De vangst van Jeroen Theunissen (#Vangst 207)

(r) foto: Jo Komkommer

Ik heb drie erg uiteenlopende blogs gekozen, want net de blog leent zich tot een grote diversiteit aan stijlen en onderwerpen, lengtes en intenties. Eerst koos ik voor Vincent Merckx, een Gentse schrijver, die regelmatig ultrakorte verhalen op zijn website achterlaat. Het recentste gaat over David Lynch. Vervolgens koos ik voor Marc Reugebrink, die zeer goede, doorwrochte stukken over literatuur schrijft. Ten slotte voor Marieke Groen, schrijfster van het boek Het verhaal van mijn schaarste, die op haar blog knappe observaties uit het alledaagse leven maakt.

In de week waarin de mist weigerde op te trekken, bracht ik de ochtend ineengevouwen door op een treinstoeltje.
uit: Bij de dood van David Lynch van Vincent Merckx

De uitkomst van het ideaal van de democratie, is de afschaffing ervan. We lijken, niet voor het eerst, weer op dat punt aangeland te zijn. Het ontslaat ons van elke eigen verantwoordelijkheid. We hoeven alleen maar te volgen.
uit: Duizend en miljoenen van De inwijkeling


De zakkenrollers waren zonder uitzondering jonge vrouwen die gekleed gingen als toerist, iets waar ik hevig verontwaardigd over was. Het zegt misschien iets over mijn naïviteit dat ik me juist dáár druk over maakte.
uit: Piekepokkets van Marieke Groen

Jeroen Theunissen, het interview

De man met grijzende krullen achter De taal van een verliefde van Roland Barthes is niemand minder dan schrijver en docent Jeroen Theunissen. Geboren in de zomer van 1977 in Gent. Studeerde daar Germaanse talen. Werd leraar Engels en Duits. En schreef.

Tegenwoordig heeft hij een deeltijdse baan als docent in de film- en theaterschool RITCS in Brussel, en is hij onder andere leraar creatief schrijven.

Sinds 2004 publiceerde Jeroen verschillende boeken. Zijn debuut De onzichtbare verscheen bij uitgeverij Meulenhoff. Daarna volgden de verhalenbundel Het einde (2006) en de romans Een vorm van vermoeidheid (2008), De stolp (2010), De omwegen (2013), Onschuld (2014) en Jouw huid (2018). Er zijn ook drie dichtbundels, Thuisverlangen (2005), Het zit zo (2009) en Hier woon je (2015).

In 2022 verscheen Ik = cartograaf, een persoonlijk reisverslag van een wandeling dwars door Europa. Hij registreert een continent dat hem ‘verrassend klein’ voorkomt maar hem ook zorgen baart. ‘Er zijn straatarme streken die echt niet kunnen volgen in dat Europese verhaal.’ Dit boek, dat dankzij de opbouw in fragmenten wat weg heeft van een blog, werd op veel lof onthaald. In 2024 verscheen Een week, een korte roman waarin met mededogen, liefde en lichtheid het portret wordt geschetst van een vrouw die de pech heeft om te jong te sterven.

In zijn romans, gedichten en reisverhalen onderzoekt Jeroen grote existentiële thema’s op een kritische en persoonlijke manier. Zijn veelzijdige en tegendraadse oeuvre wordt regelmatig geprezen.

Wij, bij Aanlegplaats, vinden dat bloggen ook een existentiëel thema is. Maar is het dat ook voor Jeroen? We treffen elkaar op een bankje in een park naast een vijver met ganzen en eendjes. Ik draai de thermos open en giet zo sierlijk mogelijk de lauwe gembergranaatappelthee in een beker. Uit mijn jaszak vis ik letterkoekjes. De ganzen gakken. We zijn klaar voor een boeiend gesprek.

Waarom heb je zelf geen blog Jeroen?

Ik heb een huis dat afbetaald moet worden, twee kinderen, enkele vrienden, een deeltijdse baan in het onderwijs en ik schrijf boeken. Wanneer zou ik een blog moeten schrijven? Tegenwoordig publiceer ik wel af en toe stukjes op facebook over het schrijfproces van mijn nieuwe roman, en die stukjes zou je met enige goede wil een soort blog kunnen noemen. Ik zou ook graag op mijn website wat ruimte maken voor een blog, maar heb te veel aan mijn hoofd om er direct aan te beginnen. En ik heb ook – dat is misschien vreemd voor een auteur – constant angst dat ik niets te vertellen zal hebben als ik op regelmatige basis iets zou schrijven, dus soms blokkeer ik, en daardoor heb ik geen blog op regelmatige basis.


Er valt een stilte maar ze voelt niet ongemakkelijk. Door de drukte en het schrijversbestaan zitten we misschien wel hier en niet in een of andere hippe tent bedenk ik. Het zou een nieuwe trend kunnen worden. De parkgesprekken.

Op de vraag wie er absoluut een blog zou moeten beginnen en waarom komt er niet echt een antwoord. Ik ga een beetje vrezen dat Jeroen niets meer te vertellen heeft. De ganzen gakken voort. Ik hoor hoe twee letterkoekjes worden vermalen in de mond van de geïnterviewde.

