Sarah De Grauwe, het interview

Dinsdagnamiddag, Gent. Ik denk dat het druk is in bibliotheek De Krook, maar ik zie het niet. Het grijsbruine (of taupe? zou dit taupe zijn?) decor slorpt alle lezers in zich op. De stilte doet verstommen, het tapijt doet vertragen. De lift leidt een eigen leven. Ik sta op het punt om mee opgeslorpt te worden in deze mij voorheen onbekende dimensie, als ik een digitale aanwijzing van Sarah De Grauwe, auteur achter de blog De Grauwe Gekheid, ontvang. Ze wacht op me in het café, achter een okergele boekcover. Een fractie van een moment voel ik de drie vragen die de reden voor mijn bezoek vormen, branden in mijn achterzak. Alert blijven nu. Op een drafje volg ik de pijlen met het kopje koffie, de hoek om, de trap af, tot ik verblind word door een bundel licht die weerkaatst op een stralende schrijfster met een geel boek. Hier vind ik ongetwijfeld de informatie die ik nodig heb. Ik ga zitten, kijk over mijn beide schouders en haal diep adem. Ze slaat het boek dicht.

“Oh, ik vind dit zo mooi. De Brieven van Vincent van Gogh zijn – als je het mij vraagt – werkelijk een van de kostbaarste nalatenschappen van de kunstgeschiedenis én de literatuur. Zoveel meer dan documentatie. Het zijn intieme, kwetsbare zelfportretten in woorden, vol hartstocht, twijfel, filosofische reflectie, liefde voor de natuur en kunst en een diepe drang naar zingeving. In zijn correspondentie – vooral met zijn broer Theo – zie je Vincent als mens, in al zijn complexiteit: gevoelig, eenzaam, gedreven, soms wanhopig, maar altijd zoekend naar schoonheid en betekenis. Het is pure poëzie. Hij schreef zoals hij schilderde: intens, ongepolijst en met een ziel. De brieven tonen ook dat kunst voor hem geen luxe was, maar een noodzakelijkheid – een manier om te leven, te voelen en te begrijpen.”

“Op eenzelfde manier ben ik beginnen te schrijven: van jongs af aan was het voor mij een manier om schoonheid vast te houden, in een wereld die vaak chaotisch en pijnlijk was. Ik groeide op in een erg instabiele omgeving. Schrijven was voor mij een reddingslijn. Een manier om orde te brengen in de wanorde, om een eigen taal te vinden voor wat niet uitgesproken werd. Een hoopvolle taal. Ik was een typisch ‘dagboekkind’ dat alles met zorg neerpende in een schriftje vol bloemen, uitgeknipte prenten en kleine tekeningen.”

“Mijn eerste bundel ‘Verhalen uit het Crayenest’ is eigenlijk een aaneenrijging van dagboekfragmenten uit de tijd dat ik werd opgevangen door mijn grootmoeder, Maria Craye – zelf een vrouw met schrijftalent. Het was het pre-internet tijdperk en wij schreven vaak brieven naar elkaar wanneer zij bijvoorbeeld in het hospitaal lag, of ik op kamp was. Ook naar mijn moeder schreven we brieven, met daarin een hele beschrijving van wat we die week hadden meegemaakt, vaak humoristisch.”

“De brieven heb ik nog, maar de meeste dagboeken zijn verloren gegaan met verhuizingen. Tien jaar geleden liet een vriendin me zien hoe je op vijf minuten een WordPresssite in elkaar stak. Zo kon ik alles bijhouden. Het bloggen voelde als een natuurlijke voortzetting van die kinderlijke drang om schoonheid te verzamelen. Ik vergelijk het bloggen soms met de herbaria van Emily Dickinson of Beatrix Potter. In plaats van kruiden verzamel ik ‘magische’ momenten. Verzamelen, contempleren, classificeren, bewaren, koesteren. Een kleurrijk dagboek, tegengif voor verbittering die altijd op de loer ligt.”

“Later ontdekte ik de cursiefjes van Simon Carmiggelt en Godfried Bomans en zag ik parallellen met wat ik deed. Er bleek een term voor te bestaan in de literatuur: tranche de vie, uit het leven gegrepen. Die stukjes heb ik goed bestudeerd en dan ben ik er stilistisch ook veel meer werk in gaan steken.”

Deelde je je blog toen ook?

“Nee, ik schreef puur voor mezelf. Sociale media stonden toen ook nog niet op punt. In 2016 werd ik door Knack genomineerd voor ‘beste persoonlijke blog’ en begon ik meer moed en zelfvertrouwen in het schrijven te krijgen. Tot op het punt dat ik dacht: misschien moet ik er professioneel mee aan de slag. Toen heb ik die verhalenbundel in eigen beheer gemaakt, wat werd opgepikt door uitgeverij Vrijdag. Bij hen kreeg ik de deal: eerst een paar schrijfopdrachten en daarna proza. Zo publiceerde ik in 2023 samen met Luc Van den Broeck De amazone van de Franse Revolutie over Théroigne de Méricourt en vorige maand Gaasbeekse vertellingen, achthonderd jaar geschiedenis vanuit het perspectief van kasteelbewoners en gasten. Twee dikke boeken! Ik heb nu zin in iets korters.”

Weet je al wat er volgt?

“Nee, ik heb drie-en-een-half manuscript liggen voor romans en novelles in een meer magisch-realistische stijl, zoals Verhalen uit het Crayenest. Maar ik zou ook heel graag een bundeling maken van de beste blogstukjes. Mensen die mij aanspreken kijken daar ook naar uit, merk ik.”

Wat maakt een blog voor jou echt goed?

“Eerlijkheid. Stijl is fijn, humor helpt, structuur ook – maar wat mensen vasthoudt, is de oprechtheid achter de woorden. Een goede blog is pretentieloos en trouw aan zichzelf. Het is een plek waar de schrijver mag thuiskomen. Geen etalage waar je kennis of kunde tentoonspreidt (nou ja, ook) maar vooral een gezellige keukentafel waar je mensen aan uitnodigt en een goed verhaal vertelt. Je moet de schrijver horen vertellen terwijl je de tekst leest. Ik houd ervan als de blogger en de mens dezelfde stem hebben. Daarnaast helpt het als een blog herkenning biedt, of verwondering wekt. Iets dat de lezer doet knikken.”

Is het dan hetzelfde als een column?

“Nee, een column gaat in tegenstelling tot een blog meestal over de actualiteit. En ik vermijd in mijn blog ook juist onderwerpen als religie of politiek.”

Omdat je er geen zin in hebt?

