Met de hand gemaakt (vangst #152)

Dat wij geen machines zijn met radartjes, plastieken draden en een blinkend moederbord- al gaan steeds meer lieden dat geloven- maar dat wij daarentegen uit vlees en bloed en zweet en tranen bestaan, dat vertellen de volgende dames. Knappe dames die weten dat we nog uit vlees en bloed en zweet en tranen bestaan en zich wagen aan een niet voorgekauwd of berekend prakje tekst.

Margot ten Caat getuigt over menselijk ongezond doen, een gezonde verademing nu iedereen aan intermittent fasting doet, havermelk drinkt à volonté en avocado-olie in z’n slaatjes mengt. Ruth Lasters deelt een tip voor leerkrachten waar ook de rest wat aan heeft: kijk elkaar eens om de beurt diep in de ogen. Je hoeft niet alleen met je chromebook of de koffiemachine te praten (Margot en Ruth zijn nieuw in onze haven!) Ten slotte licht Katrin Van de Velde een tipje van de sluier op van impressies die alles behalve machinaal aandoen. Integendeel: ze getuigen van lekker kwetsbaar mens zijn (Katrin is daarentegen een echte ancien).

Sinds 23-jarige zoon Max klaar is met chemo, kiwi’s eet en groene thee drinkt,      HIJGT HIJ…… IN MIJN NEK                          “toe, moedertje rook niet zoveel.”                                   “toe, moedertje drink niet zoveel.

(n.v.d.r.: en nu komt er iets spannends)

uit: Kiwi en Co van Springvlo

Als je elke leerling eerst indringend in de ogen kijkt, confronteer je jongeren met je eigen mens-zijn. Dat lijkt misschien overbodig, maar is het helaas niet in drukke groepen. Het is soms essentieel om even te benadrukken dat er geen robot voor de klas staat, maar een menselijk wezen dat respect nodig heeft om te kunnen werken.

uit: DE KLAS AANZETTEN: klasmanagementstechniek van buiten het boekje

van Mevrouw u staat voor het bord

Ik liep op een gekwetste straat. Diepe snijwonden, met bloed nog aan de randen. Deze weg begreep ik niet.

Hij is al de hele dag weg en stil en ik denk aan hoe hij misschien dood is, nu, en ik vanaf nu alleen verder moet. Hoe niemand er voor me zal zijn, zoals er nog nooit iemand voor me was toen het erop aankwam.

Maar dan rijdt zijn auto gewoon de oprit op, en krijg ik uitstel. Hoef ik, tenminste de rest van de avond, niet meer te denken aan het onvermijdelijke.

Het bibliotheekboek met spookverhalen van Jeanette Winterson ruikt naar wierook.

uit: Donderdag, 30 november 2023 van In caso di nebbia

Drie Nederlandse Belgen schrijven een blog (vangst #151)

Belgen die in Nederland wonen en Nederlanders die in België wonen: onze haven (en redactie) ligt er vol mee. Blijkbaar is het een beweging die veel blogdrang met zich meebrengt. Goed voor ons!

Deze week laven we ons aan proza en poëzie van drie mannelijke Nederlandse inwijkelingen, te beginnen bij de octrooihouder, Marc Reugebrink. Na het verschijnen van zijn derde dichtbundel krijgt hij een paginagroot artikel in de regionale Twentse krant Tubantia: “Ik ben geneigd om te roepen: ‘Dat ik dáár in mag staan!’ Het lijkt me belangrijker dan een interview in wat dan de grote kranten heten te zijn.” Dan die andere ex-Twentenaar Rob van Essen, sinds vorig jaar eindelijk ook officieel een volledige inwijkeling. Hij gaat naar een tentoonstelling van de kunstenaar achter een poster die al sinds 1978 in zijn leefruimtes hangt – om er daar achter te komen dat hij hem helemaal niet goed vindt: “Ik ging niet alleen naar de tentoonstelling om die poster te zien, maar ook om hem extra waarde te geven, meer betekenis, en nu dreigde het omgekeerde te gebeuren.” Gelukkig zorgen de suppoosten voor artistieke meerwaarde. Tenslotte René van Densen, Tilburger turned Gentenaar: vorige week sprak hij op zijn blog nog de wens uit ‘dat mijn woorden me weer aanspreken’ om deze week zijn neus in een kat te steken en er een prachtig gedicht over te schrijven. Houdoe en bedankt!