‘Niemand moet iets’, vervolgt hij plots. ‘Wie een blog begint, moet het niet voor het publiek doen, maar in de eerste plaats voor zichzelf, lijkt me. Een blog is een goede plaats om zaken uit te proberen, zowel inhoudelijk als stilistisch. Het is een speels medium. Blogs van mensen die over alles grote meningen hebben, vind ik maar niets, want ik vind mensen met grote meningen maar niets. De enige goede reden voor een blog lijkt me dat je een experimenteerruimte zoekt. Als een blog een sleur wordt, stop er dan maar mee.’

Zo is het misschien wel met alles, zeg ik gewichtig. En wat maakt dat een blog echt goed is?

‘Tja, wat ik al zei,’ zegt hij. ‘Een goede blog is sowieso experimenteel, niet in de zin dat een blog moeilijk of avant-garde of hermetisch is of zo, net niet, maar in de zin dat een blog een medium is waar zaken op een beperkte ruimte uitgeprobeerd kunnen worden. Ik wil verrast worden door de manier waarop iemand schrijft en formuleert, liefst met humor.

Ik wil nog vragen of hij ook in de eerste plaats voor zichzelf schrijft. En of het ook steeds een experiment is. Ik peil nog even naar zijn laatste facebookpost over het essay ‘Tomorrow Sex Will Be Good Again’ van de Britse schrijfster Katherine Angel. Over seks en verlangen in onze periode van Me Too. En waarom hij het belangrijk vindt om over seksualiteit te schrijven in een roman. Zijn laatste zin was mooi zeg ik:

‘Ik geloof dat een roman – met die typisch literaire zin voor nuance, de eigenschap dat geen antwoorden gegeven worden maar vooral steeds weer nieuwe en net iets andere vragen worden opgeroepen – de ideale plaats is om erotiek te onderzoeken als een mysterieuze plek in onszelf, waar we kwetsbaar en onzeker zijn, een avontuur maar vooral ook een onvoorspelbaar domein, waar we als mensen worden geconfronteerd met onze diepste schoonheid en onze grootste angst.’

Het is te koud voor meer vragen, laat staan antwoorden. Deze plek brengt alles tot de essentie. We hoeven niet te schrappen. Ik draai de thermos dicht, stop de zak letterkoekjes in mijn zak. We nemen afscheid. In de vijver zwemmen de eendjes een nieuw rondje.

Nooit meer blauwe maandagen (Vangst #206)

In de maand dat mijn geliefde schoonmoeder stierf, overleed eveneens – en dat op de gezegende leeftijd van honderdtwee – Raymond Clerick, de vader van Philippe Clerick. Ik heb het al eens eerder gezegd en geschreven: ik hou van de pen Philippe. Meer nog dan van zijn heerlijk badinerende en vaak goed onderbouwde politieke stukjes hou ik van zijn (auto)biografische verhalen. In het portret dat hij van zijn vader schetst blijkt nogmaals zijn groot talent voor het genre. In heldere zinnen schetst Philippe een prachtig beeld van het boeiende leven van een man die zijn hart verloor aan de Verenigde Staten, maar verliefd werd op een meisje uit West-Vlaanderen.

Ook al is het hoogzomer, dan nog doet Vincent Merckx verlangen naar gure wintermaanden. Zelfs zondagen in juni lijken in zijn verhalen op blauwe maandagen in januari. Laaf u aan zijn herfstige poëtica.

In de periode waarin een stralende zekerheid ons ontviel – want dat wàs de moeder van mijn vrouw Jolanda – is het goed terug te grijpen naar een andere zekerheid: de wonderlijke Tom Wouters. Het verhaal de Literaire bouwfirma Wouters dat hij voorlas op de literaire wandeling van het Hubert Lampo-genootschap is werkelijk een Wouters-Grand Cru.

Papa was er niet rouwig om toen hij op pensioen ging. Hij had nu meer tijd om te lezen in de Encyclopedia Britannica. Hij begon te schrijven, in elegant Engels, over zijn leven, en ook verzonnen verhalen, die hij slechts aan de allernaasten liet lezen. In die verhalen probeerde papa samen te vatten wat het leven hem had geleerd. Onder zijn beminnelijke charme was papa redelijk bitter. Papa zag gemakkelijk de belachelijke en de tragische kant van het leven. Een tragedie en een komedie, zei hij. De verhalen die hij schreef waren een oefening om ánders naar het leven te kijken: met humor en milde liefde. Op het doodsprentje staat een kort gedicht van papa, met de wijsheid ‘Beauty is all around’. Dat was voor papa niet vanzelfsprekend. Hij moest daar zijn best voor doen, om die ‘beauty’ te zien. En hij dééd zijn best.’

Uit: Raymond ‘Ray’ Clerick 1923-2025 van Philippe Clerick

Onder bleekgrijze luchten dacht ik aan de voorbije herfst, toen al had ik de herderin gewezen op de eerste gevallen bladeren, ze vond het prachtig, de kleuren en de belofte. Mij stemden ze droef, ze herinnerden me eraan dat al vanaf eind juni de dagen alweer naar de nacht strompelen, ik ben dan nog maar net aangekomen.

