Hier herkent het Kerkhof mijn Naam

Voor Sjors zijn de grootstad waar hij woont en het universum in het geheel diep geworteld in het dorp waar hij vandaan komt. En eigenlijk nog steeds is, want je krijgt het er niet uit, zo’n dorp.

Verwacht u aan brutaal oplopende en modderig uitschuivende zinnen, regenachtige humor en brandend hete ernst.

Laten we de tijd terugdraaien en in ons dorp weer ouderwets gaan achterlopen. Op zoek gaan naar de tijd die we verloren hebben. Weet u nog dat tijdens de oorlog de Pruisen de klokken hebben geklauwd en onze toren opgeblazen. Om van dat soort brutaliteit een navolger te worden, daar pas ik voor. Dus laten wij, op klaarlichte dag, onze kerkklok tien minuten terug draaien. Verder zeggen we het tegen niemand en iedereen doet mee.

Marijke Van Thielen

Marijke Van Thielen (Filosofie en frictie) is een vrouw met een mening. Veel meningen. Die ze vlammend verwoordt, aangedreven door pijn en woede.

Ga er voor zitten, haal een keer diep adem.

Inmiddels lezen we politiek correcte bundels vol degelijke saaiheid, weggespoeld met een dampende beker morele verontwaardiging. Het idee om het eigen perspectief tijdelijk te verlaten en dat van een ander op te zoeken? Onbestaanbaar. Je bent wie je bent, en dat blijf je.

Niet zo bij Marijke.

Maar weet, ze is ook een mens en de traan is nooit ver weg.

Welkom terug, lieve bloggers! (vangst #234)

Niets doet ons bij Aanlegplaats meer plezier dan te zien dat er weer leven is op bootjes die voor langere tijd stil hebben gelegen. Maakt niet uit wat er in de tussentijd is gebeurd, welke kleppers er zijn geschreven, welke drama’s zich hebben voltrokken, hoeveel (klein-)kinderen er zijn geboren – geen moer geven we om de zogenaamd echt belangrijke dingen in jullie zogenaamd echte leven, nee: wat ons hart sneller doet slaan, is het verslag. Persoonlijk blabla, literair blabla, u kent het ondertussen wel.

Posten deze week weer na een (te lange) pauze: De rode valies en Reddend zwemmen. Hoera! Tanja Wentzel schrijft over haar zoektocht naar het boek Het leven een gebruiksaanwijzing via de weggeefgroep Brussel Verniet; Rob van Essen beschrijft zijn fascinatie voor het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij waarin Thomas Heerma van Voss schrijvers interviewt die in 1977 een zelfportret tekenden voor De Revisor. Na al die klinkende titels is het tijd voor een robotmaaier: afsluiten doen we met een pakkend zeer kort verhaal door Kimme tigra.

Intussen had ik door dat ik het boek bij een overbuur moest halen. Tot mijn verrassing in het gebouw exact tegenover mij, waarin ik dagelijks de weerspiegeling van de ondergaande zon zie.

In een stad kun je jaren tegenover een zielsverwant wonen zonder het te weten. Iemand met dezelfde smaak. Maar ook aan de overkant was het boek ongelezen gebleven, vandaar dat het werd weggegeven.

Uit: Verniet op De rode valies

Hoewel ik in die jaren dus weinig Nederlandse literatuur las (Wolkers wel, trouwens; dat was in de streng protestantse kringen waar ik uit voort kwam een daad van verzet), wilde ik er wel bij horen, heel graag zelfs. Blijkbaar had ik meer belangstelling voor literatuur als wereld, zoals ze in de Atlas van de Nederlandse letterkunde werd afgebeeld, dan voor wat ze tot die wereld maakte: het werk, de boeken. Misschien zag ik literatuur vooral als een wereld waarin in me zou kunnen thuis voelen; gehuld in een lange regenjas, zo-een met flappen, kragen en een brede ceintuur, wandelde ik er doorheen.

Uit: ik heb nooit een lange regenjas gehad op Reddend Zwemmen

Het is wat met de technologie die alsmaar slimmer wordt. Dat geliefden en niet gekooide huisdieren ons verlaten, tot daaraan toe. Maar als elektronische apparatuur in staat is om van ons weg te lopen, wat doet dat met onze eigenwaarde?

