Het jaar van de lanterfanter (vangst #188)

In de noordelijkste stad van het mooiste land ter wereld kocht ik Het verhaal van mijn schaarste van Marieke Groen en las het, zoals dat met goede boeken gaat, ademloos uit. In Nog even over schaarste blikt Marieke terug – of vooruit, mocht u het nog niet gelezen hebben – over de grote thema’s van haar indringende memoires die ik u bij deze warm aanbeveel.

Er zijn weinig in herfstkleuren gedrenkte pennen die ik liever lees dan die van Ivo Victoria. Zijn meanderende en toch doelgerichte zinnen mogen van mij eeuwig blijven voortduren. Met sardonisch genoegen las ik dat hij, net als ik, een gloeiende hekel heeft aan dat ellendige spel Rummikub – maar Ivo Victoria is dan wel begiftigd met het talent om uit zijn ergernis een boeiend verhaal over vaderliefde te distilleren.

Maar beginnen doen we in stijl met een schitterend stuk van Philippe Clerick. Hij blikt terug op de jaren dat hij als leraar het vak literatuur gaf aan de hogere klassen van een middelbare school. Dankzij dit essay – met de geweldige zin: ‘Nou ja, het is een voorstel van Paul Verhaege, en die kan ik nooit helemaal ernstig nemen’ – besef ik dat ik nog steeds de literatuursmaak van een vijftienjarige heb. Want alle schrijvers die de leerlingen van Philippe in het vierde middelbaar moesten lezen zijn literaire helden helden van mij. Lang leve Saki, Isaac Asimov, Simon Carmiggelt, Tim Krabbé, Fredric Brown, Willem Elsschot et tutti quanti! En lang leve bevlogen leraren als Philippe Clerick!

Van geen enkele van die auteurs of boeken zou ik durven beweren dat “elke jongere ze moet gelezen hebben.”Ik zou het als leraar niet erg gevonden hebben als in het lokaal naast mij mijn collega Fikry El Azzouzi zijn leerlingen teksten opgaf van Fikry El Azzouzi. Waar ik wel tegenop zou hebben gezien, dat is een vakvergadering met El Azzouzi, Bruno Vanobbergen, Tuly Salumu enzovoort om tot een gemeenschappelijke lijst te komen. Dat zou een resultaat opgeleverd hebben dat individualistisch ingestelde leraren met het cliché “eenheidsworst” plegen te omschrijven.

Uit: De saaie leeslijst van Philippe Clerick

De gedachte overviel me dat ik het verkeerd heb aangepakt. Ik bedoel het schrijven, of, nu ja, het leven, och, waarom ook niet: alles. Ik was goed begonnen, dat viel niet te ontkennen, en het is niet zo dat alles dramatisch heeft uitgepakt. Er is in wezen niks werkelijk faliekant verkeerd gegaan maar ik had me anders kunnen ontwikkelen, zeg maar. Ken je dat? Lui geweest op de verkeerde momenten, zoiets. En nu hadden anderen de ontwikkeling doorgemaakt die voor mij bestemd was. Je kon er boos om worden, maar dan toch vooral op jezelf.’

Uit: Ontwikkeling van Ivo Victoria

Afgelopen maand werd de 18 miljoenste Nederlander geboren. Er is niet veel dat we van hem weten, maar wat we wél weten is dat hij of zij een kans heeft van 1 op 18 om in armoede op te groeien. Armoede is een snelgroeiend probleem, ondanks dat de politiek armoedebestrijding de laatste jaren hoog op de agenda heeft staan. Misschien komt het doordat armoede hoofdzakelijk wordt gezien als een financieel probleem en de oplossing ook in die hoek wordt gezocht. Maar armoede is méér dan alleen te weinig geld hebben.’

Uit: Nog even over schaarste van Marieke Groen

Oh! Buren! (vangst #187)

Je ontkomt er niet aan.

Andere mensen.

Veel andere mensen, veraf en dichtbij – zo dichtbij dat hen echt kan zien. Thuis, als buur. Op vakantie. Je hebt niet om hen gevraagd, je kan best zonder hen.

Je hebt altijd wat te doen met hen, blijkt uit de teksten van Rein Hannik, Fien De Block en Koen Vandenborre. Maar het zouden geen bloggers zijn als ze ook niet met hen te doen hadden.

Drie verhalen vol leed, en mededogen.

Links woonde niemand – mijn favoriet soort buren. Rechts zag ik niemand, dus hier kon ik uitgebreid naar binnen gluren: vergeeld oranje behang en The Eagles leunend tegen een pick-up. Alsof de tijd er had stilgestaan sinds 1975.

Uit: De herkenning van Rein Hannik

Hij heeft er genoeg van, van die Vlaamse mentaliteit waar alles achter zijn rug gebeurt. Zijn hoofd is rood, zijn biceps staat strak. Hij houdt zijn vuisten gebald, zijn tanden opeengeklemd. Of ik het wel begrijp, vraagt hij, hoe het is om een zoon op te voeden in een klein appartement terwijl je verblijfsvergunning niet verlengd werd, de angst en de wanhoop.

Uit: Buur op Uittreksels

Ik lees hoop in haar ogen, wanhoop in de zijne. Hij zakt neer op een omgevallen boom, terwijl zij haar schouders recht. 

Noch de naam van de herberg, noch het gehucht zeggen me iets.

Uit: Kurkeik op Oefeningen in rusteloosheid

Aan Gerbrand Bakker

Foto Marieke Groen: Keke Keukelaar / Foto Gerbrand Bakker: Hub Dautzenberg

Dit is de vijfde brief in de eerste ketting van onze reeks Flessenpost. Marjon schreef aan Marita, die schreef aan Ingrid Vanderkrieken, die schreef aan Gerbrand Bakker, die schreef aan Marieke Groen, die nu… terugschrijft!

Lieve Gerb,

Om maar meteen je vraag te beantwoorden: ik ben hier! (Hier, hier… hier…), in de echoput van ons gezamenlijk verleden. Zojuist liep ik langs de Weespertrekvaart na te denken over wat ik je zou gaan schrijven en toen kwam je me tegemoet fietsen. Nou ja zeg, ook toevallig. Dat wilde ik tegen je zeggen. Maar toen je dichterbij kwam was je het niet, je leek niet eens op jezelf. Het deed me denken aan een gebeurtenis van een paar jaar geleden. Ik had afgesproken met Gerard van Emmerik in café Wildschut. Ik had gezwommen, mijn ogen prikten van het chloor en de verlichting in Wildschut was gedempt. Los daarvan had ik gewoon een bril nodig. Ik liep halfblind de zaak in, een man aan een tafeltje veerde op en ik liep lachend op hem af. Pas toen er nog maar twee meter tussen ons in zat zag ik dat het Gerard niet was. Maar ik bleef op hem af lopen, ik wist niet wat ik anders moest doen. De man stak zijn hand uit en ik schudde hem. Maar je bent het niet, zei ik. De blik van de man werd onzeker, alsof hij zelf nu ook begon te twijfelen aan wie hij was. Gelukkig kwam op dat moment Gerard binnen. Hij lijkt niet eens op me, zei die toen ik het hem vertelde.

