Het leven van Vitalski is uitermate boeiend. Op zijn blog Vitalskiblog vertelt hij over kleine en grote tegenslagen, maar ook over de momenten van plezier en succes. En altijd zet hij de wereld op zijn kop. Altijd is er humor. Altijd is er licht. Ook als het leven donker is.
Strikt genomen is de site Het Micha Wertheim Genootschap van Micha Wertheim geen blog. Maar als je je abonneert op zijn nieuwsbrief krijg je wel om de zoveel tijd een blogachtige mail waarin hij schrijft wat hij gelezen heeft, wat hij gezien heeft en wat hij van de wereld vindt. En ook op zijn website zet hij om de zoveel tijd teksten en artikels die hij geschreven heeft.
Wat hem zo bijzonder maakt is dat hij telkens opnieuw aantoont dat de werkelijkheid meerduidig is, hij huivert voor het oordeel, en neemt het op voor de falende, stuntelende en strunkelende mens.
Ook de site van Jan Ducheyne is strikt genoemen geen blog. Maar net als Micha Wertheim brengt hij om de zoveel tijd literair verslag van zijn leven uit. Hij doet dat via facebook en via mails waarin hij vertelt waar hij mee bezig is.
Verder zou ik graag de blog van Ruth Lasters Mevrouw u staat voor het bord willen aanraden! Ruth is een fantastische dichteres met een ongelooflijk groot hart. Met haar schrijven probeert ze de wereld een duw te geven. De wereld heeft mensen zoals Ruth nodig!
Al grasduinend in jullie haven werd ik fan van Ingrid van der Graaf. Ingrid van der Graaf doet het met simpele zinnen. In gewone taal vertelt ze hoe bijzonder de dingen kunnen zijn. Vanaf de eerste zin sleurt ze je haar wereld in. En dat vind ik mooi.
‘Mijn vader (1922-2005) plukt bloemen voor zijn lief waar hij vaak mee in onenigheid leefde. Maar mooie dagen waren er dus ook, dan plukte hij bloemen voor haar.’
Op een dag belde een van de grootste verhalenvertellers van ’t stad bij ons thuis aan en zoals het mannen die de jaren negentig nog bewust hebben meegemaakt betaamt, wisselden we een begroetingskus uit. Johan Petit zag er op een huiselijke manier sjofel uit. Stoppelbaard. Verwaaide haardos. En hij droeg een alledaagse broek die je niet snel om de lenden van een hedendaagse stervoetballer zult zien. Al in de deuropening trok een spraakwaterval zich op gang en er stond er geen rem op de rijkdom aan ideeën die Johan over zijn eenmanspubliek uitstrooide.
‘Kan ik je iets aanbieden, Johan?’
‘Een koffie met gewone melk als je dat hebt. Het liefst koude. Neen, liever geen haver- of amandelmelk.’
We vleiden ons buiten neer en wat me telkens weer opvalt als ik naar Johan luister is dat er nauwelijks een verschil bestaat tussen de man in mijn tuinstoel en de acteur op het podium. Zelfde stem, zelfde intonatie, zelfde unieke taal. Wereldwijd is hij de enige spreker van het Johan Petitiaans. Een taal om te beminnen, want ze knettert als een haardvuur en zijn universum straalt een koesterende behaaglijkheid uit. Johan Petit kan van het alledaagse – zoals de tijd die verstrijkt tussen de soep en de patatten of een ochtendlijke fietstocht met zijn zus over een bevroren waterplas – iets wonderlijks maken. Of het nu in een theaterzaal is of in een tuin in de Antwerpse binnenstad, steeds trekt hij me zijn wereld vol originele en herkenbare observaties binnen.
Zijn biografie is genoegzaam bekend. Geboren in 1974 in het Erasmusziekenhuis, het jaar dat Oranje de moeder aller nederlagen leed; opgegroeid in Borgerhout waar zijn jeugdjaren samenvielen met de eerste grote migratiegolf; na het Xaverius-college in Borgerhout succesvol te hebben doorlopen en in de polyvalente zaal aldaar het licht te hebben gezien, studeerde hij dramatiek aan het RITCS in Brussel en richtte met studievriend Bart Van Nuffelen het theatergezelschap Martha!tentatief op. Samen schreven ze tientallen toneelstukken over de tijd en de wereld waarin we leven.
Niemand is in trefwoorden te vangen – en zeker een duizendpoot als Johan Petit niet. Acteur. Regisseur. Schrijver. Observator. Familieman. Minivoetballer. Fan van Royal Antwerp FC. Filosoof. Veelvuldig winnaar van quizzen. Kenner en liefhebber van het oeuvre van de geniale cabaretier Micha Wertheim.
En dat treft, want dat laatste ben ik ook.
De twee grootste Micha Wertheim-fans van het koninkrijk België lieten zich de koffie zonder havermelk goed smaken en nog voor ik de drie klassieke Aanlegplaats-vragen aan Johan voorlegde, wilde ik weten of hij altijd al gezegend was met zijn verhalend talent.
‘Als zeventienjarige ben ik beginnen schrijven en het schonk me plezier. In die beginperiode schreef ik hoofdzakelijk poëzie. Tijdens de lessen Nederlands werd er van ons verwacht dat we algemeen beschaafd Nederlands spraken en dat ging me niet goed af. Bij ons thuis werd er Antwerps gesproken en als ik AN sprak had het iets onnatuurlijks. Uit mijn mond klonk het geaffecteerd. Ik beschouwde het AN als onecht en verzette me er tegen. Op een bepaald moment moesten we een opstel schrijven voor een schrijfwedstrijd en ik heb toen de ge- & gij-vorm gebruikt. Mijn leraar Nederlands heeft er bovenaan een motto uit Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon bijgezet – wat heel bijzonder was omdat tijdens de lessen literatuur Boon op het Xaverius-college totaal genegeerd werd. Hij dacht dat het motto nodig was omdat anders de aanspreekvorm niet geapprecieerd ging worden. Zo stuurde hij het in. Dat was het startschot voor de ontwikkeling van mijn eigen taal. Nooit heb ik geprobeerd om de oversteek te maken. Den boom in, dacht ik. Ik doe het op mijn manier en later ben ik die taal – het Johan Petitiaans – beginnen te cultiveren.’
‘Tijdens het spelen probeer ik te verbergen hoe hard ik aan mijn teksten schaaf. Ze moeten een natuurlijk ritme hebben en spontaan klinken. In het toneel is er een soort poging om oprecht te zijn. Nu ben ik voorbij die fase en ergens vind ik het wel spijtig dat ik geen AN spreek. Hoewel ik vermoed dat ik, mocht ik me erop toeleggen, wél algemeen Nederlands zou kunnen klappen. Maar omdat mensen weten hoe ik klap zouden ze – telkens wanneer ik beschaafd spreek – zeggen: maar zo klapte gij niet. Nu ik ouder ben, bewonder ik mensen met een prachtige uitspraak.’