Uit: ZKV 23-7-25 door Kimme Tigra

De vangst van Runa Svetlikova (vangst #233)

We teach life, sir, van Rafeef Zadiah, vrij vertaald en geplaatst door Laura Buelinckx op Ministerie van Hysterie op 24/09/2024. Dat die miserie maar blijft doorgaan, je wordt er moedeloos van. Dat mensen erover blijven schrijven, blijven (re)ageren, dat is dan weer hoopvol. Het is tenslotte de stilte die echt moordend is.

René Van Densen. Ik ontmoette hem ooit in Gent. We hingen daar allebei uit een raam. In het publiek bevond zich iemand die ik kende van vroeger. Zo ver heen, dat ze ter plaatse haar broek afstak om te plassen. Alsof ze zich niet tussen een bende Gentse feestgangers bevond, maar achter een boom, in een bos. René verzamelt de vreemdste dingen en maakt daar poëzie van. Verloren kaarten, badeendjes, you name it.

Op Grand Foulard plaatst Gert-Jan van den Bemd een mislukte foto uit 1963. Een inkijkje in het leven van mensen die waarschijnlijk al lang dood zijn. Niemand kent hen nog. Ze hebben misschien niets betekent in één of ander groter plaatje, maar leven, leven, gewoon geleefd hebben is al meer dan genoeg.

Vandaag was mijn lichaam een bloederig tv-beeld 
dat moest passen in een soundbite en een woordenlimiet 
en toch ook wel genoeg statistieken om reacties te weerleggen.

En ik verruilde mijn moedertaal voor het Engels
en ik kende mijn VN-resoluties.

En nog, en nog vroeg hij, Ms. Ziadah, denk je niet 
dat alles opgelost zou zijn als jullie stoppen
met haat te zaaien in het hart van jullie kinderen?

uit: We teach life sir van Ministerie van Hysterie

Ik ben de enige op kantoor vandaag. Iedereen is ziek of met verlof of in elk geval elders. Sommigen werken thuis. Ik ben helemaal alleen en loop in mijn blootje rond. Al een week keek ik uit naar deze dag. Het is stil, geen gebabbel of muziek. Ik hoor mijn beenharen wapperen in de wind. Het kantoor heeft weliswaar hoge ramen, maar het gebouw staat middenin de bossen. Niemand komt hier, enkel de vogels kunnen me zien.

uit: Blootje van René Van Densen

Ik kijk om me heen. Waar is de handelaar bij wie ik kan afrekenen? Maar er is geen handelaar. De foto is in een doos beland, naast een oude koffer, een versleten kleed. Niemand wil hem hebben. Na zestig jaar eindelijk afgedankt. Ik mag hem zo meenemen. Voor niks. Dat maakte de schaamte alleen maar groter.

uit: Voor niks van Grand Foulard

Runa Svetlikova, het interview

Waar de dichteres Runa Svetlikova woont, bloeit er salie en pronken rode besjes tussen het groen. Drijven romige wolken voorbij, achtervolgd door een kudde luchtschaapjes. Vliegtuigen scheren zo laag voorbij dat je aan hun buik kan kietelen als je op een tabouretje op de nok van het dak zou staan. Goederenwagons en de intercity naar Nijvel stormen met regelmaat  langs het spoor. Naast de autostrade verderop sproeit een man de plantenspuit over wat rozen. Een vrouw oogst twee courgetten en een worteltje. Heet dat ook poëzie ?

We zitten op de geheime plek met de kastanjebomen. Ze wuiven ons met hun grote handbladeren een beetje koelte toe. Deze plek doet denken aan de geheime en enige natuurlijke plek in 1984 van George Orwell. Een plek waar een wezen op adem mag komen, waar dagdromen en wat liefde nog een beetje kan. Mevrouw Koolwitje vliegt over de trampoline waarop je nuchter kan zweven voor even en de hond doet een vreugdesprong.
Deze geheime plek wordt bedreigd en nog wel voor de aanleg van een politiek correct fietspad. Terwijl het hier nog getuigt over seizoenen en diverse soorten in plaats van eenheidsworstweer en – wezens. Terwijl deze plek de thermostaat van de stad beter regelt dan beton.
Daarvoor is er actie nodig en misschien geldt dat wel voor alle poëzie.