            Ik lijk ook niet meer zo op wie ik was in de tijd van Schrijvers op elkaar. Waarom heette die club eigenlijk zo? Omdat we allemaal op elkaar waren? Dat was wel een beetje zo, hè, we waren dol op elkaar, al heel snel waren we een cluppie.

Dat ik Jan van Mersbergen sentimenteel zou hebben genoemd, zoals jij schrijft, kan ik me niet herinneren, maar het is heel goed mogelijk, dat soort dingen zeiden we tegen elkaar. Over schrijven ging het zelden, dat hoefde ook niet, we hoefden elkaar niets uit te leggen.

Met een kleine afvaardiging trokken we naar Wieringerwaard, waar jij je nieuwe boek presenteerde. Het officiële gedeelte in het huis van je ouders, daarna met z’n allen eten in een grote schuur met lange tafels waar – in mijn herinnering, en als het niet zo was: vergeef me mijn romantische blik – roodgeblokte kleden overheen lagen. Een wereld die ik niet kende, waar jij ons had uitgenodigd. Buren, familie plus een samengeraapt zooitje uit Amsterdam.

Er waren altijd boekpresentaties, feestjes, borrels waar we elkaar tegenkwamen. Eigenlijk waren we een mobiele stamkroeg met z’n allen. Man, wat ging er een drank doorheen. Dat was toen al een probleem. Hadden jullie de dag erna gewoon een kater, ik had een kater plus migraine. Toen ik uit de binnenstad verhuisde, naar de rustige kant van de Amstel, bleef ik steeds vaker thuis. Mijn kop trok het niet meer.

Er kwam een eetgroep, meerdere eetgroepen, ik weet het ook niet meer – en ik dronk amper, kun je nagaan. Ik herinner me wel een of twee etentjes bij jou thuis, in de Gerbrand Bakker-straat – onder het straatnaambord met je naam erop. Die straat bestaat, in Groningen, ik heb het opgezocht. Jij was de enige die we kenden naar wie een straat was genoemd. Ik geloof niet dat een van ons daar ooit iets over heeft gezegd, we deden alsof dat doodnormaal was, alsof onze hele vrienden- en kennissenkring bestond uit mensen naar wie straten waren genoemd. We waren goed in downplayen, uit ongemak misschien, of uit schaamte over het uitblijven van ons eigen succes. Jij was onze beroemde schrijver. Heel lang was er iets dat je niet mocht vertellen, iets dat niemand mocht weten, we mochten alleen weten dat er iets was dat je niet mocht vertellen. Je had de International IMPAC Dublin Literary Award gewonnen voor Boven is het stil en dat wist je al maanden voordat het nieuws naar buiten werd gebracht. Wat een marteling. Ik zou gek zijn geworden, willekeurige voorbijgangers hebben aangeklampt, ’s nachts mijn hoofd uit het raam hebben gestoken om het naar de lege straat te schreeuwen. Maar jij was zeer beheerst. Of leek dat maar zo?

Hoe dan ook, genoeg over het verleden. We kunnen elkaar natuurlijk tot in de eeuwigheid flessenpost blijven sturen, ook leuk, maar we kunnen ook gewoon weer eens afspreken. Overdag met een kopje thee en een taartje om het te vieren. Schrijversborrel 2.0.

XM

Eenvoud: hoe moeilijk kan ’t zijn? (vangst #186)

Er is niets eenvoudig aan eenvoud. Onze bloggers weten er alles van. Kimme Tigra zit met een mediterende reisgezel en wil naar huis. Joost Elli zit met de kwaliteit van zogenaamd ambachtelijk eten. Caspar Visser ’t Hooft zit met een hek met afstandsbediening. Of nee, eigenlijk is het niet het hek dat hem parten speelt. Het zijn de mensen, die er steeds voor gaan staan.

Mensen toch.

Voor onze kampeertrip neemt mijn reisgenoot micellaire reinigingslotion, vochtinbrengende crème, revitaliserende vitamine D druppels, hydraterende moisturizer, 4 gezichtsmaskers, start-to-glow lotion, 2 lippenbalsems (één met en één zonder zonnefactor), een pedicuresetje en handcrème mee. Ik een spork.

Uit: Kimme Tigra op Instagram

Gelukkig strijkt er een paar keer per jaar de kermis neer. Foornijveraars zijn trots op hun vak. Al lijkt ook de tijd dat je voor eenvoudig foor-food blindelings op de forains kon rekenen voorbij. Die teloorgang begon vijf jaar geleden. Toen ik zag hoe de ouwe Paul Van der Borght nog maar moeizaam in en uit zijn pensenkot geraakte en wist ik het: het einde van de perfecte braadworst was in zicht. Dat is intussen de harde realiteit.

Uit: Braadworst (by Van der Borght) op Joost Elli

  “Ken ik u?”

  “Nee, maar u blokkeert mijn uitgang.”

  “Ken ik u?”

Deze conversatie gaat nog een tijdje door, in exact dezelfde termen. Alsof ik meneer niets mag zeggen, omdat ‘ik hem niet ken’.

Uit: Het hek op Schrijver in Frankrijk

Aan Marieke Groen

Foto Gerbrand Bakker: Hub Dautzenberg

Dit is de vierde brief in de eerste ketting van onze reeks Flessenpost. Marjon schreef aan Marita, die schreef aan Ingrid Vanderkrieken, die schreef aan Gerbrand Bakker, die nu schrijft aan… Marieke Groen.