‘Het exacte jaar weet ik niet meer, maar ik herinner me nog wel wanneer het is beginnen kantelen en Antwerps plots niet meer een handicap bleek te zijn. Het was ergens tussen 2008 en 2010. Ik had het theaterstuk Klein Jowanneke Gaat Dood gemaakt en werd gevraagd om in Leuven in de gebouwen van de KBC een voorstelling te geven voor afstuderende apothekers. Ik begon in het Antwerps, wat in zo’n plechtig kader ongezien was, en zag al die studenten verbluft denken: “Pardon, wat gebeurt er hier…?” Het was een deftige aangelegenheid waar mijn volkse taal niet in paste en toch heb ik de hele zaal meegekregen. Achteraf kwamen veel mensen me zeggen hoe goed ze het vonden. Dat was de eerste keer dat ik ervaarde dat Antwerps niet meer als minderwaardig werd gezien. Want dat was het vroeger wel. Mijn ouders probeerden me in de AN-pas te laten lopen en waarschuwden me voortdurend: “Ge moogt niet baregen zeggen, het is bergen; het is niet kairk maar kerk.’
‘Bart Van Nuffelen zat bij me in de klas op het middelbaar en toen hij naar het RITCS in Brussel ging om drama te studeren, ben ik hem gevolgd. Samen hebben we dan het Martha!tentatief opgericht. Op het RITCS was het de bedoeling dat je Kunst met een grote K maakte. Maar wij hadden zoiets van: we willen niet louter en alleen kunst voor de Monty en De Singel maken. Bij ons was het vanaf het begin de betrachting om steeds op twee niveaus te werken: zowel de hoge als de lage cultuur. Het was onze ambitie om die twee werelden samen te brengen.’
Waarom ben je ooit met een blog begonnen? Of heb je er nooit een gehad?
‘Het zou kunnen zijn van wel. Er staat me vaagweg iets van bij. Aan het RITCS heb ik ooit een gastcollege gegeven en samen met studenten twee maanden rond Kurt Köhler gewerkt. In het kader daarvan hielden we een blog bij om de wereld te laten weten waar we mee bezig waren. Köhler was een Vlaamse expressionist die zich in het zog van Paul Van Ostaijen toelegde op gedichten vol vormexperimenten. Hij schreef heel grave dingen, heel interessant. Maar hij is in de jaren dertig helemaal scheef gegaan en sloot zich, nadat hij het communisme had afgezworen, aan bij de autoritaire fascistische beweging Verdinaso en nadien bij het VNV van Staf Declercq.’
‘Köhler was iemand die altijd droomde van de schone, pure liefde. De vrouw was in zijn ogen ofwel een madonna ofwel een hoer. Zijn verlangen naar puurheid en zuiverheid is dan doorgeslagen in een bewondering voor het fascisme. Zijn gedichten uit de jaren dertig gaan vaak over de strijd tussen de communisten en de foute gasten. Mijn aandeel in die blog was hoofdzakelijk superviserend.’
‘Zoals met de meeste blogs was er in het begin enige animo rond tot het al snel afvlakte om uiteindelijk een langzame dood te sterven.’
‘Ergens moet er een gen zijn dat ik mis. Al heel mijn leven zou ik graag iemand willen zijn die modelbouw-boetjes in elkaar knutselt en van alles en nog wat verzamelt. In mijn ogen is een blog bijhouden zoiets als een dagboek. Om het dagelijks te doen moet je over een zekere wilskracht en discipline beschikken en beiden ontbeer ik. Telkens begin ik er vol goede moed aan maar al snel hou ik het, tot mijn grote spijt, voor gezien. Mijn grote voorbeeld is natuurlijk de blog van Vitalski. Die is fenomenaal. Waarom? Dankzij zijn blog zie je hoe onwaarschijnlijk rijk en groot en allesomvattend een leven is. Natuurlijk, Vital maakt veel mee. Maar zelfs als dat niet het geval zou zijn… Ken je het spreekwoord: Elke mens die sterft is een museum dat afbrandt? In de blog van Vitalski voel je dat onderhuids goed aan. Je voelt hoeveel er in een mensenleven gebeurt.’
‘Als ik stress heb hou ik een dagboek bij. Het is niet voor publicatie geschikt, want het is zeer persoonlijk en dient vooral om mezelf te helpen. Maar het is wel zo dat die losse dagboeknotities soms de humus vormen waaruit voorstellingen ontstaan. Gewoon opschrijven wat er gebeurt levert wonderlijke dingen op.’
‘Nee, Jo: het inleveren van mijn tweewekelijkse column vroeger voor de Zone 03 telt voor mij niet als bewijs van discipline. Dat was werken met het oog op een deadline. Ik associeer discipline met iets dat je jezelf oplegt, ook al moet het niet persé. Elk toneelstuk dat ik heb geschreven is er enkel gekomen omdat ik naar een première moest toewerken. Zoals iedereen heb ik lang last van uitstelgedrag gehad. Dat is nu sterk verbeterd. Vroeger deed ik niets tot het allerlaatste moment en dan smeet ik me als een dolle stier op het project.’
‘Tegenwoordig werk ik met mini try-outs zodat ik verplicht ben om nieuwe teksten te schrijven.’
‘In het verleden, als ik een event moest presenteren zoals voor de Nuff Said-avonden, bereidde ik me enorm hard voor. Tot Vitalski me de raad gaf om er als presentator niet al te veel tijd in te steken. Met als gevolg dat ik pas de avond zelf twee uur voor de voorstelling aan mijn bindteksten begon te schrijven en nog snel langsliep bij de artiesten om te checken of het inhoudelijk allemaal klopte. Op het podium bracht ik dan een soort mengeling tussen wat er op het papier stond en wat er me ter plekke te binnen schoot. Die werkmethode zorgde voor een gigantische adrenaline-rush. Maar na mijn kleine burn-out heb ik beseft dat ik verslaafd was aan de spanning dat het kon lukken of mislukken. Nadien heb ik de roes om men eigen dwars te zitten losgelaten. Nu – als ik ’s avonds een Nuff Said heb – reserveer ik voor mezelf een viertal uur om me in te werken. Dan sta ik rustiger op het podium en ontstaat er vanzelf meer ruimte voor improvisatie.’
‘Bij mij is de grap nooit het einddoel. Je vertelt altijd iets over de wereld. De mededeling gaat voor de grap; humor helpt om het publiek te verleiden maar is voor mij bijkomstig.’
‘Humor is voor mij spelen met taal. Je moet het publiek afleiden. Ik zie het als goochelen. Humor moet onverwachts komen. Hoe meer je je toelegt op het verhaal en niet op de pointe, hoe meer ruimte er ontstaat voor onverwachtse dingen.’
‘Vitalski is voor mij op tal van vlakken een grote inspiratiebron. Aan de ene kant wil hij beroemd worden en tegelijkertijd is hij volstrekt compromisloos. Die mens is een wandelende paradox. Vital is wat mij betreft echt geniaal. Als ge alleen nog maar naar die man zijn oeuvre kijkt zonder rekening te houden met zijn muziek en al de voorstellingen die hij in elkaar heeft gestoken en wat weet ik verder nog… Wat hij allemaal heeft gedaan… Denk bijvoorbeeld aan de rijkdom van zijn poëzie. Die stuntgedichten met telkens dezelfde klinkers zoals in Hond vond ons tof. Het gedicht dat ik persoonlijk het strafste vind is OktusBoktus waarin hij speelt met de taal van Ernest Claes. Zijn brein schiet alle kanten op. Zo heeft hij eens op zijn blog een stuk over leestekens geschreven: dat was echt van een interplanetair niveau. Hij rangschikt en maakt zinnen waar een onzichtbare logica in schuilt die normale stervelingen eigenlijk niet snappen. Vital, die van opleiding germanist is, weet echt alles van taal. Hij schittert op eenzame hoogte en in die zin ben ik trots dat hij ook een fan van mij is.’
