Taal als mes (vangst #168)

Salman Rushdies boek Mes ligt op salontafels, nachtkastjes en knieën in treincoupés. Het boek waarin hij niet alleen verslag doet van de gruwelijke mesaanval die hem aan een oog blind maakte, maar ook de liefde bezingt en taal als een mes ziet dat de wereld kan opensnijden en de waarheden ervan blootleggen. Reden genoeg voor een vangst messcherpe stukjes van Aanlegplaats. Een diepzintuiglijk verhaal van Nele Bruynooghe die samen met Wieland Heymans de blog zacht bruTaal onderhoudt (voor het eerst in de vangst!)

Een ontroerend absurd relaas van Rein Hannink. In aanvang lijkt het of hij zelf onder het mes moet, maar hij is het die de chirurg opensnijdt en daarmee fileert hij ook zichzelf.

Ten slotte zeer boeiende wetenswaardigheden van Vitalski over haaien, mensenvlees en goudvissen.

De cicaden in mijn buik werden voor het eerst rustig. Ik ging liggen toen een man een parel met een mes uit het vlees sneed. Ik bleef tot na de schemering en daar vond ik in het zand gloeiende woorden. Ze wilden dat ik ze vond, niet om de woede, maar omdat ze in mij wilden gaan liggen. Parels maken van al wat binnendrong in mijn buitenhuid. Vanaf dan vocht ik overdag met stieren en liet ik ’s nachts de woorden in mijn huid groeien.

Uit: Matador van zacht bruTaal

De chirurg is geen geboren verteller. Ik zie hem praten en praten in het microfoontje van mijn recorder, maar luister allang niet meer. Ik had gehoopt op spannende verhalen uit de operatiekamer: hoe hij een knoeperd van een gezwel had weten te verwijderen op luttele millimeters van een slagader, terwijl de zweetparels op zijn voorhoofd gedept werden door een OK-assistente met enorm decolleté… verhalen met een Hemingwayeske doorbloeding!

Uit: Innerlijk leven van Rein Hannik

op zoek naar wat de precieze smaak is van mensenvlees, is wetenschappelyk aangetoond dat de meest gelykende smaak die van varkensvlees is.

Uit: Alternatieve feiten  van Vitalski

De vangst van An Olaerts (vangst #167)

Laatst ging het in een gesprek over Amélie Nothomb. Dat ze géén live interviews geeft, alleen aan de telefoon. En dat ze niet wil dat iémand foto’s van haar neemt. Lukraak! Uit een invalshoek die er geen is, of gewoon de verkeerde. En hoe marketeers van de uitgeverij bewonderaars uit het publiek moeten verzoeken hun foto’s te wissen. Diva is het. Heerlijk is het. Zoals Marlène Dietrich ooit sprak: “Ich kleide mich für mein Image. Nicht für mich selbst, nicht für die Öffentlichkeit, nicht für die Mode, nicht für die Männer.” Het zijn van die mensen die onweerstaanbaar zijn. Caro Van Thuyne voelt zich misschien ongemakkelijk worden. Maar ondertussen heeft ze wel een hele handleiding op haar blog staan. In kapitalen. 

DE AUTEUR GEEFT GEEN TOESTEMMING VOOR FOTO’S.

DE AUTEUR GEEFT ENKEL GESCHREVEN INTERVIEWS.

uit: BOODSCHAP VAN ALGEMEEN NUT op Het Kleine Kijken

Ik ga haar boek lezen. Hoop dat het meedogenloos goed is. Denk van wel.

Marieke Groen houdt niet van voetbal, schrijft desalniettemin voor Hard Gras en misbruikt het logo van een automerk. Het zit meteen goed. En dan is er nog haar blog over haar verjaardag, het gratis pannenkoekenplantje in het tuincentrum. 

Op de ochtend van mijn verjaardag liep ik naar het tuincentrum. Ik had gelezen dat je daar op je verjaardag een gratis pannenkoekplantje kreeg. Dat klopte, tevreden en met het plantje in mijn tas liep ik naar de Lidl, waar je op je verjaardag een gratis chocoladereep kreeg.

uit: Kleine pannenkoek van Marieke Groen

Wat volgt is tragikomisch. Kinderachtig, onnozel en aandoenlijk, met tranen op het einde. Mensen die niet kwetsbaar willen zijn, zijn doodsaai. Dat ze niet met een blog beginnen.

Joachim Stoop heeft een blog met een bijzondere categorie: Rare gedachten en anekdotes waar ik afzonderlijk geen mens mee durf lastig vallen, maar gebundeld wel gewoon over je heen dump. Daar moét je toch op klikken? Het is een lijst van flarden en kleinigheden, ogenschijnlijk gaat het over niks, maar oh wat vonken die prullen. Ik heb er hardop om moeten lachen. 

-De oude man naast me vraagt aan de verkoper om hulp: ‘Ik zoek een droge, witte wijn.’

-‘Nou, dan heeft u geluk. Heel deze wand achter me is droge, witte wijn.’

Of nog:

Komt een man bij de boekenwinkel.

-‘Goeiedag mevrouw, heeft u fictie?”

-‘Heel deze ruimte rondom ons is fictie.’

Uit: Rare gedachten … van Joachim Stoop

Het voordeel van een blog is dat snippers ook goed zijn. Het laat de grote literatuur achter zich. Soms is het een verademing. Grootspraak is bij wijlen zo vermoeiend, zeg.

An Olaerts, het interview

De Leuvense horeca is in de ban van een muizenplaag. De ene na de andere zaak sluit noodgedwongen de deuren. Het zal brasserie La Royale niet overkomen. Op het moment dat An Olaerts behoedzaam haar ziel op tafel legt, tussen de kruimels van het koekje bij de koffie en mijn exemplaar van haar boek ‘Altijd wat’, doet een ernstig kijkende man met een zaklamp zijn ronde. 

Niets te zien onder de tafel, zo blijkt, we halen opgelucht adem. Zal ik deze luie muizenvanger in een stukje verwerken, zie ik An denken, of toch maar niet? Misschien mag ik hier dan niet meer binnen? 