Lieve Marieke,

Waar ben je toch gebleven? Hoe lang hebben wij elkaar niet meer gezien? Dit klinkt, vanwege een onbedoeld maar dwingend ritme, als het begin van een weemoedig liefdesliedje, maar liefde in de zin van verkering hebben we nooit gehad. Wel maakten we samen deel uit van een vriendengroep. Kun je het zo noemen? Ik denk het wel. Schrijvers op elkaar! Dat klinkt toch best heftig, maar wat was het helemaal? Een rechthoek vol kleine portretfotootjes en bij aanklikken kwam je op de website van de betreffende schrijver (m/v/toennognietx) terecht. Dat waren andere tijden in Internetland. We stonden met z’n allen in de Pels en er gebeurde altijd wel wat. Propria Cures infiltreerde om ranzige stukken over ons te kunnen schrijven, er verschenen artikelen in HP/De Tijd, er was reuring, wij waren de nieuwe schrijvers, wij gingen het maken. Jij was daar een vanzelfsprekend onderdeel van. Jij zei botweg tegen Jan van Mersbergen dat hij sentimenteel was. ‘Ik ben níet sentimenteel!’ riep Jan. ‘Ja,’ zei jij rustig en weloverwogen, ‘dat ben je wel.’ Maar in de loop van de jaren dunde die groep uit. Soms overduidelijk, regelmatig met een ‘Hé, waarom hebben we Y al zo lang niet gezien?’ Vandaar mijn ‘Waar ben je toch gebleven?’ Ik herinner me niet wanneer je verdween uit de groep. Is er iets gebeurd? Had je ruzie met iemand? Wilde je een eigen koers gaan varen? Ik weet het niet. Het was niet alleen de Pels. Er was ook ooit een eetgroep, ik weet zo één twee drie niet meer precies wie daar allemaal deel van uitmaakten. Ook die is bijna ongemerkt uiteengevallen ergens in de afgelopen jaren. Ik ben in je huizen geweest, die in de Frietsteeg, en in je toen nagelnieuwe huis in de buurt van de Amstel. Of was dat niet ‘bijna onopgemerkt’? Is daar iets gebeurd? Heeft iemand iets gezegd? Nogmaals: ik weet het niet. Wel weet ik dat ik jou als één van de beste schrijvers zag. De manier waarop jij de dingen opschreef was prachtig. Een geheel eigen en unieke kijk op de dingen, geweldige dialogen. Het kan zijn dat ik je verdwijning gemist heb omdat ik zelf ook een tijd niet in de Pels kwam, nauwelijks tot geen boekpresentaties bezocht omdat ik het veel te druk had met een tuin in de Eifel. En je bent natuurlijk helemaal niet verdwenen. Ja, voor mij, maar niet voor jezelf. Er komt een nieuw boek, vertelde iemand me onlangs in de Pels. Daar kom ik zo nu en dan weer en dat is erg gezellig. Het bestaat nog, we zijn daar nog. Kom gerust weer eens langs. En zoals je hierboven las: we hebben het weleens over je. Dat nieuwe boek heet Het verhaal van mijn schaarste. Ik lees er dit over op de website van uitgeverij Thomas Rap: “Als Marieke Groen bij de gemeente moet aankloppen voor financiële hulp dringt voor het eerst tot haar door dat haar leven al heel lang door schaarste wordt gedomineerd: door armoede, ziekte, honger en eenzaamheid. Hoe heeft het zover kunnen komen?” Dat boek móet ik hebben. Ik heb ook je Frietsteeg en de roman over de familie Klein. Ik lees namelijk graag Marieke Groen en uit de omschrijving van de uitgever zou ik kunnen opmaken dat ik misschien wel antwoorden krijg op mijn vragen. Maar ik zou je graag ook weer eens in levenden lijve zien. Dan kunnen we gewoon praten, over dit en dat en zus en zo. Ergens heb ik het gevoel dat jij daar wel van houdt: dit en dat en zus en zo. Net als ik.

De vangst van Lennart Vanstaen (#185)

In mijn interview met Aanlegplaats had ik het al over oprechtheid in een blog. Ik hou van mensen die zeggen waar het op staat, liefst met humor gebracht. Echter, de lijn tussen oprechtheid en oeverloos gezaag is soms dun. Het is een ware kunst om je te balanceren op die koord. Enter: Julie Cafmeyer. Met haar Ode aan de duif etaleert ze haar branie om de rauwe werkelijkheid te kleuren met hyperbolen en vooral zelfspot, een van de scherpste wapens op het slagveld der letteren. Dit stukje zou even goed Ode aan de single vrouw kunnen heten, want het biedt een inkijk in hoe een alleenstaande vrouw hoopt, nee, snakt naar een vent in een wereld waarin alle goeie venten al een kinderzitje op hun fiets hebben gemonteerd. Ook de eigentijdse kritiek in haar tekst werkt erg aanstekelijk. Ze weet wat ze wil (o.a. een koepel boven haar bad om naar de sterren te kijken) en dat maakt de tekst krachtig in zijn eenvoud. In DS zei ze: ‘Ik zie mijn schrijfsels als iets wat mij vooruit kan helpen in de liefde, en niet andersom’. Jammer dat ik al een prachtige vrouw heb, maar ik hoop dat ze haar mogen helpen, haar schrijfsels.

Ik bel twee werkmannen en vraag hen om een gat te kloppen in het plafond van de badkamer. Ik wil een koepel boven het bad. (…) Ik ga naar een girls night waar single vrouwen elkaar verwennen met gorgonzola en natuurwijn. Ze zeggen dat we de lat hoog moeten leggen. We moeten voor onszelf zorgen. We moeten aan onszelf werken en zullen de juiste aantrekken. Hij moet moeite voor ons doen, ons trakteren op een diner. Ze klinken als mijn moeder en mijn grootmoeders. Hoe lang hoor ik dat riedeltje al. Hij zal moeten jagen. Ze begrijpen niet dat ik me voor hen wil werpen. Ik wil hen zeggen dat ik diep verlang naar een man. Zijn kaaklijn, zijn borstkas, zijn penis, zijn puisten, zijn baard, zijn vlees. Verder maakt het niet zoveel uit wat hij te bieden heeft. Als hij maar bij mij in bed kruipt, en even blijft. Ik zit op een vrouwenavond en verlang naar mannelijkheid die van de muren druipt. Ik zwijg. Ik heb een voorgevoel dat ik met dit soort uitspraken de sfeer verpest. Een vrouw raadt me een meditatie-app aan, en ik ga alleen naar huis.

Uit: Ode aan de duif op Julie Cafmeyer

Katrin Van de Velde leerde ik kennen op Facebook, het platform waar zich tegenwoordig alleen nog 35-plussers op wagen. Toch vind ik het er aangenaam toeven, want steeds meer lees ik er prachtige stukjes proza of leer ik er een lesje geschiedenis in plaats van de weinig inspirerende statusupdates van weleer. Ik heb al vaak stukjes gelezen van Katrin die haast breken van broosheid en niet zelden nestelt weemoed tussen haar zinnen. Zo ook het stukje dat ik koos over het terugblikken naar simpeler tijden. Ik lees graag over vergankelijkheid, en Katrin raakt vaak die snaar. Haar schrijven is helend, zoals kintsugi. 

Ik wist niet dat dat nog bestond, de flesjes ‘rood’ uit mijn jeugd. Voor geschaafde knieën en ellebogen en troost. Hoewel ik de zorgrol heb overgenomen nu ze zoveel vergeet, ontroert haar gebaar. Ik wou dat ik haar hersenen rood kon kleuren. Repareren wat niet meer te maken valt.

Mijn vader komt thuis van het boodschappen doen en begint te vertellen. Over vroeger, toen hij nog een kleine Jozef was. Lang heb ik hem niet gekend, ook al was hij aanwezig, maar de laatste tijd lijkt hij nog snel dingen te willen doorgeven voor het te laat is. Ik hoor hem graag, leer hem graag kennen zo op de valreep.

Uit: Donderdag 15 augustus, 2024 op In caso di nebbia

Als gastvisser had ik me nog zo voorgenomen om Tom Wouters niet te vangen in mijn net. Enerzijds omdat ik hem dan waarschijnlijk niet zou terugwerpen zoals men dat pleegt te doen met vette vissen, om hem vervolgens in een aquarium te houden, waarvoor ik eerst nog even langs de Action zou gaan, en zijn creativiteit die ik zo benijd voor mezelf aan te wenden. Anderzijds omdat hij al zo vaak wordt opgediept uit de haven der bloggers. Maar hij schreef onlangs zo’n Wouteriaans stukje, waarvan Joachim Stoop terecht opmerkte dat het een mooie cirkel vormt, dat ik het wel moest selecteren. Typisch voor Tom is er een hoog metagehalte te vinden in dit stukje. Het idee is even briljant als eenvoudig en ik heb er zelf ook al mee gespeeld in het verleden: je verzint iets zo goed dat het echt blijkt te bestaan. De twist die Tom eraan geeft, namelijk dat de man die hij verzon hem ook effectief komt opzoeken en postvatten voor zijn woning, is al geestig, maar dat zijn vrouw de man wijsmaakt dat hij Tom Wouters heeft verzonnen maakt het helemaal af. 

