Maarten Inghels, het interview

Eerder op de dag verkocht Maarten Inghels nog vruchteloos letterballonnen op de Antwerpse Meir voor een fotoshoot met de Nederlands krant FD. Wij hadden niets in de aanbieding en hadden gewoon afgesproken aan zijn atelier in de Wilde Zee. Maar niet zonder eerst nog langs de Groenplaats te passeren om een symbolische minuut mee een rode lijn trekken.

Op de weg terug lijken alle passanten hem te kennen.

“Dat is toeval,” zegt hij, “vrienden gebruiken mijn atelier gemakkelijk als afspreekpunt.”

Maar zo toevallig is het natuurlijk niet. Want Maarten Inghels is the hardest working man in cultuurland. Zijn roman Hannibal en Gideon ligt nog niet zo lang in de boekwinkel, hij is huiskunstenaar van het nieuwe Mercatormuseum in Sint-Niklaas, festivaldenker bij STROOM, liet onlangs nog reuzenvoetsporen na in Antwerpen en verkocht beeldend werk op Art Rotterdam. En later deze avond zwaait hij mee een verse lichting schrijvers van de SchrijversAcademie uit.

En dan ligt er, ongeveer op de plek in het atelier waar vroeger een loopband van BasicFit moet hebben gestaan, ook nog een Esselte mapje met daarin de eerste versie van zijn volgend boek. Een korte roman opnieuw, want na Het mirakel van België (over zijn relatie met een meesteroplichter) heeft hij niet direct meer de behoefte om dikke kleppers te schrijven.

“Nee, die kortere afstand, dat lijkt om een of andere reden het formaat te zijn dat mij het best ligt nu,” zegt hij. “Ik bladerde onlangs nog eens door Het Beleg van Laken, van Walter van den Broeck, en ik moet zeggen dat het verteltempo en de spanningsboog toen (1985) toch anders waren dan nu. Er was gewoon meer tijd, lijkt het. Meer bladzijden. En dat is niet alleen iets van de literatuur. Vroeger keken we films, daarna series, toen kwamen de mini series en nu is er TikTok.”

“Dat ik kortere boeken ben gaan schrijven heeft niet noodzakelijk met de aandachtspanne van de lezer te maken, dan wel met mijn beeldend werk, dat steeds meer plek inneemt in mijn leven en agenda. Mensen kopen mijn sculpturen of tekeningen omdat het beeld hen aanstaat. Dat is instant, een coup de foudre vaak. Het heeft me een beetje verbaasd, maar mensen die dat kopen zijn vaak onwetend over mijn literaire oeuvre. Het zijn bijna gescheiden werelden, elk met een eigen publiek, en een heel andere marktwerking.”

“Een blog past misschien wel goed bij die snelheid, dat korte, maar als ik nu al haast geen tijd heb om de tweede versie van dat nieuwe boek te schrijven, wanneer zou ik dan aan die blog werken?”

“Maar ik heb dus wel een blog gehad. Ik moet zestien of zo zijn geweest, en ik plaatste er gedichten op. Ik was toen volop de literaire wereld aan het ontdekken, maakte deel uit van de Kunstbende, bracht mijn gedichten op vrije podia … vastbesloten om ooit een boek te publiceren.”

“De blog hoorde bij dat traject. Het was een manier om mezelf in de wereld te zetten, en dat werkte. Ik volgde ook nauwgezet sites als De Contrabas of Meander. Daar ging je dan mee in discussie, en zo verzamelde ik lezers, denk ik. Samen met literaire tijdschriften was de blog een manier om je stem te laten horen. Dat is het nu allicht nog. Blogs zijn heel geschikt als experimenteerplek en als visitekaartje.”

“Ik volg nog wel een paar dingen, op Instagram of via Substack nieuwsbrieven. De flemish review de la poesie bijvoorbeeld, met essays, poëzie en een uitgebreide literaire agenda. Of de columns van Thomas Heerma van Voss in de Lage Landen, daar ben ik echt fan van.”

“Las je Het archief? De manier waarop Thomas daar de literaire wereld te kijk zet, daar houd ik van. Die zelfrelativering en kritiek op het literaire bedrijf heb ik ook geïncorporeerd in Het mirakel van België. Ik zie Thomas wel eens, hij zit ook bij DasMag, en elke keer dat ik daar een grap maak vrees ik achteraf een personage in een van zijn volgende columns te worden.”

“Wat ik zeker zou volgen zijn blogs van mijn favoriete niet Nederlandstalige schrijvers. Roberto Bolaño als eerste, ook al is die dood. W.G. Sebald. Valeria Luiselli, omwille van haar scherpe inzichten, Kate Zambreno, Alejandro Zambra, Emmanuel Carrère, en op de allereerste plaats: Enrique Vila-Matas. Dat is een beetje vals, want die heeft een blog, maar dan in het Spaans, en dat kan ik niet lezen. Dus als iemand over hem, en die anderen, een goede blog zou willen beginnen, dan graag. Met vertalingen, weetjes, inspiratiebronnen… Dat Vila-Matas niet meer in het Nederlands wordt vertaald is trouwens een grote schande.”

“Wat die schrijvers allemaal gemeen hebben, is dat ze in hun werk vertrekken vanuit de werkelijkheid, en daar laagjes aan toevoegen. Beschouwend, maar ook persoonlijk. Carrère heeft zo bijvoorbeeld een biografie over Limonov, een Russische dissident – en best wel een omstreden figuur – en dat leven is de bron voor heel wat relevante vragen en bespiegelingen.”

“Vila-Matas doet dat ook. Brengt hij verslag van zijn leven in Parijs, waar hij als jonge schrijver een kamer huurde van Marguerite Duras, dan wordt dat ook een beschouwing over hoe het is om als schrijver een plek te zoeken in die literaire wereld, en brengt hij portretten van de schrijvers die hij daar in Parijs tegen het lijf loopt.”

“Korte stukjes, naast mekaar geplaatst, die samen betekenis krijgen, als een soort puzzel. Dat vind ik boeiend – en het is eigenlijk wat ik zelf ook wel probeer te doen – en, zo denk ik, uitermate geschikt voor een blog, met dan de kladjes en inzicht in hoe dat allemaal tot stand komt.”