‘Je hebt er geen idee van hoe gevoelig de mensen soms zijn’, zegt ze. ‘Laatst publiceerde ik een stukje over de betreurenswaardige kwaliteit van Belgische vijgenbomen – ook de week na Pasen is het al een beetje komkommertijd in de krant – en overigens dacht ik eigenlijk ook eerst dat jullie Jo Komkommer een schuilnaam was – maar soit: tientallen reacties kreeg ik. Van teleurgestelde, misnoegde en boze vijgenbomenbezitters. Allemaal mannen die hun vijgen en hun vijgenconfituur aanprezen. Speciaal! Of ik niet eens kwam proeven? Tuurlijk niet! 

An Olaerts is met voorsprong de minst pretentieuze columniste van Vlaanderen, en dus ook een van de beste. Scherpe observaties, grappig, altijd vol mededogen en vooral heel veel zelfrelativering.

‘Ik hou het graag klein,’ zegt ze. ‘Vanuit een standpunt ergens in de marge. Ik hou niet van Grote Woorden, of van Grote Meneren met woorden. Zoals Ilja Leonard Pfeijffer, die in ieder interview rondbazuint dat hij ons iets wil tonen, iets wil leren. Ik wil niet worden opgevoed. Ik ben geen foie gras eend. Ik zal zelf mijn gedachten wel oppikken. La Superba vond ik overigens wel een heel grappig boek.’

‘En intussen heb ik met mijn marginale kleinigheden nog altijd geen roman geschreven. En een grote al helemaal niet. Eigenlijk loop ik maar wat te lummelen.  Liefst schrijf ik reportages. Een paar dagen alleen op een plek, daarna thuis komen met verhalen. Dat is spelen, dat is smullen. Ik ben een observator, fotografeer ook heel graag. Er zijn en er niet zijn tegelijk, of ten minste niet moeten participeren. Het is de meest comfortabele positie.’

‘Dat ik makkelijk schrijf, ontdekte ik toen ik in schoolvakanties brieven begon te schrijven, naar vriendinnen die gewoon in de buurt woonden. Ik schreef meer dan ik ze zag. Ergens is dat een beetje zo gebleven.’

‘De blog is later gekomen. Ik schreef al voor de krant op dat moment. Het was nieuw. Je was baas op je eigen erf. Het werd druk gelezen. Plus, er was een echte community mee gemoeid – wat jullie nu ook een beetje proberen met Aanlegplaats. Ik ging destijds gretig naar Girl Geek Dinners, om te praten met andere bloggers van het eerste uur. Heel leuk. Allemaal eigenaardige mensen. 

‘Nu is de blog leeg, omdat iedereen mijn boek moet kopen natuurlijk.  Al zou ik zou best opnieuw willen beginnen met een online kladschrift, maar ik kan me moeilijk inhouden. Voor je het weet zit ik toch weer te prutsen en te prutsen om het beter te maken. Terwijl het zo’n verademing kan zijn om losjes wat te tikken. Je weet nooit waar je gaat uitkomen. Ik weet nog hoe ik ooit aan Start to Run begon. Kwam ik zondagmiddag terug thuis van vijf kilometer, schreef ik over de geur van kroketten onderweg, bijzondere brievenbussen en vrije gedachten.’

Lopen heeft ze niet volgehouden, bekent ze. Iedereen rent en fietst zichzelf een ongeluk. En ze doet niet zoals iedereen. Dat lees je ook in het boek, dat met de ondertitel kleine mislukkingen van een middelbaar mens meteen zegt waar het op staat. Geen glamoureuze selfies, geen opgepompt ego.

‘Laat het pompeuze maar zo. Ook in literatuur.  Ik heb het graag kort, duidelijk en rechttoe rechtaan. Vooral Nederlanders zijn daar goed in. Maarten ’t Hart, Jan Wolkers, Godfried Bomans, Remco Campert, Judith Herzberg, JC Bloem, Rutger Kopland, dat soort schrijvers. Het zijn allemaal ouderlingen, merk ik nu. Blijf ik daar misschien wat te veel in hangen?’

‘De Vlaamse literatuur trekt mij minder, misschien omdat – zo vertelde een professor me ooit – de grammaticale variatie in het Noord-Nederlands kleiner is dan in het Vlaams. Het zit allemaal wat strakker. In Hollandse zinnen kan je beter voorspellen wat het volgende woord zal zijn. Het is wat drammeriger en het leest sneller, en daar hou ik van.’

‘Maar, als ik er even bij stil sta, ik lees gelukkig ook wel schrijvers van nu. Marijke Schermer, Jaap Robben. En ook wel Vlamingen. Lara Taveirne, Erik Vlaminck. En het boek dat ik nu aan het lezen ben is wonderbaarlijk: Baksteen, van Femke Vindevogel. Als zij eens met een blog zou beginnen. Het boek is grappig en gewelddadig tegelijkertijd. Je moet het maar kunnen. De taferelen zijn walgelijk, maar ze brengt het op een amusante, laconieke manier. Vindevogel schakelt aan een razend tempo heen en weer tussen de tegenstellingen. De wereld doet te vaak alsof alles duidelijk en simpel is. Alsof alles moet worden opgelost. Het is een beetje spanningsloos. Juist of fout. Grappig of verdrietig. Alles opgeruimd. Ik heb het liever dubbelzinnig, morsig en alles tegelijk. De vettige kant van het leven, die is toch net interessant? Niets is zo grappig als de tragikomedie en niets is zo treurig. Niemand ontsnapt aan de tristesse van zijn eigen leven. Ik ook niet. Het is echt waar altijd wat voor iedereen.’

‘In mijn boek staan een paar heel verdrietige stukjes, waar ik lang over heb getwijfeld. Ik word ongemakkelijk van sentiment. Maar ik heb besloten om het toch te laten bestaan. Lang leve het gedoe. Wat zou je toch zijn in een leven zonder gedoe? Schrijvers die ploeteren in de ellende die mensen zichzelf aandoen hebben dan ook mijn sympathie. Céline. Amélie Nothomb. Slauerhoff. Maar die is dan weer te dood om nog een blog te beginnen.’

‘Bij ons is Delphine Lecompte zo’n brutaal nest. Die mag ook een blog hebben van mij. Niet dat ik het er altijd mee eens ben, en dat hoeft ook niet. Een beetje schoppen en slaan, dat doen we toch veel te weinig?’