Toegegeven, meestal zijn de verhalen die ik hier deel volledig verzonnen, maar soms verbeeld ik mij iets zo goed dat ik er pal op zit, dat ik de werkelijkheid zoals die volgens wetenschappers en staatsmannen zou bestaan zo dicht benader dat het verschil met de verbeelding nauwelijks opgemerkt wordt. Dan wordt het gevaarlijk heb ik geleerd. Enkele maanden geleden nog maar bleek ik zo iemand te hebben verzonnen die echt bestond. Die persoon – die ik liefst anoniem houd om niet nog meer olie op het vuur te gooien – kreeg daar lucht van en is vervolgens afgereisd uit de vochtige streken waar hij woont en paddenstoelen kweekt in de vorm van oude filmsterren. Het is aan dat detail dat hij zichzelf herkend heeft, want bij zijn weten is er niemand anders op de wereld die deze niet-alledaagse activiteit ook uitoefent. Hij was boos, omdat ik een verhaal schreef over de vele mislukkingen in zijn leven, al wat er vooraf gegaan was aan de paddenstoelen, en bovendien hanteerde ik een kleinerend toontje over zijn huidige passie.

Hij moet er enorm door gekrenkt zijn geweest, want een week lang kampeerde hij voor mijn deur. Ik was gelukkig niet thuis de eerste keer dat hij aanbelde, mijn vrouw heeft hem toen kunnen afschepen door te zeggen dat ze geen idee had waarover de man kwam klagen. Toen ze me daarna telefoneerde, wist ik meteen wat er aan de hand was. In die week dat hij zich voor mijn huis zette, waarschijnlijk denkend aan hoe die paddenstoelen thuis steeds meer verschrompelden, reed ik elke dag voorbij in de hoop dat hij er niet meer zou staan. Hij had geen idee wie ik was of hoe ik er uitzag. Elke ochtend bracht mijn vrouw hem ontbijt en koffie en probeerde ze hem op mijn aanraden duidelijk te maken dat ik gewoon niet bestond, dat zij nooit getrouwd was geweest en dat ons zoontje het product was van een al jaren geleden afgesprongen relatie met een makelaar, iemand die zo weinig fantasie had dat zij er zelfs in de slaapkamer van in slaap viel. Ik weet niet wat ze hem nog allemaal over die valse ik heeft verteld, maar stilaan raakte hij ervan overtuigd dat hij mij had bedacht en uiteindelijk vertrok hij weer naar zijn paddenstoelenkwekerij, waar hij zich volgens mijn vrouw de volgende jaren zal bezighouden om een zwam te maken die op mij lijkt, of op zijn minst op zijn beeld van mij. Geen idee of die ook maar enige gelijkenissen met de realiteit zal hebben, maar uit schuldgevoel ben ik hem ter wille en zal ik mezelf op basis van zijn instructies opnieuw uitvinden.

Zonder titel, enkel gepubliceerd op Facebook (27 augustus 2024).*

*Noot van de redactie aan Tom Wouters: kun je alsjeblieft dringend wat van die machtige Facebookstukjes voor de eeuwigheid bewaren op je blog? Bedankt.

Lennart Vanstaen: het interview

Het is maandag, 11 uur en een drukte van belang bij Bar Stark in het Rivierenhof. Kinderen stuiteren hun laatste rondes voordat het schooljaar weer begint; aan zitjes bij het raam wordt alweer hevig op klavieren getokkeld. Ik zoek Lennart Vanstaen, man achter de blog Een aanhankelijkheid aan vergankelijkheid, docent NT2, helft van het olijke schrijf-muziek-theaterduo Flabberghast, ex-muzikant en allround enthousiasteling. Wanneer ik hem vind heeft hij al een koffie op, zijn mails gecheckt én uitgebreide notities gemaakt voor dit exclusieve Aanlegplaatsinterview. Bring it on!

Waarom heb je een blog?

Sta me toe om je vraag te parafraseren: ‘Waarom heb ik pas recent een blog?’. Ik ben altijd heel introspectief en beschouwend geweest. Als kind viel ik op door mijn blik: ‘Dat manneke kan zo kijken’, zeiden mensen vaak. Mijn grootouders hadden drukkerij Onzea in Borgerhout en als mijn moeder daar ging werken nam ze mij dikwijls mee. Ze gaf me tekenspullen of speelgoed, maar meestal zat ik gewoon urenlang te kijken. Al dat kijken wordt me soms te veel, maar nu kan ik dat uitgieten op mijn blog.

Daarnaast heb ik altijd veel geschreven, ik had een enorme interesse voor taal, tot op de letter. Mijn juf op de Steinerschool – ik heb het lager onderwijs in de Steinerschool in de Volksstraat gevolgd – had ooit eens de opdracht gegeven een zo lang mogelijke samenstelling te maken. Ik ben dan thuis aan de slag gegaan met een meterslange strook papier. De volgende dag kwam ik met een heuse rol naar school: ‘Ik weet zeker dat die van mij het langste is!’

Als ik zeg dat ik recent een blog heb, betekent dat sinds 2020. In de tijd van MySpace en Netlog had ik als een soort zelfverklaarde emo poète maudit mijn zielenroerselen gedeeld, maar veel verder dan lijstjes met favoriete muziek, films of fobieën ging dat niet. Pas in 2020 ben ik echt begonnen. Dat was een speciaal jaar voor mij. Ik werd in 2019 – letterlijk – gevloerd door een burn-out en die was nog aan het nazinderen. Misschien had ik op dat moment een zesde zintuig, want ik weet nog dat ik mijn burn-out uitliet in het park en er plots een plaatselijke windvlaag iets door mijn lijf joeg, een gevoel van afscheid. Toen ik thuiskwam zei ik tegen mijn vrouw dat het een sombere dag was, zonder meer. Twee uur later belde mijn moeder: je grootvader is gestorven. Niet dat wij een zeer hechte band hadden, eerder het tegenovergestelde, hij was altijd zeer koel en gelaten, maar de laatste jaren voelde ik dat hij toenadering zocht tot zijn kleinkinderen, alsof hij op het einde nog iets wilde goedmaken. Dat bracht wel wat op gang qua denken over mijn relatie met mijn vader en met mijn kinderen. Die veelheid aan emoties moest ik ergens kwijt, dus begon ik een blog. 

Waarom dan een blog en niet bijvoorbeeld een dagboek?

