Philippe Clerick, het interview

De allereerste keer dat ik een stuk van Philippe Clerick las, dacht ik dat Karel van het Reve uit het dodenrijk was opgestaan en naar het Vlaamse hinterland was verhuisd. Philippe hanteert namelijk dezelfde ironische schrijfstijl als de Geleerde Broer van Gerard en weet zijn lezers voortdurend te verrassen met originele gedachten en onvoorspelbare invalshoeken. Al na enkele paragrafen sloeg mijn leesplezier om in bewondering, want Philippe kan wat ik nooit zou kunnen: goed onderbouwde beschouwende stukken over de actualiteit schrijven en die larderen met heerlijke uitweidingen en faits divers uit zijn persoonlijk leven. 

Hoewel er uitzonderingen zijn voelt het lezen van opiniebijdragen voor mij meestal aan als huiswerk, maar niet zo bij Philippe Clerick – wat in zekere zin ironisch is omdat hij vijfentwintig jaar lang in het onderwijs stond en zeer beslagen was in het uitdelen van huiswerk. Wat had ik graag van hem les gekregen, zeker als zijn verstrooidheid hem naar zijsporen voerde en hij zijn leerlingen verhalen opdiste over de grote en mindere grote namen uit de culturele wereld.

Op een zaterdag in januari belde ik aan bij het appartement van het echtpaar Clerick op de zeedijk in Oostende en een goedlachse zestiger verwelkomde me hartelijk. In een hoek wachtte een piano op de ultieme versie van de aria uit de Goldbergvariaties. In de bibliotheek stonden – naast werken van o.m. Willy Spillebeen en Arthur Schopenhauer – alle boeken van Karel van het Reve en toch miste ik iets…

‘Thuis in Keerbergen heb ik uiteraard ook de zeven delen van zijn Verzameld Werk staan’, stelde Philippe mij gerust over de opvallende lacune in zijn bibliotheek. 

‘Wil je koffie drinken?’

Ik knikte bevestigend en Philippe toog aan het werk. Waar een doordeweekse barista genoegen zou nemen met het op de man af te vragen of je je koffie met melk of suiker drinkt, onderscheidde Philippe zich van gewone stervelingen door eerst met een zwarte kop koffie uit de keuken te voorschijn te komen en pas nadien te vragen of ik melk wenste. Eens dat vraagstuk opgelost, verscheen hij opnieuw ten tonele, sloeg op zijn voorhoofd en vroeg of ik misschien suiker in mijn koffie wilde. Pas na het derde bisnummer nam Philippe plaats en terwijl we beiden naar de Noordzee tuurden en Engeland achter de horizon zagen verdwijnen, vuurde ik de eerste vraag af.

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Het idee voor de blog rijpte in de tijd dat ik voor de klas stond en enthousiast vertelde over schrijvers en literatuur. Mijn leerlingen vroegen me regelmatig: ‘Meneer: schrijft u zelf niet?’ Mijn antwoord was steevast: “Ik kan dat niet. Ik kan wel een zin op papier zetten, maar als ik die dan herlees wil ik mezelf ophangen omdat ik het zo slecht geformuleerd vind.” Voor mijn lessen moest ik echter veel didactisch materiaal schrijven. Hetzelfde gold voor de opdrachten waarmee ik de leerlingen belastte. Als ze een opstel moesten maken, gaf ik hen een door mezelf gecomponeerde tekst als model mee. Jaarlijks herschreef ik die en langzaam maar zeker merkte ik dat ik de neiging om mezelf op te hangen kon onderdrukken, dat ik misschien niet zo goed kon schrijven, maar wel nogal goed kon verbeteren, en zelfs dat ik in staat was een tekst zo te verbeteren dat die aanvaardbaar werd voor mij. Dat was de eerste stap in de richting van een blog: het besef dat ik iets kon schrijven dat voor mezelf min of mee door de beugel kon.’

‘Het tweede is de formule van de blog. Door er spontaan tegen te komen en ze te lezen geraak je er vertrouwd mee. Acht jaar geleden ben ik met Clericks Weblog begonnen. Ja, zo recent pas. Ik weet het nog goed want de titel van een van mijn allereerste stukjes luidde: ‘Ik ben nu zestig’ en vandaag ben ik achtenzestig. Toen is het begonnen. Eerst louter op Facebook. Maar ik wilde het beter kunnen vasthouden. Een blog situeert zich een beetje tussen het boek en Facebook. Het heeft een iets permanenter karakter. Lezers kunnen bepaalde zaken opzoeken en terugvinden. Alvorens er zelf een te beginnen heb ik eerst alles van Marc Van Fraechem gelezen. Ik was hem tegengekomen via Karel van het Reve omdat hij op zijn blog wel eens Karel vermeldde. Hij is – net als ik – een grote Karel van het Reve-bewonderaar. Een maand lang heb ik dagelijks stukjes van hem gelezen en na die maand dacht ik dat die formule me wel zou liggen – ook zijn lay-out heb ik grotendeels overgenomen.’

‘In het begin schreef ik erg korte stukjes. Ik wist nog niet helemaal zeker welke richting ik met mijn blog wilde uitgaan. De eerste maanden schreef ik hoofdzakelijk anekdotisch. Zoals bijvoorbeeld een verhaal dat mijn vader elke kerstnacht vertelde over een bepaalde gebeurtenis uit het leven van Marie Antoinette. Ik zocht uit hoe het precies in elkaar zat en schreef het neer zodat ik het zelf beter kon onthouden. Langzaam maar zeker evolueerden de stukjes. En ik denk dat het concept waarbinnen ik schrijf nog steeds aan verandering onderhevig is. Ondertussen heb ik voor mezelf wel een beeld gekregen van wat ik kan en wat ik zeker niet kan. Waar ik goed in ben zijn beschouwende stukjes. Non-fictie. Iets anders moet ik niet proberen.’

‘Binnen het beschouwende genre kan ik goed springen. Al schrijvend associaties maken en verbanden leggen tussen de meest uiteenlopende onderwerpen zoals film, literatuur, familie-herinneringen en die dan allemaal samenbrengen. Soms ben ik gedreven door een bepaalde logica en zie ik niet direct een opening om te springen. Maar ik denk dat mijn geest in het algemeen wel springerig werkt. Ik zal niet zeggen dat ik een ADHD’er ben – hoewel mijn zoon er een is, dus ik zal het wellicht ook in een lichte vorm hebben. Het van de hak op de tak springen van de geest kan een nadeel zijn, maar je kan het ook in je voordeel ombuigen.’

