met tranen op het einde. Mensen die niet kwetsbaar willen zijn, zijn doodsaai. Dat ze niet met een blog beginnen.
Joachim Stoop heeft een blog met een bijzondere categorie: Rare gedachten en anekdotes waar ik afzonderlijk geen mens mee durf lastig vallen, maar gebundeld wel gewoon over je heen dump. Daar moét je toch op klikken? Het is een lijst van flarden en kleinigheden, ogenschijnlijk gaat het over niks, maar oh wat vonken die prullen. Ik heb er hardop om moeten lachen.
-De oude man naast me vraagt aan de verkoper om hulp: ‘Ik zoek een droge, witte wijn.’
-‘Nou, dan heeft u geluk. Heel deze wand achter me is droge, witte wijn.’
Het voordeel van een blog is dat snippers ook goed zijn. Het laat de grote literatuur achter zich. Soms is het een verademing. Grootspraak is bij wijlen zo vermoeiend, zeg.
De Leuvense horeca is in de ban van een muizenplaag. De ene na de andere zaak sluit noodgedwongen de deuren. Het zal brasserie La Royale niet overkomen. Op het moment dat An Olaerts behoedzaam haar ziel op tafel legt, tussen de kruimels van het koekje bij de koffie en mijn exemplaar van haar boek ‘Altijd wat’, doet een ernstig kijkende man met een zaklamp zijn ronde.
Niets te zien onder de tafel, zo blijkt, we halen opgelucht adem. Zal ik deze luie muizenvanger in een stukje verwerken, zie ik An denken, of toch maar niet? Misschien mag ik hier dan niet meer binnen?
‘Je hebt er geen idee van hoe gevoelig de mensen soms zijn’, zegt ze. ‘Laatst publiceerde ik een stukje over de betreurenswaardige kwaliteit van Belgische vijgenbomen – ook de week na Pasen is het al een beetje komkommertijd in de krant – en overigens dacht ik eigenlijk ook eerst dat jullie Jo Komkommer een schuilnaam was – maar soit: tientallen reacties kreeg ik. Van teleurgestelde, misnoegde en boze vijgenbomenbezitters. Allemaal mannen die hun vijgen en hun vijgenconfituur aanprezen. Speciaal! Of ik niet eens kwam proeven? Tuurlijk niet!
An Olaerts is met voorsprong de minst pretentieuze columniste van Vlaanderen, en dus ook een van de beste. Scherpe observaties, grappig, altijd vol mededogen en vooral heel veel zelfrelativering.
‘Ik hou het graag klein,’ zegt ze. ‘Vanuit een standpunt ergens in de marge. Ik hou niet van Grote Woorden, of van Grote Meneren met woorden. Zoals Ilja Leonard Pfeijffer, die in ieder interview rondbazuint dat hij ons iets wil tonen, iets wil leren. Ik wil niet worden opgevoed. Ik ben geen foie gras eend. Ik zal zelf mijn gedachten wel oppikken. La Superba vond ik overigens wel een heel grappig boek.’
‘En intussen heb ik met mijn marginale kleinigheden nog altijd geen roman geschreven. En een grote al helemaal niet. Eigenlijk loop ik maar wat te lummelen. Liefst schrijf ik reportages. Een paar dagen alleen op een plek, daarna thuis komen met verhalen. Dat is spelen, dat is smullen. Ik ben een observator, fotografeer ook heel graag. Er zijn en er niet zijn tegelijk, of ten minste niet moeten participeren. Het is de meest comfortabele positie.’
‘Dat ik makkelijk schrijf, ontdekte ik toen ik in schoolvakanties brieven begon te schrijven, naar vriendinnen die gewoon in de buurt woonden. Ik schreef meer dan ik ze zag. Ergens is dat een beetje zo gebleven.’
‘De blog is later gekomen. Ik schreef al voor de krant op dat moment. Het was nieuw. Je was baas op je eigen erf. Het werd druk gelezen. Plus, er was een echte community mee gemoeid – wat jullie nu ook een beetje proberen met Aanlegplaats. Ik ging destijds gretig naar Girl Geek Dinners, om te praten met andere bloggers van het eerste uur. Heel leuk. Allemaal eigenaardige mensen.