Maartje Swillen schopt en slaat niet, maar ze is wel pretentieloos en kan geweldig schrijven. Dus dat zij haar teksten ook maar eens op een blog gooit.’

‘Oei. Heb ik nu echt alleen maar vrouwen genoemd? Dan voeg ik nog snel Hans Dorrestijn aan mijn lijstje toe, dan kan de rehabilitatie van de vieze oude witte man eindelijk worden ingezet (lacht).’ (nvdr An Olaerts lacht eigenlijk de hele tijd, maar als het over vieze oude witte mannen gaat is ironie lang niet meer zo helder als vroeger)

‘En dan nog jullie laatste vraag. Wat een blog goed maakt. Tja, dat kan een paar kanten uitgaan. Maar zeker: kort, ik heb geen geduld. Ken je Kimme Tigra? Nee? Schrijft zkv op instagram. Die zijn schitterend. Grappig, met verdriet vaak. Er staan trouwens echt veel teksten op Instagram. Zonder selfie. Zonder schmink. Zonder moppendrang. Dikwijls zijn het halfzachte motivational quotes, passief-agressieve excuses om vooral jezelf te blijven, ook al ben je een zeur. Maar soms schotelt het algoritme me echte snoepjes voor. Alles is beeld en niemand kan zogezegd nog lezen, maar het woord is verre van dood. Ik ben absoluut geen cultuurpessimist.  Soms mag een mens gerust twijfelen aan de toekomst. Tranendal dat we soms bewonen! Treurnis mag, maar je moet er niet in zwelgen. Het boeit me niet. Je moet spanning op de miserie zetten. Laat het maar knetteren zoals bij Femke Vindevogel. Al dat cerebraal geneuzel. Schrijf fysiek, energiek en kom asjeblieft snel ter zake. Ik wil verrassingen, troost en plezier krijgen als ik lees. 

‘Wild verlanglijstje, niet?’

Een maandagochtend kan niet eeuwig duren, en het is voor ons allebei tijd om weer eens aan het werk te gaan. Of ik kinderen heb, vraagt ze, en dat Punkie – haar pleegzoon van ondertussen tien jaar – graag met haar naar een avonturenpark wil, met een klimparcours in de bomen en riemen in je liezen. ‘Is dat nu iets voor een middelbaar mens? Ik zou het beter niet doen. Het is geen gezicht en discreet ben ik ook nooit. Maar wie kan het wat schelen. Kortom, binnenkort gaan we schreeuwen in het loof.”

Want, zo overtuigen we elkaar, iedereen heeft eigenlijk een vaste leeftijd. Die van mij is 32, zeg ik – de Jezusleeftijd, jawel – maar zij? Ik ben voor altijd 13. En weg is ze, op weg naar nieuwe avonturen, waarover u elke twee weken in De Standaard, en misschien straks ook terug op haar website, het verslag kan lezen.

Alle wegen leiden naar Markies De Sade (vangst #166)

Dankzij de onvolprezen haven van Aanlegplaats ontdekte ik de blog van Ingrid van der Graaf. Ik begon haar columns te lezen want ik was op zoek naar een andere stem en eenmaal begonnen kon ik niet meer stoppen. Vergelijkingen doen iemand altijd een beetje onrecht aan, maar haar schijnbaar nonchalante stijl deed me aan die van Marja Pruis denken en ik bedoel dit als een zeer groot compliment. Heimwee als een hond aan je voeten is een schitterend verhaal vol impressionistische toetsen over een familie die naar Portugal emigreert en het gevoel van onbehagen dat die stap naar het land met de 365 verschillende recepten voor het maken van bacalhau met zich meebrengt. Want tussen droom en daad…

De Gentse dichter en kenner van één lettergrepen-poëzie David Troch neemt ons in Beweging #504 mee op een wandeltocht door Parijs waar hij als bij toeval op een Nederlandse uitgave van een boek van Philippe Claudel stuit. Wat er dan gebeurt moet u vooral zelf lezen. 

Voor de ware boekenliefhebber is de podcast Drie boeken een schatkamer. Het concept is eenvoudig: Wim Oosterlinck belt aan bij een min of meer bekende literatuurminnaar en vraagt dan wat zijn of haar drie favoriete boeken zijn. Telkens weet de geïnterviewde een uur lang te boeien, en al zeker Raymond van het Groenewoud. Er zijn weinig mensen die ik liever hoor spreken dan Meneer Raymond – een van mijn drie favoriete zangers – want je hoort hem echt nadenken over wat hij zegt én hij heeft een geweldig oor voor de schoonheid van woorden, zodat ik aan gesprekken met hem al evenveel plezier beleef als aan het voor de duizendste keer herbeluisteren van Si tous les gars du monde.

Omdat ik niet verwacht dat Wim Oosterlinck ooit bij mij zal aanbellen, wil ik u nu al wel verklappen wat mijn drie favoriete boeken zijn: The Long Goodbye van Raymond Chandler; The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald; en Out Of Sheer Rage van Geoff Dyer. 

Maar wat zijn uw drie favoriete boeken?

Hoewel ze al meer dan vijftien jaar terug is in Nederland, hoort ze zichzelf nog wel eens zeggen dat ze in Portugal heeft gewoond. Zeven jaar. Dat ze niet denken dat het een soort tussenjaar of sabbatical was geweest. Nee, het was haar ernst geweest. Er was een baan, een project waar ze met de man, waarmee ze voor de tweede keer getrouwd was, instapte. Werken met kinderen die zorg nodig hadden in een soort Camphill-achtige community.’

Uit: Heimwee als een hond aan je voeten van Ingrid van der Graaf

En zo gebeurde het, zo kwam ik in een winkelwandelstraat voorbij een handel, met op het gelijkvloers langspeelplaten en cd’s, met in de kelder de literatuur. Werk in het Engels, het Duits en het Japans had elk een rek. In een smal rek stond een mengelmoes aan talen zij aan zij. Zowaar ook enkele werken in het Nederlands. Voor een prikje. Toch pikte ik enkel Zonder mij eruit. Ondanks de erg banale beginzin: Ik open mijn ogen.’