‘Of er mensen zijn die tijdens het schrijven in gedachten over mijn schouder meelezen? In de eerste plaats Karel van het Reve. Zeker op het vlak van taal. Wanneer ik twijfel over een bepaalde term denk ik: ‘Oei, is dat een woord dat hij zou gebruikt hebben?’ Indien het zo is, weet ik voor mezelf dat het zuiver Nederlands is, want van thuis uit ben een dialectspreker. En dus moet ik oppassen. Ook Herman Jacobs leest in gedachten mee.’

‘Soms gebruik ik, ondanks de meewarige blik van Herman Jacobs, graag Engelse of Franse en zelfs – mocht ik ze toevallig kennen – Duitse woorden of slagzinnen. Maar niet het Engels uit de managementwereld. Enkel die woorden die ik zou gebruiken als ik met mijn vrouw of met mijn zoon aan het converseren ben. Woorden die in het Nederlands bestaan, maar sneller in het Engels bij me opkomen. Maar ik ga zeker niet kids in plaats van kinderen schrijven (lacht).’

‘Hoeveel voldoening ik uit mijn bloggen haal? Dat is een moeilijke vraag, want het is tegelijkertijd telkens verschrikkelijk afzien. Terwijl ik schrijf sta ik voortdurend op en loop rond in de woonkamer. Maar het feit dat ik het doe bewijst dat ik het graag doe. Het herlezen van oude stukjes schenkt me voldoening, net als het voortdurend redigeren en herschrijven. Ach ja: ik ben eigenlijk een tevreden mens, een beetje een vulgaire optimist (lacht). Waar ik steeds naar streef is dat mijn teksten moeiteloos lezen en daarom steek ik er veel tijd in, want ik schrijf ontiegelijk traag. Het is maar door er lang over te tobben en in gedachten veel te schrappen dat ik tot het uiteindelijke resultaat kom. Kortom: het is hard werk.’

‘Ik blijf aan mijn teksten schaven. Soms pas ik ze zelfs jaren later aan. Het motto van de blog – ‘Op de fiets valt je van alles te binnen’ – geldt nog steeds, hoewel ik nu minder fiets dan vroeger. Ik ga ervan uit dat iedereen voortdurend in een monologue intérieur met zichzelf verwikkeld is – wat James Joyce in Ulysses heeft proberen te vatten. Als kind was ik een verstrooide professor die voortdurend aan banale dingen dacht en de monologue intérieur uit mijn kindertijd is nog steeds niet gestopt. Zo noteer ik aan de lopende band losse invallen, maar voor ik ze op papier zet, kan er behoorlijk wat tijd overheen gaan.’

‘Daarom zijn die ‘kortjes’ een dankbare vorm voor mij. Niet elke inval leent zich tot een langer verhaal. Zo zal ik ook nooit recensies over films of boeken schrijven, want dan moet je het geheel vatten. Meestal ga ik enkel een bepaalde gedachte – die een recensent in een alinea zou stoppen – uitwerken. En ook – en dat geldt voor de meeste onderwerpen waarover ik schrijf zoals bijvoorbeeld het Limitarisme van Ingrid Robeyns – zal ik niet proberen de hele filosofie onderuit te halen, want dat zou ik niet kunnen. Ik ga beginnen knagen aan een bepaald onderdeel daarvan. Zoals Karel van het Reve heeft gedaan met zijn kritiek op de evolutietheorie (opmerkzame lezers zullen gemerkt hebben dat voor ons elk excuus goed is om de naam Karel van het Reve te laten vallen, nvdr). Veel meer moet ik niet proberen, want veel meer kan ik niet. Ik ben niet geïnteresseerd in dossierkennis. Feiten interesseren mij slechts als ze het globale overzicht betreffen of als ze een theorie of vooroordeel onderuit halen.’

‘Hoeveel lezers ik heb? Per maand zit ik aan een tien- tot vijftienduizend, twintigduizend in een erg goede maand. Ooit was het een pak meer, maar dat hangt van de algoritmes van Facebook af. Op een bepaald moment heb ik mijn lezers op één dag zien halveren. Dat moet een verandering in het algoritme geweest zijn waardoor mijn zichtbaarheid verminderde. Vroeger had ik per stukje ongeveer zevenhonderd lezers en nu zit ik gemiddeld aan een tweehonderdvijftig. Wat mijn ijdelheid streelt is dat ook de oude stukjes blijven leven. Ze worden nog steeds gelezen.’

‘Wat ik waardeer bij anderen en waar ik zeker naar streef is: het moet redelijk geschreven zijn. Daar werk ik aan, hoewel nu minder dan vroeger. In het verleden trachtte ik bijvoorbeeld zoveel mogelijk ‘als-zinnen’ te vermijden. Nu heb ik zoiets van: ‘God ja: er staan drie ‘als-zinnen’ in en desondanks vertrouw ik erop dat de wereld gewoon blijft verder draaien. Maar ik wil natuurlijk wel helderheid en daarom schrijf ik er vaak iets bij. Dat heb ik van Charles Murray geleerd. Als je bij het herlezen van je tekst merkt dat er iets hapert, schreef hij, betekent het dat er iets ontbreekt. Wie Charles Murray is? Een Amerikaanse socioloog. Een libertariër die veel met statistieken werkt en toevallig ook het boekje Raadgevingen van een oude knorrepot heeft uitgegeven waarin hij een hoofdstuk aan de kunst van het schrijven wijdde. Naast helderheid heb ik ook graag dat het origineel is. Dat is wat ik zou verwijten aan twee totaal verschillende columnschrijvers: Marc Reynebeau aan de ene kant van het spectrum en Johan Sanctorum aan de andere kant. Ik heb geen probleem met wat ze schrijven, maar het ligt allemaal zo voor de hand. De kans dat er iets instaat waarvan je denkt: “tiens, hoe verrassend” is verwaarloosbaar klein.’

‘Als je iets probeert te weerleggen moet je het argument van je opposant enigszins au sérieux nemen. Je kunt ermee spotten, of er al badinerend mee aan de haal gaan. Maar je moet steeds de argumentatie zelf voor ogen houden. Je mag het belachelijk maken, maar je moet tegelijk het argument in zijn waarde laten.’

‘Ik wil sowieso blijven bloggen. Of ik mezelf nog ga verrassen? Ik heb al een zekere leeftijd, hè Jo. Wat ik bij mezelf wel apprecieer is mijn springerige geest en het kunnen leggen van onverwachte verbanden. Daar heb ik echt schik in. Het is een van de belangrijkste onderdelen van humor. Twee zaken met elkaar in verband brengen die eigenlijk normaal gezien niet bij elkaar passen.’