“Het klinkt een beetje conceptueel, en dat is mijn werk ook, zonder dat het gewichtig wordt, want daar heb ik dan weer een hekel aan. Ik verkies ook niet literaire onderwerpen, en vindt deze foto hier (haalt even de ingekaderde versie ervan), met meesteroplichter Piet Van Haut in een jacuzzi met champagne en kaviaar – en Het mirakel van België in de handen – zo ongeveer het hoogste wat je als schrijver kan bereiken. Die foto stond paginabreed in Het Laatste Nieuws. Geweldig toch? Een literaire glitch in het systeem.”

“Dat hebben we ook met de prijzen. De Vincent van Meenenprijs en Maarten Inghels prijs zijn ondertussen de oudste literaire prijzen in het Nederlandse taalgebied. Ouder en groter dan de Boon en de Boekenbon samen. We werden dit jaar door verschillende organisaties gevraagd om de prijs alsjeblieft op hun event uit te komen reiken. Ik probeer er nu subsidies voor te krijgen (lacht). Moeten jullie bij Aanlegplaats misschien ook doen, een prijs.”

Soit. Je moet het allemaal niet te serieus nemen, de literaire wereld is ook maar een apenrots. Als het maar interessant is, en goed geschreven, dan zou ik het wel willen volgen. Blogs over een niche onderwerp, hoe absurd of serieus ook, maar dan uitgewerkt. Met encyclopedische ambities.”

“Dus die blog over Bolaño of Sebald? Heel welkom!”

“Het is dat ik er, samen met een paar anderen, al een boek over heb gemaakt, maar anders zou een verzameling posters van verloren huisdieren, met het verhaal achter de zoektocht, een ideale blog zijn. Het boek heet Gelieve in de kelder te kijken – Veuillez regarder dans la cave – Please look in the basement. Hier, je krijgt een exemplaar cadeau. Het is populair in Japan en Zuid-Korea. Daar zijn ze blijkbaar gek op dit soort dingen.”

De volgende afspraak wacht alweer op Maarten, en met het boek in de handen begeef ik me volstrekt anoniem tussen de shoppers en de toeristen. Affiches met verloren gewaande boeken, zou dat nog iets zijn, vraag ik me af. Of missende linkersokken. Grote kans dat Maarten dat al in een van zijn vele projecten heeft gedaan. Had hij ook al niet een vending machine met papieren vliegertjes, gemaakt uit niet verkochte exemplaren?

En wij bij Aanlegplaats moeten dringend nog iets doen met die kleine restvoorraad Kant & Wal #1 …?

Sturen is allès (vangst #227)

foto Juan Montes

Onze bloggers proberen in het echte leven ook vanalles. Beginnen met hardlopen (Ingrid van der Graaf). De uitgestalde rommel van buren observeren (Rene van Densen). Maar proberen, zo weet Vitalski, is niets. Sturen, dat is alles.

Wat ik mezelf zie doen: elke ochtend om vijf uur opstaan. Na een koude douche (Russen die zich elke ochtend in een ijskoud meer poedelen is een hardnekkig beeld in mijn hoofd), zie ik mezelf in passende sportkleding de trap af hupsen. Nog voor de krant in de bus ligt ga ik de deur uit. En dan lekker vlot de straat uitlopen, rennen liefst, verend op de bal van de voorvoet, soepel door de knieën.

Uit: Wat ik mezelf zie doen op Werk in uitvoering

Want straks, vanaf 8:00, zit je daar, voor je huis. Je woning. Met je hele hadden en niet meer houwen uitgestald. Je hebt zo je best gedaan. Op een prachtige gerenoveerde gevel. Een perfect bijpassende deur, in een fris verflaagje. Je loopt er altijd, misschien niet mega modieus, maar toch netjes bij. Haartjes keurig geknipt. De hele buurt weet, hier woont een keurig mens.

Uit: Rommelmarkt van Rene Van Densen

wél een beetje lui, maar dan om strategische redenen. de kracht van luiheid, een té moeilyke kunst. begryp dat wat er gedaan moét worden – dat dat effectief vanzélf ook gedaan zàl worden. zonder iets te pressen, dat pressen en dat pushen is contraproductief – al moet je natuurlyk wél aldoor sturen. dat wel, sturen is àlles.

Uit: State of being, 21 juni 2025 van Vitalski

ChatGPT: tussen lijden en misleiden (vangst #226)

Soms lijkt het alsof onze bloggers conversaties houden onderling.

Waar Ben de Graaf positief verrast wordt door de invoelendheid (en humor!) van ChatGPT, verklaart het hoofdpersonage uit Kotsen op Woensdag alvast dat we er bij hem niet mee af moeten komen. Maar wat als AI ons straks de kans niet meer geeft onszelf te vertrappelen? Gaan we dan iets zijn met de omgekeerde codetaal van de vissers in het IJmuiden van de negentiende eeuw, of het Smibanees van de hedendaagse Bijlmer, waar Marc Kregting ons een inkijkje in geeft? Nielk si ed snak.

Daarom: blijven praten, mannen!

Ik zeg: ‘Ik kan me voorstellen dat kwetsbare mensen met mentale problemen vergeten dat ze tegen een AI-tool praten en steeds meer persoonlijke informatie delen.’
ChatGPT: ‘Je raakt hier een belangrijk punt: als mensen persoonlijke informatie delen zonder te beseffen wat er met die informatie gebeurt, brengt dit risico’s met zich mee. De vraag is: wie is hier verantwoordelijk voor? De gebruiker? De makers van AI? Moet er een ingebouwde waarschuwing zijn? Jouw zorg is terecht.’
Ik verbaas me over het zelfkritisch vermogen van dit ‘digitaalmodel’. Ook zijn afsluiter is bijzonder vriendelijk: ‘Als je het hier nog eens over wilt hebben of feedback nodig hebt, laat het me weten. Ik denk graag met je mee.’

Uit: AI: Aardig & Intelligent op Ben Tekstschrijver

Gij en uw artificiële patronen moeten uit mijn buurt blijven, ja. De dag dat ik met die programmeertaal over mijn innerlijke demonen praat, ligt mijn schip in de woestijn. Gedaan met water, nog regen. Ik ben de prins van al wat vertrappeld is.

Uit: Kots nr. 230 op Kotsen op woensdag

‘Ik tav het niet’, citeert hij een van de vele uitdrukkingen die Professor Soortkill daar verzameld heeft. Mourigh situeert deze taal expliciet in een straatcultuur die hij ook aantreft in Almere waar een vork een korf kan heten. Het grijpt me aan. Wat is dat nu ineens? Zelf wist ik als kind slechts twee dingen. Dat ik D.V. 35 zou zijn in het jaar 2000 en dat ik achterstevoren Cram heette (uitgedokterd met mijn vrienden Bor en Snarf).