Omdat ik ondanks – of dankzij? – mijn onzekerheid altijd van de spotlights heb gehouden. Een dagboek deel je met niemand, dus je zal ook nooit iets terugkrijgen voor wat je deelt. Ambitie is mij niet vreemd. En het fijnste gevoel ter wereld is dat je iemand kan raken met wat je zelf belangrijk of mooi vindt. Zoals ieder mens krijg ik graag erkenning en liefde, en ik heb ook zelf veel liefde te geven. Ik word nu vaak aangesproken over mijn blog, zelfs door mensen van wie ik echt niet wist dat ze me lazen en dat doet zo’n deugd. Mensen zeggen dat mijn teksten herkenbaar zijn, of gewoon mooi, goed geschreven of zelfs literair. Dat geeft me energie, en die heb ik nodig om weer iets nieuws te maken, bijvoorbeeld een roman, theaterstuk, lied of gedicht.

Je volgde een cursus Literair Bloggen bij Dirk Van Boxem, is je blog geëvolueerd sinds die tijd?

Dirk heeft me meteen in zijn kenmerkende zachte stijl gewezen op de kracht van de beperking. Dat de dingen waar ik over schrijf beter tot hun recht komen als ik minder schrijf of meer contouren trek. Ik had al wel het talent om naar het kleine te kijken – de beste blogtitel ooit vind ik trouwens Het kleine kijken van Caro Van Thuyne, fantastisch – maar in mijn woordentuin was het nog een wildgroei. Groene vingers heb ik helaas nooit gehad, maar ik heb van Dirk en later ook van bijvoorbeeld Heleen Debruyne toch voldoende leren wieden. 

Christophe Vekeman zei in zijn interview met Aanlegplaats: “Wat hij te vertellen heeft is niet spectaculairder dan wat eender wie te vertellen heeft, maar het wordt met humor gebracht en je beleeft er een esthetisch genoegen aan.”

Hij heeft zonder het te weten een punt dat ik niet heel avontuurlijk ben. Mijn vrouw Sarah is helemaal anders, zij zou niet liever doen dan de wereld rondreizen. Reisje-rond-de-wereld deed ik ook graag in de turnles, maar ik zit toch graag thuis. Aan de andere kant durf ik soms ook wel in het diepe springen: ooit had ik een muzikaal soloproject, Spleen (Collective). In 2011 zag ik The Album Leaf live en ik wilde dat ook doen. Een typisch voorbeeld van mijn grenzeloze enthousiasme. Ik leerde mezelf Ableton Live (een muziekprogramma dat eruitziet als de cockpit van een vliegtuig de eerste keer wanneer je het opent) maar ik zette door totdat ik verschillende composities had gemaakt waarop ik trots was. Toen ontving ik een berichtje van concertzaal Trix. Ze vroegen of ‘wij’ vijf maanden later wilden spelen. Maar er was geen wij. Ik had helemaal geen band, laat staan kennis over hoe ik elektronische muziek live zou brengen, maar ik heb zonder aarzelen toegezegd, zocht en vond vier muzikanten en het was geweldig. 

Om mijn eigen uitspraak wat te nuanceren: komend jaar gaan Sarah en ik drie maanden lesgeven aan de Universiteit van Stockholm. We nemen de kinderen mee, dus als avontuur kan dat wel tellen, niet? Dat zat alleszins niet in het kind Lennart. Laatst ben ik trouwens in mijn eentje met de trein naar Stockholm gegaan op prospectie. Ik was in Hamburg, Osnabrück, Kopenhagen en Malmö. Ik heb daar veel gezien en gevoeld. Een overspoeling, zeker als je helemaal alleen bent. Toch heb ik enkel een klein stukje over de slaaptrein geschreven. Ik maak dus wel degelijk iets mee, maar ik wijd mijn blog vaak aan kleine dingen. En dat is wat Christophe Vekeman bedoelt: er zijn geen grote gebeurtenissen nodig voor een goede tekst. 

Zijn er volgens jou nog zulke wetten voor een goede literaire blog?

Het eerste woord dat er in mijn hoofd opdook bij die vraag was ‘oprechtheid’. Een blog moet oprecht zijn. Mensen zijn zo gesloten, ze vertellen zo weinig of zijn te preuts om over gevoelens te praten. Iemand die zich openstelt en zichzelf kan relativeren, die zichzelf zoekt door middel van schrijven, dat vind ik getuigen van intelligentie en karakter. Daarom houd ik van een breekbare boodschap, een zeker filosofisch inzicht, humor, zelfrelativering en eenvoud. Een boek waar dat voor mij allemaal samenkomt is Levensnevel van Kees van Kooten. Heerlijk! Van Kooten schreef eigenlijk ook een soort blogs, maar dan met een lengte die doet denken aan de blogteksten van Jo Komkommer, die ik ook heel graag lees.

Naast die oprechtheid moet een literaire blog ook getuigen van persoonlijkheid. Je moet als het ware het karakter van de schrijver zien doorschemeren als je zijn of haar teksten leest. Zo weet je ook of je met iemand al dan niet een pint zou gaan pakken. Niets staat zo haaks op een goede (literaire) tekst als onpersoonlijkheid. Een tekst die werkelijk iedereen kon geschreven hebben, confectieproza, met gebrek aan een beter woord. Niet dat die teksten geen bestaansrecht hebben, maar literair zou ik ze dan niet noemen.

Een derde punt en misschien een lastig punt is humor. En uiteraard bedoel ik niet haha-funny, maar het vermogen om met de wereld en vooral jezelf te lachen. Daarin schuilt dat ko(s)misch bewustzijn, dat we als mens onze nietigheid moeten accepteren. En dat kan op veel manieren. Je kan jezelf uitlachen zoals Kees Van Kooten doet, of je kan jezelf groter dan het leven maken zoals Pfeijffer. Maar niets doen is geen optie.

En ja, wat is dat exact, literair? Dat iets ‘goed geschreven’ is, kan veel verschillende betekenissen hebben. Wat is het verschil tussen lectuur en literatuur? Meestal zegt men dat lectuur eerder in gemakkelijke taal is geschreven, dat het minder gedurfd is en dat het in lijn ligt met wat de lezer gewend is om te lezen. Voorspelbaar dus en niet kritisch. Voorgekauwd. Misschien is dat wat literair betekent, dat het net niet voorspelbaar is. Dat je er zelf op dient te kauwen. Dat het gedurfd is. Dat het doet nadenken, dat vind ik zelf heel belangrijk. Echte wijsheid is niet dat je woorden kent die anderen moeten opzoeken in een woordenboek – hoe plezant ik dat ook vind – het is gedurfde vragen stellen en toegeven dat je zelf ook naar antwoorden zoekt. 

Een definitie is moeilijk. Misschien zoiets: ‘een stilistische zelfrelativering door het in vraag stellen van een veranderende wereld’. Ach, je kan het niet vatten.

Bij ‘een veranderende wereld’ denk ik niet aan kleine dingen. Eerder aan AI of de toenemende invloed van China.