“Omdat ik er geen zin in heb, omdat het privé is en vooral omdat er zoveel andere onderwerpen zijn die meer verbinden. Want dat is deels ook mijn doel: mensen verbinden.”

“Weet je, een van mijn vroegste herinneringen is dat ik als kleuter op de speelplaats aan het hek aan het wachten was op mijn moeder, die niet kwam. Met achter mij een troep stoute kinderen die mij niet moest. Dat gevoel heb ik altijd gehad, tot op de dag van vandaag. Dat ik moet opboksen tegen de stoute wereld. Maar: mijn dag mag zo slecht zijn, mijn week zo rottig, als ik ’s avonds kan schrijven ben ik altijd in staat om mezelf op te peppen. Al schrijvend kom ik weer tot het besef: ‘dit ben ik, dit zal ik zijn’. Daarom vind ik Aanlegplaats ook de perfecte naam voor jullie website. Ik leg aan.”

Heb je een schrijfroutine?

“Ken je die video van Roald Dahl in zijn tuinhuis? Awel, zo. Ik trek mijn pyjama aan, zet een kop thee en nestel mij onder een deken, met mijn voeten op een poef, omringd door boeken, papiertjes met tekst en andere schatten. Echt een eksternest. Dan maakt het mij allemaal niks meer uit. Dan hoor ik niks meer, zie ik niks meer. Dat zijn de beste momenten van mijn leven.”

Wie zou volgens jou dringend een blog moeten beginnen?

“Iedereen die af en toe denkt: ‘Zou ik de enige zijn die dit denkt, voelt, meemaakt?’ – die zou een blog moeten beginnen. Sommige mensen hebben zó’n filmisch leven dat het zonde is als ze het niet opschrijven en delen. Neem Léon Lemahieu, de Antwerpse dandy-boekhandelaar in de Wolstraat – zelf een wandelend boek, eigenlijk. In zijn wonderlijke anti-quariaat word je begroet met een glas wijn, boekentips en een anekdote die altijd nét iets te goed is om verzonnen te zijn. Hij was een goede vriend van het genie J.M.H. Berckmans en heeft zich door de jaren heen altijd weten te omringen met interessante schrijvers, kunstenaars en excentriekelingen die zich geregeld verzamelen in zijn Salon Léon. Hij schrijft wel, maar hij publiceert niet. Zogezegd omdat het nooit af is. Perfect voor een blog, denk ik dan.”

Ik leg mijn pen neer en adem uit. Mijn vragen zijn beantwoord, mijn hart is verwarmd en het universum is gered. Of nee, er rest ons nog één laatste opdracht. De foto met het boek. Een eitje, met zo’n natuurlijke, goedlachse schoonheid als Sarah De Grauwe. Toch moet er nog een kleine horde genomen worden. De Brieven van Vincent van Gogh zijn namelijk niet haar enige favoriet.

“Ik vond het zo moeilijk om te kiezen! Kijk, ik heb ook nog In praise of shadows van Junichiro Tanizaki bij. Een essay uit 1933, toen de Westerse invloeden Japan binnendrongen. De schrijver pleit hierin voor de esthetiek van de Japanse cultuur. Hij beschrijft hoe in de Japanse traditie schoonheid vaak schuilt in wat niet volledig zichtbaar is: het gedempte licht in een theehuis, het patina op hout, het glanzen van lakwerk in schemerlicht, het diffuse spel van schaduw op papier of hout. Ik houd heel veel van Japanners. Vincent van Gogh ook trouwens, ook al was hij er – net als ik – nooit geweest. Zo bleef het voor hem een land van melk en honing en dat vond hij prima.”  

“Louis Couperus is wel in Japan geraakt. Hij is mijn meest favoriete schrijver en heeft een grote invloed op mij. Je ziet het in de adjectieven, het uitvinden van woorden, het zintuiglijke, de melancholie. Van hem heb ik De Verliefde Ezel meegenomen: een schelmenverhaal over een minzieke kerel die door een heks in een ezel wordt veranderd tot hij de ware betekenis van liefde leert kennen. In het boek schetst Couperus op meesterlijke wijze hoe complex de liefde is. Je voelt de echo van de Griekse mythe van Apuleius’ De Gouden Ezel (ik ben gek op klassieke literatuur!), maar dan in een modernere, meer introspectieve, bijna decadente stijl. Het verhaal lijkt op het eerste gezicht luchtig, maar wie goed leest, merkt een zekere weemoed. Couperus toont hoe het verlangen naar schoonheid en liefde iets universeels is – ook al leidt het vaak tot verdriet of misverstand.”

Ben je doof? (vangst #219)

tekening Eric Forbes-Robertson

Shit happens. Zo hoorde ik ooit iemand de eerste edele waarheid van het boeddhisme – Duhka – uitleggen. Vroeg of laat gaat er altijd wel iets fout.

De bloggers van deze week, Ivo Victoria, Merel de Vilder Robier en Marc Reugebrink, getuigen over hoe de shit bij hen happens, en hoe ze daar dan mee omgaan. Ze doen dat in prachtig proza, dat u best met aandacht tot u neemt.

Want weet: u bent niet alleen.

Rare dagen van stilletjes voor je uitstaren. Uren die verglijden zonder een beweging te maken. Dan toch de trein instappen, dan toch naar die lunch gaan, toch twee uur geanimeerd converseren, daarna welgemutst een wandeling door de stad die ooit de jouwe was, de zon die haar stralen precies in het oude steegje werpt waar ooit je overgrootouders woonden, terwijl je glimlachend foto’s neemt van het statige pand waarin zij een winkel in koloniale waren dreven en waar nu een zaak in luxe beddengoed zit met smaakvol gekleed personeel dat geen idee heeft wat jij over hun werkplek weet, en in de verte de Schelde, glinsterend als een meer, en daarna, hop, een vélo op, prinsheerlijk pedalerend terug naar het station en wanneer je eenmaal in de trein naar huis zit: plots kapot moe, stil, leeg, anderhalf uur niets. Schijnbewegingen die je moeiteloos ontwijkt, tot je neergaat.

Uit: Tekenen van herstel van Ivo Victoria

Ne keer, nog ne keer, voor den duustmiljaardste keer geprobeerd te raisonneren met mijn nerven. Geprobeerd te kalmeren. Vriendelijk gevraagd aan kolkende baren of ze alstublieft alstublieft schone stille willen blijven liggen.

Nog ne keer willen roepen, maar z’oorden mij niet.

En mochten ze al willen luisteren, ze doen toch allene maar wat in hunnen aard ligt.