Uit: Beweging 504 van David Troch

Maar als je het hebt over: “Betekent het veel voor jou, lezen?” dan denk ik aan het feit dat het zoveel betekende voor mij vanaf pakweg mijn zesde tot eind mijn twintiger jaren. Niet dat ik daarna resoluut stopte, maar die gevoelens van: “Oef ik ben niet krankzinnig…(lacht)” verminderden nadien wel.” Met name een boek van Markies De Sade waarin zo vrolijk wordt gespeeld met libertijnse gedachten, om het maar braaf te zeggen.

Uit: Drie boeken 231: Raymond van het Groenewoud van Wim Oosterlinck

Normale mensen met een beperking (vangst #165)

Schrijvers zijn volhouders. In vriendschappen, in het onderhouden van een blog, in liegen alsof het gedrukt staat.

En soms zijn er barsten. Twijfels. Een ommezwaai. Niet bij Herman Loos, die met een vriend voor het leven op trot is. Jan-Paul van Spaendonck twijfelt nog, er valt meer luit te spelen en gerichter te lezen zonder. Maar Dennis Pauwels is zeker. De waarheid is efficienter dan de leugen.

Drie teksten waarin de schrijver in zijn ziel laat kijken, door het gat in die verweerde muur van de taal.

23,1 km – Steenekruyspad. We stappen langs de voorziening waar hij tien jaar van zijn leven doorbracht. Ik krijg een gedetailleerd verslag van de sociale kaart. Welke groepen waar zitten, waar hij zelf heeft gezeten, de regimes waaronder hij leefde. Daar zitten de geïnterneerden, zegt hij. Dat ken je toch, geïnterneerd? Ik zeg dat ik het ken. We nemen de bocht en hij glijdt bijna onderuit. We lachen. En daar achter dat hek, zegt hij, zitten de geïnterneerden met een beperking en daarnaast zitten de normale mensen met een beperking. Ik overschrijf een hersencel of vijf en noteer in mijn brein: normale mensen met een beperking.

uit: Op trot op Here Comes Herman

Ik begon in gedachten orde op zaken te stellen. Wat moest er uit mijn leven geschrapt worden, wat kon er nagelaten worden, waar viel winst te behalen qua gemoedsrust, hoe kon ik de innig-geliefde valkuilen de rug toekeren en voortaan vermijden.

Het denkbeeld, aarzelend van alle kanten bekeken, dat ik na dit jaar (het vijftiende!) met bloggen kon stoppen beviel me. Dat gaf rust. Niet meer die heethoofdige drink-schrijfsessies, geen dwang en deadline. Desnoods zette ik het blog periodiek voort onder de noemer Voorheen Rookzanger: de toegift. Ja, dat denkbeeld begon me steeds meer te bevallen.

uit Spring has Sprung op Voorheen Rookzanger

Waar vroeger de leugen mijn schild was, is de waarheid dat nu. Door net dat tikkeltje té eerlijk te zijn, hou je mensen op een afstand. Bovendien geeft het een aura van controle. Door te bepalen wat en hoeveel je deelt, hou je criticasters op een afstand. Je hebt jezelf al onderuit gehaald of je zwakheden getoond nog voor de ander het kan doen. Wat gaan ze je dan nog kunnen maken? De waarheid, of de schijn van waarheid, vind ik gevaarlijker dan de leugen.

uit Leugens op Brieven aan mijn zoon

De irritatie, dat zijn wijzelf (vangst #164)

April is een irritante maand. We willen naar buiten maar het weer is labiel. We willen rust maar de anderen beginnen zich – als ontluikende tulpenknopjes – overal mee te bemoeien. Je doet moeite maar het is nooit goed genoeg. Buren, winkelpersoneel, hedendaagse denkers; allemaal weten ze het beter. Gelukkig zitten onze bloggers er bovenop.

Lennart Vanstaen is op paasvakantie in regenachtig Aywaille waar de eenheid TPK (tijd per klant) aanzienlijk hoger ligt dan in Deurne-centrum. Marthe van Bronkhorst las Morele Ambitie van Rutger Bregman en probeert zijn oproep een week in praktijk te brengen. Iemand die zo veel mensen in irritatie verenigt, moet wel iets heel wezenlijks aankaarten. Haar verslag is briljant. Eliane De Bleser tenslotte, is een reuzenbarst op het spoor en kan niet anders dan naastgelegen huizen binnenstappen om te zien of hij daar verderloopt. De irritatie, dat zijn wijzelf.

Ze stelt me allerlei verwachte vragen terwijl ze mijn vlees snijdt en kaas afweegt. Ik vertel haar dat we in Antwerpen wonen, in Deurne en zij heeft daar toch wel een achterneef wonen zeker! Hij heeft nog vis geleverd aan het koningshuis. Ik betuig mijn bewondering hiervoor met een gepaste gezichtsuitdrukking. Ze wil weten of we hier nog lang blijven. ‘Ja, tot en met dinsdag’ zeg ik. En ik vul meteen aan dat er morgen mooi weer is voorspeld, want ze tuurt somber naar buiten en gunt ons een meewarige blik. 

Uit: Aywaille op Een aanhankelijkheid van vergankelijkheid

21:00 Goede vriend W en ik staan op een Boeken (verspilling van papier)-gala (verspilling van tijd) met allemaal schrijvers en dichters (verspilling van talent) en praten met dichter J. Hij zat in de audio-techindustrie, met ‘een team vol van PhDs en knappe koppen’. Hij ontwierp mini-speakertjes in apparaten die geluidjes afspelen: ‘De wasmachine-piep, de magnetron-ping.’ (Bij Bregman zou nu de bullshitbaan-zoomer klinken.) Maar er kan steeds meer met die geluidstech. De technologie waarmee ze bijvoorbeeld windmolens stiller maakten, werd ook toegepast in wapens – waarvan de hoofdklant het leger is van een land waar je vast laatst over hebt gehoord.