Runa Svetlikova maakt medicijnen met woorden, witregels en zinnen. Je wordt er weer even helder van in plaats van wazig, koortsig en verkrampt, ze maken je stem al eens minder schor. Soms moet je lachen als je haar leest of denk je: gotcha! In enkele gedichten van Svetlikova kan je zelfs even wonen, dat heb ik persoonlijk ondervonden toen ik hopeloos doolde op zoek naar troost.

Runa schenkt me een glas Prudh, genoemd naar een barbaar zonder tanden uit een boek van Terry Pratchett. Het betreft een toverdrank van het huis op basis van munt, rietsuiker en gember. Doet denken aan Roald Dahls Fropskottel maar zwoelkruidiger. Runa draagt okeren Pipi Langkoussokken met stippels en haar ogen zijn zacht en fel tegelijkertijd.  

Ze fileert de werkelijkheid met fijne klauwtjes en een sardonisch lachje.

Haar debuut Deze zachte witte kamer (Marmer, 2014) won de Herman De Coninckdebuutprijs, de Jo Peters Poëzieprijs en de Europese Bridges of Struga debuutprijs.

In 2018 verscheen Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden, een gedoemde poging tot literair verantwoorde braakpoëzie.

Momenteel schrijft ze aan de roman ‘Wat ik moet onthouden’. Een verhaal over hoe je niet alleen gevormd wordt door je ervaringen, maar ook door het verhaal dat andere mensen over je vertellen.

Het proces van die roman kan je volgen op haar facebookaccount. De ups en downs en inzichten van een godin tijdens haar creatieproces. Dat brengt ons bij sociale media en de blogkunst.

Heb je zelf een blog ?

Op de eerste versie van mijn website had ik een soort blog, met allerlei willekeurige soorten teksten die in je in een soort van sterrenconstellatie – ook willekeurig – kon terugvinden. Ik vulde het blog willekeurig aan, zonder vaste tijden of vaste formats en ik had er veel plezier in. Toen ik mijn website na mijn debuut wat professionaliseerde, kon ik dat willekeurige sterrenconstellatieding niet nabouwen in het nieuwe format. De blogposts kwamen allemaal netjes onder mekaar terecht, en het voelde als een soort verplichting. Toen verloor ik mijn interesse, het werd te netjes.

Wat ook meespeelde was het feit dat ik Facebook steeds vaker gebruikte als een alternatief voor mijn ‘blog’. Daar was er meer interactie. En naarmate er meer gebeurde op Facebook leken de blogs allemaal stilletjes dood te gaan. Wie volgt er nog een link naar content? Ondertussen is de content op Facebook zelf gewoon verdwenen.  

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen? (Runa verslikt zich. Het woord moeten moet van haar niet zo) :

Van mij moet er helemaal niemand een blog beginnen, ik ben namelijk niet zo’n autoritair type. Wat ik graag zou lezen, als zuchtende schrijver, is een blog van een zuchtende schrijver. Ik besef dat dit verschrikkelijk navelstaarderig en escapistisch is, gezien de tijden waarin we leven. Maar ik zou met plezier iemand volgen die poëzie schrijft, of verhalen, of een roman, en die de godsgruwelijke gedachten – allemaal! – die daarbij horen open en bloot en dramatisch exhibitionistisch etaleert.

Dichter bij de wereld: Saskia Van Nieuwenhove, die staat met haar voeten in de modder van de jeugdzorg en kan daar witheet en tegelijkertijd zo liefdevol over berichten. Zoals we zorgen voor de kinderen zorgen we voor de toekomst van de mensheid. (Niet.)

En Johanna Geels. Haar gezondheid ging er de laatste jaren te hard op achteruit, maar ze was mijn allerfavorietste Facebook”blogger”. Gelukkig zijn veel van haar kronkels te lezen en herlezen in het boek ‘Wat een tuin ziet als hij slaapt’. 

Zijn er criteria voor een goede blog? Wat maakt een blog sterk?

Het is onvoorspelbaar. De schrijver ervan is slim, maar niet slimmig. Het gaat over alles. Taal! Politiek! (Zo links mogelijk om eerlijk te zijn, ik schaam me nergens meer voor.) En paardjes! De vélocipède! Eén of andere zeldzame keversoort uit de Amazone. (Dat alles in één volstrekt logisch samenhangende post uiteraard.)