‘Nu is de blog leeg, omdat iedereen mijn boek moet kopen natuurlijk. Al zou ik zou best opnieuw willen beginnen met een online kladschrift, maar ik kan me moeilijk inhouden. Voor je het weet zit ik toch weer te prutsen en te prutsen om het beter te maken. Terwijl het zo’n verademing kan zijn om losjes wat te tikken. Je weet nooit waar je gaat uitkomen. Ik weet nog hoe ik ooit aan Start to Run begon. Kwam ik zondagmiddag terug thuis van vijf kilometer, schreef ik over de geur van kroketten onderweg, bijzondere brievenbussen en vrije gedachten.’
Lopen heeft ze niet volgehouden, bekent ze. Iedereen rent en fietst zichzelf een ongeluk. En ze doet niet zoals iedereen. Dat lees je ook in het boek, dat met de ondertitel kleine mislukkingen van een middelbaar mens meteen zegt waar het op staat. Geen glamoureuze selfies, geen opgepompt ego.
‘Laat het pompeuze maar zo. Ook in literatuur. Ik heb het graag kort, duidelijk en rechttoe rechtaan. Vooral Nederlanders zijn daar goed in. Maarten ’t Hart, Jan Wolkers, Godfried Bomans, Remco Campert, Judith Herzberg, JC Bloem, Rutger Kopland, dat soort schrijvers. Het zijn allemaal ouderlingen, merk ik nu. Blijf ik daar misschien wat te veel in hangen?’
‘De Vlaamse literatuur trekt mij minder, misschien omdat – zo vertelde een professor me ooit – de grammaticale variatie in het Noord-Nederlands kleiner is dan in het Vlaams. Het zit allemaal wat strakker. In Hollandse zinnen kan je beter voorspellen wat het volgende woord zal zijn. Het is wat drammeriger en het leest sneller, en daar hou ik van.’
‘Maar, als ik er even bij stil sta, ik lees gelukkig ook wel schrijvers van nu. Marijke Schermer, Jaap Robben. En ook wel Vlamingen. Lara Taveirne, Erik Vlaminck. En het boek dat ik nu aan het lezen ben is wonderbaarlijk: Baksteen, van Femke Vindevogel. Als zij eens met een blog zou beginnen. Het boek is grappig en gewelddadig tegelijkertijd. Je moet het maar kunnen. De taferelen zijn walgelijk, maar ze brengt het op een amusante, laconieke manier. Vindevogel schakelt aan een razend tempo heen en weer tussen de tegenstellingen. De wereld doet te vaak alsof alles duidelijk en simpel is. Alsof alles moet worden opgelost. Het is een beetje spanningsloos. Juist of fout. Grappig of verdrietig. Alles opgeruimd. Ik heb het liever dubbelzinnig, morsig en alles tegelijk. De vettige kant van het leven, die is toch net interessant? Niets is zo grappig als de tragikomedie en niets is zo treurig. Niemand ontsnapt aan de tristesse van zijn eigen leven. Ik ook niet. Het is echt waar altijd wat voor iedereen.’
‘In mijn boek staan een paar heel verdrietige stukjes, waar ik lang over heb getwijfeld. Ik word ongemakkelijk van sentiment. Maar ik heb besloten om het toch te laten bestaan. Lang leve het gedoe. Wat zou je toch zijn in een leven zonder gedoe? Schrijvers die ploeteren in de ellende die mensen zichzelf aandoen hebben dan ook mijn sympathie. Céline. Amélie Nothomb. Slauerhoff. Maar die is dan weer te dood om nog een blog te beginnen.’
‘Bij ons is Delphine Lecompte zo’n brutaal nest. Die mag ook een blog hebben van mij. Niet dat ik het er altijd mee eens ben, en dat hoeft ook niet. Een beetje schoppen en slaan, dat doen we toch veel te weinig?’
‘Maartje Swillen schopt en slaat niet, maar ze is wel pretentieloos en kan geweldig schrijven. Dus dat zij haar teksten ook maar eens op een blog gooit.’