Uit: Mijn week met morele ambitie: wat ik leerde ondanks Rutger Bregman op Hard//hoofd

‘Wat is er hiernaast? Uw garage? Hoe geraak ik daar?’ Maar ik was al in de keuken en vond de deur naar de berging, daar de deur naar de garage. Ik vond en volgde het barst-spoor. Twintig centimeter van het plafond, richting de straat, achter een van de stapelrekken en ze kwam net voor de poort weer tevoorschijn. Ze liep tot in de hoek, terug naar boven, over het plafond naar de volgende muur.
‘Doet u uw poort even open?’

Uit: Eindeloos op Andere woorden

De vangst van Lara Taveirne (vangst #163)

Bart Moeyaert is verre familie en als kind liet ik geen kans voorbijgaan om daarover op te scheppen. Nadat ik een spreekbeurt had gegeven over Suzanne Dantine, zei de leraar dat hij aan mijn ogen kon zien dat Bart en ik familie zijn. Tot op de dag van vandaag is dat het mooiste compliment dat ik over mijn ogen heb gekregen. 

Op zijn blog Bart Moeyaert mogen we meelezen door zijn ogen. Ik heb een apart bibliotheek-lijstje in mijn portemonnee zitten met de tips van Bart. Tijdens een lange wandeling door de polders kwam ik erachter dat mijn jongste tante datzelfde boekenlijstje in haar tas heeft zitten. We hebben onze lijstjes een keer tegen elkaar gehouden. We hadden het gevoel dat dit iets betekende. 

Bij het weghalen van ons oude terras blijkt er onder het hout een complete steenhandel te zitten. In afwachting van de verdere werken neem ik de tijd om met het uitzicht op de bergen van betonklinkers Joke Van Leeuwens Dat bedoel ik, zei de zalm te lezen. Voor dat boek is het de uitgelezen plek, maar dat besef ik pas aan het eind. (…) Het boek begint met een wollen pluisje dat door de wind wordt meegevoerd en in het oor belandt van iemand die net een beker heeft gewonnen. De beker komt in de rivier terecht -en op die speelse manier komen de twee meest onmogelijke entiteiten met elkaar in gesprek. Een beker praat met een zalm, bijvoorbeeld, en ineens ga je zitten meedenken over het belang van een kampioensbeker, het nut van een worm, en of een steen in een beroemde oude muur het eigenlijk verder heeft gebracht dan een kassei in een kasseiweg. Ik keek daarna anders naar de bergen van betonklinkers.

Uit: Ontharden van Bart Moeyaert

Ik ken Benedikte Van Eeghem als een begenadigd interviewer. Met haar onverwachte vragen duik je zo de diepte in, want alles wat naar oppervlakkigheid ruikt, daar gruwelt ze van. Ook kruis ik Benedikte wel eens op de fiets. Ze lijkt altijd gehaast. Ook in haar blogs voel ik die vlammende snelheid, maar denk niet dat iets haar oog ontsnapt. Haar teksten glimmen van schrijfplezier en levenskracht. Benedikte is een onbevreesde vrouw. Ze heeft het veel te druk om de moed te laten zakken.

Ik droom stiekem dat de hele wereld elke dag vleugels aan rolstoelmensen gaf. Dat ze tegen hen zei: jullie zijn échte vierwielerhelden, goden van het peloton, meesters van het sierlijk laveren richting finish. Meer nog dan de mannen en vrouwen in strakke pakjes op de Koppenberg, jawel, want rolstoelers bereiken de meet in het dagelijkse leven zonder applaus, zonder sponsoring, zonder bondscoach. De inspanning leveren ze solo. Dat verdient respect.

Uit: Vier wielerhelden van Benedikte Van Eeghem

Het ongerijmde, de blog van Tom Wouters, kende ik niet. Die kwam ik toevallig tegen, slenterend door de haven van Aanlegplaats. Het was de ondertitel die mijn aandacht trok. WANT NIETS RIJMT OP HERFST. Eén blog nam me mee naar het kerkhof. En daar ben ik graag, dus bleef ik er even. Niets rijmt op herfst, maar ook niks rijmt op een moemoe die stenen eet om tot rust te komen. Ik hou van schrijvers die me laten geloven in mensen die groter zijn dan het leven. 

Ook in dit kleine stukje leven wordt gefilosofeerd over stenen, waardoor ik vandaag zachter, anders, doordachter over de stoeptegels loop, met een plotse, ongekende warmte voor klinkers, kiezels, keien.  

Binnenkort moet dit kerkhof plaats maken voor een woonblok, het lot van elke morzel grond in Vlaanderen. Hoewel mijn moeder zich van haar kindertijd weinig herinnert, lijkt ze nog heel goed te weten waar de mensen begraven lagen waar ze om hoorde te treuren. “Daar, in die hoek, lag mijn moemoe. Moemoe Steen noemden we haar, omdat ze elke ochtend een steentje van de grond raapte en dat in haar mond stak. Aan haar afgebroken gebit zag je dat ze er daadwerkelijk op kauwde. Het moet haar rust hebben gebracht.” Weldra zal de graafmachine die steentjes opgraven die heel haar leven in de maag van Moemoe Steen hebben gezeten. Ze zullen in een container belanden en van daaruit elk een eigen weg afleggen. Een steentje belandt in een aquarium in Minsk. Een ander geraakt vermalen in beton, dat zal dienen om een nieuwe weg naar Rome te leggen.

Uit: Kerkhof van Tom Wouters

Lara Taveirne, het interview

Op de eerste zonnige dag van het jaar wandelde Lara Taveirne zwierig het restaurant binnen waar we hadden afgesproken en het leek, om het met Lieven Tavernier te zeggen, of ze de lente in haar haar had gevlochten. Lara had nog niets van de gratie verloren waarmee ze tien jaar geleden het podium van het poëziefestival in Watou besteeg en in het licht van de schijnwerpers bewees dat het bezingen van schoonheid en verdriet niet louter toekomt aan uitgezakte dichters. Waar Lara gaat, trekt de motregen zich beschaamd terug. We omhelsden elkaar en in haar ogen, waarvan literatuurcritici beweren dat het de mooiste van de Lage Landen zijn, scheen een gloed die twijfelt tussen romantisch en ironisch en die er zichtbaar van genieten je op het verkeerde been te zetten. Nog voor het eten was besteld trok een spraakwaterval zich op gang.

‘Ik heb nog niet het gevoel dat het lente is, want normaal gezien word ik dan voortdurend verliefd.’