Zenuwen zijn zenuwen.

Nerven zijn enerveus.

Uit: Notitie van 26 april 2025 van Merel de Vilder Robier

De snor hoestte en drukte zijn sigaret uit op de tafelrand. ‘Het zou op de Port Arthurlaan moeten zijn’, zei ik weer en ik keek van de een naar de ander. ‘Wacht eens,’ zei de kale, magere man. ‘Het douanekantoor op de Port Arthurlaan, dat zit toch in de Patrijsstraat?’ Dat deed een lichtje branden bij zowel de beide overalls als bij de snor. Ah, dát douanekantoor, ah ja, nee, daar zou Robèrt hier wel eens gelijk in kunnen hebben, dat zat in de Patrijsstraat ja. Misschien moest ik daar eens gaan kijken? ‘In de Patrijsstraat?’ vroeg ik. ‘Het douanekantoor op de Port Arthurlaan… in de Patrijsstraat?’  Ja, knikte de snor, en keek alsof het wel vanzelf sprak. ‘Dus’, zei ik voor de zekerheid  nog eens, ‘het douanekantoor aan de Port Arthurlaan zit in de Patrijsstraat’. ‘Est hij duuf?’ vroeg een van de overalls.

Uit: Administratief ernstig ziek op De Inwijkeling

De glorieuze toekomst van het verleden (vangst #218)

Sommige dichters zijn gezegend met het uiterlijk van negentiende eeuwse dandy’s met een onstilbare eetlust, terwijl anderen dan weer lijken op ascetische langeafstandlopers. David Troch behoort duidelijk tot die laatste categorie. Spichtig. Scherp. Sacraal. Ik vond het fascinerend om te lezen hoe fanatiek hij met lopen en dichten en andere belangrijke bijzaken zijn dagen vult.

Er zijn weinig pennen die het gevoel dat het verglijden van de tijd oproept trefzekerder weet te treffen dan die van Jan Devriese. In het stuk Glimlachen schetst hij in drie paragrafen het heden, verleden en de toekomst van zijn relatie met zijn kleinzoon.

Bene Van Eeghem is een moeder van twee kinderen. In een geestig verhaal licht ze een tip van de sluier van haar gezinsleven op. En achter alle Ryanair-chaos en zoektochten naar bedden in Maldegem knettert een behaaglijke gloed die mij alvast deed verlangen naar een zorgeloze kindertijd in Brugge onder de vleugels van een mamma universale.

Aan snelheid werkte je in je eentje zelden. Wat zou je ook, je liep rond zonder schema. Doe je nog altijd. Toch verbaasde je jezelf meermaals. Tien kilometer. Tien mijl. Trail. Halve marathon. De heilige marathon. Nu en dan benaderde de man van middelbare leeftijd zijn prestaties als jongeling.’

Uit: De orde van de dag van David Troch

Je hoopt dat dat zo blijft. Dat je allebei om hetzelfde kunt glimlachen. Maar misschien wordt hij een puber die alles stom vindt, mij voorop. En misschien word ik een ouwe zeur en vind ik hem een onuitstaanbare puistenkop. Je weet het niet. Je denkt terug aan het ventje van negen dat je zelf ooit was. Je had geen opas meer.

Uit: Glimlachen van Jan Devriese

Het vliegtuig is voor onze neus opgestegen, mama, kun je ons nu ophalen in Charleroi? Lukt dat?De rit blijkt uiteindelijk niet nodig, ze nemen de trein terug, de vlucht wordt omgeboekt. Waardoor ik anderhalve dag later om 1u s nachts uit bed sukkel en haar aan het station drop. Voor een nieuwe rit met de nachtbus, richting luchthaven, richting Italië, maar dat hoofdstuk was broer dus vergeten. Voor hem doen alleen maaltijden en sporttraining ertoe. En dat mama veel mensen kent en dingen oplost.’

Uit: La mamma universale van Bene Van Eeghem

Kalm, zei de kapper (vangst #217)

Bill Woodrow, CC BY 3.0 https://creativecommons.org/licenses/by/3.0, via Wikimedia Commons

Vandaag in de vangst: dingen uit het verleden. De bijzondere kapper van Ben de Graaf (ik had er ooit eentje die Johnny heette, klassieke muziek draaide en Playboys en Penthouses als leesmateriaal had liggen – knippen kon hij niet echt), een bunker in de tuin bij Marieke Groen, en de oudste dooddoener van mijn lang overleden moeder, hier in de blauwe versie van Eliane De Bleser.

Niets, zo blijkt alweer, is voor altijd.

Ook zijn (kapper Gerard van Straalen) muziekkeuze was niet bepaald Middle of the Road. Geen Chirpy Chirpy Cheep Cheep, maar Patti Smith, Nick Cave, Joni Mitchell. Ik herinner me een jeugdfeest in een garage. Gerard had een LP van Santa Esmeralda meegenomen. Het nummer Don’t let be misunderstood duurde een hele plaatkant. Ik zie hem nog dansen op de betonnen dansvloer, meer dan een kwartier lang, in zijn eentje.
Eind jaren ‘70 kwam hij ineens op de proppen met Stomu Yamasth’ta. Deze eigenzinnige Japanse percussionist vormde een ‘supergroep’ met de uit Traffic afkomstige Steve Winwood, synthersizerpionier Klaus Schulze en snarenvirtuoos Al Di Meola.

uit Afscheid van mijn kapper op Ben Tekstschrijver

We vertellen het aan niemand, oké?’ zeg ik, ‘anders wil straks iedereen in onze bunker.’

Nog diezelfde week hebben we een burenborrel waar ik het aan vrijwel alle aanwezigen vertel. ‘Maar niet doorvertellen, anders wil iedereen in onze bunker!’ We vragen ons af of we een rondleiding zouden kunnen krijgen. ‘Omdat we buurtbewoners zijn.’ We voelen ons heel wat met onze bunker.

Intussen hebben we nog geen spoor van het ding kunnen ontdekken. Ik mail de beheerder van de website over de Stelling van Amsterdam.

Uit Een bunker in de achtertuin van Marieke Groen

Ik vroeg het aan meneer Macharis.
Die zei dat Kalmte me zou Redden.
‘Jaja,’ zei ik en ik haalde anderhalve keer diep adem.
Even later viel mijn blik op de bomen en daar was het weer; die bijzondere kleur van het avondlicht.