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Over die vraag heb ik lang nagedacht. Wat mis ik? In de eerste plaats zaken die in mijn verlengde liggen: opiniestukjes…’

‘Een eerste naam die me te binnen schiet is die van Luc Van Braekel. Hij is een liberale Vlaming. In de pioniersjaren startte hij met de blog LVB.net waarin hij eigen stukjes publiceerde en artikels van anderen opnam. Nadien emigreerde hij naar Amerika waar hij tegenwoordig als zelfstandig ingenieur werkt. Luc is iemand die bijzonder verstandig is en een ontzettend goed geheugen voor feiten heeft. Hij denkt ook een beetje hetzelfde zoals ik. Ik zou graag hebben dat hij af en toe iets over Amerika schrijft – tot nu toe heeft hij het maar enkele keren gedaan. Als hij zou schrijven: ‘Kijk, bij nader inzien verkies ik Trump boven Biden’ dan zou ik dat ook doen (lacht). Luc Van Braekel maakt nooit redeneerfouten en ziet, dankzij zijn logische ingenieursgeest, onmiddellijk de redeneerfouten bij iemand anders.’

‘Een tweede naam uit mijn ideeënwereld waarvan ik zou willen dat hij met een blog begint is Boudewijn Bouckaert. Regelmatig schrijft Boudewijn korte dingetjes op Facebook en die zijn vaak agressief van toon en worden ontsierd door scheldtirades, maar als hij een groter stuk schrijft – op Doorbraak bijvoorbeeld – is het juist heel afgewogen. Veel afgewogener dan wat ik zou schrijven.’

‘Er zijn er ook een paar die uit de doden zouden mogen opstaan. Spontaan denk ik aan Koenraad Goudeseune. Dagelijks verblijdde hij zijn Facebook-lezers met een sonnet en hoewel ik geen gedichtenlezer ben, las ik die van hem ontzettend graag.’

‘Verder mogen er gerust nog opinieschrijvers die liberaal of libertarisch denken beginnen bloggen. Want pas op, Jo, je kan wel zeggen dat we niet lezen om ons in onze overtuiging bevestigd te zien, maar ik vind het weleens leuk hoor, om iets te lezen dat me bevestigt in mijn overtuiging. Als ik de opiniepagina’s van De Standaard doorneem, staan daar weinig bijdragen in die mijn grote gelijk onderschrijven. Dat is ook niet altijd even prettig.’

‘Hoe mijn overtuiging bondig samen te vatten? Als ik het in één woord zou moeten definiëren is het: centrum-rechts. Al lang speel ik met het idee om een lijst op te stellen van allemaal zaken die ofwel links ofwel rechts zijn. Een verzameling van concepten als het ware zoals: jeugd: links; ouderdom: rechts. Als ik mijn filosofie iets uitgebreider moet verwoorden zou ik zeggen: op economisch vlak zo liberaal als het kan. Maar als het over de cultuurstrijd gaat dan denk ik dat ik in het midden sta, hoewel veel van mijn stukjes die over die thematiek handelen tegen woke gericht zijn. Op cultureel vlak ben ik een centrist, hoewel het niet uit mijn stukken blijkt, want die zijn niet evenwichtig verdeeld. Zo vroeg Tessa Vermeiren me eens waarom ik altijd reageer op de opiniestukken van De Standaard en zelden of nooit ageer tegen Doorbraak. Ze had natuurlijk gelijk, maar het is nu eenmaal niet mijn bedoeling om evenwichtig te zijn, misschien wel in mijn argumentatie, maar zeker niet in mijn doelwitten. Ik moet me achter mijn klavier vooral amuseren. En de mensen moeten ook niet uitsluitend mijn mening lezen.’

‘Qua sympathie ben ik in wezen een libertariër. Hoewel ik met het klimmen der jaren daarin iets gematigder ben geworden. Zoals je weet lees ik dolgraag P.J. O’Rourke. Hij is, samen met Karel van het Reve, voor mij een van de belangrijkste schrijvers geweest om me uit het communisme te trekken. Nadat Karel van het Reve het Geloof der Kameraden had afgezworen, stemde hij de rest van zijn leven socialistisch, maar in zijn diepste kern is hij een libertariër. Maar mijn libertarisme (politieke filosofie die individuele vrijheid en zelfbeschikking als kernwaarden ziet, nvdr) wordt getemperd door conservatisme. Beide stromingen zijn niet hetzelfde. De wereld zit nu eenmaal niet libertarisch in elkaar. Je moet je bij bepaalde zaken neerleggen.’

‘Al lang speel ik met de gedachte om een stuk te schrijven over mijn problemen met het ultra-libertarisme, Wat doet me soms terugschrikken voor de extreem doorgedreven variant ervan? Dat terugschrikken is ingegeven door een conservatieve reflex. Om het met een eenvoudig voorbeeld te illustreren: in onze maatschappij begin je aan een laag startersloon en dat stijgt met je anciënniteit. De negentiende eeuw was op dat vlak libertarischer. Willem Elsschot heeft het eens beschreven: je loon steeg tot je op het hoogtepunt van je productiviteit stond en daarna daalde het weer omdat je minder productief was. Vanuit libertijns-filosofisch standpunt gezien is dat juist. Maar ergens diep in mij voelt dat niet zo goed (lacht). In die zin sta ik graag op de rem. Die anciënniteit-regel is al bij al zo slecht nog niet.’

‘Een opinieschrijver die ik met plezier lees en die gerust zou mogen bloggen is Joël De Ceulaer. Hij zal nooit het aura van een senior writer hebben, daarvoor is hij veel te veel een kwajongen. Maar De Ceulaer kan je verrassen en je zowel langs links als langs rechts inhalen.’

‘Er zijn veel mensen die op Facebook schrijven waarvan ik denk dat ze een blog zouden mogen hebben. Pierre Plum bijvoorbeeld las en lees ik steeds met groot genoegen. Zijn langere stukken van vroeger waren fantastisch.’

‘Wie ik ook graag lees is de districtsburgemeester van Antwerpen… Paul Cordy. Ah, hebben jullie nog samen gestudeerd? Zijn stukjes over geschiedenis zijn meestal zeer goed. Soms een beetje saai – soms iets te veel een geschiedenisles. Maar vaak ook heel onderhoudend en origineel.’