Uit: Van alles wat men u ooit leerde op De honingpot

Van de kikker en de kookpot (vangst #225)

Het is niet waar hè, dat verhaal van die kikker die blijft zitten in een kookpot als de temperatuur langzaam wordt opgedreven. In 1869 deed de Duitse wetenschapper Friedrich Goltz zo’n test met een kikker waar hij eerst de hersens had uitgehaald. Die bleef inderdaad zitten. Een gezonde kikker sprong er gewoon uit.

De onderdrukking van het kleine om de massa klein te houden. Misschien moeten we vandaag niet enkel beducht zijn voor het grote, voor autocraten, oligarchen, populisten, imperialisten, maar evengoed voor dat kleine. De amfibieën, de insecten, de schimmels, de gisten; wat is hun plan eigenlijk? Wanneer heeft iemand nog eens de moeite gedaan naar hen te luisteren?

Awel, onze bloggers. Deze week.

Terwijl Lennart Vanstaen in een niemandsland tussen jong en oud zichzelf in een kookpot steekt bij de lokale fitness, zien enkele rijpere bloggers betekenis in de verschijning van kleine dieren in hun leefruimte. Mark Nankman krijgt een kikker op bezoek, Jan-Paul van Spaendonck hoort een meikever landen op zijn kampeertafel.

‘Als het te warm is, kan je in de houten kast hiernaast aan die linkse knop draaien’ geeft hij nog mee, en hij gebruikt het puntje van zijn handdoek om het water uit zijn oren te krijgen. Deze mededeling, verpakt als praktische waarschuwing, siert hem. Dat hij terugkomt op zijn woorden en even in beschouwing neemt dat ik misschien helemaal niet hou van een te hete douche. Het zijn vaak de kleine dingen die iemand sieren. ‘Een douche kan niet warm genoeg zijn voor mij’, antwoord ik hem. We oefenen ons een halve minuut in smalltalk waarbij we elkaar aanmoedigen om koudere douches te nemen. En dat allemaal in ons nakie.

Uit: Oud / jong op Een aanhankelijkheid aan vergankelijkheid

Had het mijn gedrag vanuit die positie bestudeerd om het juiste moment in te schatten om mijn tuin te kunnen binnenwippen? Is een kikker überhaupt in staat tot dergelijke snode planningen? Kikkers kunnen springen, maar niet over schuttingen. Ze kunnen graven, maar mijn kikker had dan diep moeten gaan, minimaal twintig centimeter, vanwege de betonnen randen die overal onder de schuttingen liggen. Kortom: de intelligentie van mijn kikvors nam al peinzende allengs toe. Hoe hij in mijn tuin is weten te komen blijft vooralsnog een raadsel.

Uit: Tijd voor een beter vliegengordijn op Verwoede noten

Zo ongeveer stelde ik me mijn vaders meikevers voor, als levende helikopters in de blauwe lentelucht. Toen de tijd aanbrak dat ik droomde van een toekomst als bioloog (niet voor niets was het boek van Durrell over de bewoners en vooral de fauna van Korfoe me zo lief) keek ik elk voorjaar uit naar de mythische torren maar die waren net zo van de vergiftigde en vervuilde aardbodem verdwenen als destijds de ooievaar – een vooroorlogse prent uit een fauna waarbij stond zeer zeldzaam, of: ‘laatste exemplaar waargenomen in 1963’. 

Uit: Es gibt wieder Maikäfer op Voorheen rookzanger

De vangst van Melissa Giardina (vangst #224)

Deze vangst heeft Melissa Giardina niet zelf geschreven, maar is wél geïnspireerd door het gesprek dat ik met Melissa Giardina had in de Limerick in Gent. We hadden het o.m. over de onnavolgbare Tom Wouters die op zijn blog Het ongerijmde de werkelijkheid regelmatig een tango met zijn ongebreidelde fantasie laat dansen. Telkens opnieuw resulteert dat in een oogstrelende choreografie vol zinnen die de lezer de illusie schenken dat de zwaartekracht voor de duur van een verhaal is opgeheven.

Warm aanbevolen is de podcast van Wim Oosterlinck Drie boeken. Elke week belt Wim bij een lezer of lezeres aan en stelt telkens dezelfde vraag: wat zijn de drie bijzonderste boeken die je hebt gelezen? Elke aflevering is boeiend. Die met Vitalski was zelfs ronduit geniaal. Maar ook naar die met Melissa Giardina heb ik ademloos zitten luisteren. Ze prees, enigszins verrassend, Peter Verhelst, Sylvia Plath en Hugo Claus aan. En ze deed dat met een stem is die gemaakt is om audioboeken in te spreken.

De derde blog is Marjon werkt van redactielid Marjon Meijer. Wat hou ik van haar frisse, levendige pen en van haar manier om naar de wereld en vooral naar haar (dis)functioneren in de wereld te kijken. Telkens als ik de stukjes van Marjon aan mijn vrouw Jolanda voorlees schiet ze in de lach. Ook Melissa reageerde meteen enthousiast. En ik hoop van u hetzelfde. Ontdek Marjon Meijer – de Nora Ephron van Drenthe.

Oververmoeid was ik vaak, maar dat streefde ik na, omdat ik merkte dat het mijn schrijfkamer alleen maar grenzelozer maakte. Zeker na twaalven werkte dat goed. Dan was het altijd afwachten waar ik nu weer zou terechtkomen: in een koninkrijk dat Maspoerije heette en waar de vogels wel en de mensen niet konden praten, op de bergtop van een onbestaande berg van waaruit je zicht had op de voorraadkamer van komende beschavingen, in de oorschelp van een vrouw die niet van mij droomde.’ 

Uit Een pad bezaaid met kikkers van Tom Wouters

De literatuur heeft mij echt gered. Op het moment dat alles rondom mij aan het instorten was, waren boeken mijn enige zekerheid.’

Uit: Drie boeken, aflevering 237: Melissa Giardina van Wim Oosterlinck

Er zijn mensen die een bouwval binnenlopen en direct het potentieel zien. Muren eruit, nieuwe badkamer in, aanbouw, schuifpui, etcetera.

Ik loop een bouwval binnen en maak het me gemakkelijk. Fleurige lap over de rotzooi, sfeerlichtje aan en een zak pinda’s open.’