Uit Blauwig op Andere woorden

Focus u op de last (vangst #216)

Niets wat ons zo scherp naar het leven laat kijken als de dood. Marijke Cornelis ziet helder de familiebanden op een afscheid terwijl ze nadenkt over verlies. Ook Sarah De Grauwe mijmert over sterfelijkheid in het ‘universum van verval’, haar tweede thuis, de Westhoek. In deze context van meedogenloze tijd komt Vitalski met een verrassend advies, ingegeven door de digitale versie van een Chinees orakel.

Op de eerste rij schuiven de kleinkinderen aan. Jonge vrouwen, en jonge mannen, frêle nog van leden, gestoppeld rond hun mond. ‘Baarden zijn in’ fluistert iemand in een oor. Fluisteren is als schreeuwen in de stilte van dit ruim.

Uit: 30 op Zon, Zen en Murphy

Ik hoor de doodsreutels over de akkers weergalmen en ondertussen valt er wat ouderwetse regen uit de lucht. Dan weer een streep zon. ‘Kerremesse in d’helle’, zou grootmoeder hebben gezegd. Gloria in excelsis deo. Ach, wie kent de kunst van sterven. Krokussen, grootmoeders, soldaten; alles wat leeft lijkt gemaakt om te vergaan en kostbaar te worden. 

Uit: Kerremesse op De Grauwe Gekheid

“je mag niet doorgaan zolang je die last draagt.” het advies is echter verrassend in deze, dat dit advies niét zegt dat we die last zouden moeten zien “los te laten” (zoals het advies “loslaten”, nochtans, nu al een paar decennia lang, sinds de jaren 80 ten laatste, hard in de mode is); neen, dit advies zegt: focus u op die last – en zie vooreerst niet verder.

    en dit geldt ook voor u, beste lezer of lezeres: niet dat einddoel ver weg, doch wel de besognes hier en nu – die alleen verdienen àlles van uw aandacht.

Uit: State of being 2/3 april op Vitalskiblog

Ivo Victoria, het interview

Ruim vier eeuwen na de val van Antwerpen emigreerde Hans Van Rompaey op zijn beurt naar Amsterdam en luidde zo de tweede Gouden Eeuw van de stad in. Hoewel zijn geboortenaam eerder past bij een zuinige penningmeester van een politieke partij die betere dagen heeft gekend. Hans voorvoelde dat het allemaal avontuurlijker mocht klinken en bedacht daarom het prachtige pseudoniem Ivo Victoria. 

Als Hans Van Rompaey heeft hij een verleden in de muziek. Eerst als zanger bij de in Edegem en omstreken legendarische groep Kamino, die zelfs fans in Wallonië en Mortsel telde, en waarvan de platen door NME en Melody Maker met lof werden overladen. Later als persvoorlichter bij Lowlands. 

De muzikale duizendpoot vond zichzelf opnieuw uit en debuteerde als Ivo Victoria in 2009 met het spraakmakende Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Er volgden nog vier andere boeken en talloze columns voor o.m. De Morgen.

Er zijn mensen die beweren dat ze erbij waren toen Joy Division in de King Kong in Antwerpen optrad. Wel: ik was erbij toen Kamino in een tuin in Boechout een machtig concert gaf en bewees dat de echte The Beatles uit Edegem kwamen. Net zoals Ivo Victoria – toen nog Hans Van Rompaey – er op zijn beurt bij was toen Royal Antwerp FC die onwaarschijnlijke remonte tegen Vitosja Sofia maakte en in de laatste vijf minuten een 1-3 achterstand omboog in een 4-3 overwinning. Enkel de laatste vijf minuten moest Hans missen omdat hij teleurgesteld was afgedropen. Over het missen van de memorabelste minuten uit de geschiedenis van zijn geliefde club schreef Hans – weliswaar als Ivo Victoria – een van de allerbeste voetbalverhalen die ooit in Hard Gras zijn verschenen. 

We hadden in een rustige kroeg in de buurt van Amsterdam Centraal afgesproken. Hoewel we elkaar nog nooit hadden ontmoet, herkenden we elkaar onmiddellijk. Er werden handen geschud de ober nam de bestelling op en na een verkennend gesprek kwamen we meteen tot de kern van de zaak. 

Hoe gaat het met je zus?

Pardon: ik bedoel:

Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Dit jaar vier ik een jubileum, want het is exact twintig jaar geleden dat ik met de blog ben begonnen. In die tijd werkte ik voor het muziekfestival Lowlands. Ik was persvoorlichter en kwam geregeld met mijn echte naam, Hans Van Rompaey, in de media. In die pioniersjaren was bloggen erg hip en vermits ik me in mijn vrije tijd een beetje aan het vervelen was, ben ik met behulp van het software programma PivotX een weblog begonnen. Het was echt knutselsoftware. Omdat ik vrijuit over muziek en de wereld waarin ik werkte wilde schrijven, heb ik het pseudoniem Ivo Victoria bedacht, want ik wenste het gescheiden te houden van mijn baan als persvoorlichter. Het idee voor de naam haalde ik uit de film Pulp Fiction waarin een van de personages beweert dat je pornoster-naam een combinatie is van je tweede voornaam én de straat waarin je bent opgegroeid. Mijn tweede naam is Ivo en ik groeide op in de Victoriastraat in Edegem.’

‘In het begin schreef ik voornamelijk korte stukjes van een honderdtal woorden. Kleine observaties. Een neerslag van de gesprekken die ik afluisterde op de trein. Gedachtespinsels. Al snel leerde ik andere bloggers kennen, want die wereld was toen veel actiever dan nu.’

‘Zo leerde ik mensen als Walter van den Berg, Merel Roze, Mirjam de Jonge, San F. Yezerskiy, of Max Molovich online kennen. Ook een van mijn beste vrienden, auteur Rob Waumans, ontmoette ik via het bloggen en Twitter. Samen hadden we tussen 2012 en 2017 Waumans & Victoria’s Groot Internationaal Literair Varieté Spektakel, een literaire varieté show waarmee door Vlaanderen en Nederland trokken. Maar andere bloggers heb ik nooit persoonlijk ontmoet en toch volg ik hun leven al twintig jaar op de voet. Al lezend heb ik vaak het gevoel dat we het goed met elkaar zouden kunnen vinden. Sommige mensen heb ik al twee decennia in de smiezen. Ik ben ervan overtuigd dat virtuele vriendschappen echt bestaan.’

‘In de begindagen was het de gewoonte om commentaar op elkaars stukjes te geven en als je het snedig deed, creëerde je interesse bij nieuwe lezers en op die manier genereerde je trafiek op je eigen blog.’