Uit: December-belofte van Vincent Merckx

Voor wie oud wordt, wordt het onmogelijk om ooit nog een ander leven te leiden. Je bent een bepaald vak gaan studeren, daarna gaan werken, af en toe ben je van job veranderd, je bent getrouwd en hebt 3 kinderen gekregen, je hebt jarenlang gevoetbald en nooit een goal gescoord of je hebt schilderijtjes gemaakt maar aan niemand getoond, je hebt voor je zeventigste verjaardag een groot feest georganiseerd waarop je voor het eerst in je leven danste met je kleinkind en uiteindelijk ben je dan toch niet meer wakker geworden. Dat is het verhaal.’

Uit: Literaire bouwfirma Wouters van Tom Wouters

Aan Sylvie Marie

Foto Sylvia Marie: Nadine Ancher / Foto Anne Broeksma: Koos Breukel

Dit is de eerste brief in de derde ketting van onze reeks Flessenpost.

Beste Sylvie Marie,                                                              Utrecht, 4 januari 2024

Ik hoop dat het nieuwe jaar je veel goeds brengt. We kennen elkaar eigenlijk niet; alleen vluchtig hebben we elkaar weleens gesproken. Wat ik me herinner is een ontbijtbuffet in een hotel, met witte borden in de hand schuifelend langs de kaas- en vleeswaren, de zoete broodjes. Je kinderen waren erbij en ik denk dat het in het noorden van Nederland was, na een poëziefestival.

Hoe dan ook: dankzij Aanlegplaats lees ik af en toe de anekdotums (anekdota?) op je blog en sinds een paar weken heb ik Trek je vleugels aan in huis. Wat een fijne frisse bundel vol taalplezier. Ik krijg gelijk zin om zelf te gaan schrijven. Er zit iets luchtigs in, iets speels, met veel regels om in te lijsten. Misschien komt dat luchtige door hun ontstaansgeschiedenis: dat je de woorden letterlijk loswrikte uit hun vorige verband – die misdruk van de dikke Harstad-pil – en nieuwe constellaties creëerde. Woorden: vrij te vergaren bouwmateriaal waarmee we schrijven en spreken. Ik weet dat wel en toch; wanneer iemand met een schaar de woorden uit de zinnen van een roman knipt (althans zo stel ik me dat voor), aan het combineren slaat en op die manier een dichtbundel creëert, wordt dat wel heel concreet.

Ik lees in jouw blogs, jouw antigifverhalen, ook een hang naar dat concrete; naar de fysieke, tastbare wereld. Je schrijft over een vrouw die worstelt met de wespenplaag in haar huis. Over een zoon die een dopmoer uit een tankmonument vist als ‘kampherinnering’ aan zijn schoolkamp. Je bestudeert de houdingen van twee geliefden in een bed, denkt na over de binnenkant: de adem, het bloed. De poëzie die boven de grond komt wanneer een man kleine metalen objecten vindt, sorteert en op naam brengt. Hoe elke wereld, elke nieuwe bezigheid een eigen taaluniversum kent.

Zelf ontdek ik het in de natuur. Je leest vaak hoe men ‘voorbij de taal’ wil geraken om de meer-dan-menselijke wereld direct te kunnen ervaren, in het ‘hier en nu’. Onderdeel ervan te worden. Want de taal van de wetenschap is een hiërarchische, onderdrukkende taal. En toch vind ik dat soortnamen me juist toegang verschaffen tot nieuwe werelden. Tijdens het uitlaten van mijn pup loop ik anders langs de verwilderde hoek van een plein op de hoek nu ik weet dat het ‘onkruid’ dat daar groeit luistert naar de namen ‘verwilderde raket’ en ‘gevlamde fijnstraal’. En in een boek over insecten las ik laatst over de honderden soorten springstaarten – nog net met het blote oog waar te nemen – die ’s winters door ogenschijnlijk dode tuinen springen. Alleen het woord ‘springstaart’ al vind ik fantastisch. En dan zijn er ook nog honderden soorten. Namen zijn ook een soort toverspreuken die ons toegang verschaffen, vind ik. En mensen, andere dieren en planten kunnen meer op onze empathie rekenen als we hun naam kennen. We zijn echte naamwezens, of we dat nu leuk vinden of niet.

Vraag jij je weleens af of je gelukkiger zou zijn wanneer je geen woordentaal had? In elk geval zouden we andere beroepen moeten kiezen. Vanuit een ooghoek zie ik mijn pup maximaal uitgestrekt op de bank liggen, op zijn rug, in volledige overgave. Zo kan hij uren liggen. Het is gemakkelijk om het leven van dieren te romantiseren; dat ze zo in het ‘nu’ leven. Of van huisdieren: dat ze zo’n relaxed leven hebben. Maar ik heb ook regelmatig medelijden met mijn pup wanneer ik aan zijn kop zie dat hij mijn soms warrige gebaren en woorden niet kan volgen, al doet hij nog zo z’n best. Problematisch voor een dier dat volledig van mij afhankelijk is. Ik las ergens dat je honden het beste kunt zien als een soort Peter Pan-versie van een wolf: eeuwig verkerend in een magische fase waarin verantwoordelijkheid (zoals jagen om de roedel te voeden) of al te ver vooruitdenken omdat een seizoen verglijdt, niet bestaat.