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?
‘Een blog van Bart De Wever zou ik wel interessant vinden, want als persoon intrigeert hij me. Een blog die de banaliteit van zijn leven belicht zou ik graag lezen. Als je hem ziet: hij heeft altijd zo’n proper kostuum aan. Het lijkt of hij voortdurend op een podium staat. Dat is het heftige als je politicus bent – je beweegt je onophoudelijk in de schijnwerpers; je speelt de ene na de andere Champions League-finale. Daarom vond ik het progamma Het conclaaf zo tof, want af en toe vielen de politici uit hun rol en zag je hen gewoon boterhammen eten. Dàt zou ik interessant vinden: een blog die toont hoe Bart De Wever boterhammen eet. Ik stel me er eentje voor met veel foto’s.’
‘Iedereen binnen mijn links-progressieve bubble denkt dat hij een baarlijke duivel is. Politiek ben ik het volstrekt oneens met hem, maar ik vind hem als politicus en verbale goochelaar fenomenaal.’
‘Iemand anders die van mij met een blog zou mogen beginnen is de oudere actrice en zangeres Jacky Lafon. Het dagboek van Jacky Lafon vond ik bij momenten verbijsterend om te lezen. Zo vertelt ze over een of andere acteur uit de jaren vijftig die een grap uithaalde. Hij stond achter haar en zei: “Jacky: doe uw handen eens achter uwe rug”en dan legde hij er zijn blote fluit in… Ze schreef het op alsof het de normaalste zaak van de wereld betrof, alsof het niet meer was dan een onschuldig grapje. Terwijl: ik vond dat zo hallucinant. Schijnbaar dachten mensen vroeger dat het normaal was. De gewoonheid waarmee ze het neerschreef vond ik boeiend.’
‘Jacky Lafont is de actrice die zatte Rita speelt in de televisiereeks Familie en ze zat vroeger in programma’s zoals HT&D. In mijn fantasie beeld ik me in dat ze hondjes heeft en naar de bakker loopt en ik denk dat ze over alles wat ze meemaakt enthousiast kan vertellen. Ondertussen is ze ouder geworden en ik vermoed dat ze in haar leven niet veel meer meemaakt – maar dat spreekt me juist aan: een leven waarin weinig gebeurt en daar dan enthousiast over schrijven.’
‘Ik lees graag biografieën en zeker autobiografieën of memoires. Wat ik fascinerend vind zijn boeken van mensen die hun eigen leven beschrijven maar dan niet – omdat ze er de de taalkundige vorming voor missen – volgens de algemeen geldende schrijfregels. Ze bezondigen zich aan stijlfouten waar je een professionele redacteur nooit op zal betrappen. Te lange of passieve zinnen; witregels op de verkeerde plaatsen. Maar soms stroomt er een kracht uit hun verhalen die je laat voelen dat de mensen echt willen vertellen wat ze te vertellen hebben. En bij Jacky Lafon is dat ook zo. Ze wil graag haar leven delen met de rest van de mensheid. En ik vind bijna alle levens interessant.’
‘Bij literaire schrijvers kan ik afhaken als ze willen imponeren door te laten zien hoeveel moeilijke woorden en hoeveel puntkomma’s en heel den bataklan ze kunnen gebruiken. Zinnen met te veel puntkomma’s… dat is voor mij heel moeilijk.’
‘Als mensen met schrijfaspiraties metaforen gebruiken haak ik vaak af. Zeker als het slecht gedaan is. Het allerergste vind ik het genre van de rockrecensie. Die doen niet anders dan spelen met metaforen en vergelijkingen. Vaak is de boodschap: kijk eens hoe spits en slim ik ben. Alsof ze allemaal Engelse humor willen nadoen. Het is een soort slimmigheid die ik heel vervelend vind. Als mensen zich té slim willen voordoen, ben je me kwijt.’
‘Verder ben ik extreem allergisch aan opgeblazen taal – zoals in hedendaagse conceptuele kunst – die louter dient om een leegheid te verhullen. Daar word ik zelfs agressief van. Het raakt bij mij een emotionele snaar. Omdat ik het gevoel heb dat dat soort taal andere mensen probeert te intimideren en klein te houden. Maar pas op: ik ben ook niet tegen moeilijke woorden. Alleen moeten ze gebruikt worden in de juiste context en niet om iets op te blazen.’
‘Verder ben ik ook niet tegen dat ik de puntkomma of de komma’s op zich. Het zijn prachtige werktuigen om je verhaal mee te vertellen. Maar soms staan die overdreven geconstrueerde zinnen zo veraf van mijn eigen leven dat ik er nog moeilijk in geraak en denk: ach ja, intellectuelen onder elkaar. Maar ook weer niet altijd: want Stefan Zweig vind ik fenomenaal. Eigenlijk weet ik niet waaraan het ligt. Het zal persoonlijke smaak zijn vermoed ik, net zoals in alles.’
‘Ikzelf kan, maar dat zul je al wel door hebben, bij momenten behoorlijk redundant en overdreven enthousiast zijn. Sommige mensen worden daar lastig van en dat snap ik best. Ik word soms ook wel eens moe van mezelf.’
‘Ik heb het idee dat je blik op de wereld bepaald wordt door je innerlijke onrust en hoe groter die innerlijke onrust is, hoe negatiever je vaak naar de wereld kijkt. Het basisvertrouwen waar je al dan niet mee rondloopt en dat je doorheen de jaren hebt meegekregen bepaalt alles. Je publieke opinies. Je voorkeuren. En hoe je de wereld ervaart.’
‘Hoewel ik eerder links ben vind ik het links-progressieve doemdenken soms nog erger dan het rechtse doemdenken. Wat ik moeilijk kan verdragen is het elitaire, het moreel superieure van de Linkse Mens. Daar kan ik echt de wubbes van krijgen. Hoe ze zich termen als Solidariteit of Warm eigen hebben gemaakt. Ne links-progressieve is altijd warm – alsof mensen die conservatief denken niet warm kunnen zijn. Hoe conservatieven naar sommige maatschappelijke thema’s kijken, daar kan ik het emotioneel moeilijk mee hebben. Maar het is niet omdat ik dat vind, dat het ook zo is. Dat veroordelende probeer ik in mijn eigen voorstellingen te vermijden.’
‘Nog een derde persoon die ik zou willen zien bloggen?’
‘Einstein! Die vindekkik zo grappig en poëtisch. Wat hij allemaal ontdekt heeft, ontstond uit zijn extreme nieuwsgierigheid en verwondering. Einstein schreef ook veel brieven aan kinderen. Met het klimmen der jaren kon hij het idee dat God met dobbelstenen speelde niet aan en werd hij wat conservatiever en sloot zijn open blik zich een heel klein beetje.’