‘Walter van den Berg debuteerde in 2007 met zijn eerste roman en hij raadde me aan om wat langere stukken te schrijven zodat hij ze aan zijn agent kon voorleggen. Volgens hem hadden mijn teksten potentieel. Dat heb ik gedaan en het werd het eerste hoofdstuk van Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Ik stuurde het op en een paar maanden later had ik een contract voor een boek.’

‘In mijn jonge jaren schreef ik nauwelijks, want ik was altijd met muziek bezig. Het grappige is wel dat ik in de jaren negentig een dagboek bijhield en toen ik daar recent in bladerde, merkte ik dat ik ergens verzuchtte ooit een roman te willen schrijven. Terwijl ik me niet kan herinneren dat ik in die periode met schrijven bezig was. Dankzij de verwoede lezer Bent Van Looy van Das Pop, een groep die bij platenmaatschappij PIAS zat, waar ik rond de eeuwwisseling werkte, ben ik opnieuw beginnen lezen. Hij gaf me een leeslijst en het boek dat helemaal bovenaan stond was Girlfriend in a coma van Douglas Coupland. Het is nog altijd een van mijn favoriete romans.’

‘Wat er nu op de blog staat is een selectie van de meer dan duizend stukjes die ik ooit heb geschreven. Ik heb ze nog wel allemaal, maar ik vond geen handige technische manier om al die verhalen op eenvoudige wijze te importeren. Een aantal hebben we dan maar handmatig overgezet.’

‘Tegenwoordig blog ik slechts sporadisch. Voor mij is de functie van het bloggen: vrijuit kunnen schrijven. Het is een speeltuin waarin ik associatief te werk kan gaan en mezelf door niets of niemand laat tegenhouden. Op dat platform mag ik de mist ingaan. Ik beschouw het als een vrijstaat. Een kladboek. Bovendien is het een manier om materiaal te verzamelen. Toen ik nog regelmatig blogde herlas ik op het eind van het jaar alles wat ik had geschreven en kopieerde alle goede zinnen of stukjes in een document. Het zijn losse fragmenten die niets met elkaar te maken hebben, maar ik kan er telkens uit putten als ik het even niet meer weet of als ik een verrassende wending zoek. Soms put ik ook voor columns uit dat reservoir van losse zinnen.’

‘Bloggen heeft voor mij nog een andere functie namelijk: nieuwe lezers vinden. Volgens mij is het de ideale leerschool om te leren doorgronden hoe mensen lezen, want je krijgt vaak heel directe feedback.’

‘Natuurlijk kwam het deels ook door mijn tweewekelijkse column in De Morgen, die ik vijf jaar heb gehad, dat ik een stuk minder ben beginnen bloggen. Want het kost toch veel tijd. Ik ben ook van strategie veranderd. Tegenwoordig schrijf ik lange lappen tekst op mijn blog en dat is niet goed voor het internet dat vooral korte, snappy stukjes waardeert. Maar het interesseert me niet wat het internet verlangt. Ik wil gewoon mijn zin kunnen doen. Het boek dat ik tegenwoordig aan het schrijven ben is zeer tijdrovend. Maar de vrijheid die je in een blog ervaart is heel moeilijk te reproduceren in een roman.’

‘Hetzelfde geldt voor columns die je binnen een rigider kader schrijft. Zo moest mijn column een reflectie op de actualiteit zijn.’

‘Tegenwoordig lees ik niet meer zoveel blogs. Of er andere columnisten zijn die me inspireren? Als ik vastzit en even de juiste vorm niet meer vind, lees ik altijd een paar columns van Frank Heinen of Marja Pruis. Omdat ze allebei het talent hebben om op de kleine ruimte grote gedachtensprongen te maken. Ze vertrekken steeds vanuit hun persoonlijke leefwereld. Als ik het kleine met het grote kan verbinden, stemt met dat oprecht gelukkig; zoals die column over mijn dochter die een noodpakket in huis wil halen omdat ze zo gefascineerd is door de transistorradio. Dán kun je vanuit het persoonlijke een groot thema aansnijden. Dat is het mooiste. Marja Pruis doet dat wonderlijk goed. Vanuit haar eigen knulligheid de grote dingen des levens overschouwen en daarin grote sprongen maken. Als haar lees geraak ik geïnspireerd en realiseer ik me dat ik het ook op die manier kan doen.’

‘Wat Marja Pruis tweewekelijks in De Groene Amsterdammer schrijft lijkt allemaal heel natuurlijk, heel spontaan. Maar waarschijnlijk zit ze er lang aan te schrijven. Dat hoop ik dan toch tenminste (lacht).’

‘Voor mijn columns maak ik op dinsdagmiddag een schets en dan schrijf ik ze woensdagochtend na het hardlopen uit. Tijdens het lopen krijgt het stuk vorm in mijn hoofd en dan rolt het er zo uit. Hoewel ik er de daaropvolgende uren nog lang aan zit te pielen.’

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Over die vraag heb ik niet echt goed nagedacht (lacht).’

Denkt lang en goed na.

‘Ik heb een tijdje de betalende substack van Jeff Tweedy, de zanger van Wilco, gevolgd. Waar ik veel van heb opgestoken is van zijn dun boekje How to write one song – waarin Jeff Tweedy schrijftrucjes geeft maar ook nadenkt over het plezier dat erin schuilt om iets heel eenvoudigs te maken. Een klein gedicht. Het noteren van een observatie. In gedachten een associatiespel spelen. Het is, zou je kunnen zeggen, in een soort van blogvorm geschreven. In elk hoofdstuk snijdt hij een ander thema aan. Maar hij denkt vooral op een erg mooie manier na over wat het betekent om iets te creëren.’

‘Ik ben altijd jaloers geweest op blogs die een duidelijke focus hebben en waar het onderwerp en de vorm helder afgebakend zijn. Zelf ben ik een inconsequente blogger. Het ontbreekt me eenvoudigweg aan de discipline om het consequent vol te houden.’

‘Maar om op je vraag terug te komen: ik zou het tof vinden mocht bijvoorbeeld een Kevin De Bruyne bloggen. Maar dan: all the way. De voetbalwereld, is net als die van de muziek, gesloten. De kleedkamer blijft altijd dicht. Je krijgt er nooit echt je vinger achter. Het zijn werelden waar je vanbinnen uit eens alles over zou willen vernemen. Misschien is de materiaalman van Manchester City daarom wel een interessantere keuze dan Kevin De Bruyne. Gewoon mensen die vanuit hun perspectief de gang van zaken binnen een club belichten.’