‘Geert Peersman in De Standaard over economie vond ik fantastisch. Helaas ontdekte ik hem pas net voor hij definitief stopte. Peersman hanteerde altijd de globale visie en pikte er niet zomaar een detail uit dat in zijn kraam paste. Hij argumenteerde glashelder. Je kon er geen speld tussen krijgen. En hij is gestopt om meer tijd vrij te maken voor fundamenteel onderzoek – waaruit blijkt dat hij ook echt hard aan zijn opiniebijdragen werkte en ze niet uit de losse pols schreef, blind vertrouwend op zijn vakmanschap.’

‘Iemand die van mij zeker een blog zou mogen beginnen is Eddy Daniëls. Hij is net als ik een gewezen Amada/PVDA-sympathisant. Ik heb hem een paar keer ontmoet op redactiedagen van Doorbraak. Zijn boek De open samenleving en haar nieuwe vijanden, van 2005 al, heeft me over een aantal zaken anders en vrijer doen denken.’ 

‘En verder ben ik van mening dat iedereen die er plezier aan beleeft een blog moet beginnen.’

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

‘In de eerste plaats moet het minstens redelijk goed geschreven zijn. Je moet je best doen. Er zijn mensen die het talent hebben om in één geut iets helder neer te schrijven. Maar als je dat talent ontbeert, moet je aan je teksten werken.’

‘Ten tweede moet het een beetje origineel zijn. Persoonlijk los ik dat op door een bepaalde kant van de zaak te belichten en niet de volledige zaak – want dan zou ik in algemeenheden verzinken.’

‘En dan heb ik graag dat het goed geargumenteerd is. Ik zal je een negatief voorbeeld geven. Zo lees ik op Facebook met plezier de stukjes van Ton van Reen, een gepubliceerd auteur. Hij is bijzonder goed in het ophalen van jeugdherinneringen en kan lang uitweiden over een bepaalde lentedag toen hij zeven jaar oud was. In hoeverre het effectief herinneringen zijn of fantasie valt niet te achterhalen, maar het zijn prachtige stukjes. Soms schrijft hij echter ook een opiniërende tekst – bijvoorbeeld dat Godsdienst onzin is – en dan vind ik hem onredelijk. Onredelijk is niet het juiste woord. Dan ontbreekt het hem aan genuanceerde argumentatie… Nochtans ben ik jaloers op de manier waarop hij het formuleert – want zonder nuance schrijven kan ook een voordeel zijn. Want het gebeurt dat ikzelf me in nuance verlies. Van Reens opiniestukken zijn zeer vloeiend geschreven en toch ontgoochelt mij het gebrek aan originele argumenten.’

‘Kortom: ik heb graag een combinatie van die drie factoren: Dat het redelijk geschreven is, met een originele invalshoek en goed geargumenteerd. Tenminste: als het over opiniërende blogs gaat. Je hebt natuurlijk ook de verhalende blogs, zoals die van jou, maar dan hou ik ervan dat ze een beetje geestig zijn. En je hebt de poëtische blogs die goed vertegenwoordigd zijn op Aanlegplaats. Het zijn bijna gedichten die in woorden een bepaald moment of gevoel proberen te vatten.’

‘In jullie haven staat ook de blog Het ongerijmde van Tom Wouters, die jij ooit de Franz Kafka van Grobbendonk hebt genoemd. Tom Wouters…’ en hier spreidde Philippe zijn handen hemelwaarts, ‘…is wereldklasse.’

‘Humor in een blog: daar ben ik voor. Bij mij heeft humor te maken met ironie. Ik denk dat je me ooit een homo ironicus hebt genoemd. Toch weet ik niet of ik het echt van mezelf heb. Waarschijnlijk is het deels een reactie op mijn dogmatisch kantje. Het feit alleen dat ik indertijd in het Marxisme en de PVDA ben gestapt – en dan vooral dat ik er zo lang in ben blijven hangen – want op je zeventiende communist zijn is niet zo bijzonder. Je had de tijdsgeest mee; het was in de mode; iedereen was het, behalve de mooie meisjes want die zaten bij de trotskisten. Maar het feit dat ik er zo lang ben bij gebleven wijst enerzijds op mijn partizaan karakter en mijn zin om strijd te voeren en anderzijds op mijn dogmatische aanleg. En dan vraag ik me af of mijn ironie en mijn scepticisme niet deels een reactie daarop zijn en dat die ironie en het scepticisme daarna gevoed zijn geworden door mijn ontdekking van Karel van het Reve.’

‘Nog een koffietje, Jo?’

Opnieuw hanteerde Philippe zijn door mindere barista’s afgunstig bekeken systeem en na nauwelijks acht minuten was de koffie klaar. Twee springerige geesten genoten van het uitzicht en wisselden wijsheden van Karel van het Reve uit en de tijd stroomde nog sneller voorbij dan het water naar de Noordzee. 

De zoektocht naar een sterke man (vangst #154)

Ik heb een zwak voor schrijvers met een uitnodigende stijl en daarom weet de pen van Jan Devriese, waarin echo’s van Godfried Bomans weerklinken, me telkens opnieuw te verleiden. Zijn stukje over de herinnering aan een witte kerst in een ver verleden toen Lotte Lambert nog de aanvalsleider van Club Brugge was, is echt vintage Bomans – pardon Devriese. Meesterlijk hoe de Brugse Haarlemmer hier humor, melancholie en milde maatschappijkritiek moeiteloos in elkaar verweeft. Bij het lezen van de slotzin schoot ik zelfs luidop in de lach.

Dennis Pauwels is geen veelschrijver, maar de brieven die hij in zijn onvolprezen blog Brieven aan mijn zoon tot zijn jonge zoon richt raken me. Zijn niet van ironie gespeende zelfkritiek is even hard als het neonlicht in een operatiezaal. Hij weet met kleine toetsen een groot emotioneel canvas te bespelen. In het verhaal Dat lichaam schrijft Dennis over zijn deelname aan het programma Stukken van mensen en over de verkoop van zijn Banksy en over hoe de buitenwereld en vooral zijn verre vrienden en vage kennissen van vroeger zijn uitdijende lichaam zullen ervaren. The Whale in Mechelen. Met een door AI gegenereerd zelfportret om het te bewijzen.

Al vanaf haar eerste blogverhaal keek ik uit naar het grote debuut van Julie Cafmeyer. Het wachten duurde meer dan tien jaar maar in de loop van 2024 verschijnt dan eindelijk haar roman De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer. In haar column met de al even heerlijke titel Tekens van luiheid viert Julie het recht op nietsdoen en wacht ze, samen met haar Russische onderbuurvrouw wiens echtgenoot ervandoor ging met een putana uit Moskou, op de komst van een slotenmaker. Of – bij gebrek aan slotenmaker – op de komst van een sterke man.