‘De macht die je als schrijver hebt, daar moet je enigszins omzichtig mee omgaan, vind ik. Hoe Ilja Leonard Pfeijffer in Brieven uit Genua over sommige collega’s en vrouwen schreef… (zucht). Op het einde kwam hij er voor mij nog een beetje mee weg omdat Pfeijffer zeer schoon en genadeloos over zichzelf schreef – er was precies een soort inkeer gekomen. Het punt is: als je schrijft hebben andere mensen geen weerwoord. Je hebt een gigantische macht. En ik vind dat je die daarom behoedzaam moet gebruiken.’
Wat maakt dat een blog echt goed is?
‘Eigenlijk gelden hier dezelfde redenen als die waarom ik zei dat ik fan was van Jacky Lafon. Ik hield vroeger bijzonder veel van de blog van Julie Cafmeyer, juist omdat het leek of ze precies geen literatuur schreef. Het was anders dan alle andere dingen die ik las. Het zat op de grens tussen echt en niet echt. Maar er trilde een leven, een spanning, onder de banaliteit van haar bestaan.’
‘Een goede blog slaagt erin om de illusie te wekken dat je een inkijk krijgt in een uniek leven. Dees leven is alleen maar het leven van die ene persoon. En dat is raar, want ik zei al dat ik hou van slecht geschreven autobiografieën. Maar als mensen tussen de regels en ondanks de clichés er toch in slagen dat unieke leven te laten zien dan heb je me helemaal mee.’
‘Uiteindelijk is een blog, vermoed ik, een openbaar dagboek. Vitalski zijn blog geeft heel goed weer wat hij die dag allemaal heeft beleefd. Wat hem die dag allemaal heeft geraakt. Dat vind ik er tof aan. Die mengeling tussen enerzijds de banaliteit van het bestaan en anderzijds een diepe melancholie. En soms is het grappig. Eigenlijk is het dat. Want ik lees ook graag dagboeken en dan hou ik ervan dat die twee tegenpolen op een volstrekt natuurlijke manier in elkaar opgaan. De alledaagsheid enerzijds en wat er me diep van binnen heeft geraakt anderzijds.’
Normaal gezien had het interview hier moeten eindigen, alleen schoot me net op tijd te binnen dat ik voor de fotoshoot domweg vergeten was te vragen of hij zijn favoriete boek wilde meenemen. Gelukkig zag ik een uitweg, maar zou Johans favoriete boek in mijn bibliotheek staan? Bij de eerste twee titels die hem invielen moest ik het hoofd schudden. Maar het derde boek was een schot in de roos en ik schoot naar boven. Als nieuwbakken bibliotheekassistent mocht ik niet teleurstellen en mijn chaotisch hoofd zocht en vond in mijn chaotisch geordende bibliotheek The BlackSwan van Nassim Nicholas Taleb.
‘Dit boek blies me helemaal omver. Het gaat vooral over de rol van het toeval. De geschiedenis zit alleen achteraf gezien logisch in elkaar. We vertrouwen op een logica die er niet is. Terwijl Nassim Nicholas Taleb zegt: het is de complexiteit. Je kan de zaken en hoe ze gelopen zijn niet voorspellen.’
‘Hij is ook gekant tegen experten omdat die vaak gevangen zitten in een tunnelvisie. Komt erbij dat ik nogal eens graag tegen heilige huisjes schop. The Black Swan is een oproep om echt kritisch te blijven en niet zomaar onvoorwaardelijk alles aan te nemen. Het leven is onvoorspelbaar en het enige antwoord dat we hebben is vertrouwen. Wat volgens mij veel conservatieve politici doen is de onzekerheid van het bestaan in al zijn facetten te lijf gaan met orde en discipline en regels en daar red je het niet mee. Teveel orde vind ik gevaarlijk.’
‘Ik herkende me ook in de manier waarop Taleb naar de wereld kijkt. Het was een troost om te merken dat mijn blik niet naïef is – want dat hebben mensen me altijd gezegd. Als ik dingen organiseer, zoals een quiz op de mini-voetbal, dan lukt het altijd, ondanks de chaos.’
‘Zo las ik onlangs een stuk over de tegenstelling tussen structureren en systematiseren. Ik ben enorm bezig met structuur. Structuur lijkt mij een fundament te zijn van kwaliteit. Een systeem is heel rigide en kan nefast of nadelig werken. Een structuur kan vele vormen aannemen en is meer een idee. Systeem heeft dat absoluut niet. Maar hoe beter je structuur, hoe groter de kwaliteit. De rimpels van het zand die de zee maakt daar zit een structuur in, maar die liggen allemaal wat verder of dichter bij elkaar. Er zitten patronen in die je herkent. En dan kom je bij complexiteit. Dàt vind ik altijd interessant. Terwijl systemen en symmetrie heel eng en beperkend kunnen werken. Met complexiteit kom je veel verder.’
De opname van ons gesprek werd stilgelegd, maar Johan bleef hardop nadenken en elke ingeving vanuit alle mogelijke invalshoeken bekijken. Zou zijn hoofd ooit een moment van rust kennen? Omdat hij enkele dagen later bij ons thuis een try-out ging spelen van zijn nieuwe voorstelling O Superman bestudeerden we de twee mogelijke zalen (de huiskamer of de tuin) en stonden stil bij de technische uitdagingen van het stuk. Hij had een beamer en een scherm nodig en op zijn computer liet hij me de drie filmfragmenten zien die hij wilde projecteren. Stuk voor stuk juweeltjes. En laat dàt nu een van zijn allergrootste talenten zijn: het buitengewone in het alledaagse opmerken.
De dag van de voorstelling brak aan en dankzij het uitnodigende zonlicht verkozen we onze tuin als theaterzaal. Mijn plechtige belofte dat ik zeker en vast voor een scherm op een driepoot zou zorgen bleef me achtervolgen, want niemand uit onze kennissenkring had thuis nog zo’n relikwie uit de twintigste eeuw staan. En de drie filmfragmenten maakten een cruciaal onderdeel uit van O Superman. Met de structuur zat het goed, maar zouden we deze systeemcrisis te boven kunnen komen door te beginnen improviseren? Helaas zag ik geen uitweg en voelde mijn stressniveau stijgen tot een vriend een briljante ingeving kreeg en suggereerde om de twee langste mannen uit het publiek een wit laken de laten vasthouden. Een Nederlander uit het wondermooie Roosendaal en de dichter Jan Ducheyne werden met die taak belast. Johan Petit ging zo speels met de nieuwe realiteit om dat het wel leek of het een onderdeel van de voorstelling was. Dankzij zijn verbeeldingskracht oversteeg de verhalenverteller van ’t Stad de technische tegenslag en bezorgde het talrijk opgekomen publiek een onvergetelijke zondagmiddag.
Had Laurie Anderson Johan Petit in gedachten toen ze O Superman schreef?
Bloggers delen hun leven met ons. En niet alleen de fijne dingen, ze schrijven ook als het lastig is. Als katteneigenaars niet willen begrijpen dat hun oogappel misschien veranderd is. Als ook een nieuwe bril negatieve gedachten niet kan tegenhouden. Als het je verjaardag is. Met in de hoofdrollen: Marita, Ingrid Vanderkrieken en Sam Sterckx. Jeuj.