‘Oei. Heb ik nu echt alleen maar vrouwen genoemd? Dan voeg ik nog snel Hans Dorrestijn aan mijn lijstje toe, dan kan de rehabilitatie van de vieze oude witte man eindelijk worden ingezet (lacht).’ (nvdr An Olaerts lacht eigenlijk de hele tijd, maar als het over vieze oude witte mannen gaat is ironie lang niet meer zo helder als vroeger)
‘En dan nog jullie laatste vraag. Wat een blog goed maakt. Tja, dat kan een paar kanten uitgaan. Maar zeker: kort, ik heb geen geduld. Ken je Kimme Tigra? Nee? Schrijft zkv op instagram. Die zijn schitterend. Grappig, met verdriet vaak. Er staan trouwens echt veel teksten op Instagram. Zonder selfie. Zonder schmink. Zonder moppendrang. Dikwijls zijn het halfzachte motivational quotes, passief-agressieve excuses om vooral jezelf te blijven, ook al ben je een zeur. Maar soms schotelt het algoritme me echte snoepjes voor. Alles is beeld en niemand kan zogezegd nog lezen, maar het woord is verre van dood. Ik ben absoluut geen cultuurpessimist. Soms mag een mens gerust twijfelen aan de toekomst. Tranendal dat we soms bewonen! Treurnis mag, maar je moet er niet in zwelgen. Het boeit me niet. Je moet spanning op de miserie zetten. Laat het maar knetteren zoals bij Femke Vindevogel. Al dat cerebraal geneuzel. Schrijf fysiek, energiek en kom asjeblieft snel ter zake. Ik wil verrassingen, troost en plezier krijgen als ik lees.
‘Wild verlanglijstje, niet?’
Een maandagochtend kan niet eeuwig duren, en het is voor ons allebei tijd om weer eens aan het werk te gaan. Of ik kinderen heb, vraagt ze, en dat Punkie – haar pleegzoon van ondertussen tien jaar – graag met haar naar een avonturenpark wil, met een klimparcours in de bomen en riemen in je liezen. ‘Is dat nu iets voor een middelbaar mens? Ik zou het beter niet doen. Het is geen gezicht en discreet ben ik ook nooit. Maar wie kan het wat schelen. Kortom, binnenkort gaan we schreeuwen in het loof.”
Want, zo overtuigen we elkaar, iedereen heeft eigenlijk een vaste leeftijd. Die van mij is 32, zeg ik – de Jezusleeftijd, jawel – maar zij? Ik ben voor altijd 13. En weg is ze, op weg naar nieuwe avonturen, waarover u elke twee weken in De Standaard, en misschien straks ook terug op haar website, het verslag kan lezen.
Dankzij de onvolprezen haven van Aanlegplaats ontdekte ik de blog van Ingrid van der Graaf. Ik begon haar columns te lezen want ik was op zoek naar een andere stem en eenmaal begonnen kon ik niet meer stoppen. Vergelijkingen doen iemand altijd een beetje onrecht aan, maar haar schijnbaar nonchalante stijl deed me aan die van Marja Pruis denken en ik bedoel dit als een zeer groot compliment. Heimwee als een hond aan jevoeten is een schitterend verhaal vol impressionistische toetsen over een familie die naar Portugal emigreert en het gevoel van onbehagen dat die stap naar het land met de 365 verschillende recepten voor het maken van bacalhau met zich meebrengt. Want tussen droom en daad…
De Gentse dichter en kenner van één lettergrepen-poëzie David Troch neemt ons in Beweging #504 mee op een wandeltocht door Parijs waar hij als bij toeval op een Nederlandse uitgave van een boek van Philippe Claudel stuit. Wat er dan gebeurt moet u vooral zelf lezen.
Voor de ware boekenliefhebber is de podcast Drie boeken een schatkamer. Het concept is eenvoudig: Wim Oosterlinck belt aan bij een min of meer bekende literatuurminnaar en vraagt dan wat zijn of haar drie favoriete boeken zijn. Telkens weet de geïnterviewde een uur lang te boeien, en al zeker Raymond van het Groenewoud. Er zijn weinig mensen die ik liever hoor spreken dan Meneer Raymond – een van mijn drie favoriete zangers – want je hoort hem echt nadenken over wat hij zegt én hij heeft een geweldig oor voor de schoonheid van woorden, zodat ik aan gesprekken met hem al evenveel plezier beleef als aan het voor de duizendste keer herbeluisteren van Si tous les gars du monde.