Ik denk niet dat ik jaloers ben op het leven van mijn pup, maar soms kan ik wel met weemoed terugdenken aan de tijd dat het leven nog niet uit het afwerken van to do-lijsten bestond, maar ik in bed lag te wachten tot mijn oudere zus mij kwam halen. Vooral omdat ik nu voor het afvinken van de taken meestal achter een computer moet kruipen. En dan is er nog de verstrooiing van het internet zelf, waardoor ik vergeet met welk doel ik was gaan zitten. Een dubbele knoop, terwijl ik mijn dagen liefst doorbreng met een beetje lezen, schrijven, koken, wandelen, in bed liggen, tuinieren. Herken je dat? Of trekken je kinderen je vanzelf de fysieke wereld wel in? Ik ben niet zo van de goede voornemens – waarom opeens in januari dingen verbeteren – maar als ik er één moet hebben is het: minder virtuele verstrooiing meer leven, met óf zonder taal.

Liefs,

Anne

Aanrakingen (vangst # 205)

De dag na Blue Monday vraagt om blogs die contact zoeken, naar de ander reiken. Het is al winterstil genoeg. Langzaamaan zijn we opgesloten in onszelf met berenmutsen en wanten, gedachten draaien in kringetjes. We mummelen wat af en zien scheel van de huidhonger.

Thijs Feuth is longarts die ook zuurstof toedient via teksten. In zijn stukje filosofeert hij over zelfkritisch zijn en somt er de voordelen en nadelen van op. Hij komt tot de conclusie dat je niet zonder de verschillende percepties van een debat kan. Ingrid van der Graaf vertelt over het lezen, waarom en hoe en wat het tussen mensen doet.

Caro Van Thuyne ten slotte schrijft het kindje tot leven. Zo zintuiglijk, zo lichamelijk. De winter wordt er al bijna lente van. Alles leeft.

De oplossing ligt, denk ik, toch in het debat. Daar horen stellingnames bij – de ene keer wat ongenuanceerder dan de andere. Zolang mensen zich maar kwetsbaar durven op te stellen, zich niet ingraven, en behalve het spreken ook de kunst van het luisteren verstaan.

Uit: Over domheid van Thijs Feuth

Als je leest worden personages de maat der dingen. Met de man sprak je over de moeder van een vriendin. Er was sprake van egocentrisch gedrag, afwijzen van het eigen kind. Je wilde nog meer zeggen toen hij zei, ‘Dat klinkt als de moeder in Halfbroer van Nicolien Mizee.’ Precies, zo’n moeder! Als je beiden leest, begrijp je elkaar beter.

Uit: De boeken van 2024 van Werk in uitvoering

Maar waarom niet? Jij was gek op harde wind en regen, met gesperde mond en uitgestoken tong en zwierend en zwiepend met heel je heftige lijfje gaf je je over aan de wildheid, je wàs de overgave, je wàs de wildheid, je wàs de storm, en alleen al daarom ging ik met jou gelukkig door alle weer en wind. Zonder jou ben ik een slap kasplantje geworden. Het is net goed dat dit het weer is vandaag. Dit is jouw weer.

Uit: We drijven samen weg van het kleine kijken

We zullen ons in stilte bezighouden (vangst #204)

Januari is de maand van de herinnering. Ik hoef er mijn blog maar op na te slaan. Vele stukjes schreef ik rond deze tijd die het (meestal verre) verleden als onderwerp hebben. Ik heb daar verklaringen voor gezocht en ook gevonden, de een wat plausibeler dan de andere. Ik laat het op heden maar liever bij de vaststelling, dat in dit niemandsland tussen de decemberfeesten en het nog niet goed op gang gekomen nieuwe jaar de gedachten een beetje ronddobberen zonder zich nog te hechten aan dringende zaken, en de herinneringen vrij spel hebben.

Aldus beschrijft Jan-Paul van Spaendonck deze eerste maand van het jaar. Het klopt hoor, 2025 is inderdaad nog niet echt van start gegaan, wat die complottheorie die de actualiteit heet ons ook wil doen geloven. Bovendien ligt de helft ziek in bed, dus marcheren zou het sowieso niet. De andere helft kan nog even doen wat hij wil. Mijmeren over vroeger, freubelen aan apparatuur die niet kapot is zoals Mark Nankman of jezelf een indigeste lezen aan merkwaardige producten met Merel de Vilder Robier. Niemand die je tegenhoudt.

Voor me ligt een stapeltje foto’s. Floor en Maartje kijken me lachend aan, Floor heeft een brandende filtersigaret tussen haar vingers, wat ik een raar gezicht vind. Glenn speelt, voorovergebogen, het zwarte haar valt schaduw-brengend over zijn gezicht, op zijn sunburst Gibson. Jan Hart zit ernstig achter zijn drumstel, een stokje klaar om toe te slaan.

Uit: Foto’s op Voorheen rookzanger

Een Philips F7511. Volautomatisch en werkt perfect, als ik de verkoper moest geloven. Heeft alleen wat liefde nodig. Precies wat ik zocht. Voor drie tientjes wisselde het van eigenaar. Mijn eerste plan was om een ouderwetse naaidoos om te bouwen tot platenspeler, maar dat idee parkeer ik vanwege gebrek aan geschikte naaidozen.