Een paar weken geleden kreeg ik een briefje in de bus met het verzoek om uit te kijken naar Barry. Barry woont niet in de buurt, maar zou volgens zijn eigenaren in onze tuinen gesignaleerd zijn. Niet lang daarna zag ik in mijn tuin een rode kat lopen die sprekend op de vermiste kat leek. Ik ben de beroerdste niet en ben naar buiten gestapt om Barry te lokken. En warempel, die rooie reageerde op de naam Barry. Hij ging braaf voor me zitten, ik heb een foto gemaakt als bewijsstuk en die geappt naar zijn eigenaresse.
Ik meende zelfs te merken dat mijn zicht invloed had op mijn verstand en voelde het al aankomen: ik ging een tunnelvisie krijgen. Ik zou iemand worden die heel rechtlijnig dacht, zonder de mogelijke zijpaden nog te ontwaren. Omdat ik dat echt niet wilde droeg ik mijn bril maar heel sporadisch, wat het aanpassingsproces natuurlijk niet bevorderde. Na verloop van tijd zette ik hem toch wat vaker op. Om de dingen nog duidelijk te kunnen zien moest ik wel. Gelukkig werd mijn gezichtsveld stilaan breder en viel het gevaar van radicalisering weg. Ik ben er nu goed aan gewend en draag hem de hele dag.
‘Sam, ik wilde je nog feliciteren met jouw …’ In gedachte leg ik mijn wijsvinger op de mond van een overenthousiaste collega. ‘Hou gewoon je mond voor ik met mijn koffielepel je oogkas uithol en je anaal kapot beuk.’ Maar ik doe het niet. Ik laat haar der gang gaan en neem de felicitaties in ontvangst. Jeuj. Weer een jaar ouder. Ik draai mij om, stap geruisloos weg en probeer één te worden met de buxushaag.
Al sinds we met Aanlegplaats zijn begonnen, nu 173 vangsten geleden, hoop ik ooit een vangst te kunnen beginnen met een vis.
Vandaag is het zover.
Dankzij de zeebaars genaamd Sybille, en haar schrijver Viktor Frölke. Sybille heeft, ik verklap het alvast, uiteindelijk het eeuwige leven. Dat is wat Marieke Groen ook nastreeft, met behulp van een knijpkat en ondanks de aanwezigheid van een echte, zij het hoogbejaarde poes.
Lijkt u dat vreemd? Schrijvers zijn vreemd, schrijven is nu eenmaal een vreemde bezigheid. Johan Bosmans weet er alles van, in zijn bespreking van de brieven van Camus, die hij niet zal lezen. Gelukkig voor ons vist (haha!) hij die prop wel weer op.
Au, zei de zeebaars toen ik een stukje
van haar gegrilde huid afsneed.
Je voelt je zeker heel wat, hè.
En: doe je dit thuis ook?
Mijn buurvrouw en ik delen een liefhebberij: preppen. Het is geen echt preppen, we doen maar wat, we kopen kleine gasflesjes omdat ze er zo leuk uitzien. We kopen blikjes bonen en eten ze meteen op. We preppen op poppenhuisformaat. ‘Ik heb een knijpkat en een fluitje,’ zei zij op een dag. ‘Een knijpkat,’ zei ik jaloers. Nog diezelfde dag kocht ik er ook een.
Over welke “herkenning” gaat het.? Een herkenning van “nonsens”. Die vind ik wel in elke tekst terug. Maar de meest waardevolle vondst is de plotse ingeving: deze auteur beseft dat hij nonsens schrijft. Je ziet plots de auteur voor ogen zoals je jezelf al meermaals hebt gadegeslagen. De auteur die “AAARGH” schreeuwt en dan zijn papier tot een bolletje verfrommelt om het daarna met een welgemikte worp de papierbak in te keilen. (So gelangt man beim Philosophieren am Ende dahin, wo man nur noch einen unartikulierten Laut ausstoßen möchte L.W.) De auteur die bedaart, zijn prop weer opvist, glimlachend de plooien glad strijkt en weer verder gaat.
Tom Wouters is een eersteklas observator en verhalenverteller die humoristisch de vinger op het ongerijmde en het verbazende kan leggen. En op zichzelf want het lijkt alsof er zich in zijn leven weinig afspeelt maar het gaat er niet om wat er gebeurt maar hoe je er naar kijkt.
Ik heb hoogtevrees, maar toch dacht ik er gisterenavond aan om op een ladder te gaan zitten en zo naar de wereld te kijken. Dat gebeurde niet zomaar: uren eerder had ik de 90-jarige buurman naast zijn ladder dood teruggevonden in zijn voortuin. Dood was hij in elk geval tot hij zijn ogen weer opende en, naar lucht happend, vloekte: “Verdomme, is het nu weeral gebeurd?” Hij was die week al drie keer bewusteloos gevallen en voor dood blijven liggen, maar ook evenveel keren weer herrezen. Daar had een bijbels verhaal in kunnen zitten, als het hem geen vierde keer was overkomen. In plaats van het doktersadvies te volgen en geen inspanningen meer te doen, had hij zich geërgerd aan de beukenhaag die dringend gesnoeid moest worden. Liever een nette haag dan een onafgewerkte klus, moet hij hebben gedacht. Toen hij zijn ladder had opgesteld en op het punt stond om zijn snoeischaar te nemen, werd het hem zwart voor zijn ogen.
Sylvie Marie is een sterke dichter en auteur die weet hoe je alledaagse situaties op een open en speelse manier kan beschrijven, alhoewel de eerste keer slapen met uw nieuw lief niet zo alledaags. Het ‘lepeltje-lepeltjeliggen’ beschrijft zij hier zonder klefheid maar heel tactiel. Je kijkt haast uit naar dat moment waarop je dat met je partner kan doen, liefst op een gestolen moment.
‘Nu we samen slapen, glijden we almaar makkelijker in elkaars slaappositie. Of hij ligt op zijn rug en ik schurk me tegen zijn flank aan, mijn hoofd op zijn borst en het been opgetrokken, of de lepeltjes vinden hun plek in een krappe lade. zo zijn de alleenslaaphoudingen met elkaar versmolten. Ik vind het een krachtige gedachte dat iemand, wanneer hij zich heel diep verbonden met een ander voelt, de moed heeft om zo in slaap te vallen en zichzelf innig over te leveren aan de ander. Samen slapen verandert met de relatie mee. Je zou een camera boven het bed van koppels kunnen hangen en een timelapse van jaren maken. Ik wed dat je dan kan vaststellen hoe een stel dichter komt, zich almaar eenvoudiger in elkaar verstrengelt, tot het weer als ijsschotsen uit elkaar drijft. Nu, dat laatste stadium wil ik met mijn lief liever niet meemaken. Mocht er boven ons bed gefilmd worden, eindigt het beter met beelden van ons allebei, héél héél oud en allerdichtst bij elkaar, en hoe we plots stil en vredig blijven liggen, terwijl het buiten dag en nacht, en weer dag wordt… tot ze ons vinden.
De autobiografische boeken die Jo Komkommer uitgaf, waaronder Opkomst en ondergang van de Citroën Berlingo, bulken van de ‘bitterzoete’ herinneringen, observaties en verhalen. Dit is een man die spannend en speels kan schrijven over de avonturen die hij beleefd heeft. Sterk geobserveerd en met een oneindige interesse in de wereld en de mensen die daarin hun spel spelen.