Omdat ik niet verwacht dat Wim Oosterlinck ooit bij mij zal aanbellen, wil ik u nu al wel verklappen wat mijn drie favoriete boeken zijn: The Long Goodbye van Raymond Chandler; The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald; en Out Of Sheer Rage van Geoff Dyer.
Maar wat zijn uw drie favoriete boeken?
‘Hoewel ze al meer dan vijftien jaar terug is in Nederland, hoort ze zichzelf nog wel eens zeggen dat ze in Portugal heeft gewoond. Zeven jaar. Dat ze niet denken dat het een soort tussenjaar of sabbatical was geweest. Nee, het was haar ernst geweest. Er was een baan, een project waar ze met de man, waarmee ze voor de tweede keer getrouwd was, instapte. Werken met kinderen die zorg nodig hadden in een soort Camphill-achtige community.’
‘En zo gebeurde het, zo kwam ik in een winkelwandelstraat voorbij een handel, met op het gelijkvloers langspeelplaten en cd’s, met in de kelder de literatuur. Werk in het Engels, het Duits en het Japans had elk een rek. In een smal rek stond een mengelmoes aan talen zij aan zij. Zowaar ook enkele werken in het Nederlands. Voor een prikje. Toch pikte ik enkel Zonder mij eruit. Ondanks de erg banale beginzin: Ik open mijn ogen.’
‘Maar als je het hebt over: “Betekent het veel voor jou, lezen?” dan denk ik aan het feit dat het zoveel betekende voor mij vanaf pakweg mijn zesde tot eind mijn twintiger jaren. Niet dat ik daarna resoluut stopte, maar die gevoelens van: “Oef ik ben niet krankzinnig…(lacht)” verminderden nadien wel.” Met name een boek van Markies De Sade waarin zo vrolijk wordt gespeeld met libertijnse gedachten, om het maar braaf te zeggen.‘
Schrijvers zijn volhouders. In vriendschappen, in het onderhouden van een blog, in liegen alsof het gedrukt staat.
En soms zijn er barsten. Twijfels. Een ommezwaai. Niet bij Herman Loos, die met een vriend voor het leven op trot is. Jan-Paul van Spaendonck twijfelt nog, er valt meer luit te spelen en gerichter te lezen zonder. Maar Dennis Pauwels is zeker. De waarheid is efficienter dan de leugen.
Drie teksten waarin de schrijver in zijn ziel laat kijken, door het gat in die verweerde muur van de taal.
23,1 km – Steenekruyspad. We stappen langs de voorziening waar hij tien jaar van zijn leven doorbracht. Ik krijg een gedetailleerd verslag van de sociale kaart. Welke groepen waar zitten, waar hij zelf heeft gezeten, de regimes waaronder hij leefde. Daar zitten de geïnterneerden, zegt hij. Dat ken je toch, geïnterneerd? Ik zeg dat ik het ken. We nemen de bocht en hij glijdt bijna onderuit. We lachen. En daar achter dat hek, zegt hij, zitten de geïnterneerden met een beperking en daarnaast zitten de normale mensen met een beperking. Ik overschrijf een hersencel of vijf en noteer in mijn brein: normale mensen met een beperking.
Ik begon in gedachten orde op zaken te stellen. Wat moest er uit mijn leven geschrapt worden, wat kon er nagelaten worden, waar viel winst te behalen qua gemoedsrust, hoe kon ik de innig-geliefde valkuilen de rug toekeren en voortaan vermijden.
Het denkbeeld, aarzelend van alle kanten bekeken, dat ik na dit jaar (het vijftiende!) met bloggen kon stoppen beviel me. Dat gaf rust. Niet meer die heethoofdige drink-schrijfsessies, geen dwang en deadline. Desnoods zette ik het blog periodiek voort onder de noemer Voorheen Rookzanger: de toegift. Ja, dat denkbeeld begon me steeds meer te bevallen.