Uit: Freubelvirus op Verwoede noten

“Mijn goudmijn is een vuilnisbelt en vice versa,” zeg ik heel den tijd aan al wie ook maar een beteke luisteren wil.

Mijne gelieven schenken mij dan ook vaak rare resten van in hun ogen obsolete bibliotheken en af te stoten verzamelingen. Mijn boekenkasten puilen ondertussen uit en ongeopende bananendozen stapelen zich op tegen elke vrije muur van mijn Paradife Loft.

Maar ik versaag niet, lees elke letter plutôt deux fois qu’une en laat alleen de dubbels en de non-fictie weer los.

Uit: In de hangmat met… #9 op Merel de Vilder Robier

De vangst van Sam Sterckx (#203)

Op woensdag laat je me best met rust. Woensdag is kotsdag. Dan gooi ik mijn principes overboord, verdwijn ik achter een laptop en ram ik woorden uit het toetsenbord. Als het niet bloedt, dan is het niet goed genoeg. Of toch zoiets. Maar als Marjon van Aanlegplaats aanbelt, dan doe ik, gefrustreerd en bitsig uiteraard, de deur open. Of ik nu wil of niet. Ze vraagt me of ik enkele blogs uit de haven wil selecteren. Ik stem knikkend in en smijt de deur dicht.

Alle donkerheid op een spies, Aanlegplaats ligt me nauw aan de lever. Niet alleen wordt het vrijwillig gerund door schrijvers die ik respecteer. Of verscheen onder hen mijn eerste publicatie ooit. Het format biedt een kans aan opkomend schrijftalent dat een blog als medium gebruikt voor artistiek werk. Of het nu vanachter de keukentafel wordt geschreven of op de slachtbank zoals bij mij. Authenticiteit drijft altijd boven.

Zo raken de korte zinnen vol nijd en absurditeit van René van Densen mijn zwartgallig hart. Of hoe de foto van een badeend op tweedehands.be de schrijver verleidt de verkoper ervan een mail te sturen en hem een prutser te noemen. In mijn hoofd schreef René de mail echt. Al was het maar om zo zijn eigen eenzaamheid te verhullen. Heerlijk, met hem wil ik een pint drinken en met een volle doos koffiekoeken naar zwervers zwaaien.

Met Devriese ga ik op de koffie. Zwart, zoals de ziel. Hij is op zijn beurt gedoctoreerd in het zagen. En dat mag met je met zinnen zoals “ge zijt een oude vent aan het worden, zegt men mij dan, en men probeert dat erg te laten klinken,” best letterlijk nemen. Hij maakt van ik-ben-een-versleten-alleenstaande-vader-met-een-rotkarakter een kunst die me helpt vlot naar het toilet te gaan.

Doe mij maar een volle rum om de dag af te sluiten. Een wolkje cola erbij en naakt op de zetel hangen om er de teksten over seriemoordenaars van Kimme Tigra als een digestief in me op te nemen. In de lagere school snoof deze schrijfster aan wc-verfrissers en aan de zelfscan jaagt ze creepy winkelbediendes weg die haar ongevraagd uitnodigen om een gratis fles sodastream bij hen thuis te nuttigen. Voor minder dan een lijn en alcohol zou ik het ook niet doen. My kind of woman.

Dat noem je toch geen verzameling. Ik stuur een foto van mijn badeendjes mee. Ik heb er meer dan zevenhonderd, in grote manden, in de badkamer staan. Ik schrijf: dat is pas een verzameling. Ik hou me in en stuur niet na dat hij een prutser en een quitter is. Ik ben in een lieve bui vandaag.

Uit: Verveling op René van Densen

Dat buiten de wereld woedt, immer donderende voortekenen van nakend onheil, stuiptrekkingen bij door hebzucht gedreven zelfdestructie: vertel me iets nieuws. Daarvan behoef ik geen overzicht. Ik leef bij de gratie van inzicht. 

Uit: Jaaroverzicht op De week van Devriese

Tijdens één van mijn langdurige toiletbezoeken verscheen Jezus aan mij in een schimmelplak op de muur. Het kan ook koning Boudewijn zijn geweest. Als dit zo doorgaat gaan we de neuroloog moeten bellen, zei Jezus met de stem van mijn moeder.

Op Kimme Tigra

Sam Sterckx, het interview

Het is even zoeken op deze troosteloze dag tussen Kerst en Oudjaar, naar een plek in Antwerpen die authentiek genoeg is voor een Aanlegplaatsinterview met Sam Sterckx. Maar als we er een gevonden hebben, lijkt het moeilijk te geloven dat we ooit ergens anders zijn geweest. De gerant draagt een blinkend trainingspak. Rummikubsteentjes, harige vuisten en levendige discussies zinken weg in hoogpolig tafelkleed. “Hallo!” roept Sterckx bij binnenkomst terwijl hij de mensen toeknikt. Na een moment ijzige stilte gaat hun aandacht weer onverdeeld en luidruchtig naar de rode vijven en blauwe zessen. Weten ze dan niet dat dit de schrijver achter Kotsen op Woensdag is, ongecensureerd en nog nauwelijks gedrogeerd?? Gelukkig is het maandag.