Het was tijdens de nadagen van de Koude Oorlog dat ik voor het eerst Oost-Europa bezocht. Samen met een Mexicaanse vriend en drie Mexicaanse vriendinnen reisden we rond in het toenmalige Oostblok dat al een goede veertig jaar gebukt ging onder de donkere schaduw van het communisme. Socialisme met een onmenselijk gezicht. In Oost-Duitse treinen vroegen conducteurs blaffend om vervoerbewijzen en in lege Tsjechoslowaakse restaurants stonden uitgebluste diensters op zinloos werk te wachten. Achter het IJzeren Gordijn was elke sprankel levenslust verdwenen. Alles was er dof. De blik in de ogen van de mensen; de verregende gevels; de kleding van de vrouwen op straat; de elftalfoto’s van voetbalploegen die louter uit plichtsbesef in de houding gingen staan. Het regime had het recht op verbeelding naar diepe kerkers verbannen en in een minimum van tijd de grote Oost-Europese culturen omgebouwd tot openluchtgevangenissen waar de zware metaalindustrie verdorven lucht uitstootte. De hele reis verzuchtten de Mexicaanse meisjes: ‘Thank god, that we live in a third world country…’
Met enige schroom betreed ik het horeca-etablissement van deze editie van het maandelijkse Aanlegplaatsinterview. Ik werd hier in vorige levens al misleid door een potentiële investeerder en was slachtoffer van een verdoken evaluatiegesprek. Daar kan het etablissement natuurlijk niks aan doen, al biedt het – dat zie ik nu! – met zijn ruime opstelling en warme appelgemberdrank de perfecte dekmantel voor malafide arbeidspraktijken. Gelukkig zijn Ruth Lasters en John Vervoort er al. Ze zitten midden in de zaak, naast elkaar en vergeven me met zoveel enthousiasme het onmiskenbare feit dat ik niet Dirk Van Boxem ben (onze hoofdredacteur en de man die ze hadden verwacht op basis van de mailtjes die ik vanuit Dirks adres stuurde), dat alle angst en twijfels over wat dan ook, direct de kop worden ingedrukt.
Ruth: “En waar was het ook alweer voor?”
Voor Aanlegplaats, thuishaven van literaire blogs in Nederland en Vlaanderen.
John: Dat je haar wil interviewen, snap ik, maar ik heb eerlijk gezegd weinig met blogs. Eigenlijk zijn wij elkaars natuurlijke vijanden.”
De recensent en de schrijver?
Ruth: “Ja. En hij komt uit Sint-Jozef Rijkevorsel in de Stille Kempen.
John: “Zij vanonder de Antwerpse kathedraal. Ik heb veertig jaar lesgegeven op een klassieke…”
Ruth: “Een elitair college.”
John: “…een voornamelijk witte school in Hoogstraten, hoewel dat nu erg snel verandert. Waar in het begin jongens en meisjes nog gescheiden zaten en er nog elk jaar een klassieke Italiëreis is met de retorica. Ruth zegt dan…
Ruth: “Dat dat eigenlijk wat onrechtvaardig is omdat heel veel leerlingen waaraan ik veertien jaar lang les aan gaf in de Spectrumschool in Borgerhout zo’n reis niet kunnen betalen. Terwijl zij daar ook recht op hebben, lijkt me.
Geliefden Ruth Lasters en John Vervoort zijn beiden schrijvers en docenten, onder meer op de Schrijversacademie. Lasters kwam in het nieuws toen ze in 2022 als één van de vijf stadsdichters van Antwerpen ontslag nam nadat het kritische gedicht Losgeld over A- en B-labels in het middelbaar onderwijs, werd geweigerd door de Stad. Vandaag is ze terug als onafhankelijk stadsdichter en schrijft ze haar vijfde roman, naast haar werk als leerkracht Frans, creatief schrijven en paperbegeleiding op de! Kunsthumaniora. Haar blog Mevrouw u staat voor het bord! vervoegde dit jaar onze haven. John Vervoort is bekend als literair recensent en schrijft al meer dan twintig jaar voor De Standaard en Het Nieuwsblad. Beiden zijn ze kritisch voor het onderwijs en schrijven ze regelmatig opiniestukken in de krant. Aanlegplaats nodigde hen uit voor een duogesprek, of zoals onze hoofdredacteur het noemde, “een experiment.”
Ruth:“We mogen toch gewoon praten hè, het hoeft toch geen interview te zijn?”
Ik heb wel drie vragen. De eerste is: hebben jullie een blog?
John:“Die is voor jou, Ruth.”
Ruth:“Ja, ik heb een blog. Al heb ik er al een tijdje niks op gepost. Met de cocktail van een voltijdse lesopdracht, optredens en het schrijven van proza, komt het er niet altijd van. Maar ik heb wel ontzettend veel tijd gestoken in het visuele luik. Heb je het gezien?”
Ja! De Barbies.
“Ik wilde een onderwijsblog die concreet voorstelt wat dat is, een klas met vijfentwintig leerlingen. Dat zijn geen nummers, dat zijn werelden met jongeren die allemaal een verschillende achtergrond hebben: sociaal, cultureel, economisch… Die complexiteit wilde ik neerzetten. Alle leerlingen hebben een uitgebreid profiel op de website die hun achtergrond schetst en hoe ze in het leven staan. En dan had ik het idee om het visueel te maken met Barbies. Pas op, ik heb ze wel serieus moeten transformeren. Want een jongenspop kun je bestellen, maar alle meisjesbarbies zien eruit als prinsessen. Dus ik heb kleertjes gekocht. En dan meubels gekocht en de klas aangekleed.”
John:“Die klas staat in de living.”
Hoe groot is dat dan? Zoiets?
Ruth:“Nee groter, toch [staat op]… de helft van deze tafel. De eerste klas die ik had besteld was te klein. We zijn er druk mee geweest. Heb je de stopmotion filmpjes gezien? Dat heb ik moeten leren, ik kende daar niks van.”
John: “Ja, als jij ergens aan begint dan ga je ervoor. We hebben ook een podcast gemaakt ‘in de leraarskamer’.”
Ruth: “Ik heb tien stukken klaarstaan die ik erop zou willen zetten. Ik zou graag meer weten over de technische kant van de website. En meer promotie maken als er een stuk verschijnt. Maar de tijd…”
John:“Je bent nu ook met je roman bezig, hè.”
Ruth:“Ja da’s waar. Weet je wat ik het liefst zou willen? Die blog samen met anderen onderhouden. Met collega-leerkrachten die ook hun ervaringen willen delen. Dus bij deze: een oproep!”
Je noemt het een ‘anti-burn-out blog’.
“Ja, om nieuwe leerkrachten te helpen in hun eerste jaren. Ik was zelf eenentwintig toen ik mijn eerste interim deed en tweeëntwintig toen ik aan een fulltime begon. Dat noem ik mijn werkverdrietjaar nummer één. Ik schreef er mijn roman VIN over. Ik had geen idee dat er veel meer collega’s met dezelfde zaken worstelden, ik dacht dat ik de uitvinder was van het tuchtprobleem! Nu besef ik: je kunt elkaar alleen maar helpen als je heel eerlijk bent over je eigen ontwikkelingsproces. Dat wil ik doen op die blog.”