Dat begrijp ik en dat sluit ik niet uit, maar ik doelde op de algemene vergankelijkheid van het leven, mijn favoriete woord in de Nederlandse taal trouwens: vergankelijkheid. Het allertriestigste en tegelijkertijd het allermooiste in de wereld vind ik het moment dat passeert. Ik ben een sucker voor nostalgie. Soms word ik getroffen door weemoed omdat ik tijdens een mooi moment vooruitblik op de herinnering eraan. Heb je Inside Out 2 gezien? Toen Nostalgie (de emotie uitgebeeld door een oud omaatje met een pot thee, red.) verscheen riep mijn dochter van zes: “Papa, dat ben jij!”

Natuurlijk heeft het ook een maatschappelijke invalshoek. De wereld verandert constant. Daarover schrijven in kritische vorm past even goed bij die definitie van een veranderende wereld. Schrijven heeft ook al veel laten bewegen in de wereld, meestal positief maar soms ook negatief, met als recente voorbeelden Salman Rushdie en Herman Brusselmans.

Om af te sluiten: de klassieke uitspraken blijven ook overeind: om goed te schrijven, moet je veel lezen. En schrijven. Dat laatste doe ik eigenlijk meer dan het eerste, denk ik.

Ben je te rusteloos om veel te lezen?

Nee, ik ben eerder kalm. Het rusteloze zit in mijn enthousiasme voor het leven. Ik wil te veel tegelijk doen. En de natuur heeft me blijkbaar ook het talent gegeven om daarin net te excelleren: niets heel goed kunnen maar overal een beetje goed in zijn. En dat heeft een schaduwkant, namelijk dat ik altijd vind dat ik het andere te weinig doe. Kijk, mijn zoon Max is negen en houdt enorm van bordspellen, net als ik. Het komt voor dat hij me vraagt ‘gaan we Wingspan spelen?’ op een moment dat ik eigenlijk iets wil schrijven én een idee heb voor een les die ik wil uitwerken. Ik probeer op zo’n moment een prioriteitenanalyse te maken. Wat is het belangrijkst: mijn kind, de maatschappij, ikzelf? Een onmogelijke keuze! Als je kiest, doe je altijd iets anders tekort. Ik denk dat veel mensen dat probleem kennen. Ik hoop dat toch.

Mijn onzekerheid omvat ook een soort leesschaamte, maar alleen tegenover mensen in ‘het vak’, want ik lees uiteraard wel minstens tien boeken per jaar. Ik moet echt moeite doen om twintig boeken per jaar te lezen, ik zit nu aan dertien. Ik lees heel graag maar selectief en gewoon ook heel traag, omdat ik afgeleid word door woorden waarvan ik plots de noodzaak voel de etymologie op te zoeken, of een mooie zin die ik een aantal keer opnieuw wil lezen. Of een gedachte waar ik graag even bij stil sta, in plaats van bij het verhaal te blijven. De schrijvers waar ik dat minder bij heb, zijn bv. Herman Koch, Bart Moeyaert, Tove Ditlevsen, Peter Terryn, … niet dat ik Het Diner beter vind dan La Superba; ik houd evenveel van taalvirtuozen en mensen die met hun oeverloze kennis uitpakken, maar het doet me wel soms aarzelen bij de lijvigheid van zulke boeken. 

Om te concluderen kan ik zeggen dat mijn onzekerheid vooral voortkomt uit de wetenschap dat ik niet excelleer in één ding, maar allerlei dingen een beetje kan. Lang was dat een vloek voor mij, soms met afgunst tot gevolg, en laat dat nu iets zijn wat ik zelf absoluut verafschuw. Daarom heb ik beslist om dat los te laten. Mijn vele interesses en passies probeer ik als een pluspunt te zien, ook al staar ik me nog steeds blind op illustere voorbeelden. Maar het schijnt dat het imposter syndrome haast iedereen tot slaaf maakt. 

Was dat ook een van de redenen van je burn-out?

Misschien deels, maar het was vooral de timing. Onze dochter was anderhalf, wat sowieso al een moeilijke leeftijd is en mijn zoon, die toen drie was, is best veeleisend: hij denkt over alles na, piekert, stelt heel veel vragen. Iets met appelen en een boom. Daarnaast werkte ik fulltime en was ik bezig met de regie van het eerste theaterstuk van Flabberghast. Het moment waarop het mis ging kan ik me perfect voor de geest halen. Ik liep naar mijn klaslokaal maar er stond iemand anders les te geven, er was een dubbele boeking gebeurd. Ik ben geen driftkikker dus ik ging rustig met mijn klas op zoek naar een ander lokaal, waar na tien minuten ook weer een collega voor de deur stond: ‘Dit is mijn klas.’ Ik heb haar proberen uit te leggen dat ik er al een heel parcours op had zitten en dat het fijn zou zijn als zij een andere oplossing zou zoeken, maar dat wilde ze niet. ‘Waar zijn uw leerlingen dan eigenlijk?’ vroeg ik toen. ‘Daar,’ zei ze en ze wees naar twee jonge kerels die tegen een muur aan het leunen waren. Toen is er iets in mijn hoofd gebeurd. Ik ben kalm gebleven, heb mijn les afgemaakt maar daarna was het gedaan.

Een dag later voelde ik me niet goed, een offday denk je dan. Maar ook de dagen daarna ging het niet. De dokter schreef me een maand thuis. Het werd echter alleen maar erger, ik had echt nergens zin in. Op een dag nam ik een glas water in de keuken maar ik had niet de moed of kracht om terug naar de zetel te lopen. Ik ben op de keukenvloer gaan liggen. Je denkt er niet bij na, je doet het gewoon. Toen mijn vrouw mij zo vond, stuurde ze me opnieuw naar de dokter. Die heeft mij toen na een gesprek aangeraden naar zee te gaan om te schrijven. Hoewel ik amper tot bij de dokter was geraakt – en zijn praktijk is op het einde van mijn straat – bleek dit idee gek genoeg een lichtpuntje, na lange tijd in het donker gezeten te hebben. Het gaf me energie, iets wat helemaal op is bij een burn-out. Daar, alleen in De Haan, ben ik beginnen schrijven aan wat mijn eerste roman moest worden. Een verhaal over twee mislukkelingen, althans in de ogen van de maatschappij, waarvoor ik inspiratie vond in De Uitvreter / Titaantjes van Nescio. Wat begon als therapie, werd een complex boek, té complex om het daglicht te zien als een debuutroman, maar het heeft me wel geholpen. Het heeft me vooral doen teruggrijpen naar de drie basiskleuren die ik helemaal kwijt was. 

Daar schreef je een stukje over, dat recent door Harold Polis werd uitgelicht op Azertyfactor. Hij zegt dat je beschrijft ‘hoe de volwassenheid de ervaringen van de kindertijd uitvlakt. Veelkleurigheid staat hier symbool voor verloochening. Vanstaen probeert zich de basiskleuren van zijn jeugd te herinneren, omdat ze voor hem de wereld hebben geopend.’

Ja, ik vind eigenlijk dat Harold het nog beter beschrijft dan ikzelf gedaan heb in mijn blog. De essentie van mijn blog is voor mij het kind zijn. Hoe ouder ik word, hoe complexer het leven. Het is de kunst terug te gaan naar de eenvoud. Die burn-out heeft me geholpen om dat te doen, onder meer via het schrijven. Het heeft me in die zin dus goed gedaan. Ik kan iedereen een burn-out aanbevelen.