Tubantia roept een wereld op die, juist omdat zij verdwenen is, me op de een of andere manier veiliger lijkt dan het heden. ‘Nooit. Meer. Veilig’, zo zeg ik in het interview. Ik moet het met veel nadruk gezegd hebben in café Merino op het Gentbruggeplein. Ik herinner me dat niet. Het was een gemoedelijk gesprek. Maar ik herken het wel. En misschien is het niet eens een ‘veilige wereld’ die wordt opgeroepen, maar gewoonweg een wereld waarin iedereen er nog was. En Tubantia het venster op de wereld.

Tubantia en melancholie op De Inwijkeling

Een zaal eerder stond een oude, gezette suppoost die een beetje op Ad van Liempt leek vlak naast een jonge vrouwelijke medewerker van het museum, hij wees haar dingen aan op een groot zwart schilderij met een bobbel, kijk, dat vlekje rechtsboven is een giraf, ziet u, en daaronder, dat is eerder een krokodil. Als ik die vrouw was geweest had ik gedacht: u staat iets te dicht bij me; en misschien dacht ze dat ook wel. De man zal ondertussen hebben gedacht: dat is een prettig strak truitje wat ze aanheeft; en misschien dacht ik dat ook wel.

op zoek naar mijn poster in bozar op Reddend zwemmen

Halfgesloten gifgroene blik
Want stop nu eens
met strelen, ze heeft haar
slaap zo hard nodig

Ik steek ook mijn
neus erin, genoeg plek
voor twee om zich wat
van de wereld te verstoppen

Ze laat me maar begaan,
spint zachtjes; zo heel
irritant vond ze het stiekem
toch ook weer niet

Vacht op René van Densen

De vangst van Virginie Platteau (#vangst 150)

Geïnspireerd op de foto bij de expo van Bill Viola. De ‘blauwe’man die zich als in een spiegel in het wateroppervlak onderdompelt en daar ahw de ‘rode’ man ontmoet – een beetje symbolisch voor wat een blog kan zijn, vind ik.

Ik heb al heel lang veel bewondering en waardering voor het werk van Kristien Bonneure. Met haar deel ik een grote liefde voor en koestering van stilte in alle facetten. Zij is in haar schrijven en haar werk zo trefzeker, zo productief, veelzijdig, inzichtelijk, kwetsbaar, discreet en no-nonsense. Altijd nieuwsgierig ook, ze legt verbanden en associaties die iets vertrouwds telkens anders belichten. Op haar blog Stil leven met en zonder woorden verzamelt ze haar stukken die ze voor VRT en Tertio schrijft. Het is een organisch geheel, met heel veel boeiende info over alle actuele spraakmakende expo’s en culturele evenementen, aangevuld met haar eigen ervaringen en beschouwingen over o.a. stilte en vertraging. Wanneer ze ons een glimp toont van de afgrondelijke diepte van verdriet in persoonlijke columns of poëtische stukjes, grijpen die aan vanwege de niet-sentimentele, zo levensechte en liefdevolle verwoording.

Dit is een stukje uit een reportage over de expo van Bill Viola in La Boverie Luik. Niet echt een typisch blogartikel, maar het treft me wel:

In ”The dreamers” drijven mensen in ondiep water, in “Ocean without a shore” zie je telkens opnieuw mannen en vrouwen verschijnen en verdwijnen onder een stortvloed van water. Als kind van vijf viel Bill Viola in het water. Hij werd door een oom gered. ” Ik zag daar de mooiste wereld ooit,” zei Viola later in een interview. “Een kleurig paradijs met wuivende planten. Ik zag dat het echte leven zich vaak onder de oppervlakte bevindt.”  Geboorte en dood, het mysterie van het leven: dat zijn de eeuwige thema’s van Bill Viola. Hij is gefascineerd door mystieke auteurs uit alle geloofsovertuigingen; samen met Kira woonde hij ook lange tijd in Japan en bestudeerde daar het boeddhisme. Kira leest voor uit het dagboek van haar man: “De basis van mijn werk is twijfel. Niet-weten. Vragen zonder antwoord. Daardoor kom ik nooit op mijn bestemming en dat betekent net bevrijding.”  