Uit: Potentieel van Marjon Meijer

Melissa Giardina, het interview

Het stond in de sterren geschreven dat ooit de dag zou aanbreken dat de twee grootse Geoff Dyer-fans van het koninkrijk België in het geheim in Gent zouden afspreken. In de koffiebar van boekhandel Limerick wachtte ik incognito op de komst van Melissa Giardina en al roerend door mijn koffie moest ik terugdenken aan de allereerste keer dat ik haar ontmoette. Het was op een boekpresentatie in dezelfde Limerick waar een honderdtal aanwezigen ernstig knikten tijdens de terechte lofbetuigingen die een debutante te beurt viel. Tussen de boekenrekken hadden twee mensen echter enkel oog voor elkaar. Melissa en schrijver Roderik Six. Zelden hoorde ik een passionele vlam harder knetteren dan tussen hen en ik dacht nog: het kan niet anders of zij worden zeer binnenkort een stel. En zo geschiedde. 

‘Ik ontmoette Roderik toen ik nog getrouwd was, en hij samen met Karl Ove Knausgård aan de toog zat van mijn café in Kortrijk. Jaren later, na de Gentse boekvoorstelling van Val, schreef hij als opdracht in mijn exemplaar: “Ik wens je veel donkere nachten vol macabere erotiek toe.” Ik vond het prachtig, hoewel mijn toenmalige vriend er minder gelukkig mee was. Enkele jaren later zag ik op Instagram een foto van een oudere man die trots de opdracht liet zien die Roderik voor hem had geschreven. Het was juist dezelfde zin! Maar ja: ook oudere mannen hebben recht op donkere nachten vol macabere erotiek.’

Alles aan Melissa straalt avontuur uit. Met haar donkere ogen en nog donkerdere krullen is zij de perfecte ambassadrice van duistere literatuur. En laat literatuur nu, naast Roderik, haar tweede grote passie zijn. Nadat ze vele jaren in boekenwinkels had gewerkt richtte ze Vindetta! op waarmee ze als een vis door talrijke literaire wateren zwemt. Melissa modereert literaire evenementen en interviewt schrijvers zo deskundig dat die het gevoel krijgen dat het toch zinvol was om zich jarenlang uit het leven terug te trekken.

Het moge duidelijk zijn dat ze een hart heeft voor literatuur, maar heeft ze zelf ook schrijfambities?

‘Ik heb iemand nodig die me pusht, die me een deadline geeft; ik ben de grootste uitsteller ter wereld. Daarom heb ik me ingeschreven voor het schrijfatelier bij Els Moors. Zij geeft geen specifieke opdrachten maar enkel feedback op waar je zelf aan schrijft. Al heb ik mezelf inmiddels ook weer uitgeschreven, omdat ik ook die kortverhalen maar bleef uitstellen door te veel werk voor Vindetta!…’

Deze persoonlijke belediging kon ik niet laten voorbijgaan: ‘Neen, Melissa, die grootste uitsteller, dat ben ik!’

’Het is al goed. Maar dan ben ik zonder concurrentie de tweede grootste uitsteller.’

Ook al was het al na elf uur en stroomt er Italiaans – pardon: Siciliaans – bloed door Melissa’s aderen, toch bestelden we twee cappuccino’s. 

Alvorens haar de klassieke Aanlegplaats-vragen voor te leggen, wilde ik echter nog weten hoe het was om de grote Geoff Dyer te spreken.

‘Het was een van mijn favoriete interviews ooit. Een geweldig gesprek met een uiterst boeiende man. Ik heb zoveel complimenten van hem gekregen over dat interview, dat heeft me toen echt deugd gedaan en wat meer zelfvertrouwen gegeven.’

Maar genoeg over Geoff.

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Ik was nog maar een tiener en werd vooral aangetrokken door het anonieme aspect ervan. Wat me intrigeerde was de mogelijkheid om teksten onder een andere naam online te smijten. De titel van mijn blog was How About Sylvia. Ondertussen heb ik alle verhalen en gedichten verwijderd, maar de blog zelf bestaat nog. Ik zocht naar een naam en uiteraard kwam ik bij mijn heldin Sylvia Plath uit. Ik vond het interessant om met teksten te experimenteren zonder dat ik deze meteen aan iemand moest laten lezen en zonder de druk te ervaren die publiceren onder je eigen naam met zich meebrengt.’

‘Anders dan de Engelse blognaam doet vermoeden, schreef ik in het Nederlands. Het was typische beginners-poëzie van een vijftienjarig meisje. Ik ben, maar hou het onder ons, geboren in 1986. De blog vulde ik met mijn gedichten die ik vooraf al in schriftjes had neergepend en zo stond er meteen van alles op. Het idee was om het dan aan te vullen met nieuwe teksten en mijn schrijven te laten evolueren. Achteraf bekeken vond ik dat de kracht in het onpersoonlijke lag, terwijl het net dat onpersoonlijke was dat me na een tijdje afstootte. Ik vond het té anoniem. Ik had het gevoel dat ik in de leegte aan het praten was. Het was ook niet zo dat ik per se reacties kreeg.’

‘Het was nog voor de tijd van sociale media en ik liet het enkel aan een paar vertrouwelingen weten. “Dit is mijn WordPress How About Sylvia. Ga maar eens kijken en zeg me wat je ervan vindt!” Maar natuurlijk was ik zo beschaamd dat ik het haast tegen niemand durfde te zeggen. Tegelijkertijd vond ik het stikvervelend dat geen mens het las. Een vicieuze cirkel.’

‘Ook als vijftienjarig meisje dweepte ik al met mijn Heilige Drievuldigheid: Hugo Claus, Sylvia Plath en Peter Verhelst. Ik leerde hen op jonge leeftijd kennen en ben hen trouw gebleven. Onlangs herlas ik voor de podcast Drie boeken van Wim Oosterlinck The Bell Jar van Sylvia Plath. Vooraf was ik een beetje bang om het opnieuw open te slaan, maar het boek bleef overeind. Je herleest de grote boeken uit je kanteljaren gewoon op een andere manier – afhankelijk van waar je zelf op dat moment in je leven staat. Ben je gelukkig? Ben je depressief? Ben je onzeker? Ben je angstig? Ben je blij? Als ik in een gelukkige periode een gedicht van Sylvia Plath lees komt het anders binnen dan wanneer ik overspoeld word door donkere gedachten. De gedichten van Sylvia Plath: dat is hoe ik zelf als tiener wilde schrijven. En nu nog steeds, eerlijk gezegd. Maar ik heb die hoop een beetje naast me neergelegd.’