Lara Taveirne is – samen met o.m. Ethel Portnoy, Renate Rubinstein, Nora Ephron, Maria Kalman en Eve Babitz – een van mijn favoriete schrijfsters. Je voelt aan haar taal dat ze steeds op zoek gaat naar schoonheid. Haar verbeeldingskracht is als een cocon waarin je kunt schuilen voor de schreeuwerigheid van de moderniteit en leverde al prachtige boeken op als De kinderen van Calais en Pluto: aan het eind van de weg rechtdoor. 

Waar Lara helemaal in uitblinkt is de korte baan. Of het nu brieven zijn – waarvan ze er zoveel heeft geschreven dat het transporteren ervan de jaaromzet van een middelgrote containerfirma zou goedmaken – of cursiefjes. Dankzij haar bezwerende stijl weet ze me telkens weer te ontroeren en aan het lachen te brengen en het blijft een mysterie waarom hoofdredacteuren van kranten en tijdschriften niet uit hun winterslaap ontwaken en haar een column aanbieden. Lara’s pen werkt heilzamer dan een vitamine d-kuur.

De drank en het eten werden opgediend en de conversatie schoot alle kanten uit, maar werd steeds gekruid door haar aanstekelijk gevoel voor humor en avontuurlijke uitstraling. Tegenover Lara gezeten denk je dat er weinig belangwekkendere beslissing genomen moeten worden dan de finale keuze tussen de garnaalkroketten of de pasta Amatriciana. Het gesprek ging over de schaduwkanten van de liefde, de eerste lentekriebels, de toekomstige klassieker Lara van de door ons beiden zeer bewonderde Gentse songschrijver Lieven Tavernier, over de door ons al evenzeer bewonderde Stijn Tormans en uiteraard ook over haar op stapel staande boek. 

‘Mag ik je onderbreken, Lara? Want het is tijd om over te stappen op het officiële gedeelte. Ik heb hier namelijk nog drie vragen liggen die met spanning op een antwoord wachten.’

1) Waarom ben je nooit met een blog begonnen?

‘Ik ga om te beginnen je openingsvraag enigszins verdraaien. Een blog heb ik weliswaar nooit gehad, maar ergens heb ik het altijd jammer gevonden dat ik er geen heb bijgehouden in de periode dat ik op het platteland in het vervallen sluiswachtershuis woonde met mijn man en twee kleine baby’s. Als ik nu op die periode van dertien jaar terugkijk, denk ik dat het heel fijn was geweest als er mensen over onze schouders hadden meegekeken naar ons primitieve leven op die afgelegen plek. Dan had ik me misschien op donkere dagen ook minder eenzaam gevoeld. Als ik nu over ons leven in dat huisje vertel, dan zie ik dat mensen vaak ongelovig met het hoofd schudden. Dan zie ik ze denken: ‘Lara is een schrijfster, ze is weer aan het verzinnen.’ Terwijl ik het juist aan het afzwakken ben, zodat het geloofwaardig blijft.’

‘Door de hectiek van het leven – want ik kreeg snel na elkaar twee kinderen en intussen lekte het dak en moest er water gehaald worden – ben je je er niet van bewust dat het iets bijzonders is wat je aan het doen bent. Soms moeten er jaren overheen gaan tot je op een dag grasduint in oude foto’s en beseft: merde: dat was misschien het hoogtepunt van mijn leven. Enfin, niet het hoogtepunt: maar wel het meest unieke stuk. Achteraf gezien had ik daar graag lezers bij betrokken. Aan de andere kant ben ik ergens ook wel blij dat ik het niet heb gedaan – dat ik geen blog heb bijgehouden – want dan had ik dag na dag gerapporteerd wat er daar gebeurde en dan zou tijdens het herlezen misschien blijken dat het uiteindelijk allemaal minder kleurrijk was dan hoe het in mijn herinnering voortleeft. Bovendien was ik dan niet in staat geweest om een boek als Pluto: aan het einde van de weg rechtdoor te schrijven waarin ik alleen de sfeer en het huis heb overgehouden en alle persoonlijke anekdotiek en betrokkenheid heb weggefilterd. Juist door dat wegzuiveren werd literatuur mogelijk. Het is heel dubbel. Ik had graag getuigen of toeschouwers gehad, want ik heb me toen soms echt wel eenzaam gevoeld. Maar aan de andere kant: juist omdat ik de eenzaamheid zo intens heb beleefd is er later een donker boek als Pluto uit kunnen ontstaan.’

‘Mijn eerste boek – De kinderen van Calais – heb ik geschreven toen ik nog Germaanse talen studeerde. Ik zat op kot in Gent toen ik eraan begon. Het was wat hoogmoedig, maar ik had zoiets van: we studeren literatuur en het enige wat we doen is erover nadenken en erover discussiëren. Waar blijft het effectief doen? Ik wilde echt schrijven – dat was ook de reden dat ik was gestopt met toneelschool, want tijdens die studie ontdekte ik dat het onderdeel dat ik het allerleukste vond het schrijven van monologen was. Tijdens mijn opleiding heb ik een toneelstuk voor kinderen geschreven én geregisseerd. Op een dag dacht ik: als ik toneel kan schrijven, moet ik me misschien ook maar aan een roman wagen. Omdat ik iemand was die niet echt veel naar de les ging, had ik erg veel tijd. Ik was me ervan bewust dat ik later in mijn leven nooit meer zoveel vrije tijd zou krijgen.’

‘Als jonge twintigster heb ik dan Kinderen van Calais geschreven. Maar nadat ik het had voltooid heb ik het onmiddellijk verstopt. Geen moment dacht ik: wow, wat voor een meesterwerk heb ik nu aan de mensheid geschonken! Het was bedroevend slecht en ik was me er terdege van bewust. Maar ik vond wél dat de opzet – de verhaallijn – een goed idee was. Het is ook een écht boek geworden. Thuis heb ik het manuscript nog liggen. Maar ik durf er geen drie zinnen uit voor te lezen: zo abominabel geschreven is het.’