Laatste vraag: wie zou volgens jou dringend een blog moeten beginnen?

Bij deze vraag kijk ik vooral naar mensen en niet naar schrijvers. Hier komen ze, in niet-hiërarchische volgorde, waarbij ik mijn favoriet voor het laatste wil behouden.

Hugo Matthysen. Ik dweep met hem zoals mijn moeder dweept met Rudy Vandendaele: alles wat hij schrijft is goud, ook de echte bagger is goed, want hij kan soms ook flauw zijn. Volgens mij is dat een heel leuke mens. Door hem ben ik ook met Flabberghast begonnen: ik zag zijn voorstelling Heksie in Het Paleis en dat inspireerde me tot ons eerste stuk Prins 6 – een fantastische omweg naar avontuur. Het is bijna een ode aan.

Jean-Paul Van Bendeghem: hem heb ik altijd geadoreerd. Ik heb ooit een gastcollege van hem gehad aan de UA en sindsdien ben ik één en al oor als ik hem ergens hoor spreken. Hij is heel bescheiden, heel intelligent, een beetje excentriek en heeft geen rijbewijs, net zoals ik. Als hij een blog zou bijhouden zou dat sowieso interessant zijn. Daarbij aansluitend: Bart Van Loo en Kris Humbeeck. Beide heren hebben een spark zoals Jean-Paul. Enthousiasme, liefde voor de taal en een waanzinnig verteltalent. Als ik gaarne ergens hang, is het aan hun lippen.

Zijn we al bij je ultieme favoriet?

Nee nog niet. Ik wil eerst dit sausage fest partycrashen door enkele vrouwen op te sommen van wie ik ook graag een blog zou lezen, te beginnen met Björk. Zij heeft een heel eigen visie op het leven, waarbij ze haar kinderlijke verwondering niet verloochent, integendeel. Elk jaar duikt op sociale media het filmpje op van een jonge Björk die uitlegt hoe een televisie werkt, geweldig. Daarin zie je al op jonge leeftijd haar ongebreidelde fantasie en vertelkracht. Ik ben een grote Björkfan, al vind ik zeker niet elk album even goed, maar ik denk wel dat ze een ideale blogster zou zijn. En dan verwijs ik opnieuw naar het woord ‘oprechtheid’.

Ze staat niet bekend als iemand die via de media gemakkelijk inkijk geeft in haar persoonlijk leven.

Dat is juist zo tof: ze spreekt via haar muziekteksten. Haar album Vulnicura gaat over de scheiding met kunstenaar Matthew Barney. Daarin neemt ze absoluut geen blad voor de mond. Het nummer History of touches bijvoorbeeld, gaat expliciet over seks met haar man.

Verder: een blog van Annie MG Schmidt zou heel leuk zijn en gemakkelijk lezen; Maud Vanhauwaert en Lize Spit kunnen mij ook raken met hun stukjes in de krant en ten slotte Beatrix Potter. Als kleine jongen wilde ik haar altijd als mijn moeder, niet dat ik geen lieve moeder heb hoor. Als we het over de hoofdkleuren hebben en de omarming van het innerlijke kind, is er geen beter voorbeeld dan zij. En misschien Godfried Bomans of Toon Tellegen, ook prachtig. Met Bomans zou ik wel eens op café willen hebben gezeten.

En dan, als laatste: Mark Oliver Everett.

Wie?

E van Eels. Mijn vrienden kennen me als een Radioheadfreak, maar als het gaat over teksten schrijven, spant E de kroon. Net als Kees van Kooten combineert Everett diepe gedachten over liefde en verdriet met humor en zelfrelativering en dat in de meest eenvoudige vorm. Zet daar de taal van de muziek bij, die ook triest en vrolijk tegelijk is en je krijgt iets fantastisch. Iets wat het dichtst bij het antwoord komt op de vraag: wat is de zin van het leven?

Everett is mijn grootste voorbeeld. Hij is uitermate oprecht en schrijft heel vaak over vergankelijkheid. Hij heeft een boek geschreven met de titel Things the grandchildren should know: ook hij schrijft al over het voorbijgaan voordat het voorbij is. Het album Electro-shock blues schreef Everett nadat zijn zus Elizabeth zelfmoord had gepleegd en zijn moeder aan longkanker was gestorven. Als je het nummer Elizabeth on the bathroom floor hoort, zou je in eerste instantie niet denken dat het over iets triests gaat. Suicide life is een walsje! In dualiteit schuilt het breekbare, de verlating, de vergankelijkheid. Hij schrijft trouwens evengoed over kleinburgerlijkheid: het nummer Let’s ruin Julie’s birthday gaat over een verjaardagsfeestje waar hij niet op uitgenodigd was. Grote gevoelens voor een kind. In Animal, een B-kantje op een cd met B-kantjes, neemt E het perspectief in van een dier. ‘Ik snap u niet, ik ben een dier.’ Het is een van de meest breekbare en oprechte teksten die ik ooit heb gehoord. Is het literair? Wie zal het zeggen. Maar dat het iets beweegt, dat staat buiten kijf. E schildert met de hoofdkleuren van het leven.

Kijken (vangst #184)

Une starlette à avenir prometteur, zo voelde de jonge Merel de Vilder Robier zich in het gezelschap van haar flamboyante – en nu overleden en met weemoed en liefde bezongen oom D.

Une starlette? Dat moet een geinternaliseerde male gaze zijn, en tegen die blik trekt Caro van Thuyne moedig ten strijde. Onze steun heeft ze, en misschien ook wel die van de man die zo de aandacht van Marij Cornelis heeft getrokken.

Weten die mensen bij leven wel hoe gij opgetrokken zijt uit pure, oversneden amour profond et inconditionnel van en voor hen? Ook al loopt ge altijd weg van de wereld, wegwegweg, terug in de schelpe, weer in uwen bolster, naar binnen naar binnen, de slotgracht over, de brugge raprap opgehaald! Buitenmaats bovenaardse gevoelsmensen kunnen namelijk niet leven met le quotidien des choses en moeten bijgevolg vluchten. Sommigen naar een veilige haven. Anderen in drank en feesterije.

Uit: Notitie van 20 augustus 2024 van Merel de Vilder Robier

Ik daag elke lezer uit een woedende menopauzale vrouw het zwijgen op te leggen. Ze is te oud geworden om zich nog te laten commanderen door mannen. Ik geloof dat vrouwen pas echt volkomen zichzelf worden vanaf hun menopauze, hoe beangstigend ze dat ook vinden. De tijd van pleasen is voorbij, gedaan met braaf en bevallig zijn voor de almachtige man.

Uit: Recht van antwoord op Het kleine kijken

Ik had hem willen lezen.

Gisteren kruiste ik een man op een voetpad vol drukte. Hij liep links, ik passeerde langs rechts. De tijd om mekaar te kruisen, amper meer dan dat, niet meer of langer kijken dan nodig om niet tegen mekaar aan te lopen.