uit: Een trage diepe reis van Kristien Bonneure

Caro Van Thuyne is de meest onzichtbare maar met haar werk sterk in de kijker lopende Vlaamse vrouwelijke auteur van de laatste jaren. In 2023 leverde ze Bloedzang af, een zinnelijk, doorleefd moederboek dat diep graaft in lichamelijkheid, vrouw zijn, rouw en taal. Maar stiekem hou ik eigenlijk meer van haar liefde voor al wat leeft en haar natuurobservaties, die ze ook samenbracht in Hier begint de natuur. In haar blog Het kleine kijken doet ze precies dat: goed kijken, en daar geheel eigenzinnig verslag van doen. Net zoals in dit fragment uit Kerstdicht:

het onvriendelijkste dat ik
op mijn wandeling zag
was dat grote villadak
met huismussenpannen gierzwaluwpannen dakpannen met
vogelherbergen en
in elke vogelvide was zo’n plastic bladvanger
zo’n boldraadrooster dat de bladval
in je dakgoot uit je regenpijp houdt
was zo’n plastic bladvanger gewrongen
iemand was speciaal dat dak op geklommen
om met misbruik van middelen
elke vogelherberg te sluiten

uit: Kerstdicht van Caro Van Thuyne

Ivo Victoria is intussen zowat een Amsterdammer in hart en nieren, vermoed ik. Met een unieke stem in zijn proza, als columnist voor o.a. een grootbank of maatschappijkritisch in De Morgen, over familievakanties in Bretagne en opgroeiende dochters, zijn stukken zijn altijd lezenswaardig en nooit vrijblijvend. Ik schrok wel wat bij onderstaand blogbericht. Gaat het goed met je, intussen, Ivo? Of gaat Een schitterend verval bijna in druk?

Naast mij zat mijn vrouw onverstoorbaar te lezen op haar telefoon. Een artikel over artificiële intelligentie, zei ze. Mijn vrouw weet, beroepsmatig, akelig veel over AI. Wanneer ik haar bij het ontbijt op het zoveelste verontwaardigde opiniestuk terzake wijs van de een of andere collega-schrijver of kunstenaar, die de unieke onvoorspelbaarheid van het creatieve brein en de menselijke verbeelding bezingt, heeft mijn vrouw meestal niet veel meer nodig dan de tijd die het kost om een boterham te smeren om haarfijn uit te leggen hoe volstrekt kansloos de strijd tegen de eigen onvervangbaarheid precies is, zonder daar ook maar een moment genoegen in te scheppen. Mijn vrouw, lieve lezer, bestaat uit niets dan pure goedheid, en is hoogst zelden op leedvermaak of cynisme te betrappen. Ik ken niemand die zo oprecht is als zij, en daarom wist ik dat de ironie van de situatie haar ook nu volledig ontging, en het niets meer dan een objectieve, waardevrije nieuwsgierigheid betrof die ertoe leidde dat ze in de wachtkamer van de neuroloog, wachtend op de uitslag van de hersenscan van haar man, zat te lezen hoe diens brein op termijn eenvoudigweg vervangen zou kunnen worden door een stukje zelfredzame technologie, en ik vrees dat dat dit ook precies de reden is waarom ik van haar hou.

uit: Een schitterend verval van Ivo Victoria

Virginie Platteau, het interview

foto: Luc Gordts

2 januari 2024, rust? Drukdrukdruk-statussen van roodaangelopen dikbuikooms sterven weg. Ook: het gepoch van hooghartige nichten. Het gekwebbel der tantes, ze plamuren elke pauze. Vetes, erfeniskwesties, bokshandschoenen als dooie mussen door de ruimte, gekrakeel, familiale veldslagen, vuurwerk en afgerukte oorlellen, bange huilhonden, sirenes. Alles dooft uit tot hopelijk een jaar van rust en verfijning. Heeft de wereld daar misschien niet een beetje van nodig? Oma’s kabbelsaus vloeit gedwee weg in de gootsteen. De kraan drupt. De kater wordt dragelijk. Paracetamol treedt eindelijk in werking.