Waar vroeger de leugen mijn schild was, is de waarheid dat nu. Door net dat tikkeltje té eerlijk te zijn, hou je mensen op een afstand. Bovendien geeft het een aura van controle. Door te bepalen wat en hoeveel je deelt, hou je criticasters op een afstand. Je hebt jezelf al onderuit gehaald of je zwakheden getoond nog voor de ander het kan doen. Wat gaan ze je dan nog kunnen maken? De waarheid, of de schijn van waarheid, vind ik gevaarlijker dan de leugen.
April is een irritante maand. We willen naar buiten maar het weer is labiel. We willen rust maar de anderen beginnen zich – als ontluikende tulpenknopjes – overal mee te bemoeien. Je doet moeite maar het is nooit goed genoeg. Buren, winkelpersoneel, hedendaagse denkers; allemaal weten ze het beter. Gelukkig zitten onze bloggers er bovenop.
Lennart Vanstaen is op paasvakantie in regenachtig Aywaille waar de eenheid TPK (tijd per klant) aanzienlijk hoger ligt dan in Deurne-centrum. Marthe van Bronkhorst las Morele Ambitie van Rutger Bregman en probeert zijn oproep een week in praktijk te brengen.Iemand die zo veel mensen in irritatie verenigt, moet wel iets heel wezenlijks aankaarten. Haar verslag is briljant. Eliane De Bleser tenslotte, is een reuzenbarst op het spoor en kan niet anders dan naastgelegen huizen binnenstappen om te zien of hij daar verderloopt. De irritatie, dat zijn wijzelf.
Ze stelt me allerlei verwachte vragen terwijl ze mijn vlees snijdt en kaas afweegt. Ik vertel haar dat we in Antwerpen wonen, in Deurne en zij heeft daar toch wel een achterneef wonen zeker! Hij heeft nog vis geleverd aan het koningshuis. Ik betuig mijn bewondering hiervoor met een gepaste gezichtsuitdrukking. Ze wil weten of we hier nog lang blijven. ‘Ja, tot en met dinsdag’ zeg ik. En ik vul meteen aan dat er morgen mooi weer is voorspeld, want ze tuurt somber naar buiten en gunt ons een meewarige blik.
21:00 Goede vriend W en ik staan op een Boeken (verspilling van papier)-gala (verspilling van tijd) met allemaal schrijvers en dichters (verspilling van talent) en praten met dichter J. Hij zat in de audio-techindustrie, met ‘een team vol van PhDs en knappe koppen’. Hij ontwierp mini-speakertjes in apparaten die geluidjes afspelen: ‘De wasmachine-piep, de magnetron-ping.’ (Bij Bregman zou nu de bullshitbaan-zoomer klinken.) Maar er kan steeds meer met die geluidstech. De technologie waarmee ze bijvoorbeeld windmolens stiller maakten, werd ook toegepast in wapens – waarvan de hoofdklant het leger is van een land waar je vast laatst over hebt gehoord.
‘Wat is er hiernaast? Uw garage? Hoe geraak ik daar?’ Maar ik was al in de keuken en vond de deur naar de berging, daar de deur naar de garage. Ik vond en volgde het barst-spoor. Twintig centimeter van het plafond, richting de straat, achter een van de stapelrekken en ze kwam net voor de poort weer tevoorschijn. Ze liep tot in de hoek, terug naar boven, over het plafond naar de volgende muur. ‘Doet u uw poort even open?’
Bart Moeyaert is verre familie en als kind liet ik geen kans voorbijgaan om daarover op te scheppen. Nadat ik een spreekbeurt had gegeven over Suzanne Dantine, zei de leraar dat hij aan mijn ogen kon zien dat Bart en ik familie zijn. Tot op de dag van vandaag is dat het mooiste compliment dat ik over mijn ogen heb gekregen.