En jij, John?
“Ik ben er nooit toe gekomen om mijn teksten en recensies online te plaatsen. Ik weet eigenlijk niet waarom, de leeftijd misschien?”
Bloggers zijn niet per se heel jong.
“Nee, inderdaad. Ik zou het kunnen doen. Ik schrijf ook graag opinies, dat is dan misschien weer net iets anders..? Sowieso heb ik daarvoor een kanaal in de krant.”
“Ik lees wel graag egodocumenten, hoor. De uitgaven van Privé-domein vind ik fascinerend. En er zijn prachtige autobiografische romans, zoals Bezonken rood van Jeroen Brouwers en De avond is ongemak van Lucas Rijneveld. Toch ben ik ook wel blij met de kentering die ik zie bij studenten van het Basisjaar Literair Schrijven. Er zijn nog altijd mensen die autobiografisch willen schrijven, maar het aantal neemt af. Het verhaal lijkt weer in opkomst. Terecht, wat mij betreft. De laatste romans Tom Lanoye en Jeroen Olieslaegers bijvoorbeeld bewijzen bijvoorbeeld dat we nog altijd niet klaar zijn met de oorlog.”
“Mensen met een migratieachtergrond gaan wel vaak voor de persoonlijke insteek. En dat juich ik ook toe. Een nieuw perspectief is interessanter. Al blijft de grote kunst natuurlijk: literatuur maken van je verhaal. Het moet meer zijn dan mijn scheiding of mijn coming-out.”
Lees je ook blogs?
“Tzum lees ik wel, omwille van de recensies en het nieuws. Bestaat er nog een goede recensieblog? Arts & Letters Daily ken ik, maar dat is zovéél. Ik ben een heel grote Shakespeare fan: ik zou waarschijnlijk heel mijn leven kunnen invullen met het lezen van online Shakespeare artikelen. Maar je moet ook nog af en toe een wandeling kunnen maken. En ik blijf een papieren krantenlezer.”
Ruth:“Ik lees graag blogs over het tunen van je leven. soChicken bijvoorbeeld, van Jelle Hermus. ‘Doe één ding!’ zeggen hij bijvoorbeeld. Anders verlies je focus. Of: ‘Zes dagen wijden aan je hoofdtaak en de zevende dag bewaren voor al je andere projecten!’ Misschien moet ik dat doen. Of misschien volgend jaar minder uren doen op school. Of gewoon wachten tot de vakantie.”
John: “In de vakantie kan alles.”
Ruth: “De blog van The Minimalists volg ik ook, zalig. Dat zijn essays en een podcast over leven met minder. Ik leef al minimalistisch, in de zin van klein en anti-materialistisch. Strak en geordend, hmm… dat zit er nog niet in.”
John:“We hebben twee adressen.”
Ruth:“We zijn een modern koppel.”
Laatste vraag: wie zou er volgens jullie dringend een eigen blog moeten hebben?
Ruth: “Wel, we zijn vandaag een week voor de verkiezingen. Ik denk dan niet direct aan een persoon, maar eerder aan onze maatschappij. Wat als we nu eens een groot warm blok maken van alle linkse partijen samen. Met een blog waarop elke dag iemand een persoonlijk verhaal vertelt over waarom het belangrijk is om samen te leven, om oprecht te zijn, om solidair te zijn. Dat is waar ik aan denk.”
Op het moment van schrijven weten we nog niet wat er precies is gebeurd, zondag. Maar het idee van een grote warme blog klinkt zeer aanlokkelijk. Waar ik ook 100% zeker van ben, is dat ik vanaf nu alleen nog maar koppels interview. Wat een geslaagd experiment! Of John en Ruth nog literaire koppels kennen?
Ruth: “Die zijn er wel, hoor…. Eens denken.”
John: “Rob Van Essen en Lize Spit, natuurlijk.”
Ruth: “Lotte Dodion, de stadsdichter en Thomas Abelshausen van het Letterenhuis.”
John: “Ja! Heel interessant. En Martha Claeys, heb je haar boek gelezen, Trots? Zeer sterk.”
Ruth: “Met haar ouders! Manu Claeys en Anne Provoost. Dat gaat een goeie zijn. Wie nog..?”
Even lijken ze een vierde koppel uit hun mouw te schudden, maar dat moet worden ingeslikt, “die zijn uit elkaar.” Als we rondkijken in de hoop op meer inspiratie, zien we dat de zaak leeg is en de bediening aan het schoonmaken. Ruth stoot John aan: “Kom, we gaan spaghetti maken.”
“Ja, we gaan spaghetti maken.” Ze staan op en wandelen naar buiten. Ze zwaaien. “Fijne vakantie alvast!”
Bloggen over de bodem en de gronden van bestaan. Anne Broeksma vertelt weer over de aarde met haar mooie weemoed. Ze getuigt van volkstuintjes, wil boompjes redden uit de wildernis. Ze beschrijft stillevens met regentonnen en urinoirs vol spinnenwebben – godvergeten kunst. Gerbrand Bakker bromt met fonkelende ironie over hoe zijn tuin een eigen leven leidt. Al jaren probeert hij van alles maar helaas… En dan bloeit er plots een koppige bloem die hij niet eens had geplant! Tussen hem en zijn gazon botert het niet goed. Terloops wordt ook de invloed van de hond vermeld. Philippe Clerick spoort van de boeren en het groen naar de politieke soep. Beschouwingen over staatssubsidies, het respecteren van de rechtstaat en het ondernemerssyndroom. Hopelijk goede mest in aanloop van de verkiezingen.
Maar ik deed het niet dit jaar. Over de tuin schrijven. Tot nu toe. Misschien omdat ik zo laat ben met planten. Al is mijn tuin altijd al een augustustuin geweest. Dan is-ie op z’n mooist. Misschien omdat het zo rommelig ging, met af en toe een daad stellen en dan weer weken niets. Het is vreemd. De tuin is een bron van ergernis, gedoe. Maar dat valt in het niet bij het aardse geheim dat de grond daar in mijn ogen stopt tijdens het woelen en waarvan ik zelf ook nog niet precies weet wat het is. Uit: Tuindagboek 20 mei Notulen bij het ongetemde | door Anne Broeksma
Hé, had ik daar narcissen staan? Ja, blijkbaar. En ineens maar liefst drie kievietsbloemen, totaal onverwacht. En zo her en der boshyacinten, ook op plekken waar ik me niet van kan herinneren ze gezet te hebben. Uit: Weinig materiaal van Gerbrand Bakker
De boerenstiel is hard labeur, maar het is een eigen keuze, van mensen die met de voeten in de klei of in de mest willen staan, die geen baas boven zich willen, die niet achter een bureau of een kassa hun dagen willen slijten, die willen leven op het ritme van de seizoenen, die het beroep willen verderzetten dat hun ouders en grootouders koppig hebben uitgeoefend. Uit: De agrarische ‘way of life’ e.a. van Philippe Clerick
Gaat 2024 het jaar worden dat ik de pen van Ingrid van der Graaf leerde kennen? Het is wonderlijk hoe ze me telkens vanaf de eerste paragraaf meekrijgt en me met haar ogenschijnlijk eenvoudige zinnen weet te ontroeren. Vorige keer had ik al opgemerkt dat haar stijl me aan die van Marja Pruis deed denken – de tamelijk sublieme columniste van De Groene Amsterdammer. Dezelfde conversationele toon; dezelfde losse invalshoeken. Het lijkt alsof Ingrid je een verhaal vol impressionistische jazz-toetsen influistert, maar het zit allemaal wonderwel in elkaar. Prachtig stuk over de liefde, het poeziëtijdschrift Het Liegend Konijn en otters
Lennart Vanstaen bespeelt een compleet ander register in Oud ijzer, koper, loodzware job. Iedereen kent, al was het maar van horen omroepen, de in bestelwagens rondrijdende ijzeropkopers die via luidsprekers verkondigen dat ze de mensheid en hun buurtbewoners van oud ijzer willen verlossen. Lennart gaat met dat gegeven aan de slag en maakt er een geestige denkoefening van.