In elk geval luiden we 2024 halfgewonnen in. We hadden de eer om een Specialist van de Stilte te vragen. Germaniste en cultuurjournaliste Virginie Platteau heeft een liefde voor taal en kunst.  Als summum daarvan kan ze niet zwijgen over stilte. Stilte waarin zich mogelijkheden ontvouwen, waar creatie begint. Stilte en ruimte waarvoor wij vaak bang zijn, met onze volproppende en praatzieke neigingen.

Virginie Platteau is zich van overprikkeling bewust, van het opvullen van elke vrije en wilde ruimte. Ze brengt rust met haar wijde boodschap. Recent publiceerde ze ‘Hoe luidt de stilte? Een kleine filosofie van de stilte.’ Bij uitgeverij Letterwerk. In 2021-2022 was ze co-curator van het Mechelse stadsfestival Zinderende Stilte.

Jarenlang gaf ze Engels en Nederlands. Ze is redactielid bij literair tijdschrift Deus ex Machina en columniste en recensente voor Tertio. Als freelance cultuurjournaliste schrijft ze geregeld voor Poëziekrant, De Lage Landen, Rekto:Verso en De Standaard. Ze is docente aan de opleiding journalistiek van Arteveldehogeschool. Ook geeft ze workshops, lezingen en masterclasses aan mensen van 4 tot 103 jaar.

Wie luistert naar de stilte, hoort veel.

Stilte, dat gebied waar dromen en ideeën ontstaan. Als dat geen aanleiding is om Virginie Platteau te vragen naar haar visie over blogs, de dromen en ideeën die groeien in de virtuele stille wilde ruimte…

Een blog. Waarom heb je er zelf (g)een?

‘Blog’ heb ik altijd een lelijk woord maar een boeiend fenomeen gevonden. Een eigen plek op internet als digitaal dagboek, persoonlijk archief en collage, kroniek van een innerlijk leven. Het zijn geen cursiefjes (bestaat dat woord nog?) en ook geen columns, er zit een grote vrijheid en gedurfde intimiteit achter elk blogbericht. Een blog ontdekken voelt soms als een mengeling van huisvredebreuk en tegelijk thuiskomen en nieuwsgierig rondneuzen in andermans universum. Zelf heb ik geen blog, al heb ik er wel een gehad die ergens nog in de WordPress-kelders zit maar nooit online is gegaan. Ik ben ermee begonnen uit liefde voor taal, een zekere droefenis om de teloorgang van het Nederlands. Al weet ik best dat taal evolueert en dat verandering op dit vlak niet noodzakelijk achteruitgang betekent. Het gaat om meer dan de groeiende invloed van het Engels op het Nederlands. Toch zocht ik een uitlaatklepje voor dit gevoel. Op Facebook zijn er wel groepen als de Sociëteit ter bevordering van het archaïsch taalgebruik e.d. maar daar haalt de joligheid het toch van de informatie. Voor bijdragen aan Onze Taal achtte ik mijn stukjes dan weer te weinig onderbouwd. Leve de blog, dus. Al heb ik er na vijf bijdragen de brui aan gegeven. Eén afleveringetje, over het verdwijnen van de partitieve genitief, staat me nog helder bij en daar blijf ik ook in het dagelijks leven onwillekeurig voor strijden. Je hebt niet iets klein gegeten, maar iets kleinS (huh?), je hebt niet iets nieuw aan maar iets nieuwS. Etc. Ik moest het van me afschrijven, maar had al snel het gevoel als een kantieke schoolmeester/juf te drammen of gezocht geestig te willen doen. Daarbij kwam de vraag op die elke blogger zich niet en elke onderzoeksjournalist zich zeker wel moet stellen: cui bono? Of in hedendaags Nederlands: who cares? Wie leest dit, wie heeft hier iets aan, waarom schrijf ik dit? Die vraag heb ik intussen losgelaten, net als de blog zelf.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen, en waarom?