Op een goede blog is elke post confessionalistisch; ze bezorgt me én een intellectueel orgasme, én de slappe lach én plaatsvervangende schaamte.

Ongehoorzame personages (vangst #232)

Personages leiden een eigen leven. Daarover getuigen drie schrijvers in deze vangst. Marc Reugebrink vertelt over hoe zijn nieuwe boek tot stand komt. Hij werkt in Berlijn, voelt er zich thuis. Hij lijkt gelukkig en vrij in tegenstelling tot zijn personage dat gevangen zit in een verhaal en er telkens uit wil ontsnappen, wat niet goed lijkt te lukken.  

Tom Wouters voert de personages op die hij heeft geschrapt. Een Rus met een sprot, de buurman die zich niet aan het verhaal houdt, een struikrover…

Mike krijgt dan weer een brief en vervolgens bezoek van De Onbekende Dame, maar veel illusies hoeft hij zich niet te maken…

Wat als je het gevoel hebt dat je gevangen zit in een verhaal? Als kleine jongen is Martin Oonk ernstig ziek. Hij moet zich overleveren aan wat artsen hem allemaal aandoen. Eenmaal genezen neemt hij zich voor dat niets of niemand hem ooit nog op die manier kan bedreigen. Maar of hij daarmee aan zijn ziekte ontsnapt? Zijn defensieve houding maakt hem tot een niet zo goede zoon, een slechte broer, en tot een gemankeerde levenspartner. En juist wanneer hij het als vader lijkt te overwinnen, wordt hij ingehaald door de werkelijkheid die hem terugwerpt in zijn eigen verhaal.

Uit: Dagen in Berlijn 27 op De inwijkeling

Italo Calvino.
Deze Italiaanse schrijver vertikte het ook om mij in zijn boeken te laten figureren. Dat hij 40 jaar geleden stierf, is een flauw excuus. Ook in die tijd was mijn naam in telefoongidsen te vinden. Verder beantwoord ik makkelijk aan het prototype van de naar erkenning smachtende schrijver. Zo moeilijk was het dus niet om mij te bedenken.

Uit: Register van geschrapte personages  op Het ongerijmde

In plaats daarvan keek ze rond in een soort trance. Ze was er wel maar toch ook niet. Hoewel ze naast me stond (zitten wilde ze niet), zag ze dingen die ik niet zag. Ze wees ze zelfs aan. Haar vader in een stoel. Broertje die met knikkers speelde. De kolenkachel.

Uit:  De onbekende dame op Mikzlog

Haha, de ernst van het leven (vangst #231)

Och, die zogenaamd volwassen wereld, waarin iedereen ook maar wat doet. Bloggers ontkomen er evenmin aan. Degenen zonder talent voor nostalgie (Herman Loos), degenen met talent voor nostalgie (Sarah De Grauwe in navolging van Neil Young) en degenen die doen alsof alles precies loopt zoals het bedoeld was (Vincent Merckx).

Ik moest op de foto met R., een oudere clubgenoot die net als ik een Belgische titel had gepakt. In het artikel word ik een paar keer geciteerd, terwijl ik er vrij zeker van ben dat ik geen woord heb gezegd. Ik was een zwemmer net omdat je tijdens het zwemmen urenlang geen woord hoeft te zeggen maar gewoon kan ronddrijven in de poel van je eigen gedachten, die zweven aan de oppervlakte en duiken naar donkere dieptes tussen twee tuimelingen tegen een betonnen wand in.

Uit: I’m not aware that you’re not there op Here comes Herman

Neil schreef het lied op zijn negentiende verjaardag, toen hij besefte dat hij te oud werd voor de jeugdclub waar hij als jongen heen ging. Sugar Mountain werd een metafoor voor alles wat je moet achterlaten wanneer de ernst van het leven zich aandient: de eerste liefdes, de eindeloze avonden, de onschuldige hoop dat alles in het leven mogelijk is. Die berg is geen echte plek; het is een droomwereld die je met pijnscheuten ontgroeit.

Uit: Sugar Mountain op De Grauwe Gekheid

Daarna volgden alle andere herinneringen, bijvoorbeeld de keren dat ik me niet op mijn plaats voelde, de keren dat alle anderen dingen zagen die mij volslagen vreemd bleven, de keren dat ik het doodlopende pad had gekozen en me afvroeg waar het dan wél naartoe moest, de keren dat ik er niet in slaagde om kostbare opstoten van zelfvertrouwen vol te houden en de keren dat ik het dan maar probeerde te veinzen, de keren dat anderen hadden opgegeven voor we aangekomen waren en de keren dat ik dat zelf had gedaan.