‘Toen ik in het bandje Kamino speelde waren we allemaal fan van Mixerman, een blog van een anonieme studiotechnicus die met een grote groep in de studio zat. Zonder dat hij zei om welke het ging. Het waren allemaal enorme ego’s. Zijn dagelijkse stukjes waren pure Spinal Tap. Later bundelde hij de anekdotes in een boek dat hij in eigen beheer uitgaf. Het was zo goed, zo grappig en zo droog opgeschreven. Mixerman.net is nog altijd een cult fenomeen in de internationale muziekwereld. Studiotechnici, materiaalmannen van een ploeg: dat zijn mensen die aan de zijlijn staan en alles zien gebeuren.’

Wat maakt een blog goed?

‘Wat alle proza goed maakt. Stijl en persoonlijkheid. Vormgeving is voor mij minder belangrijk. Alleen moet de tekst voldoende ruimte krijgen zodat het prettig leest. Van belang is niet zozeer wat je vertelt, maar de manier waarop je het vertelt. Het gaat om de blik van de schrijver. Dan kan het kleinste faits divers een geweldige blog opleveren.’

‘Welke schrijvers ik graag lees? Er zijn er een paar waarvan ik in de agenda zet als er een nieuw boek van hen uitkomt. De Argentijnse Mariana Enriquez is zo iemand. Ze schrijft geweldige, donkere kortverhalen die zich grotendeels afspelen in het hedendaagse Argentinië – terwijl de schaduw van de dictatuur van vroeger op de achtergrond voelbaar aanwezig is.’

‘Alessandro Baricco is ook zo iemand waarvan ik de nieuwe boeken onmiddellijk lees. Zijn romans zijn wonderlijk sprookjesachtig. Slim, geestig, en erg goed.’

Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman heb ik gisteren uitgelezen. Heel mooi. Heftig natuurlijk.’

‘Ik lees vooral om na te denken. Ik heb steeds een notitieboekje bij de hand. Enkel op vakantie durf ik weleens een bestseller die er lekker ingaat te verslinden. Maar ik lees vooral heel veel in functie van wat ik zelf aan het maken ben. Boeken die mij verrassen interesseren me meer dan boeken die echt goed zijn. Soms hou ik liever van een mislukte poging dan van de volmaakte roman.’

‘Een kleine mislukking die me intrigeerde was bijvoorbeeld Oorlog en oorlog van Nobelprijswinnaar László Krasznahorkai. Het is een boek waarbij de zinnen en niet de  hoofdstukken zijn genummerd. Er zitten er korte tussen. Maar sommige zinnen zijn pagina’s lang. Qua vorm en schrijftstijl is het virtuoos, en waanzinnig goed gedaan. Terwijl het boek uiteindelijk niet brengt wat ik ervan had verwacht. Net als zijn familienaam vergen zijn romans heel veel van de lezer. Daar hou ik van. Het is een slimme vorm. Black Venus van Jef Geeraerts heb ik gelezen omdat ik nu met een boek bezig ben dat zich in Congo afspeelt. Die eerste pure stream of consiousness pagina’s van Black Venus zijn in technisch opzicht echt overweldigend goed. Hoewel er inhoudelijk heel veel op valt aan te merken, natuurlijk.’

‘Mijn eerste vijf boeken heb ik op tien jaar tijd geschreven. Maar aan dit laatste – dat hopelijk volgend jaar verschijnt – zal ik in totaal vijf jaar gewerkt hebben. De eerste vijf vormen een soort van cyclus. Alles is oké is in feite de afronding van Hoe ik nimmer de Ronde van van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Daar tussenin zat Dieven van vuur, een generatieroman over Antwerpen, die eindigt met mijn verhuizing naar Amsterdam. Deze drie autobiografische boeken worden afgewisseld door twee maatschappelijk geëngageerde romans over hedendaagse angst en radicalisering : Gelukkig zijn we machteloos en Billie & Seb. Daarmee was voor mij een cyclus afgerond en lag de toekomst open.’

Alvorens de tijd om afscheid te nemen is aangebroken, hebben we het over de cafés waar Ivo Victoria vroeger rondhing, zoals de Pallieter in Antwerpen. Artistiek Antwerpen verbeterde er tijdens hoogoplopende nachtelijke discussies aan de toog de wereld en de jonge Ivo was er zo’n vertrouwd gezicht dat een foto van hem samen met zijn boezemvriend er jarenlang tussen die van Jan Decleir en Koen Wauters prijkte.

Tegenwoordig bezoekt Ivo vooral Café De Druif, een van de oudste kroegen van Amsterdam. Maar tijdens zijn beginjaren hing hij regelmatig rond in Café De Pels, dé plek waar op hun beurt de Amsterdamse nachtraven al van vroeg in de middag hun Weltschmerz trachten te verzachten met cafeïne en alcohol. Kuierend door de stad wandelde ik er voorbij en aangetrokken door de talloze verhalen opende ik de deur. De kroeg zat echter afgeladen vol. Nergens was er nog een plekje vrij. En alweer bewees de Grote Boechoutse filosoof Hugo Matthysen dat hij, meer nog dan W.F. Hermans, altijd gelijk heeft. Zijn zin ‘Wie schrijft die blijft graag hangen in cafés‘ bleef de hele treinrit terug naar huis door mijn hoofd spoken.

Ondeskundigologie (Vangst #215)

Er zijn goede mensen en slechte mensen. En mensen die dingen goed doen en mensen die dingen slecht doen. En mensen die goede dingen doen en mensen die slechte dingen doen.

Het wordt al snel heel verwarrend, want je hebt ook goede mensen die slechte dingen goed doen, of slechte mensen die goede dingen slecht doen.

Toch?

Voor onze bloggers is het gelukkig duidelijk. René van Densen doet de dingen slecht, Els Claessen doet slechte dingen en Henk Van Straten gelooft in goede mensen.

Zo. Klaar.

Al sinds mijn vroege schooljaren kan ik niks, weet ik niks en wil ik niks. Maar voor het soort werk waar men mij voor betaalt, hoef je niks te kunnen, en je hebt ook niet veel te willen. Daarom hang ik een naamplaatje onder mijn deurbel: René van Densen, Ondeskundigoloog.

Uit Ondeskundigoloog van Rene Van Densen

Ondanks de anonimiteit van de post-its, had ik bij de meeste wel een vermoeden wie de auteur was. Die ‘slappe koffie’ was van de hand van mijn eilandbewoner. De ‘cassante opmerkingen’ kwamen van een eiland verderop. En die halve ster en andere complimenten kwamen zonder twijfel van de ex-collega’s die aan de andere kant van het gebouw werkten. Met tegenzin ging ik aan de slag.