‘Bovendien vroor het steevast dat het kraakte en strompelden we al na enkele meters met een bevroren snotkegel van wel tien centimeter uit onze neus naar school. Daar moesten we dan eerst een halfuur ontdooien bij een chauffage die ofwel niet werkte ofwel kokend heet was, vooraleer we les kregen over Afrika, waar de arme zwartjes op het zilverpapier van onze chocoladerepen zaten te wachten. We snapten er niks van: chocolade was toch slecht voor onze tanden?’

Uit: Koortje van Jan Devriese

‘De opnames voor de uitzending werden een jaar eerder al gemaakt. Ik was nog niet lang uiteen, had grote financiële zorgen, een lichaam dat nooit eerder zwaarder was geweest en ik had bovendien te veel spullen op zolder om een gewone verzamelaar te zijn. De Banksy was een easy fix. Hij moest plaats maken voor geld en daar zou de TV bij helpen.’

Uit: Dat lichaam van Dennis Pauwels

‘Over het algemeen ontvang ik liever geen bezoek omdat het hier niet is opgeruimd. Ik ben onder de indruk van mijn rommel, alles ligt hier precies hoe ik het wil, mijn wanorde.’

Uit: Tekens van luiheid van Julie Cafmeyer

Weg. Of terug. (vangst #153)

Schrijvers, zo is algemeen geweten, schrijven om hun diepste angsten op afstand te houden en – dat is het gekke eraan – ze tegelijkertijd heel dichtbij te halen. Voortdurend steken ze het hoofd door de tralies van de leeuwenkooi, pen in de aanslag.

Soms keren ze daarvan terug, zoals Ivo Victoria in een werkelijk hemels stuk beschrijft, soms maken ze de angst klein door andere, nog grotere angsten op te roepen, zoals Rein Hannink in een godverlaten grot. En soms, het is niet anders, zien ze het onder ogen: ‘Tsja, wat zal ik zeggen. Ik zal er toch een keer mee moeten ophouden.’ zo legt Ingrid Van der Graaf Remco Campert in de mond.

Want het is de angst voor de dood, die tegelijkertijd – schrijvers koesteren nu eenmaal hun innerlijke tegenstrijdigheden – de angst voor het leven is.

‘Ik was zo dichtbij mijn onderwerp gekomen als maar kon, en nu stond ik daar te staan, en te kijken, en me in te beelden hoe hij daar stond en keek, en er gebeurde niets, en gek genoeg was dat prima. Er kwam geen quasi-diepzinnige platitude in me op die van pas kon komen op een literair avondje. Geen slimmig thema om bezopen te debiteren in een halflege kroeg ten behoeve van een eenzame kunstschilder. Er gebeurde niets.‘

uit: Terug van Ivo Victoria

‘Nu ontdekken ze een passage naar het droge stelsel. Ze vinden voetafdrukken. En stuiten op Peters lichaam. Hij blijkt… verhongerd. Zijn fles bevat voldoende zuurstof voor de duik terug, maar dan had hij de kabel moeten vinden. Dat risico heeft hij kennelijk niet aangedurfd. In nauwe passages worden sporen van hem aangetroffen. In een grotwand is zijn afscheid aan loved ones gekrast. Drie weken heeft Peter het uitgehouden. In complete duisternis. Omringd door geesten van de oermens.‘

uit: Duiken in je diepste angst van Rein Hannink

‘Er stond een tafel bedekt met een kleed waarop een enorme hoeveelheid boeken en manuscripten. Daartussen zag ik de dichter. Achter een typemachine. Hij was gekleed in een kamerjas met goudglans, zijn haren zorgvuldig over zijn schedel gedrapeerd. Ik wilde hem vragen of schrijven zijn levenselixer was en of het dan wel verantwoord is ermee te stoppen. Maar ik durfde niet. Zelfs in dromen kan domme bescheidenheid mij parten spelen. Wel dorst ik zwijgend een bundel papieren, wat een manuscript leek, van een hoek van de tafel te pakken. Er stond geen woord in.

uit: Steeds meer wit op Werk in Uitvoering

Met de hand gemaakt (vangst #152)

Dat wij geen machines zijn met radartjes, plastieken draden en een blinkend moederbord- al gaan steeds meer lieden dat geloven- maar dat wij daarentegen uit vlees en bloed en zweet en tranen bestaan, dat vertellen de volgende dames. Knappe dames die weten dat we nog uit vlees en bloed en zweet en tranen bestaan en zich wagen aan een niet voorgekauwd of berekend prakje tekst.

Margot ten Caat getuigt over menselijk ongezond doen, een gezonde verademing nu iedereen aan intermittent fasting doet, havermelk drinkt à volonté en avocado-olie in z’n slaatjes mengt. Ruth Lasters deelt een tip voor leerkrachten waar ook de rest wat aan heeft: kijk elkaar eens om de beurt diep in de ogen. Je hoeft niet alleen met je chromebook of de koffiemachine te praten (Margot en Ruth zijn nieuw in onze haven!) Ten slotte licht Katrin Van de Velde een tipje van de sluier op van impressies die alles behalve machinaal aandoen. Integendeel: ze getuigen van lekker kwetsbaar mens zijn (Katrin is daarentegen een echte ancien).

‘Sinds 23-jarige zoon Max klaar is met chemo, kiwi’s eet en groene thee drinkt,      HIJGT HIJ…… IN MIJN NEK                          “toe, moedertje rook niet zoveel.”                                   “toe, moedertje drink niet zoveel.‘

(n.v.d.r.: en nu komt er iets spannends)

uit: Kiwi en Co van Springvlo

‘Als je elke leerling eerst indringend in de ogen kijkt, confronteer je jongeren met je eigen mens-zijn. Dat lijkt misschien overbodig, maar is het helaas niet in drukke groepen. Het is soms essentieel om even te benadrukken dat er geen robot voor de klas staat, maar een menselijk wezen dat respect nodig heeft om te kunnen werken.‘

uit: DE KLAS AANZETTEN: klasmanagementstechniek van buiten het boekje

van Mevrouw u staat voor het bord

‘Ik liep op een gekwetste straat. Diepe snijwonden, met bloed nog aan de randen. Deze weg begreep ik niet.