Ik ben erg blij dat Jan Ducheyne (opnieuw?) een blog is begonnen. Zijn bijdragen op Facebook zijn vaak lang, persoonlijk, geven een inkijk in zijn hoofd en leven en hebben tegelijk een veel bredere spanwijdte omdat er actualiteiten/ fenomenen/ erger-nissen/verdrieten/vreugdes… in aan bod komen die herkenbaar zijn en ons allen treffen. En vooral: de verwoording daarvan gaat geheel vanzelf, zo lijkt het althans. De blog lijkt voor de sprekende ezel/poëzielijsttrekker/selecteur DJ/vader en hoe of als wat Ducheyne zich ook vloeiend identificeert, een perfecte neerslag en samenvatting.

Het zou ook fijn zijn mocht dichteres Sarah Wagemans haar gedichten, observaties, rants en foto’s samenbrengen op een blog. Dat zou een erg mooie en verrassende webstek zijn, denk ik. Al deelt ze nu ook al veel op de verschillende sociale media, en ze moet uiteraard vooral doen wat ze zelf graag doet.  

Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

De blogs die ik het liefste lees en waar ik ook het vaakst naar terugkom, hebben die sterke combinatie van inhoud en persoonlijke beschouwing. Liefst in een stijl die eigen is en zich weinig aantrekt van een potentieel leespubliek. Ik zit heel veel op tuin- en permacultuurblogs en ook daar kan ik geweldig genieten van die combinatie. Je komt veel nieuws en praktische tips te weten, ‘gecureerde informatie’ zeg maar, dankzij de ervaring van iemand anders en diens persoonlijk wedervaren. Ik kon wat dat – in ruime zin – betreft ook zeer genieten van Het jaar van de tuinier van Karel Capek, een heerlijke unplugged tuinblog avant-la-lettre is dat.

Na verloop van tijd heb je het gevoel dat je sommige bloggers ‘kent’, misschien zelfs beter dan bepaalde collega’s of kennissen die je vaak in het echt ziet. Dat geldt in het bijzonder voor blogs die cultuur-, lees-, film- of muziektips delen vanuit die persoonlijke appreciatie. Zeker wanneer daaruit een draadje wordt gesponnen dat net iets verder reikt, daar kan ik echt blij van worden. Dat had ik sterk bij twee bloggers die ons in het afgelopen jaar ontvallen zijn, Hoochiekoochie van Martin Pulaski en Sjongesjonge van Mark Verstraelen, die ik ook persoonlijk kende als boekhandelaar in Mechelen. Benieuwd wat zij van aan de Overkant zouden bloggen…

Op het gevaar van meligheid af, maar rond de jaarwisseling kan dat geen kwaad: bij goeie blogs heb ik soms echt een gevoel van connectie, verbinding. ‘We read to know we’re not alone’ zegt C.S. Lewis in Shadowlands. Dat geldt ook voor blogs.

Sylvie Marie

En kijk, ik denk nu terug aan hoe ik aan de kinderen in Colombia mijn boomgedicht voorlas. Ik zei hen: ‘Waar ik vandaan kom, staan er niet zoveel bomen als hier, dus schreef ik een gedicht waarin ik er zelf één ben.’ Met ingehouden adem luisterden ze naar mij, en dan naar Luna. Achteraf kwam een kind me zeggen dat ze heel goed wist welke boom ik bedoelde. Hij stond daar vlakbij, in de tuin.

Dichter Sylvie Marie vertelt in haar anekdotums (anekdota?) over het leven, en de zoektocht naar betekenis in de kleine dingen die bij nader inzien heel groot blijken. De liefde, en hoe je die ziet in slaaphoudingen, bijvoorbeeld. Of het verband tussen de kleuren rood en groen, en gothic.

Heerlijke miniaturen zijn het.