‘Het is pas nadat we in het huisje op het platteland zijn gaan wonen, zo rond mijn dertigste, dat ik de vraag kreeg van een uitgeverij (en niet zomaar een uitgeverij maar Manteau! nvdr) of ik een boek wilde schrijven. Het was via een jongen die ik nog kende uit mijn studententijd. We hadden in onze jonge jaren een klein beetje een ding gehad… briefjes in elkaars jaszakken, bliksem als we elkaar kruisten. Ik herinner me nog goed dat ik hem in een opwelling, net voor een examen, in een auditorium spontaan een kus heb gegeven en daarna vluchtte ik snel snel naar de andere uithoek van de zaal. Ondanks de kus legden we daarna allebei een rotslecht examen af. Later is hij bij Manteau gaan werken en hij was het die me contacteerde met de vraag of ik niet ergens nog iets had liggen. Die dag heb ik Kinderen van Calais uit mijn schuif opgevist en het volledig herschreven. Geen zin bleef gespaard. Maar aan de andere kant heb ik niets veranderd aan het verhaal zoals ik het eerst had neergepend. Dat was mijn blog (lacht).’

2) Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Mag ik zo wild te keer gaan als ik wil? Bedankt voor je suggesties, Jo, maar ik dacht niet spontaan aan Jane Austen (lacht).’

‘Ik ben nu net iets aan het lezen van Gerjon Gijsbers. Ken je die? Hij is een Nederlandse schrijver die ik kort heb gesproken tijdens een boekpresentatie van Herman Brusselmans. Maanden later kreeg ik een bericht van hem: “Ik heb je derde roman Kerkhofblommenstraat gelezen en ik weet dat je er negatief over bent, maar je boek betekende zeer veel voor mij.” We zijn dan berichten naar elkaar beginnen sturen en zo kwam het dat hij opbiechtte waarom hij zich zo aangetrokken voelde tot Kerkhofblommenstraat. “Sinds drieënhalf jaar ben ik hovenier op begraafplaatsen, dus er zijn reeds talloze chrysanten door mijn handen gegaan, maar die eindigen dan voornamelijk in de perscontainer. Enfin, ik wil maar zeggen dat ik genoten heb van je boek!“‘

‘Nu hij mijn boek had gelezen, vond ik dat ik ook zijn werk moest lezen. Ik kocht zijn debuut Scheuren in het canvas. Eergisteren ben ik erin begonnen en ik zit nu al over de helft en de hele tijd vraag ik me af hoe het komt dat wij die schrijver niet kennen. Hij heeft zo’n bijzondere pen. Je wordt als lezer – en dat heb ik graag  – voortdurend een stukje misleid. Ik ben aan het gieren van het lachen, tot ik besef dat ik tegelijkertijd ook diep ontroerd en geraakt ben. Iemand met zo’n unieke pen én zo’n persoonlijke blik die op een kerkhof werkt, daar zou ik graag een blog van lezen.’

‘Nog iemand anders waarvan ik hoop dat die zou gaan bloggen…? Je geeft niet af, hè. Laat me even nadenken. Ja: ik heb nog een tweede naam.’

‘In het laatste jaar dat mijn grootmoeder leefde, overstelpte ik haar met vragen die ik op voorhand had voorbereid omdat oudere mensen vaak een arsenaal aan vaste verhalen hebben waar ze op terugvallen. Bij een welbepaald thema hoort een welbepaalde anekdote en die wordt dan woordelijk herhaald. Om dat repetitieve te omzeilen, ben ik vragen gaan verzinnen, zoals: ‘Wat at je als meisje van zes? ‘Zaten jullie met alle veertien kinderen samen aan tafel?’ ‘Wat voor kleren droeg op je eerste communie?’’

‘Ik ben intussen best al wat mensen verloren, en toch is mijn grootmoeder de persoon die in mijn hoofd het meest aanwezig blijft. Ik blijf haar horen. Ze had een enorme verhalende kracht en sprak het zangerige oud Brugs.’ 

‘Een van haar vaste verhalen was: “Ik heb een jaar bij een hoedenmaker gewerkt en ik krijg er nog altijd een stukje pensioen van.” Dan denk ik: waarom heb ik haar daar nooit over uitgehoord? Ik woon nog steeds in Brugge en fiets er elke dag rond. Waar zat die hoedenmaker? En ook: wat deed ze daar? Kon ze vilten, naaide ze pluimpjes op de hoeden?’

‘Wat ik er bijzonder aan zou vinden is om het woord te geven aan iemand van voor het blogtijdperk. In de periode dat ik Kerkhofblommestraat schreef, heb ik in het archief veel dagboeken van oudere mensen opgevraagd en gelezen en die schreven op een volstrekt andere manier. Die schreven – net omdat er geen getuigen over hun schouder meelazen – met een grotere oprechtheid die ook in de taal voelbaar is. Goed, soms is die gelardeerd met knullige foutjes en opgesteld in de oude spelling, die ik trouwens vaak van een aandoenlijke schoonheid vind. Iemand van voor het blogtijdperk dus en het liefst mijn grootmoeder die altijd zei: “Door de schuld van de oorlog heb ik nooit goed leren schrijven.” Mijn boeken stonden bij haar in het vensterraam, alsof ze aan voorbijgangers wilde laten zien: “Kijk: mijn kleindochter schrijft boeken!” Maar zelf kon ze nauwelijks lezen. Als ik haar opzocht, vertelde ze: “Ik lees je woordje voor woordje.” Vaak zei ze bewonderend: “Amai, jij kent veel woorden…”’

‘Hoe zouden de dagen in haar taal vorm gekregen hebben?’

‘Grote schrijvers zijn daarom geen taalvirtuozen. Het zijn vaak mensen die dicht bij hun eigen stemgeluid blijven. Mijn grootmoeder had niet anders gekund dan met haar eigen stem te schrijven.’

‘Of ik nog een derde voorbeeld heb? Je wilt écht dat ik Jane Austen zeg, hè (lacht).’

3) Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?

‘Wat voor mij van wezenlijk belang is: de schrijfstijl moet in het verlengde van de persoon liggen – anders merk je als lezer snel dat er iets niet klopt. Het moet aansluiten bij de persoonlijkheid van de schrijver.’