Uit: Vrijdag 4 juli: Puzzel op Vrijdag

De wonderbaarlijke terugkeer van de zomer (vangst #230)

Erik Herbosch, van de onvolprezen blog De Sprekershoek van de Schrijverij, zag in het bezoek van Trump aan de NAVO-top in Den Haag aanleiding om herinneringen aan de verdwenen taal van zijn oma op te halen. Een scherp stuk waarin de weemoed vrijspel krijgt.

Al lang kiemt in mij het plan om eens een boek van Carry van Bruggen te lezen en kijk: Kristien Bonneure – van de gelijknamige blog (en van zoveel meer natuurlijk) – sprak naar aanleiding van het feit dat Eva van Carry van Bruggen in de literaire canon is opgenomen met Gaea Schoeters. De twee dames wisten mij te overtuigen om deze zomer Eva te lezen.

De pen van Jan Devriese – de man achter De week van Devriese – weet steeds met zwier, humor, wat zelfspot en een vleugje onbestemde droefheid herinneringen aan voorgoed voorbije zomers op te halen. Het verhaal Rondetijd is schitterend. Een Jan Devriese Grand Cru.

Waarom we dat doen, weet ik niet en begrijp ik niet. Net als u weet ik over enkele dingen weinig en over de meeste dingen niets. Het aan mijn oma vragen kan niet meer en bovendien, oma sprak een andere taal, statig, waardig en beschaafd.’

Uit: Kutmug van Erik Herbosch

‘Eva werd in 1927 geschreven door de Nederlandse Carry van Bruggen. Een vrouw met een bijzonder levenspad. Ze was actief als journaliste, schreef romans en filosofische werken. “Ze was al jong gefascineerd door lezen en nadenken, en dat is haar hele leven zowel haar zegen als haar ongeluk geweest.’

Uit: Eva van Carry van Bruggen is nieuw in de literaire canon van Kristien Bonnheure

Wie er het talent voor heeft, herinnert zich in een waas van dankbaarheid en weemoed de grote vakanties uit zijn kindertijd. Dankbaarheid omdat we toen niet beter wisten, weemoed omdat we nu beter weten.’

Uit: Rondetijd van Jan Devriese

Modern times! (vangst #229)

Oh, de moderne tijd! Brenger van talrijke zegeningen die er steeds sneller in slagen hun keerzijde te laten zien.

Marita sjeest met een elektrische huurfiets (‘die een paar centimeter te hoog is en met handremmen die zo zijn ingesteld dat je meteen van de fiets valt als je iets te enthousiast knijpt’) over Terschelling en kom zichzelf tegen: ‘Waarom kan ik niet, net als andere mensen, lekker rustig fietsen?’

Suzanne Brink beschouwt de voordelen van de moderne schaduweconomie: ‘Marktplaats heeft blinde vlekken op de kaart ingevuld met verhalen,’ en: ‘Via Vinted kom je weer op andere plekken. Bijvoorbeeld aan de andere kant van de stad bij een pakjespunt dat een half uurtje per dag open is en waar je zodra je de deur opendoet bedolven wordt door een lawine aan wanhopige pakjes op zoek naar een baasje.’ 

Op Hard//hoofd schrijft Marthe van Bronkhorst een prachtige column over ‘de schemerromance’, momenten waarbij er lijkt geflirt te worden, maar de mogelijkheid in stand wordt gehouden dat het evengoed een hersenspinsel zou kunnen zijn. ‘Zo’n ‘koffieafspraak’ die overdag plaatsvindt, maar waar ook een kinderwens besproken wordt, waarin het geheel net níet eindigt in een lange omhelzing, wel in een soort half-scheve wangzoen, en de ander per se wil trakteren, maar aangeeft van het single leven te genieten, geïnteresseerd te zijn in mijn werk, benadrukt dat ik zo sexy ben, en me dan vraagt mee te kijken met zijn potentiële Tindermatches. Lezer, snap jij het nog? Nee, nou, ik ook niet.’