Rein Hannik

De Heer haalde opgelucht adem toen de ziel vol vertrouwen was afgedaald naar de foetus van Rein. Zelf trok hij zich terug in de Romance Room, alwaar schaars geklede engelen alleszins bereid waren een wit voetje te halen bij de Almachtige, die de camera pakte om nog wat stockfoto’s te schieten – voor de lente-brochure van het hiernamaals uiteraard. 

In elk stuk van Rein Hannik vind je wel een paragraaf als deze. Of minstens een zin of twee.

Voorbeelden? Ik voelde me een kanaalzwemmer, watertrappelend in een visglas. Of: Probleem met ouders en kinderen is, is dat ze per definitie van een andere generatie zijn.

Werk in uitvoering

Zo erg was het met ons nog niet gesteld dus bleven we nog een nacht en vertrokken pas toen we geen droge onderbroek meer in onze bagage vonden. Op de derde zonloze ochtend stouwden we het lelijk eendje vol met onze spullen en vingen met vele gedachten in het hoofd de terugtocht aan. We gingen naar huis om de kou en de regen en het ontbreken van die wollen muts. Want echt, zeiden we tegen elkaar, als we ons hoofd warm hadden kunnen houden gedurende de koude nachten dan waren we gebleven.

Ingrid van der Graaf schrijft over boeken alsof het vrienden zijn die deel uitmaken van haar leven (zoals Malacqua van Nicola Pugliese in het citaat hierboven) en over al die andere dingen die het leven bijzonder maken.

Wij houden ervan literatuur en leven zo innig met elkaar verbonden te zien.

Springvlo

Of ze nog vaak springt, weten we niet met zekerheid, maar het archief van Margot ten Caat is alvast heel erg de moeite waard. Springvlo is een schatkamer van licht absurdistische, pijnlijk eerlijke en vrolijke poëzie.

Wij beginnen onze dag graag met woorden als deze.

Geluk
loert met een verkreukt gezicht
tussen de gordijnen door
ruikt zon
de lucht is stil
sportvliegtuigje zingt
nostalgisch geluid
van eindeloos warme zomers
OOIT
in de verte slaat de klok 10 magere slagen
de dag is begonnen

zacht bruTaal

Je had roomijs bij in een zak met koelelementen. Twee lepels. Ik kreeg de gele, je favoriete. Wat we gingen delen op de trein kreeg ik nu in mijn schoot geworpen op de passagiersstoel. Het smolt. Ik moest niet wachten op jou, drong je aan. Dus maakte ik vlekken, terwijl het ijs langs de kartonnen rand droop in de ondergaande zon. Een lied over de zonsopgang sprong op de radio, wij zagen het licht verdwijnen aan de horizon. Niet snel genoeg, en te veel wolken. We waren gehaast. Je ging me de sterren tonen.

Op zacht bruTaal delen Nele Bruynooghe en Wieland Heymans verhalen en gedichten waar de vonken vanaf spatten. Zinnelijke zinnen, brutalige zachtheid.

Reloaded

Bruno Willaert is blogger, West-Vlaming en webmaster in de reissector. Een Georgische tekenaar stuurde hem een met bloemen beschilderd houten pistool op, dat sindsdien fungeert als mascotte voor de blog Reloaded. Nochtans hebben we niet met een revolverheld van doen: “Je zal niet zo snel een meer vredelievende mens ontmoeten dan de auteur van deze blog,” zegt Willaert zelf. Op Reloaded deelt hij filmbesprekingen, poëzie en (reis-)herinneringen.

“Wie er nu bij ons aanbelt,” zei de vrouw des huizes. Qua acteertalent zat ik alvast in goed gezelschap, maar de ogen van de aanwezige brave kindjes blonken toen we binnen kwamen. Sinterklaas deed zijn zegje, Zwarte Rik voerde zijn plezante nummer op, ik deelde de pakjes uit en op de achtergrond zag ik nonkel Jos met de vader de financiële afhandeling doen. De kinderen hadden heel attent een raap voorzien voor het paard van Sinterklaas, die ik mocht bijhouden. Geen idee of ze ontgoocheld waren toen op straat geen paard te zien was, maar een saaie grijze Opel Kadett, waar we ons met zijn vieren in wurmden.