Uit: ? op Fragmenten

Aan Gerbrand Bakker

Foto Gerbrand Bakker: Hub Dautzenberg

Dit is de derde brief in de eerste ketting van onze reeks Flessenpost. Marjon schreef aan Marita, die schreef aan Ingrid Vanderkrieken, die nu schrijft aan… Gerbrand Bakker.

Beste Gerbrand,

Een brief schrijven aan mijn grote voorbeeld is iets wat ik in normale omstandigheden niet zou doen. Ik zou niet durven. Maar omstandigheden kunnen veranderen, nietwaar, en nu we allebei in de literaire haven Aanlegplaats liggen aangemeerd, vind ik dat ik deze gelegenheid niet voorbij mag laten gaan. Niet op mijn leeftijd. (Wenn nicht jetzt, wann dann?) Ik heb al spijt genoeg van alle keren dat ik tegen mensen niet heb gezegd dat ik ze bewonderde of graag zag. Nog meer nadat ik de brief las die Marita van Marita´s overpeinzingen aan mij schreef. Sommigen zijn al dood! En hoe fijn is het niet bij leven te vernemen dat iemand je bewondert of genegenheid voor je voelt?

Mijn kennismaking met jou – of beter: jouw oeuvre – begon met Boven is het stil. Zo´n vijftien jaar geleden kocht ik het boek op aanraden van een Duitse vriendin. Vreemd gevoel was dat: mijn vriendin had de Duitse vertaling al en ik, die zoveel las, wist niet eens dat het boek bestond. Ik denk niet dat dat aan mij lag, en ik ben dan ook altijd van mening geweest dat jij in het Nederlandse taalgebied toen niet de erkenning kreeg die je verdiende. En als ik me niet vergis, vind jij dat ook. Wel leuk hoor, het gemopper somtijds op je blog, je commentaren op collega´s, boekenprijzen en de werking van jury´s. Maar goed. Ik geraakte zwaar onder de indruk van je boek en toen mij op de Schrijversacademie naar mijn drie lievelingsboeken en -schrijvers werd gevraagd, zat jij erbij met Boven is het stil. Ik wilde kunnen schrijven zoals jij: in een karige stijl, meer suggereren dan beschrijven, met “kale” dialogen die natuurlijk en raak de personages typeren. Eliane de Bleser van Andere Woorden kan dat ook heel goed. Ze kan nog meer, maar dat moet je zelf maar eens lezen.

Tot mijn grote vreugde kreeg ik met dit boek ook mijn man weer aan het lezen. Na De leeuw van Vlaanderen (verplichte schoollectuur) had hij geen boek meer aangeraakt. Hij vertrouwt nu op mijn goede smaak en leest alles wat ik hem aanraad. Als hij voor de rest ook eens naar mijn adviezen zou willen luisteren, was mijn wereld helemaal in orde.

In januari van dit jaar deed je op je blog een oproep tot ideeën voor een nieuw boek. Je schreef: Ik heb zin om een roman te schrijven (de romans van bevriende schrijvers vliegen me om de oren) maar zoals gebruikelijk een gebrek aan verbeelding. Het liefst een idee met twee elementen …

Dat je als gerenommeerd schrijver die vraag durfde te stellen vond ik geweldig. Hiermee gaf je aan dat schrijven voor jou iets is van kunnen en van willen. Wég met de mythe van het heilige moeten en de goddelijke inspiratie. Schrijven is ervoor gaan zitten en het doen. Wat een opluchting was me dat, en hoe herkenbaar: Gerbrand Bakker die niet overloopt van de ideeën en toch wil schrijven. Net als ik. Echt, het was een grote opluchting, én een stimulans.

Zo, ik ben gesprongen. Rest me nog je veel succes te wensen met alles wat je schrijft. Of het nu fictie is of non-fictie: ik ben voor eeuwig fan. Ook succes met de verkoop van je huis in de Eifel. Je pakt het goed aan, vind ik, met het oprakelen van je blogberichten in verband met de destijdse verbouwingen. Ben benieuwd naar wat het hierna wordt en hoop dan ook dat een inkijk in jouw leven op Dingetjes enzo nog lang mag blijven duren.

Met hartelijke groet,

Ingrid

Vaderdagen (vangst #183)

In navolging van E.M. Forster die ooit schreef: ‘Two cheers for democracy. Not three. Two cheers are quite enough’, zou ik willen zeggen: ‘Vier hoera’s voor Ingrid van der Graaf.’

Het portret dat ze van haar vader schetst in Zachtmoedig man is van een te koesteren tedere schoonheid. Met summiere toetsen roept Ingrid van der Graaf de contouren van haar vader op. Zoals Jean-Jacques Sempé in een paar lijnen werelden kon creëren, zo slaagt Ingrid erin in enkele paragrafen een heel mensenleven neer te zetten. 

Met haar elegante pen vertelt Sarah De Grauwe over een reis naar een gehucht in Aquitanië waar helemaal niets hoefde te gebeuren en dat in het gezelschap van een reisgenote die, net als zij, van het vieren van de stilte houdt. Onderhuids broeit er een loomheid die doet denken aan de laatste zomerdagen van augustus.

Kun je virtuele vriendschappen onderhouden met Club Brugge-supporters? Telkens als ik een stukje van Jan Devriese lees, denk ik: zeer zeker kan dat.  Zijn verhaal Awoe! dat hij op de begrafenis van zijn vader voordroeg is wondermooi. Een lach en een traan. Het vieren van een klein leven dat in het teken stond van Latijnse vervoegingen. Kan een Anderlecht-supporter heimwee voelen naar de tijd dat Club Brugge nog op De Klokke speelde? Of naar een vader die hij nooit heeft gekend?

De laatste keer dat ik mijn vader bezocht, herkende hij in mij zijn eerste lief, noemde me Rika, naar de naam van mijn moeder. Het volgende moment vroeg hij. ‘Heeft u ook kinderen? En komen die nog bij u thuis?’ Daar klonk een gemis in door, gevolgd door een geruststellend ‘O, gelukkig!’, toen ik het laatste beaamde.

Uit: Zachtmoedig man van Ingrid van der Graaf

Nooit eerder had ik gezelschap gevonden dat zo gezellig was als het veilige, eigen gezelschap dat men de eenzaamheid noemt. Gezelschap, zelfs met de beste, kan al gauw vermoeiend zijn, maar dit gezelschap was het niet, omdat wij de liefde voor de stilte deelden, en samen alleen konden zijn.’

Uit: Under the wild sky van Sarah De Grauwe

De dienst, in intieme kring zoals dat heet, was sober — ‘niet te veel cinema, had hij gezegd. Enkele stukjes klassieke muziek, met tussendoor twee getuigenissen. Die mochten ietwat luchtig zijn, hadden wij besloten. De dood was dan wel de aanleiding voor de bijeenkomst, maar wij wilden getuigen over het leven. Het kleine leven, zijn kleine leven, zonder de spotlights die we allemaal wel ter opsmuk over ons eigen leven in de openbaarheid laten schijnen.

Uit: Awoe van Jan Devriese