Op zijn blog Bart Moeyaert mogen we meelezen door zijn ogen. Ik heb een apart bibliotheek-lijstje in mijn portemonnee zitten met de tips van Bart. Tijdens een lange wandeling door de polders kwam ik erachter dat mijn jongste tante datzelfde boekenlijstje in haar tas heeft zitten. We hebben onze lijstjes een keer tegen elkaar gehouden. We hadden het gevoel dat dit iets betekende.
‘Bij het weghalen van ons oude terras blijkt er onder het hout een complete steenhandel te zitten. In afwachting van de verdere werken neem ik de tijd om met het uitzicht op de bergen van betonklinkers Joke Van Leeuwens Dat bedoel ik, zei de zalm te lezen. Voor dat boek is het de uitgelezen plek, maar dat besef ik pas aan het eind. (…) Het boek begint met een wollen pluisje dat door de wind wordt meegevoerd en in het oor belandt van iemand die net een beker heeft gewonnen. De beker komt in de rivier terecht -en op die speelse manier komen de twee meest onmogelijke entiteiten met elkaar in gesprek. Een beker praat met een zalm, bijvoorbeeld, en ineens ga je zitten meedenken over het belang van een kampioensbeker, het nut van een worm, en of een steen in een beroemde oude muur het eigenlijk verder heeft gebracht dan een kassei in een kasseiweg. Ik keek daarna anders naar de bergen van betonklinkers.‘
Ik ken Benedikte Van Eeghem als een begenadigd interviewer. Met haar onverwachte vragen duik je zo de diepte in, want alles wat naar oppervlakkigheid ruikt, daar gruwelt ze van. Ook kruis ik Benedikte wel eens op de fiets. Ze lijkt altijd gehaast. Ook in haar blogs voel ik die vlammende snelheid, maar denk niet dat iets haar oog ontsnapt. Haar teksten glimmen van schrijfplezier en levenskracht. Benedikte is een onbevreesde vrouw. Ze heeft het veel te druk om de moed te laten zakken.
‘Ik droom stiekem dat de hele wereld elke dag vleugels aan rolstoelmensen gaf. Dat ze tegen hen zei: jullie zijn échte vierwielerhelden, goden van het peloton, meesters van het sierlijk laveren richting finish. Meer nog dan de mannen en vrouwen in strakke pakjes op de Koppenberg, jawel, want rolstoelers bereiken de meet in het dagelijkse leven zonder applaus, zonder sponsoring, zonder bondscoach. De inspanning leveren ze solo. Dat verdient respect.‘
Het ongerijmde, de blog van Tom Wouters, kende ik niet. Die kwam ik toevallig tegen, slenterend door de haven van Aanlegplaats. Het was de ondertitel die mijn aandacht trok. WANT NIETS RIJMT OP HERFST. Eén blog nam me mee naar het kerkhof. En daar ben ik graag, dus bleef ik er even. Niets rijmt op herfst, maar ook niks rijmt op een moemoe die stenen eet om tot rust te komen. Ik hou van schrijvers die me laten geloven in mensen die groter zijn dan het leven.
Ook in dit kleine stukje leven wordt gefilosofeerd over stenen, waardoor ik vandaag zachter, anders, doordachter over de stoeptegels loop, met een plotse, ongekende warmte voor klinkers, kiezels, keien.
‘Binnenkort moet dit kerkhof plaats maken voor een woonblok, het lot van elke morzel grond in Vlaanderen. Hoewel mijn moeder zich van haar kindertijd weinig herinnert, lijkt ze nog heel goed te weten waar de mensen begraven lagen waar ze om hoorde te treuren. “Daar, in die hoek, lag mijn moemoe. Moemoe Steen noemden we haar, omdat ze elke ochtend een steentje van de grond raapte en dat in haar mond stak. Aan haar afgebroken gebit zag je dat ze er daadwerkelijk op kauwde. Het moet haar rust hebben gebracht.” Weldra zal de graafmachine die steentjes opgraven die heel haar leven in de maag van Moemoe Steen hebben gezeten. Ze zullen in een container belanden en van daaruit elk een eigen weg afleggen. Een steentje belandt in een aquarium in Minsk. Een ander geraakt vermalen in beton, dat zal dienen om een nieuwe weg naar Rome te leggen.‘