‘Natuurlijk koketteerde ik als jong meisje graag met de schrijvers die ik las maar nauwelijks begreep. Met een boek van Nabokov of Dostojevski onder de arm op café gaan zitten in de hoop dat het de knapste kroeghelden zou opvallen. Als ik nu jonge gasten in een donker café met een cultklassieker aan de toog zie hangen word ik overvallen door een licht gevoel van heimwee naar die vervlogen tijd. Het is hartverwarmend om je eigen tienerjaren in de jeugd van tegenwoordig weerspiegeld te zien.’

‘Ik vind het een fantastische manier om via brieven of dagboeken schrijvers beter te leren kennen. Letters to Véra van Vladimir Nabokov blies me helemaal weg, omdat hij zelfs in de brieven aan zijn vrouw bewees een groot literator te zijn.’

‘Hoe ik zelf schreef? Ik probeerde me enigszins te spiegelen aan die groten en ik had een soort donkerte over mij die ik nu nog heb. Muzikanten als Nick Cave, Wovenhand, PJ Harvey, Patti Smith: ze passen allemaal wonderwel binnen mijn donkerzwart esthetisch gevoel. Ook in lezen en in schrijven trek ik toch altijd naar dat duistere, want binnen het zwaarmoedige voel ik me begrepen en op mijn gemak. Vaak word ik overrompeld door hoge hoogtes en diepe dalen. Daarom ga ik altijd op zoek naar kunst die mij omarmt. De boeken en muziek waar ik van hou geven mij een schouderklop en zeggen: “Wij weten het soms ook niet meer, Melissa. Je bent niet alleen.”’

De tijd van koffie was voorbij en we lieten de eerste glazen wijn van de middag aanrukken. 

‘Ik zeg nu wel ja op je opmerking dat lichtvoetigheid als tegengewicht tegen melancholie helpt, maar voor mij is humor in een duister boek absoluut niet nodig. Sowieso is humor literair gezien een zeer moeilijk genre. Toen ik nog in Het Paard van Troje werkte en klanten me naar tips voor grappige boeken vroegen, verwees ik hen altijd naar collega’s door. “Ik doe enkel depressieve, donkere boeken!” was mijn standaard antwoord. Ik heb het bij boeken minder nodig dat er humor moet inzitten om het te kunnen volhouden.’

‘Een van de laatste intrieste boeken dat ik regelmatig moest wegleggen was Committed: A Memoir of Finding Meaning in Madness van Suzanne Scanlon. Troost je, Jo, je bent niet de enige: bijna niemand kent het. Het gaat over een vrouw van zestig die terugkijkt op de tijd dat ze dertig was en in een psychiatrische instelling zat. Scanlon heeft het vanuit haar eigen ervaringen neergeschreven en doorspekt met echte herinneringen. Het kwam zo dichtbij omdat ik hetzelfde heb meegemaakt. Ik heb er altijd heel open over gepraat; ik vind het belangrijk voor lotgenoten, het mag geen taboe meer zijn om soms psychiatrische hulp te vragen. Na een destructief huwelijk met een alcoholist met losse handjes ben ik in een diepe put gevallen en heb ik me helemaal laten gaan en me gelaafd aan alcohol en andere verslavende kalmeringsmiddelen zodat ik weg was van deze wereld. Ik ben dertig geworden op een psychiatrische afdeling. Het was geen feest. Ziekenhuistaart? Neen dank u. (lacht).’

‘Zelfspot vind ik fantastisch. En sarcasme: I love it. Maar je moet het goed kunnen doseren.’

‘Als ik schrijf gaat het bijna altijd over mijn directe omgeving. Wat ik ook graag doe is mensen observeren en daar dan hele levens bij verzinnen. Mocht ik jou bijvoorbeeld ergens in een koffiebar zien zitten zou ik denken: “Ah, hij is Geoff Dyer aan het lezen en hij is een beetje gebruind: hij is vast en zeker op vakantie geweest. Waar zou hij wonen? Wat heeft ie vandaag gedaan? Waar gaat hij straks naartoe? Waarschijnlijk naar de zee, want hij heeft een blauw-wit gestreept t-shirt aan.” Wacht maar wat ik straks allemaal over je ga schrijven, schat. (lacht). Dat vind ik het fijnste onderdeel van schrijven: observeren.’

‘Momenteel ben ik bezig met het schrijven van onderling zeer uiteenlopende kortverhalen, een beetje in de stijl van de Argentijnse Mariana Enriquez. Zoals zij wil ik kunnen schrijven. Tegelijkertijd ontmoedigen geweldige verhalenbundels me soms, want dan denk ik: “Melissa laat het. Dát kun jij niet…”

‘De paradox is dat hoe drukker het in mijn leven en in mijn hoofd is, hoe groter mijn zin om te schrijven. Maar hoe meer tijd en ruimte ik krijg, hoe kleiner de drang wordt. Dat is natuurlijk het lot van elke procrastineerder.’

‘Mijn perfectionisme staat mijn schrijven regelmatig in de weg. Soms kan ik op een avond drie uur lang aan één zin werken. Maar dan is het wel een steengoede zin. (lacht).’

‘Roderik is niet alleen een secure schrijver, hij is eveneens zeer gedisciplineerd. In september verschijnt zijn nieuwe roman In het wit en eigenlijk heeft hij die op korte tijd gecomponeerd. Als Roderik zegt “Ik ga een project afwerken”, dan vindt hij in zichzelf de kracht om dagelijks aan zijn schrijftafel te zitten. Hij is heel gedisciplineerd en niet zo’n uitsteller gelijk gij. (lacht). Als Roderik zegt “Ik ga het doen!” dan doet hij dat. Als wij zeggen: “Ik ga het doen!” – dan doen we dat in het beste geval drie dagen later.’

‘Door er met jou over te praten heb ik opnieuw zin gekregen om te bloggen. Elke dag een klein stukje schrijven. Daarom heb ik deze morgen How About Sylvia terug geactiveerd. Maar voorlopig staat er nog niets op. Ik stel het nog even uit.’