Als de thee en de koffie zijn besteld en we afdoende hebben vastgesteld dat we het echt zijn, wij en niet de online versies van onszelf die elkaar ontmoetten tijdens de online cursus ‘literaire blogs schrijven’ van Dirk Van Boxem, is het tijd om het notitieblok boven te halen en de – inmiddels vermaarde – eerste vraag te stellen.

Waarom heb je een blog?

“Om mijn artistieke praktijk aan de wereld op te dringen, natuurlijk. Ik schreef ervoor al, heb zelfs ooit acht-en-een-halve maand niet gewerkt om een boek te schrijven wat ik uiteindelijk niet goed genoeg vond. Maar de gitzwarte stijl die ik daarin had gevonden beviel me wel, en daar wilde ik verder mee. Toen ik tijdens de cursus van Dirk op de titel Kotsen op woensdag kwam, werd het concept eigenlijk snel helder. Een korte, wekelijkse reflectie op de maatschappij vanuit een fictief personage dat gebroken is, die heel graag wil maar niet kan. Een soort Trainspotting idee. Ik ben nog altijd heel blij met die titel – en ook met de ondertitel alle andere dagen ben ik best oké.”

Op welke manier zie je je blog als reflectie op de maatschappij?

“Ik zie ontzettend veel mensen worstelen met zichzelf. Volgens mij komt dat vanuit een verdrongen dualiteit: we willen een perfect, diep leven hebben en weigeren onze oppervlakkige kanten te omarmen. We willen áchter mensen kijken, terwijl er soms niks achter zit. Oppervlakkigheid interesseert mij mateloos.

Het personage van Kotsen op woensdag gaat heel diep in die oppervlakkigheid. Hij staat met één been buiten de maatschappij en weet niet welke hij moet kiezen om voort te gaan. Hij is megastreng voor alle andere mensen, voor alle externe factoren en weigert naar zichzelf te kijken voor een oplossing. Hij moet maar een klik maken om het te kunnen, maar het gaat hem nooit lukken. Net zoals het Mark Renton van Trainspotting en Charles Bukowski’s Henry Chinaski niet gelukt is.

Toch is hij, misschien meer dan Mark en Henry, een hopeloze romanticus. Kotsen op woensdag is geen puur cynisme. Ik wil laten zien hoe vanuit het gitzwarts iets schoons kan ontstaan. Daarom vind ik De Laatkomer van Dimitri Verhulst ook zo’n fantastisch boek. Het gaat over een 74-jarige man die een stunt uithaalt door dementie te veinzen en in een verzorgingstehuis te worden opgenomen. Tussen alle miserie en zwarte humor door, lees je dat deze man eigenlijk gezien wil worden: hij heeft zijn leven lang een vals leven geleid en heeft daar geen zin meer in. En dan blijkt dat hij niet alleen is; er zijn nog bewoners die doen alsof.

Ik vind het boeiend om te schrijven over de hoeveelheid maskers die we opzetten. Zoveel dat we onze eigen identiteit verliezen. Wat een kwelling, wat een schoonheid!

Ik ben zelf heel slecht in maskers opzetten. Ik ben kunsthistoricus en heb lange tijd als curator gewerkt. Hoe leuk ik het ook vond om met kunstenaars te praten, ik heb moeten aanvaarden dat de kunstwereld te hard is voor mij. Zo gesloten, zo doordrongen van een bepaalde visie. Dan begin ik raar te doen, dan gedraag ik mij als een olifant in een porseleinkast. Nu ben ik leerkracht in Vilvoorde, voor schoolverlaters die alsnog een diploma willen halen. Bij hen is een masker opzetten kansloos, daar prikken ze zo doorheen.

Ik ben nog altijd hooggevoelig, maar met behulp van mindfulness kan ik alle gedachten en emoties die op me af komen vaker loskoppelen van de situatie. Ik heb geleerd meer en meer mijn eigen beste vriend te zijn.”

Je personage is ook leerkracht.

“Ja, hoewel dat wel steeds minder belangrijk wordt. Een olifant in een porseleinkast is hij wel, maar voordat iemand anders dat kan doen gooit hij zijn eigen ruiten in.”

Hamvraag blijft: hoe autobiografisch is jouw blog?

“Mijn blog is fictie met persoonlijke elementen erin. Dat is geen evidente combinatie, dat snap ik wel. Het heeft ook al voor wat problemen gezorgd. Na de eerste posts belde mijn familie ‘wat scheelt er dan precies met uw moeder?’. Op mijn toenmalige job konden ze er niet mee lachen dat ik schreef over het aanranden van leerlingen en toen ik voor Kant en Wal een depressief stuk schreef…”

… mailde ik of alles wel OK was.

“Ja! Terwijl je de mens en de schrijver apart moet zien. Natuurlijk kan ik soms therapeutisch iets van me af schrijven, dat mag er ook zijn. Maar vooral wil ik durven uitspreken waar ikzelf en andere mensen mee zitten. In de meest geslaagde ‘Kotsjes’ schrijf ik niks van me af.”

Ik vind het wel durven dat je dingen uit je persoonlijk leven integreert, ook al word je erop aangesproken.

“Ja, als ik twijfel of ik iets moet doen of niet om die reden, weet ik dat ik het wel moet doen. Ik wil mezelf niet censureren. Dat is met momenten best lastig, op een blog moet je ook je eigen editor zijn.”