Uit Complimentenweek op Gebeurtelijke ongevallen

Zulke mensen. De echt mooie mensen. En die dan doodgaan. Ik denk zo veel liever aan hen, en zie zo veel liever hen voor me, dan de lelijke koppen waar ik dagelijks mee geconfronteerd word, die ik misschien zelf ook wel opzoek: de Trumps en Pete Hegseths en Wildersen en Fabers en Musks. In wiens ogen alles ontbreekt wat ik zag in de ogen van Dieuwertje Blok en Loretta Schrijver. Lelijke, stompzinnige koppen die je de hoop ontnemen, omdat je denkt: verdomme, dit is hun tijd, en de zachte mensen vallen weg.

Uit: De mooiste mensen op … tja, dit komt uit een stukje van Henk Van Straten, één van de eerste bloggers die we hier op Aanlegplaats koesterden. Tot hij achter een paywall verdween (doen we niet), en nu alleen maar via mail (doen we eigenlijk ook niet). Abonneren (nu weer gratis) kan hier.

Oh dierbare container met zelfkastijding (vangst #214)

Tussen de alarmerende nieuwsberichten en de glimmende wereld van de sociale media zouden we bijna vergeten hoe saai en vervelend onze doordeweekse levens eigenlijk zijn. Gelukkig hebben we daar de bloggers, die hun lastige situaties, mislukkingen en gemiste kansen breed uitsmeren. Gerbrand Bakker worstelt zich door een radio-interview op afstand, Tanja Wentzel vertrekt vroeg bij het theater om een bus te nemen die de verkeerde kant op rijdt en Sam Sterckx wordt voor de zoveelste keer afgewezen. Hèhè.

Ondertussen moest ik me door een kort vraaggesprek heenworstelen. Op de een of andere manier kon ik om de vraag waarom die Leidse Ginkgo gewonnen had heendraaien door gevat te zeggen dat Japanse notenboom (de Nederlandse naam voor de Ginkgo) nergens op slaat omdat-ie uit China komt en geen noten draagt. Maar iets later wilde Andrea weten: ‘Waarom houden mensen zo van bomen?’ Godsamme. ‘Wat een moeilijke vraag, Andrea,’ zei ik. ‘Dat zou je eigenlijk die mensen moeten vragen.’ Wat ook niet helpt op zo’n moment dat ik thuis zit met de zogenaamde luci-app van de radio en Andrea in de studio.

Uit: Radio op afstand op Gerbrand Bakker

Bijna lijkt het of ik ben teruggereisd in de tijd, alsof er niets is gebeurd en ik weer verder ga waar ik gebleven was. Voor mij lijkt er een eeuwigheid verstreken. Ik vraag me af hoe mijn avond zou verlopen zijn als ik in de warmte van de rode theaterzetels was gebleven. En niet het tripje in een overvolle bus vol uitgeputte slapende mensen had gemaakt, naar een plek waar ze niet welkom zijn.

Uit: De bus naar nergens op De Rode Valies

Voor zo’n slet raak ik zelfs niet met mijn vingertoppen de container met zelfkastijding aan. Die is me veel te dierbaar. Ergens wil ik wel mijn tanden poetsen. Opnieuw verliefd worden op iemand die naar me kijkt zoals ik mezelf nooit zag. Iemand verzorgen, zoals ik nooit voor mezelf opkwam. Maar ik ben te moe om eraan te beginnen.

Uit: Kots nr. 218 ‘Elk nieuw begin komt voort uit iets dat ooit een einde zal zijn’ op Kotsen op Woensdag

De wereld van morgen (vangst #213)

De beschouwende pen van Vincent Merckx leent er zich uitstekend voor om de onzekere tijden die ons te wachten staan te beschrijven. Zal de wereld van morgen er even florissant uitzien als die van gisteren? Zelfs een vooruitgangsoptimist als ik begint er bij momenten aan te twijfelen.

Een van de oogstrelendste blogs die ik ken is die van Bart Moeyaert. Wat hij ook voortreffelijk doet is enthousiasmeren. In enkele kernachtige zinnen kan hij me telkens opnieuw overtuigen een volgend boek te kopen en bovenop de stapel met ongelezen titels te leggen. Thuis noemen we de metershoge stapel de Bart Moeyaertberg. Wat hij over de Deense schrijfster Helle Helle zegt doet mij in ieder geval zin krijgen om haar volledige oeuvre aan te schaffen als fundament voor een nieuwe Bart Moeyaertberg.

Wie de kunst van het op een beschouwende manier zijn lezers enthousiast te maken eveneens uitstekend beheerst is Pascal Cornet. Ik lees hem sowieso graag en al helemaal als hij het over half vergeten schrijvers heeft en hierbij een link met zijn eigen leven weet te leggen. Zijn stuk over het moederboek van Luk Gruwez vond ik wonderbaarlijk mooi. Zie ik daar ook een Pascal Cornetberg aan de horizon oprijzen?

Dat allemaal moeten we doorstaan in de hoop dat het toch weer beter wordt, uit alle macht hou ik mezelf dat andere verhaal voor dat we onszelf zo vaak vertellen, dat de boog van de geschiedenis naar het goede buigt, het zal allemaal wel waar zijn, toch haal je je vingers maar beter weg wanneer hij aan het trillen gaat.’

Uit: Leopold de tweede van Vincent Merckx

Op haar schrijversportretten ziet Helle Helle eruit als royalty. Op literair vlak verdient ze ook een kroon. Ze is een van de weinige auteurs van wie ik sinds 2005 het hele oeuvre in mijn boekenkast wil.

Uit: Hafni zegt van Bart Moeyaert

Dit schrijven over ouders doet mij natuurlijk reflecteren over mijn schrijven over mijn ouders. Kan het? Jazeker. Als het met respect en mededogen gebeurt. Als het mooi is. Het kan kritisch zijn – en het móet om waarachtig te zijn kritisch zijn – maar de esthetica moet de kritiek verzachten. Over de doden niets dan goeds? Over de doden niet dan moois.’

Uit: Moederportret van Pascal Cornet

Aan Tom Wouters

Dit is de zesde brief in de derde ketting van Flessenpost. Dirk van Boxem schreef aan Anne Broeksma die aan Sylvie Marie schreef, die aan schrijverskoppel Nele Bruynooghe en Wieland Heymans van zacht bruTaal schreef, die aan de bouwfirma van Tom Wouters schreef, die weer aan Vincent Merckx schreef. Hij schrijft nu terug.