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Ik ga nu net niet Sylvia Plath, Peter Verhelst of Hugo Claus zeggen omdat ik zo aan hun oeuvres gehecht ben. Spontaan moest ik aan Nicolien Mizee denken. Ken je haar niet? Ze is een Nederlandse schrijfster met een vaste column in het tijdschrift Trouw. Je zou absoluut haar Faxen aan Ger moeten lezen. Onlangs is het zesde deel uitgekomen. Het zijn stuk voor stuk kleppers van boeken. Eigenlijk is het een blog in boekvorm. Ger was begin jaren negentig haar prof scenarioschrijven. Ze was onmiddellijk erg onder de indruk van die man en ze begint hem faxen te sturen. Het fantastische aan die reeks boeken is dat hij nooit antwoordt en desondanks blijft ze hem schrijven. Het is een eenzijdige correspondentie. Nicolien Mizee toont zichzelf daarin zo echt. Ze heeft het over haar angsten en over het gewone leven en over een vrouw die op straat passeert en over hoe ze zich vandaag en morgen en gisteren voelt. Op den duur gaat het helemaal niet meer over Ger.’

‘Wat me aantrekt in haar stukjes is het idee dat het allemaal niet zoveel uitmaakt; maar net daarom voel je dat eraan geschaafd is en dat het eigenlijk wél de perfectie benadert. Ze neemt zichzelf niet au sérieux, maar tussen de regels door leer je haar heus wel kennen. Ze steekt niets onder stoelen of banken en haar faxen bestrijken alle facetten van het leven – ze gaat haar angsten, noch haar duistere kanten uit de weg.’

‘Tegelijkertijd zijn haar Brieven aan Ger vaak ronduit hilarisch. Zo droog, zo cynisch. En zo intriest. Een portie blogstukjes van Nicolien Mizee is, denk ik, wat ik elke dag zou kunnen gebruiken.’

‘Iemand anders die spontaan in mij opkomt is mijn moeder. Ook zij zou van mij mogen bloggen. Ze woont in Andalusië in het zuiden van Spanje en ik zie haar niet veel. Door de afstand is onze band wat verwaterd. Het zou voor mij een manier zijn om dichter bij haar te zijn en te zien hoe haar leven in mekaar zit.’

‘Mijn moeder is een Belgische uit het Waasland en mijn vader een Siciliaan. Hij is mijn held. Ik ben een enig kind en als dochter van een Siciliaan lig ik bij hem in de bovenste schuif. Dus je begrijpt: als jij het waagt één kritische noot over mij te schrijven staat mijn papa nog dezelfde dag aan je deur. (lacht). Na de echtscheiding van mijn ouders ben ik nog enkele jaren bij mijn moeder gebleven, maar op mijn vijftiende ben ik alleen gaan wonen.’

‘Net toen de band met haar weer hechter werd is zij verhuisd naar Spanje. Ik zat in mijn laatste jaar vertaler-tolk en had net mijn toekomstige man ontmoet. Telkens als mijn moeder naar België komt is het de eerste dag een groot feest, maar na enkele dagen beginnen we elkaar wat te irriteren. Intuïtief voelen we dat we elkaar niet meer kennen. Dat is pijnlijk. Daarom zou ik van haar graag een blog willen lezen zodat ik beter kan begrijpen wie zij na al die jaren geworden is. Het mag over haar alledaags leven gaan en over hoe het vroeger was en hoe zij het leven ervaart. Ook omgekeerd zou zij er veel aan hebben om mijn blog te lezen, om mij als volwassen vrouw te leren kennen. Zij weet ook al jaren niet meer wie ik echt ben. Ik moet de blog enkel eerst nog schrijven, zeker?’

‘Ik ben net negendertig geworden en hoor mezelf meer en meer zeggen: “O, ik klink just gelijk mijn moeder…”’

‘Aan de andere kant schuilt er ook een zekere schoonheid in. Nu ik ouder ben moet ik haar terugblikkend vaak gelijk geven.’

‘Ze leest graag, maar ze schrijft niet echt. De wens dat ze zou beginnen bloggen is dan ook meer een abstract idee.’

‘Thuis ben ik zonder boeken opgegroeid, maar mijn moeder nam me altijd mee naar de bib. Als enig kind zat ik liever in een hoekje te lezen dan dat ik buiten moest gaan spelen. Ook als kind was ik gebeten door de leesmicrobe. Ze heeft het lezen steeds gestimuleerd. De eerste keer dat ik haar met Roderik ben gaan bezoeken had ik Fierce Attachments, het moederboek van Vivian Gornick, meegenomen. Voor mij in het Engels en voor mijn moeder in het Nederlands. Maar het is niet gelukt om het samen te lezen en dat vond ik enorm teleurstellend. Voor mij was het een utopisch ideaal om juist dat boek samen te lezen, terwijl zij al na enkele pagina’s verveeld opkeek en zuchtend verkondigde: “Het doet me niks…” Die opmerking heeft me gekwetst.’

Wat maakt een blog goed?

‘Vooral het persoonlijke aspect ervan. Je krijgt een inkijk in het hoofd en in de leefwereld van een schrijver. Het sluit ook aan bij waar we het daarnet over hadden: mensen op straat observeren en nieuwsgierigheid voelen naar wie ze zijn, hoe ze denken en hoe ze het leven staan. Uit een blog kan je veel afleiden. Wie wat belangrijk vindt bijvoorbeeld. Dat vind ik het fijnste. Waar ik ook van hou zijn mensen die een loopje met de realiteit nemen, zoals bijvoorbeeld Tom Wouters. Ik merk enige verwantschap tussen zijn absurdistische verhalen en die Daniil Charms waarvan jij nu net Tsjak! hebt gekocht.’

‘Charms is zo goed. Als ik door zijn Verzameld Werk blader dat bij Van Oorschot is uitgegeven, bekruipt me vaak het gevoel: toon mij wat je schrijft en ik zal zeggen wie je bent. Voor mij is dát de essentie van bloggen.’

‘Dankzij Aanlegplaats is mijn interesse in blogs opnieuw aangewakkerd. Ik ben al een tijdje geabonneerd op de nieuwsbrief van Catherine Lacey, ook een soort blog waarin ze zich beperkt zich tot verhalen van een honderdvijftigtal woorden. Haar bijdragen zijn kleine observaties over haar eigen leven of over de de wereld rondom haar. Tegelijkertijd valt het mij, deels uit tijdsgebrek, moeilijk om blogs te lezen, juist omdat ik voor mijn werk al zoveel in boeken duik. Natuurlijk speelt het mee dat ik liever op papier dan op een scherm lees.’

‘Ik grijp minder naar blogs omdat je dan alweer online zit te lezen. Dat vind ik het voordeel van wat Tom Wouters of Steven Van Ammel op Facebook doen: tijdens het doomscrollen krijg je ineens een afgerond hapje tekst voorgeschoteld.’