Hij is al de hele dag weg en stil en ik denk aan hoe hij misschien dood is, nu, en ik vanaf nu alleen verder moet. Hoe niemand er voor me zal zijn, zoals er nog nooit iemand voor me was toen het erop aankwam.

Maar dan rijdt zijn auto gewoon de oprit op, en krijg ik uitstel. Hoef ik, tenminste de rest van de avond, niet meer te denken aan het onvermijdelijke.

Het bibliotheekboek met spookverhalen van Jeanette Winterson ruikt naar wierook.‘

uit: Donderdag, 30 november 2023 van In caso di nebbia

Drie Nederlandse Belgen schrijven een blog (vangst #151)

Belgen die in Nederland wonen en Nederlanders die in België wonen: onze haven (en redactie) ligt er vol mee. Blijkbaar is het een beweging die veel blogdrang met zich meebrengt. Goed voor ons!

Deze week laven we ons aan proza en poëzie van drie mannelijke Nederlandse inwijkelingen, te beginnen bij de octrooihouder, Marc Reugebrink. Na het verschijnen van zijn derde dichtbundel krijgt hij een paginagroot artikel in de regionale Twentse krant Tubantia: “Ik ben geneigd om te roepen: ‘Dat ik dáár in mag staan!’ Het lijkt me belangrijker dan een interview in wat dan de grote kranten heten te zijn.” Dan die andere ex-Twentenaar Rob van Essen, sinds vorig jaar eindelijk ook officieel een volledige inwijkeling. Hij gaat naar een tentoonstelling van de kunstenaar achter een poster die al sinds 1978 in zijn leefruimtes hangt – om er daar achter te komen dat hij hem helemaal niet goed vindt: “Ik ging niet alleen naar de tentoonstelling om die poster te zien, maar ook om hem extra waarde te geven, meer betekenis, en nu dreigde het omgekeerde te gebeuren.” Gelukkig zorgen de suppoosten voor artistieke meerwaarde. Tenslotte René van Densen, Tilburger turned Gentenaar: vorige week sprak hij op zijn blog nog de wens uit ‘dat mijn woorden me weer aanspreken’ om deze week zijn neus in een kat te steken en er een prachtig gedicht over te schrijven. Houdoe en bedankt!

Tubantia roept een wereld op die, juist omdat zij verdwenen is, me op de een of andere manier veiliger lijkt dan het heden. ‘Nooit. Meer. Veilig’, zo zeg ik in het interview. Ik moet het met veel nadruk gezegd hebben in café Merino op het Gentbruggeplein. Ik herinner me dat niet. Het was een gemoedelijk gesprek. Maar ik herken het wel. En misschien is het niet eens een ‘veilige wereld’ die wordt opgeroepen, maar gewoonweg een wereld waarin iedereen er nog was. En Tubantia het venster op de wereld.

Tubantia en melancholie op De Inwijkeling

Een zaal eerder stond een oude, gezette suppoost die een beetje op Ad van Liempt leek vlak naast een jonge vrouwelijke medewerker van het museum, hij wees haar dingen aan op een groot zwart schilderij met een bobbel, kijk, dat vlekje rechtsboven is een giraf, ziet u, en daaronder, dat is eerder een krokodil. Als ik die vrouw was geweest had ik gedacht: u staat iets te dicht bij me; en misschien dacht ze dat ook wel. De man zal ondertussen hebben gedacht: dat is een prettig strak truitje wat ze aanheeft; en misschien dacht ik dat ook wel.

op zoek naar mijn poster in bozar op Reddend zwemmen

Halfgesloten gifgroene blik
Want stop nu eens
met strelen, ze heeft haar
slaap zo hard nodig

Ik steek ook mijn
neus erin, genoeg plek
voor twee om zich wat
van de wereld te verstoppen

Ze laat me maar begaan,
spint zachtjes; zo heel
irritant vond ze het stiekem
toch ook weer niet

Vacht op René van Densen

De vangst van Virginie Platteau (#vangst 150)

Geïnspireerd op de foto bij de expo van Bill Viola. De ‘blauwe’man die zich als in een spiegel in het wateroppervlak onderdompelt en daar ahw de ‘rode’ man ontmoet – een beetje symbolisch voor wat een blog kan zijn, vind ik.

Ik heb al heel lang veel bewondering en waardering voor het werk van Kristien Bonneure. Met haar deel ik een grote liefde voor en koestering van stilte in alle facetten. Zij is in haar schrijven en haar werk zo trefzeker, zo productief, veelzijdig, inzichtelijk, kwetsbaar, discreet en no-nonsense. Altijd nieuwsgierig ook, ze legt verbanden en associaties die iets vertrouwds telkens anders belichten. Op haar blog Stil leven met en zonder woorden verzamelt ze haar stukken die ze voor VRT en Tertio schrijft. Het is een organisch geheel, met heel veel boeiende info over alle actuele spraakmakende expo’s en culturele evenementen, aangevuld met haar eigen ervaringen en beschouwingen over o.a. stilte en vertraging. Wanneer ze ons een glimp toont van de afgrondelijke diepte van verdriet in persoonlijke columns of poëtische stukjes, grijpen die aan vanwege de niet-sentimentele, zo levensechte en liefdevolle verwoording.

Dit is een stukje uit een reportage over de expo van Bill Viola in La Boverie Luik. Niet echt een typisch blogartikel, maar het treft me wel:

In ”The dreamers” drijven mensen in ondiep water, in “Ocean without a shore” zie je telkens opnieuw mannen en vrouwen verschijnen en verdwijnen onder een stortvloed van water. Als kind van vijf viel Bill Viola in het water. Hij werd door een oom gered. ” Ik zag daar de mooiste wereld ooit,” zei Viola later in een interview. “Een kleurig paradijs met wuivende planten. Ik zag dat het echte leven zich vaak onder de oppervlakte bevindt.”  Geboorte en dood, het mysterie van het leven: dat zijn de eeuwige thema’s van Bill Viola. Hij is gefascineerd door mystieke auteurs uit alle geloofsovertuigingen; samen met Kira woonde hij ook lange tijd in Japan en bestudeerde daar het boeddhisme. Kira leest voor uit het dagboek van haar man: “De basis van mijn werk is twijfel. Niet-weten. Vragen zonder antwoord. Daardoor kom ik nooit op mijn bestemming en dat betekent net bevrijding.”  