Ondertussen zit je aan 208 posts: hiermee is het uitgerekend deze week vier jaar Kotsen op woensdag. Is het moeilijk om het vol te houden?

“Soms wel. Uiteraard heb ik ook wel eens een writer’s block – en een week is snel voorbij. In het begin heb ik één keer niet gepost door drukte en toen heb ik me gerealiseerd dat ik dat niet meer wilde laten gebeuren.”

Hoe ga je te werk?

“Ik houd zinnen bij die me bijblijven, vaak uit gesprekken, wat ik zie in de stad, uit muziek. Die noteer ik dan in mijn GSM – ik heb een notitieblokje geprobeerd maar dat werkte echt niet. Tegen de tijd dat het woensdag is heb ik meestal een zin of tien en bouw ik de setting en de sfeer daarrond. Soms laat ik iets aansluiten bij de week ervoor, maar steeds vaker zijn het losse tegeltjes.”

Je schrijft nergens naartoe?

“Nee, ik ben een heel organische schrijver. Daarom denk ik ook dat ik niet snel aan een roman ga beginnen. Mijn stijl is ruw, met korte gebalde zinnen. Die stijl heb ik door deze blog kunnen ontwikkelen. Ik vind mezelf nu veel consistenter schrijven.

De vraag bij een blog is vervolgens hoe je dat brengt in een tijd van ontlezing. Bij elke post plaats ik een beeld van een kunstwerk, waar een bevriende curator me bij helpt. Een vriend uit de marketingwereld hielp me laatst de titels meer in het oog te laten springen. Ik heb 700 volgers en elke post krijgt tien tot twintig likes. Maar die aantallen vind ik niet zo belangrijk, ik vind het belangrijk dat de blog verder deint en mensen vindt.”

Hoe ziet volgens jou een goede blog eruit?

“Eén woord: authenticiteit. David Bowie heeft ooit gezegd dat kunst maken voor een publiek het slechtste is wat je kunt doen. Niet iedereen hoeft je te leuk vinden: ik denk dat de uitdaging erin zit jezelf op zo’n manier te laten zien dat mensen voor zichzelf kunnen uitmaken of ze je leuk vinden of niet. Als mens ben ik voor de middenweg, maar in de artistieke praktijk zeker niet.”

Wie – dood of levend – zou volgens jou dringend een blog moeten beginnen?

“Dan kies ik denk ik toch voor Ernest Hemingway. Ik houd van dat rauwe. Die zou zichzelf waarschijnlijk heel goed kunnen opleggen om elke dag 200 woorden te schrijven. Manisch! En dan in de rum-cola te vliegen, ook mijn favoriete cocktail trouwens. Daarnaast zou ik Maya Angelou zetten. Haar inzichten helpen me om te gronden. Die zouden ook heel goed werken binnen zo’n structuur, denk ik.”

Misschien een briefwisseling tussen de twee.

“Waarom niet? En dan als tweede duo graag Hunter S. Thompson en Alan Watts.”

Laatste vraag: zou het ik-personage uit Kotsen op woensdag gebaat zijn bij mindfulness?

“Oh ja, jazeker, jaaaah. Maar die gaat dat nooit toelaten. Die gaat niet zover in zichzelf durven te zien. Ken je de poètes maudits? Ik vind die enorm boeiend. Ik heb een voorliefde voor het getormenteerde. Maar ook zij kiezen niet voor introspectie, ze dompelen zich onder in hedonisme. En kijk dan hoe die aan hun einde zijn gekomen! Hemingway hetzelfde, die heeft wel een kogel door zijn kop geschoten, hè!

Ik ben blij dat ik aan introspectie durf te doen en bewust kan leven. Het maakt dat ik bijna nergens spijt van heb. Eigenlijk ben ik een heel positieve dude. Een mafketel met een cynische blog.”

Opgelet: bromberen! (vangst #202)

(r) Joe Shlabotnik

Terwijl het ene redactielid (bijnaam: charlatan) trots is op zijn net aangeschafte papieren agenda, beken ik met enige schroom dat ook deze vangst weer op de smartphone is samengesteld. Waarschijnlijk daarom dat hij vol zit met hilarische bromberen.

Want oh, wat heeft Marc Kregting gelijk wanneer hij de lerarenkaart app en de hele prietpraat in het onderwijs  veroordeelt! En je vindt vanalles op het internet, ook het meer dan geloofwaardige bewijs dat Bigfoot echt bestaat. Dank Rein Hannik! Zeker ook voor dat gevoel van schaamte, waaraan het de buurman van Els Claessens dan weer helemaal ontbreekt.

De smartphone blijkt menigeen in een zo complexe knoop te hebben gelegd, dat alleen Houdini nog kan helpen.

De ene collega had in haar digitale agenda ‘focustijd’ ingepland om dan ‘geconcentreerd te kunnen doorwerken’. Een ander installeerde de app To Do, die ervoor zorgde dat ze taken ‘gestructureerd kon bijhouden’, plus de app Mijn Dag die onthulde wat telkens ‘de doelen’ waren. Met mijn analoge verstand begreep ik dat winst bleef gaan naar big tech. En naar de werkgever: verhoogde efficiency, productiviteitsgroei! Neoliberaler kun je het niet bedenken. Werkelijk niemand lanceerde het idee om afstand te doen van de smartphone – die voor alles een asociaal en lelijk ding is dat grondstoffen en stroom slurpt.