‘Een positieve uitzondering was de pdf van Drie boeken van Wim Oosterlinck – het boek dat bij de podcast is verschenen, want dat had een warme lay-out en het werd opgefleurd door tekeningen – dat beviel me wel. Maar die doorlopende teksten op een scherm… daar word ik zo moe van. Daarom voel ik ook zo’n nood aan witregels. Het zijn ademmomenten in een tekst.’

‘Een blog kan ook een trigger zijn om lezers nieuwsgierig te maken naar wat die persoon verder nog geschreven heeft. Het geeft me inzicht in de vraag of het een schrijver is die voor mij werkt. Dàt is nog een voordeel van een blog: het is een behapbaar stukje tekst dat definieert wat voor type schrijver iemand is.’

‘Melissa, ik denk dat je de wereld een groot plezier gaat doen als je terug begint te bloggen…’

‘De wereld, Jo? Dat zijn wel héél veel mensen… (lacht).’

We traden naar buiten voor de fotoshoot en ik vroeg haar waarom ze net Monster had uitgekozen als haar favoriete boek en aan de verleiding had kunnen weerstaan om het verzameld werk van Peter Verhelst mee te sleuren. 

‘Haha. Roderik zei nog: je gaat het toch niet weer over Peter Verhelst hebben. Ik heb dan maar gekozen voor Monster de recentste roman van Roderik Six omdat het zo’n speciaal boek is. Het is volledig anders van toon dan zijn trilogie Vloed, Val en Volt. In Monster is hij koning van de witregel. Het is heel gebald geschreven. Heel sec. Heel donker. Het begint ook met een mooie verwijzing naar De vreemdeling van Albert Camus: “Vandaag is mijn vrouw overleden. Of misschien gisteren. Ik weet het niet meer.” Het is een pikzwart boek over rouw en wat dat met een mens doet en hoe rouw een monster kan worden. Het is opgedragen aan de vrolijke raaf. Op de arm van die raaf prijkt de door Sven Verhaege ontworpen cover van Monster.

‘Ik kende zijn kracht als schrijver, maar toen ik dit boek las dacht ik: “Oei, misschien moet ik toch een beetje bang zijn van hem…” Maar dat ben ik niet. (lacht).’

Het universum van de koffiebar van de Limerick nodigde uit om nog lang te blijven napraten over literatuur en andere belangwekkende bijzaken. Net zoals tijdens het lezen van een goed boek was de tijd voorbijgevlogen. Tot plots het moment aangebroken was dat er een trein naar de Metropool gehaald moest worden. Ik stond op en kuste de wang die ooit door Geoff Dyer was gekust. One degree of separation.

Verschlimbesseren (vangst #223)

Ah, de lente! Seizoen van hoop en goede voornemens die – eindelijk – een beetje in actie worden omgezet. Aan de einder gloort alweer de duisternis, maar eerst is er leven en liefde. Viktor Frölke schreef daar een gedicht over (tip: luister naar zijn voordracht!), en Marijke Cornelis en Els Claessens raakten in een knoop waarvoor in het Duits het prachtige woord Verschlimbesseren bestaat.

Wat je ook probeert, je maakt het erger.

Maar het levert wel pareltjes van blogs op.

we dragen het lot dat ons toevalt
we hebben geen keus dan
door te gaan tot de zomer
afscheid te nemen in de herfst onder de wol te kruipen in de winter

Uit: Die verrukkelijke lente van Viktor Frölke.

Het hele seizoen ben ik blijven knippen, al heb ik enkele keren een korte aarzeling gevoeld. Lijven halveren van copulerende stellen, innig verstrengeld, als twee halve manen in mekaar gegespt, dat vergt.

Uit: Karikol op Fragmenten.

De natuur moet je laten doen. Paardenbloemen laten pluizen. Distels omarmen. Canadese ganzen tolereren. Vossen toejuichen. Tot de buurman je komt verwittigen voor de steenmarter. Die had voor duizendzevenhonderd euro aan kabels onder de motorkap van zijn auto opgevreten. De hele buurt stond op z’n achterste poten. Dood, moest ie! 

Uit: De steenmarter op Gebeurtelijke ongevallen

Letterensoep (vangst #222)

Deze week koos ik drie verhalen uit die over literatuur gaan. Schrijfster en schrijfdocente Kathy Mathys voltooide net haar vierde boek en maakt zich op om aan haar vijfde te beginnen. Maar hoe doe je dat? In een notitieboekje noteert ze haar bedenkingen (‘Practice what you preach’), en verheugt ze zich op de wilde rit die haar de komende maanden te wachten staat. Maanden waarin ze volop met pen en papier mag gaan experimenteren. 

Al sinds ik haar blog Werk in uitvoering lees loop ik hoog op met Ingrid van der Graaf. In het verhaal ‘De schrijver is er altijd’ haalt ze herinneringen op aan de meester van het zeer korte verhaal A.L. Snijders en ze doet dat bijzonder knap. Ze vermengt het persoonlijke met het algemene en ze weet hem uitstekend te treffen. Er komt een man op je af. Mijn favoriete zin is deze: ’Er was een kiertje opengegaan met zicht op een leven van minder schrijven, meer leven.’

De eerste keer dat ik Lara Taveirne zag optreden, zat A.L. Snijders toevallig in de zaal. Ze had net haar debuut De kinderen van Calais gepubliceerd en het was duidelijk dat er een nieuwe literaire wervelwind was opgestaan die niet meer zou gaan liggen. Lara paarde een enorme verbeeldingskracht aan een grote gevoeligheid en ze was bovenal bijzonder grappig. Al die kwaliteiten komen ruimschoots aan bod in haar gesprek met Wim Oosterlinck in zijn podcast Drie boeken. Voor de drie mensen in Vlaanderen die Wolf nog niet hebben gelezen en Lara nog niet kennen: fantastisch interview. Laat u bedwelmen. 

Mijn drie favoriete boeken zijn trouwens: 

The Long Goodbye van Raymond Chandler

Out of Sheer Rage van Geoff Dyer

The Importance of Being Earnest van Oscar Wilde.