uit: Een trage diepe reis van Kristien Bonneure

Caro Van Thuyne is de meest onzichtbare maar met haar werk sterk in de kijker lopende Vlaamse vrouwelijke auteur van de laatste jaren. In 2023 leverde ze Bloedzang af, een zinnelijk, doorleefd moederboek dat diep graaft in lichamelijkheid, vrouw zijn, rouw en taal. Maar stiekem hou ik eigenlijk meer van haar liefde voor al wat leeft en haar natuurobservaties, die ze ook samenbracht in Hier begint de natuur. In haar blog Het kleine kijken doet ze precies dat: goed kijken, en daar geheel eigenzinnig verslag van doen. Net zoals in dit fragment uit Kerstdicht:

het onvriendelijkste dat ik
op mijn wandeling zag
was dat grote villadak
met huismussenpannen gierzwaluwpannen dakpannen met
vogelherbergen en
in elke vogelvide was zo’n plastic bladvanger
zo’n boldraadrooster dat de bladval
in je dakgoot uit je regenpijp houdt
was zo’n plastic bladvanger gewrongen
iemand was speciaal dat dak op geklommen
om met misbruik van middelen
elke vogelherberg te sluiten

uit: Kerstdicht van Caro Van Thuyne

Ivo Victoria is intussen zowat een Amsterdammer in hart en nieren, vermoed ik. Met een unieke stem in zijn proza, als columnist voor o.a. een grootbank of maatschappijkritisch in De Morgen, over familievakanties in Bretagne en opgroeiende dochters, zijn stukken zijn altijd lezenswaardig en nooit vrijblijvend. Ik schrok wel wat bij onderstaand blogbericht. Gaat het goed met je, intussen, Ivo? Of gaat Een schitterend verval bijna in druk?

Naast mij zat mijn vrouw onverstoorbaar te lezen op haar telefoon. Een artikel over artificiële intelligentie, zei ze. Mijn vrouw weet, beroepsmatig, akelig veel over AI. Wanneer ik haar bij het ontbijt op het zoveelste verontwaardigde opiniestuk terzake wijs van de een of andere collega-schrijver of kunstenaar, die de unieke onvoorspelbaarheid van het creatieve brein en de menselijke verbeelding bezingt, heeft mijn vrouw meestal niet veel meer nodig dan de tijd die het kost om een boterham te smeren om haarfijn uit te leggen hoe volstrekt kansloos de strijd tegen de eigen onvervangbaarheid precies is, zonder daar ook maar een moment genoegen in te scheppen. Mijn vrouw, lieve lezer, bestaat uit niets dan pure goedheid, en is hoogst zelden op leedvermaak of cynisme te betrappen. Ik ken niemand die zo oprecht is als zij, en daarom wist ik dat de ironie van de situatie haar ook nu volledig ontging, en het niets meer dan een objectieve, waardevrije nieuwsgierigheid betrof die ertoe leidde dat ze in de wachtkamer van de neuroloog, wachtend op de uitslag van de hersenscan van haar man, zat te lezen hoe diens brein op termijn eenvoudigweg vervangen zou kunnen worden door een stukje zelfredzame technologie, en ik vrees dat dat dit ook precies de reden is waarom ik van haar hou.

uit: Een schitterend verval van Ivo Victoria

Virginie Platteau, het interview

foto: Luc Gordts

2 januari 2024, rust? Drukdrukdruk-statussen van roodaangelopen dikbuikooms sterven weg. Ook: het gepoch van hooghartige nichten. Het gekwebbel der tantes, ze plamuren elke pauze. Vetes, erfeniskwesties, bokshandschoenen als dooie mussen door de ruimte, gekrakeel, familiale veldslagen, vuurwerk en afgerukte oorlellen, bange huilhonden, sirenes. Alles dooft uit tot hopelijk een jaar van rust en verfijning. Heeft de wereld daar misschien niet een beetje van nodig? Oma’s kabbelsaus vloeit gedwee weg in de gootsteen. De kraan drupt. De kater wordt dragelijk. Paracetamol treedt eindelijk in werking.

In elk geval luiden we 2024 halfgewonnen in. We hadden de eer om een Specialist van de Stilte te vragen. Germaniste en cultuurjournaliste Virginie Platteau heeft een liefde voor taal en kunst.  Als summum daarvan kan ze niet zwijgen over stilte. Stilte waarin zich mogelijkheden ontvouwen, waar creatie begint. Stilte en ruimte waarvoor wij vaak bang zijn, met onze volproppende en praatzieke neigingen.

Virginie Platteau is zich van overprikkeling bewust, van het opvullen van elke vrije en wilde ruimte. Ze brengt rust met haar wijde boodschap. Recent publiceerde ze ‘Hoe luidt de stilte? Een kleine filosofie van de stilte.’ Bij uitgeverij Letterwerk. In 2021-2022 was ze co-curator van het Mechelse stadsfestival Zinderende Stilte.

Jarenlang gaf ze Engels en Nederlands. Ze is redactielid bij literair tijdschrift Deus ex Machina en columniste en recensente voor Tertio. Als freelance cultuurjournaliste schrijft ze geregeld voor Poëziekrant, De Lage Landen, Rekto:Verso en De Standaard. Ze is docente aan de opleiding journalistiek van Arteveldehogeschool. Ook geeft ze workshops, lezingen en masterclasses aan mensen van 4 tot 103 jaar.

Wie luistert naar de stilte, hoort veel.

Stilte, dat gebied waar dromen en ideeën ontstaan. Als dat geen aanleiding is om Virginie Platteau te vragen naar haar visie over blogs, de dromen en ideeën die groeien in de virtuele stille wilde ruimte…

Een blog. Waarom heb je er zelf (g)een?