Afsluiten doen we met Ingrid Verbanck. Op Elke dag wel iets iets staan regelmatig opmerkelijke stukken. Intelligent. Weloverwogen. Scherp. Interessant. Aanleiding van haar analyse over Sartre en De Beauvoir is het boek A Dangerous Liasion van Carole Seymour-Jones waarin van de mythe van de denker met de pijp en de vele vriendinnen weinig heel gelaten wordt. Wat rest van zijn omvangrijk oeuvre en van jarenlang met een beschouwende blik door Parijse vensterramen te staren zijn de exorbitante prijzen in Café de Flore.
‘Ik moest denken aan de tijd dat de man en ik uit elkaar dreven. Ook mensen komen in stromingen terecht. Ik dacht aan hoe ver de man en ik van elkaar verwijderd raakten. Dat de gedachte, dat als ik toen gewoon zijn hand had gepakt, me niet meer loslaat. We vonden elkaar, nadat we uit elkaar gedreven waren, wel weer terug hoor, maar daar gingen jaren overheen.’
‘De tweede metaaljager daarentegen gooit het over een heel andere boeg. Hij onderbrak de stilte tijdens mijn lunch met de profetische woorden: ‘Oud aaazer, loewd, koper en zink. Platte batteries en wrakken van awtoos’. Deze man speelt meer in op de omgeving, door het eren van het plaatselijke dialect. Ook heeft hij meer aandacht voor het metrum, waarbij hij erg slim jambische versvoeten afwisselt met de anapeste variant. Persoonlijk vind ik die menging van hoge en lage cultuur erg tot de verbeelding spreken.’
‘Wie wel een rol van betekenis speelt in het verzet? Camus. Als hoofdredacteur van het verzetsblad ‘Combat’ bleef ook hij publiceren, maar zijn teksten werden tijdens de oorlog niet in de Parijse theaters opgevoerd onder goedkeurend oog van de Duitsers. Het was pas toen het duidelijk werd dat Duitsland op een nederlaag afstevende dat Sartre zijn kar keerde en er op een bijzonder opportunistische manier in slaagde om na de oorlog het narratief rond zijn persoon te keren.‘
Deze week reiken 3 bloggers alternatieven aan voor al uw vastgeroeste voorstellingen en dichtgevroren denkkaders. Omdat niets is wat het lijkt. Sarah De Grauwe toont dat vakantie ook zonder kunst, zintuiglijk genot of natuurbeleving kan. Tom Wouters vindt schatten op een boekenkraampje vol vieze, versleten, gedateerde boeken. Jan Devriese droomt over het leven parallel aan dit ene geleefde leven, het niet geleefde, wat had kunnen zijn. En zo heeft elke vangst van Aanlegplaats parallellen met daarin oneindig veel bespiegelingen.
Etalages bekijken, mevrouw, daaruit bestaan mijn vakanties. Ik heb al meer etalages gezien dan musea, meer kleren dan kunstwerken. Alle respect voor de creativiteit van de middenstander, maar het gaat me te ver!
Hij had met al die mensen op straat gehoopt veel te verkopen met zijn inderhaast opgesteld boekenkraampje, tot hij doorhad dat het om voetballiefhebbers ging en de kans op verkoop gering was. Ik was uiteraard wel benieuwd, maar zag meteen dat zijn aanbod bedroevend was. Zelfs als er in de stad een literair congres zou hebben plaatsgevonden met literatoren over de hele wereld of een optocht van Nobelprijswinnaars literatuur zou hij niet veel verkocht hebben.
Misschien had je als kind een droom. Misschien ook niet. Dat herinner je je niet. Je herinnert je wel dat je coureur wou worden, en voetballer, en brandweerman, en zanger, en stukadoor — goh, wat moest dat heerlijk zijn, in zo’n stoere overal pleister glad te strijken op nieuwbouwmuren, met een sigaret tussen je lippen, terwijl de transistorradio knalde. Je bent het niet geworden. Je ging niet naar de stukadorenschool. Dat werd in jouw plaats beslist. Doe jij maar iets met je hoofd, Jantje, niet met je handen — daar ben je te goed voor. Zo ging dat toen. Niet dat het hielp.
Het leven is wiebelig, wiebelie-wobbelie wiebelig. Wij zijn wiebelig. We worden uit bed gespoeld, kunnen niet vermoeden wat komt, raken onszelf een beetje kwijt. En wiebelen voort.
We verliezen stukjes van onszelf: als we weggaan, als anderen weggaan. Eenzaamheid. Nieuwe stukjes zullen zich aandienen, als water dat over de kant klotst. We forceren niets. We schrijven. Met deze week: Katrin Van de Velde, Marijke Cornelis en Jan-Willem Lubbers
De man die elke dag kaarsjes voor me brandt, zegt dat hij doodgaat. Maar dat sterven doet hij al zo lang. Hij probeert me wanhopig (de tijd dringt!) naar zijn huis te lokken, een huis dat ik nooit zag. Ik ben het helemaal mooi aan het maken, schrijft hij, speciaal voor jou. Ik wil dat je hier komt ontbijten, een hele dag blijft, en ’s avonds maak ik iets lekkers voor je klaar. Ik heb het gevoel dat ik iemand zijn laatste wens onthoud. (En dat mijn komst zijn dood zal versnellen.) Hij is teleurgesteld dat zijn kaarsjes niet werken.
Antoni, heet hij. Een warme naam voor de stormdepressie die ons vandaag trakteert. Ik maak me klaar om tegen hem in te gaan, op bezoek bij mijn vader. Hij zit daar nu nog in zijn kamertje, tussen een krappe selectie van zijn geliefkoosde spullen. Een houvast in de grote zee van eenzaamheid. Als ik op zijn deur klop, roept hij luid en duidelijk ‘JA’. Hij bedankt herhaaldelijk als ik weer vertrek.
Lezers of niet, waar het mij om gaat is dat mijn website mij ruimte geeft om te vinden waar ik niet naar zocht, maar wat misschien juist datgene is waar ik wel naar zocht. Ruimte waarin iets zich aandient waarvan ik in het begin van het schrijven nog geen vermoeden had. Niet ik schrijf deze website, de website schrijft mij. Daarom is het meer dan een adres in de virtuele wereld, het is een onzichtbare plek in mijn leven.