Ian McEwan vertelde me eens tijdens een interview dat hij altijd een half jaar wacht voor hij concreet aan de slag gaat met een ingeving. Die tijd heeft hij nodig om te kijken of een idee levensvatbaar is. Mijn idee is ouder dan zes maanden. Het vloeide voort uit Tot het glinstert; bij  mij wordt een boek blijkbaar altijd geboren uit het vorige. Toch ben ik niet vrij van twijfels, voel ik me deze dagen extra gespannen. Zal het me wel lukken deze keer?’

Uit: Opnieuw beginnen van Kathy Mathys

‘We mailden gedurende een jaar regelmatig met elkaar. Kleine berichtjes over de somberheid die hem na het overlijden van zijn vrouw, Yvonne, zomaar overviel. Over voorgeschreven slaappillen, de wodka’s die gedronken moesten worden. Toen hij schreef dat ik nu wel erg belangrijk voor hem werd, voerde ik per omgaande mijn man op in de mail. Ik ben een angsthaas.’

Uit: De schrijver is er altijd van Ingrid van der Graaf

‘Ik sprak met Lara Taveirne op Boektopia in Kortrijk, voor publiek. Ze vertelt over het boek waardoor haar lezen begon toen ze 8 jaar was, over de plek waar haar vader zijn eigen boek over zijn zoon Wolf schreef. Het gaat over liefdesverdriet en de liefdesbrieven die ze schreef, over haar favoriete schrijfster die ze onlangs live ontmoette in Amsterdam.’

Uit: Drie boeken aflevering 271: Lara Taveirne een podcast van Wim Oosterlinck

Snertblogs (vangst #221)

In welke spannende situatie je je ook bevindt, als Nederlander in Frankrijk, als blogger in een schrijfproces of gewoon als mens in een te kleine zomerjurk – het is altijd fijn even terug te gaan naar de plek die je kent en waar je jezelf kunt zijn. Even landen. Ontprikkelen. Herbronnen. Terug naar snert, naar een familiefeest met taart, naar ‘klooien met beeld en goochelen met 500 woordjes’. Want hoop, zo leert Kimme Tigra ons, moet je namelijk altijd zelf voorzien.

Willem en Willy in de Gers. Een klein boerenbedrijf. Ze hadden met moeite het hoofd boven water weten te houden. Maar het was ze gelukt. Vooral omdat ze een deel van hun huis tot ‘gîte’ voor toeristen hadden omgebouwd. Geen vetpot, dat beslist niet. Bij hen thuis werd Nederlands gesproken, op z’n Twents. Wie weet in Nederland nog wat ‘snert’ is? Bij hen kreeg je snert. Erwtensoep met spek – zo had ik het geleerd. Nederlanders die al een tijd lang in Frankrijk zitten hebben een vocabulaire bewaard dat in Nederland zelf gedeeltelijk in onbruik is geraakt. Te vaak om plaats te maken voor Engels gewauwel. Goed, dit was even een knauw. Terug naar Nederlandse immigranten.

Uit: Boer in Frankrijk op Schrijver in Frankrijk

Duidelijk moge zijn dat dit creatieve proces geen deadline verdraagt. Ik wil de tijd nemen om passages te laten gisten en invallen kans te geven. De publicatie zal dus nog even op zich laten wachten. Wel hoop ik vóór die tijd mijn blogs te defibrilleren, zodat ik weer regelmatig op jullie tijdlijn bivakkeer als Het Boek het levenslicht ziet. Wanneer, dat weet ik niet. Zo’n wekelijkse sprint laat zich lastig combineren met een triatlon. Een ding is duidelijk: ik mis het bloggen.

Uit: Zee van Rust op Rein Hannik

Hij is een leeuw, mijn lief. Volgens de wetenschappelijk onderbouwde analyse van de dierenriemstaat ons een harmonieus leven te wachten: we zitten op een familiefeest en eten taart. Mensen worden doorgaans dikker door de liefde, zegt iemand aan tafel. Mijn lief zegt dat hij vijf kilo is afgevallen sinds hij mij kent. Ik daarentegen, ben onlangs uit een zomerkleed geknipt in een pashokje.

Kimmetigra op Instagram

De vangst van Sarah De Grauwe (vangst #220)

Mei, de mooie maand die de zomer inluidt. Voorzichtig, weliswaar – schoonheid mag langzaam insijpelen. De zon stijgt hoger, het licht schijnt feller. Alles geurt, kleurt en fleurt. Bloesems barsten in lachen uit, oude lentegodinnen dansen in de velden. In het bos blaast Pan de wind door de wilgen. En alles wordt een beetje zoals de pastelkleurige lusttuin van Jean-Honoré Fragonard.

Bij Aanlegplaats fladderen we de literaire tuin in, op zoek naar nieuwgeboren woorden. In de esthetische tuin van Tom Wouters van Het Ongerijmde (heerlijke blognaam trouwens!) vinden we een pad bezaaid met kikkers.

Tussen zaal en parking liep een voetweg, waarop ik opeens een kikker zag springen, en daarna nog een, en nog een, en toen ik rond keek, telde ik liefst tien van die diertjes, tot ik zag dat het er nog veel meer waren: ze kwamen uit het slootje gekropen dat langs de weg liep, zo’n slootje waarin dronken of eenzame mensen ’s nachts wel eens durven te verdrinken, en ze staken het pad over richting het weiland aan de andere kant.

Uit: Een pad, bezaaid met kikkers op Het Ongerijmde

Op het terras van Ingrid Vanderkrieken treffen we een naarstig klussende man. Nét iets te energiek om goed te zijn.

Energiek tot en met. Weken aan een stuk was hij aan het werk geweest – weken waarin het geluid van de slijpschijf, de mortelmolen, het geklop op de stenen haar waanzinnig maakten. Terwijl hij wéét dat ze zo gevoelig is voor geluid. “Straks hebben we nog een cementen tuin”, had ze vanmorgen geschreeuwd, “straks denken de buren nog dat we iets te verbergen hebben.

Uit: Energiek op Rimpelingen

En in de moestuin? Komkommers. In dit geval Jo, Jozef en Jacques-Henri Komkommer. Hier lees je Jo Komkommers meeslepende familiekroniek, De eenzaat van Verbier.

Vader koketteerde graag met zijn cynisme, maar diep in hem schuilde een romanticus die te fijnbesnaard was om zonder pantser de wereld aan te kunnen. Tijdens het oplepelen van de sambal liet hij enigmatische stiltes vallen in de hoop dat wij zouden begrijpen dat niemand op de wereld harder onder Weltschmerz te lijden had dan Jacques-Henri Komkommer.

Uit: De eenzaat van Verbier op Komkommerdagen