‘Blog’ heb ik altijd een lelijk woord maar een boeiend fenomeen gevonden. Een eigen plek op internet als digitaal dagboek, persoonlijk archief en collage, kroniek van een innerlijk leven. Het zijn geen cursiefjes (bestaat dat woord nog?) en ook geen columns, er zit een grote vrijheid en gedurfde intimiteit achter elk blogbericht. Een blog ontdekken voelt soms als een mengeling van huisvredebreuk en tegelijk thuiskomen en nieuwsgierig rondneuzen in andermans universum. Zelf heb ik geen blog, al heb ik er wel een gehad die ergens nog in de WordPress-kelders zit maar nooit online is gegaan. Ik ben ermee begonnen uit liefde voor taal, een zekere droefenis om de teloorgang van het Nederlands. Al weet ik best dat taal evolueert en dat verandering op dit vlak niet noodzakelijk achteruitgang betekent. Het gaat om meer dan de groeiende invloed van het Engels op het Nederlands. Toch zocht ik een uitlaatklepje voor dit gevoel. Op Facebook zijn er wel groepen als de Sociëteit ter bevordering van het archaïsch taalgebruik e.d. maar daar haalt de joligheid het toch van de informatie. Voor bijdragen aan Onze Taal achtte ik mijn stukjes dan weer te weinig onderbouwd. Leve de blog, dus. Al heb ik er na vijf bijdragen de brui aan gegeven. Eén afleveringetje, over het verdwijnen van de partitieve genitief, staat me nog helder bij en daar blijf ik ook in het dagelijks leven onwillekeurig voor strijden. Je hebt niet iets klein gegeten, maar iets kleinS (huh?), je hebt niet iets nieuw aan maar iets nieuwS. Etc. Ik moest het van me afschrijven, maar had al snel het gevoel als een kantieke schoolmeester/juf te drammen of gezocht geestig te willen doen. Daarbij kwam de vraag op die elke blogger zich niet en elke onderzoeksjournalist zich zeker wel moet stellen: cui bono? Of in hedendaags Nederlands: who cares? Wie leest dit, wie heeft hier iets aan, waarom schrijf ik dit? Die vraag heb ik intussen losgelaten, net als de blog zelf.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?

Ik ben erg blij dat Jan Ducheyne (opnieuw?) een blog is begonnen. Zijn bijdragen op Facebook zijn vaak lang, persoonlijk, geven een inkijk in zijn hoofd en leven en hebben tegelijk een veel bredere spanwijdte omdat er actualiteiten/ fenomenen/ erger-nissen/verdrieten/vreugdes… in aan bod komen die herkenbaar zijn en ons allen treffen. En vooral: de verwoording daarvan gaat geheel vanzelf, zo lijkt het althans. De blog lijkt voor de sprekende ezel/poëzielijsttrekker/selecteur DJ/vader en hoe of als wat Ducheyne zich ook vloeiend identificeert, een perfecte neerslag en samenvatting.

Het zou ook fijn zijn mocht dichteres Sarah Wagemans haar gedichten, observaties, rants en foto’s samenbrengen op een blog. Dat zou een erg mooie en verrassende webstek zijn, denk ik. Al deelt ze nu ook al veel op de verschillende sociale media, en ze moet uiteraard vooral doen wat ze zelf graag doet.  

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

De blogs die ik het liefste lees en waar ik ook het vaakst naar terugkom, hebben die sterke combinatie van inhoud en persoonlijke beschouwing. Liefst in een stijl die eigen is en zich weinig aantrekt van een potentieel leespubliek. Ik zit heel veel op tuin- en permacultuurblogs en ook daar kan ik geweldig genieten van die combinatie. Je komt veel nieuws en praktische tips te weten, ‘gecureerde informatie’ zeg maar, dankzij de ervaring van iemand anders en diens persoonlijk wedervaren. Ik kon wat dat – in ruime zin – betreft ook zeer genieten van Het jaar van de tuinier van Karel Capek, een heerlijke unplugged tuinblog avant-la-lettre is dat.

Na verloop van tijd heb je het gevoel dat je sommige bloggers ‘kent’, misschien zelfs beter dan bepaalde collega’s of kennissen die je vaak in het echt ziet. Dat geldt in het bijzonder voor blogs die cultuur-, lees-, film- of muziektips delen vanuit die persoonlijke appreciatie. Zeker wanneer daaruit een draadje wordt gesponnen dat net iets verder reikt, daar kan ik echt blij van worden. Dat had ik sterk bij twee bloggers die ons in het afgelopen jaar ontvallen zijn, Hoochiekoochie van Martin Pulaski en Sjongesjonge van Mark Verstraelen, die ik ook persoonlijk kende als boekhandelaar in Mechelen. Benieuwd wat zij van aan de Overkant zouden bloggen…

Op het gevaar van meligheid af, maar rond de jaarwisseling kan dat geen kwaad: bij goeie blogs heb ik soms echt een gevoel van connectie, verbinding. ‘We read to know we’re not alone’ zegt C.S. Lewis in Shadowlands. Dat geldt ook voor blogs.

Sylvie Marie

En kijk, ik denk nu terug aan hoe ik aan de kinderen in Colombia mijn boomgedicht voorlas. Ik zei hen: ‘Waar ik vandaan kom, staan er niet zoveel bomen als hier, dus schreef ik een gedicht waarin ik er zelf één ben.’ Met ingehouden adem luisterden ze naar mij, en dan naar Luna. Achteraf kwam een kind me zeggen dat ze heel goed wist welke boom ik bedoelde. Hij stond daar vlakbij, in de tuin.

Dichter Sylvie Marie vertelt in haar anekdotums (anekdota?) over het leven, en de zoektocht naar betekenis in de kleine dingen die bij nader inzien heel groot blijken. De liefde, en hoe je die ziet in slaaphoudingen, bijvoorbeeld. Of het verband tussen de kleuren rood en groen, en gothic.

Heerlijke miniaturen zijn het.

Rein Hannik

De Heer haalde opgelucht adem toen de ziel vol vertrouwen was afgedaald naar de foetus van Rein. Zelf trok hij zich terug in de Romance Room, alwaar schaars geklede engelen alleszins bereid waren een wit voetje te halen bij de Almachtige, die de camera pakte om nog wat stockfoto’s te schieten – voor de lente-brochure van het hiernamaals uiteraard. 

In elk stuk van Rein Hannik vind je wel een paragraaf als deze. Of minstens een zin of twee.

Voorbeelden? Ik voelde me een kanaalzwemmer, watertrappelend in een visglas. Of: Probleem met ouders en kinderen is, is dat ze per definitie van een andere generatie zijn.

Werk in uitvoering

Zo erg was het met ons nog niet gesteld dus bleven we nog een nacht en vertrokken pas toen we geen droge onderbroek meer in onze bagage vonden. Op de derde zonloze ochtend stouwden we het lelijk eendje vol met onze spullen en vingen met vele gedachten in het hoofd de terugtocht aan. We gingen naar huis om de kou en de regen en het ontbreken van die wollen muts. Want echt, zeiden we tegen elkaar, als we ons hoofd warm hadden kunnen houden gedurende de koude nachten dan waren we gebleven.

Ingrid van der Graaf schrijft over boeken alsof het vrienden zijn die deel uitmaken van haar leven (zoals Malacqua van Nicola Pugliese in het citaat hierboven) en over al die andere dingen die het leven bijzonder maken.

Wij houden ervan literatuur en leven zo innig met elkaar verbonden te zien.