Uit: Adieu op De Honingpot

Nu ik mijn huiswerk heb gedaan wil de scepticus-in-mij een believer worden. Ho ho ho! Dat gaat zomaar niet. Belangrijkste reden waarom ik mij niet gewonnen geef, is schaamte voor eigen soort. Als Bigfoot daadwerkelijk bestaat en een volle neef is, dan wijst ie ons af omdat wij hem hebben opgejaagd als een monster, in plaats van onthaald als een dakloos familielid.

Uit: De ongenode neef van Rein Hannik

… dan wat de Kreuners in me teweeg brengen: afschuw. Ik kan er niet mee om. Niet met de man die zich op de camping in een douchecabine kreunend afdroogt, niet met de werkman die kreunend een nieuwe kabel door het plafond trekt en niet met de buurman die zich kreunend naar een hoogtepunt toewerkt.

Uit: De kreuner op Gebeur-te-lijke ongevallen

De redactie van Aanlegplaats wenst u een deugddoend 2025!

Als een blogger een boek schrijft (vangst #201)

We zullen u niet lastigvallen met nog meer lijstjes, maar willen toch niet voorbijgaan aan het feestelijk gegeven dat er ook in 2024 weer prachtige boeken uit de Nederlandstalige blogcommunity zijn ontsproten. Marieke Groen schreef een klepper, Julie Cafmeyer maakte haar romandebuut, Bart Moeyaert en Pascal Cornet publiceerden een autobiografie, Anne Broeksma schreef het schubbenverhaal, van Frank D’hanis verscheen op het nippertje nog zijn non-fictiedebuut en Sylvie Marie trok haar schoenen uit en haar vleugels aan.

Als je je op een gegeven moment realiseert dat je al een tijdje niets van een bepaalde blogger hebt gelezen, is dat een indicatie dat hij of zij goed bezig is, zei Rob van Essen in het eerste interview dat we ooit vanuit Aanlegplaats deden (een citaat dat we vorige week in onze feestvangst opdiepten). In de aanloop naar de publicatie van zijn eigen roman vorig jaar, was het inderdaad even wat stiller op zijn blog.

Aan een boek werken is natuurlijk maar één manier om goed bezig te zijn. Dat er eigenlijk geen reden is om die twee niet te combineren, bewijzen bloggers als Vitalski en Lennart Vanstaen, net als onze eigen Katrien Scheir, Dirk Van Boxem en Jo Komkommer. En anders kun je lezers ook op de hoogte brengen via een uitgebreide out of office zoals Ivo Victoria, of ze na maanden radiostilte ineens uitnodigen voor de boekvoorstelling zoals David Troch. Het leukst vinden wij het wel als ze een stukje schrijven over het schrijven van het boek, zoals Kathy Mathys deed vier dagen voor de lancering van haar roman (ook verschenen dit jaar!), of Herman Loos, zes jaar na dato. Ook tof natuurlijk als andere bloggers schrijven over wat je boek bij hen losmaakt, zoals Suzanne Brink over het verhaal van Marieke Groen.

Maar het aller-allerleukst vinden we het als onze bloggers na een drukke periode weer veilig terugkeren in de haven en ons op de hoogte houden over hun dagelijkse beslommeringen, groot en klein. Fijne Kerst iedereen!

In mijn schrijfhuisje wordt niet enkel aan De Roman gewerkt. Ik rol er mijn yogamatje uit, plak er gedroogde bloemen op kaarten om te versturen en ik schrijf brieven, heel veel brieven (ja, Ik ben zo een negentiende-eeuws personage dat graag schrijft bij kaarslicht, meer daarover in een andere blog). Bij mijn brieven en kaarten stop ik bijna altijd een fraai ingepakt theezakje.

Uit: Theezakjes inpakken op Kathy Mathys

En toen kwam het boek uit en belde ik mij de ziel uit het lijf. De Morgen was eerst en we spraken af voor een interview in Hasselt. Ik was te laat vertrokken maar dacht dat ik dit wel goed kon maken door sneller te fietsen. Op een kleine veertig kilometer kan je tijd winnen. Onderweg begon het te miezeren, wat ik niet had verwacht, en in Hasselt kon ik de locatie niet meteen vinden. Toen ik iets te laat binnenwaaide als een uitgemergelde, verzopen kater stelde de journaliste zich voor. En de fotograaf.

Uit: Een andere mens met een ander leven op Here comes herman

Pure mazzel dat ik niet straatarm ben geworden, denk ik na het lezen van Marieke Groens boek Het verhaal van mijn schaarste. Wat voor andere mensen normaal was, was dat voor haar niet. Stress als ze met vrienden naar de kroeg ging. Ze kon maar één drankje betalen. Killing voor je sociale leven. Ik herken haar dankbaarheid voor elke vorm van vergoeding voor wat je doet. Als ik als freelancer artikelen schreef, was ik daar weken mee bezig, veel te lang voor wat ik ervoor kreeg.

Uit: Betaal voor liefde op Suzanne Brink