Beste Tom,

Ik moet deze brief beginnen met een bekentenis. Ik heb overwogen om iemand anders aan te schrijven. Mijn goede collega Kristien Bonneure bijvoorbeeld, van wie ik zopas geleerd heb dat ook zij een blog heeft. De splinterbom Vitalski. Of de ontroerende Caro Van Thuyne.

Want het is inderdaad zo dat wij elkaar niet kennen. In een film die me zeer na aan het hart ligt, beëindigt een van de personages een hoogoplopende discussie met de woorden “please, accept the mystery”. Sindsdien probeer ik mijn leven te leiden alsof ik het was die daar afgedreigd werd op een oprit in Amerikaans suburbia. Ik accepteer het mysterie niet alleen zo veel mogelijk, ik respecteer het ook, deels uit schrik en deels uit bewondering.

Al te zeer ingaan op jouw brief, dreigt het mysterie op te helderen, of op zijn minst wat te verdunnen, een beetje als mist die net genoeg optrekt om opnieuw met de auto te kunnen gaan rijden. (Ik weet niet of je autorijden over de Belgische wegen net zo verschrikkelijk vindt als ik, Tom, en dat is het hele punt net.)

Ik zal jouw vragen dus niet beantwoorden. Je schreef dat er misschien een parallelle wereld zou kunnen bestaan waarin wij vrienden worden, geregeld op café gaan in Antwerpen en elkaar boekenbons schenken (in die parallelle wereld zou je negeren dat ik veel te traag lees om blij te worden van boekenbons). Maar ik zou zelfs verder willen gaan. Volgens mij bestaat er een parallelle wereld waarin jij mijn ambities waar maakt.

Ooit droomde ik ervan een schrijver te worden zoals Borges, Kafka of Gils, brouwers van raadselachtige teksten die het mysterie eren. Ik zou een oeuvre bijeen schrijven dat vele boekenkasten vult, niemand zou er iets van begrijpen, nochtans zou in een van die boekenkasten het manuscript liggen dat alles verklaart. Maar ik ben pas 38 en toch kan ik nu al concluderen dat het me nooit zal lukken, ik heb er niet het karakter voor en niet het postuur, net zomin als ik doelman zal worden van FC Barcelona, professioneel tussen de potvissen zal duiken, met mijn gitaar een Centraal-Frans metalfestival zal headlinen tussen de druivenranken.

Sinds ik jou niet ken, Tom, en enkel je korte teksten op Facebook lees, weet ik dat iemand anders het wel gelukt is. Hij schrijft teksten die antwoorden beantwoorden met vragen, die betekenis schampen, en die me nog doen glimlachen ook. Ik vind het raadselachtig dat iemand daarin slaagt. En op een soort van parallel werkelijke manier vervult dat me van trots.

Je begrijpt dus hopelijk hoe diep ik onze onvriendschap koester, Tom, hoe graag ik ook zou antwoorden op jouw vragen (bijvoorbeeld dat ik wel vaker te horen krijg dat ik op Vincent Van Gogh lijk, hoewel ik donkere wenkbrauwen heb, vorig jaar is me verteld dat dat een Perzische trek is; en dat het me zelf vaak evenzeer verbaast dat ik journalist blijk te zijn, soms vraag ik me af of ik een van deze beide rollen veins en zo ja, welke dan wel, misschien verklaart dat waarom ik zo vaak moe opsta).

Evenmin kan ik antwoorden (dat ik begrijp wat je schrijft, dit zijn tijden waarin een mens zich het liefst van al terugplooit op wat hem met vreugde vult) of bekennen (dat ik het zelf soms evengoed allemaal niet meer wil weten, dan vraag ik me af welke zin het eigenlijk heeft om mezelf te voeden met feiten waar ik niets aan kan veranderen en die toch alleen maar energie wegzuigen, nieuwsweigeraars noemt men ze in ons vakgebied, stel je voor denk ik dan, straks word ik er zelf nog eentje, een groeiend balkje in een marktonderzoek van een mediabedrijf, een bakker die zijn eigen brood niet meer wil).

Ik zal dus ook geen anekdotes delen waarvan ik hoop dat je er misschien iets aan hebt (zelf worstelde ik een jaar of vier geleden met een totale writer’s block toen mijn grootse roman-manuscript reddeloos verloren bleek, ik begreep dat dat boekenkasten vullende oeuvre er wellicht nooit zou komen, toen heb ik me afgevraagd waarom ik me eigenlijk bezig hield met deze onverklaarbare en van alle logica gespeende bezigheid, want laat ons eerlijk zijn: niemand zit écht te wachten op nog maar eens een roman van nog maar eens zo’n Vlaamse hobbyschrijver, toch kies ik ervoor om telkens weer achter mijn Google Doc te kruipen, evengoed zou ik opnieuw een abonnement op AA Gent kunnen nemen of anders gewoon urenlang in de zetel naar het plafond liggen staren, beide activiteiten zouden me zielsgelukkiger maken, dat weet ik wel zeker. Ik ben na lang nadenken het tegenovergestelde beginnen doen, korte tekstjes schrijven zonder dat er een enorm idee achter zat, het heeft me het maakplezier doen terugvinden, je weet trouwens nog niet half hoeveel vreugde het me geeft als je schrijft dat jij die dus graag leest.)

(Ik zou dus zeggen, Tom, koester je tuin, ga er na het snoeien zo lang in staan als je wil en laat jezelf toe om even niets te moeten schrijven. Tank wat energie, laat het allemaal even los, denk misschien na over de reden waarom je er ooit aan begonnen bent, of als je dat niet wil, doe dan gewoon helemaal niets en wacht tot het terugkomt. Want heb vertrouwen, zoals een oude vriend zal het terugkomen, je doet dit nu al te lang en verdwijnen zal het nooit meer helemaal.)

(Terwijl ik dit schrijf, scheert er trouwens een meesje heen en weer langs het grote schuifraam, van het nestkastje dat ik vorig weekend ophing naar de tuin van de buren. Je zou het moeten zien, je raakt het nooit beu, tenminste deze ellendig lange winter is eindelijk voorbij, misschien is het bij jou ook zo dat in de zomer alles lichter weegt.)

Ik hoop, beste Tom, dat je het me dus niet kwalijk neemt dat wij niet kunnen corresponderen of op café gaan (maar stuur me gewoon kort een bericht via Facebook chat als je eens in Gent bent, ik zal hetzelfde doen als ik naar Antwerpen moet).

Met het allergrootste respect, en de diepste acceptatie,

Vincent

P.S. Graag leer ik wel alles over de vage kennis die ons beiden meent te kennen.