Het lijkt heel modern, doen alsof er belangrijker zaken zijn dan de liefde. De verwarring die erop volgt lijkt echter van allen tijde. En de mijmering waarmee Van Bronckhorst haar tekst afsluit, is tijdloos mooi.

Onderweg kom ik vooral veel bejaarden tegen. Bejaarden die alle bankjes bezet houden, bejaarden die midden op het fietspad spontaan besluiten om van hun fiets te stappen, bejaarden die in de weg lopen. Bejaarden dus.

Uit: Terschelling op Marita’s overpeinzingen

De verkoper, een jongen die op de vijfde verdieping woonde, zei dat hij wel mooi uitzicht had. Hij verkocht de kattenmand omdat zijn relatie uit was en zijn vriendin de kat mee had genomen. Zijn appartement zag eruit als na een bezoek van een deurwaarder. Op een smoezelig bankstel na was het leeg. Ik mocht gratis nog een aangebroken zak kattenvoer meenemen. Altijd als ik langs die gevangenistoren fiets, denk ik aan die jongen zonder kat en zonder vriendin. 

Uit: Te koop: Militair koelvest (S) op Suzanne Brink

‘En kungfu, doe je dat nog?’ vroeg ze. ‘Twéé keer per week?’ Ze zei het alsof het iets ongelooflijk kinderachtigs was, iets wat zij lang geleden achter zich had gelaten. Wat moest ik nou terugzeggen? Ja, ik had al die uren op woensdag- en vrijdagavond een liefdesleven kunnen onderhouden in plaats van mijn jump squats en mijn hammer fist, dan was ik nu gelukkig gesetteld zoals jij. Maar ja, hè, when the way of the dragon calls, you answer. De waarheid is: ik heb er nooit bij stilgestaan dat ik werk, hobby’s en vriendschappen boven de liefde stelde, dat ik maar wat deed met mijn tijd en liefdesleven, net als Carrie. Of, in de woorden van Menno Wigman: slordig met geluk.

Uit: Wat dit nou een flirt? op Hard//hoofd

De vangst van Maarten Inghels (vangst #227)

Ik was het vergeten te melden tijdens het interview, maar Benno Bernard volg ik ook. Dat is de grootste stilist van allemaal. Hij staat niet in jullie haven, vanuit Doorbraak, maar lees dit:

Maar dat is allemaal poëtische onzin, het is bewolkt, de ovalen baai is schemerig en somber, het duistere water weerspiegelt industriële lichtjes; ik vaar door de beelden die de romantiek in mijn brein heeft afgedrukt, Goethe, Byron, al die dwepers die door de geschiedenis in leugenaars zijn veranderd – als ze na twee eeuwen hier terugkwamen, zouden ze dat smerige, criminele Napels niet kunnen uitstaan en de door een miljoen schermpjes vermenigvuldigde baai verachten. ‘Laten we naar binnen gaan’, zegt het liefje van Byron en Goethe.

Uit: Siciliaanse dagen van Benno Bernard (op Doorbraak)

Wat dichter bij huis vinden we Gerbrand Bakker, die een huis heeft / had in de Eifel – de berichten daarover zijn wat warrig – waar hij tien jaar geleden dit aantrof (maar lees vooral ook al die andere stukjes):

Regelmatig zit er een aap in de tuin. In de Eifel wonen nogal wat wilde dieren. Eén keer, toen ik met Jan van Mersbergen aan het wandelen was, zagen we vermoedelijk een lynx. Verder zitten hier heel veel reeën, vossen, soms moeflons, rode wouwen, zwarte ooievaars, hermelijnen en wezels en op zolder woont waarschijnlijk een marter. Die heeft het de laatste dagen heel druk, hij (of: ze) maakt (maken) een enorm kabaal aan de andere kant van de gipsplaten. In het ergste geval zijn het geen marters maar wasberen. We hebben ook een huiseekhoorn, die loopt altijd dezelfde route door de tuin. Bij die aap kom ik niet in de buurt, ik vermoed dat die gemeen kan bijten.

15 mei 2015 van Gerbrand Bakker

Eindigen doe ik met een kort en onheilspellend citaat van Ivo Victoria – de gastvisser van twee maanden geleden:

De laatste tijd heb ik met regelmaat geweldsfantasieën.

Uit: Tekenen van herstel van Ivo Victoria