‘Als docente verbeter ik regelmatig teksten van studenten. Ik geef het vak schrijven aan het conservatorium in Antwerpen en ik begeleid pas afgestudeerde Nederlandse en Vlaamse studenten in het Slow writing Lab in Amsterdam. Dit jaar kwam er een prachtige jonge vrouw binnengewaaid in het lab. Een vat vol verhalen, die ze zwierig kan vertellen. In een heel eigen taal, een mengeling van Nederlands, Frans en Arabisch. Ze heeft over de hele wereld gewoond, werkte op cruiseschepen, kan een helikopter besturen. Dus keek ik er enorm naar uit om haar te mogen lezen. Maar dat viel een klein beetje tegen. Alles was in keurig opstel-Nederlands geschreven. Ik vond haar veel spannender en vooral veel eerlijker in haar gesproken taal. Ik denk dat ze aan de schrijftafel is gaan zitten vanuit het idee: literatuur moet zo en zo klinken. En dan wordt het wat krampachtig. Uiteraard was ze aanvankelijk wat teleurgesteld door mijn feedback, maar ze nam het wel ter harte. Twee weken later kreeg ik bericht van haar: “Schrijven is ineens zoveel leuker…”’

‘Maar inderdaad, Jo. Gekunsteld of geaffecteerd schrijven kan ook werken. Iemand zoals Ilja Leonard Pfeijffer lees ik bijzonder graag. Hij is iemand die uitpakt met zijn taalvirtuositeit. Maar dat klopt dan weer zo hard met de mens die hij is dat je denkt: prachtig!’

‘Voor mij is de stem iets dat altijd terugkomt in mijn oordeel over blogs of literatuur. Voor mij heeft elke goede blog of elk goed boek een voice-over.

‘Wat ik op lezingen graag vertel is een verhaal van mijn moeder. Waarbij ik wel moet aanstippen dat zij niet altijd een even betrouwbare bron is. Het verhaal gaat dat ik als zesjarig kind net had leren lezen. Het fascineerde me enorm hoe ik plots die symbolen-wereld kon decoderen. Niet veel later leerde ik het woordje pop en ik was volledig de kluts kwijt omdat het van links naar rechts én ook van rechts naar links volledig hetzelfde geschreven wordt. Ik flipte en kreeg het niet in mijn hoofd. Sterker nog: bevangen door twijfel draaide ik mijn schriftje om en toen stond er dod. Dat woord kende ik niet, maar als je klein bent zijn er tal van woorden waarvan je de betekenis nog niet kent. Mijn vader zei vaak: “Ik ga naar de vergadering.” Ik dacht dan dat hij naar God ging. Van dod dacht ik dat het ook zo’n woord zou zijn. Het betekent iets, voelde ik, maar ik weet nog niet wat. En dan vertelt mijn moeder – en we zitten nog steeds in haar onbetrouwbaar verhaal (lacht) – dat ik op een nacht ziek was geweest en urenlang had liggen overgegeven. En toen ze de volgende morgen mijn gewassen beddengoed, en knuffels ophing aan de waslijn en mijn pop bij het voetje met een wasknijper aan de lijn hing, wees ik naar mijn omgekeerde pop aan de wasdraad en zei: “Kijk, mijn dod…”‘

‘Mijn moeder had toen het gevoel: dit kind kijkt anders naar taal en naar woorden.’

‘Ik ben altijd blij geweest met dit verhaal omdat het naar de kern gaat van datgene wat me boeit aan schrijvers – onder welke vorm dan ook. Omdat ze de taal niet nemen voor wat hij is. Ze proberen die naar hun hand te zetten en nieuwe woorden te verzinnen als ze denken dat er nog geen geschikte term voor bestaat. Ze durven de taal te kneden en hebben er schik in om er eindeloos mee te spelen.’

Het gesprek was afgelopen en de tijd voor een afscheidsomhelzing aangebroken en ik haalde De aanraking van Frans Pointl uit mijn rugzak. 

‘Waar is de tijd, Jo…  Jaren geleden heb ik op jouw aanraden nog zijn debuut De kip die over de soep vloog gelezen. Ook mijn vader was er danig van onder de indruk.’

Nog verder terug in de tijd, lang voordat we elkaar op een boekvoorstelling van Stijn Tormans voor het eerst spraken, dacht Lara dat ik een strenge leraar Nederlands was voor wie elke taalfout een reden bleek om verongelijkt door het raam te staren. ‘Ik had me je ingebeeld als een pinnige, grijze man die alle grammaticaregels uit het hoofd kende.’

Ik stelde haar gerust, want nog nooit heb ik wie dan ook op een taalfout kunnen betrappen en daarom verraste haar volgende vraag mij.

‘Zou je mijn proeflezer willen zijn voor mijn volgende boek?’

Zelden was ik vergulder met een verzoek, maar zelden meende ik ongeschikter te zijn – tot Lara me uitlegde waarom ze aan mij had gedacht. 

Buiten wachtte de zon en overvolle terrassen waar Sinjoren en Parkingbewoners aan het verbroederen waren. Overal lachten flirtende mensen hun winterblues weg en ik wandelde met vrolijke tred de stad in, want ik wist eindelijk wat ik later zou zijn. Later word ik een proeflezer van Lara Taveirne.

Amuse (vangst #162)

foto (r) Karolina Grabowska

... dat vele mensenkinderen, jong en oud, vandaag zeer hebben aan hun verbeeldings- en inlevingsspieren, ligt niet aan hen. Maar aan hetgeen hen voorgeschoteld wordt.

Er mag heden ten dage wel een serieuze bete tegengas gegoven worden, zal ik dan zeggen.

Aldus Merel de Vilder Robier, en dat tegengas, daar dragen we hier bij Aanlegplaats graag aan bij.

Om te beginnen door – dat is lang geleden – Chrétien Breukers nog eens aan het woord te laten. Hij brandt boek en voorstelling van Roxane Van Iperen af. Het is een hiaat in onze belezenheid, maar haar werk kennen we niet en we hebben dan ook geen mening. Breukers wel. En we selecteren hem hier enkel omdat ons soms een heimwee overvalt naar de tijd dat schrijvers gewoon ruzie maakten, zoals echte mensen.

Echte mensen maken fouten. En rechtsomkeer. Zo observeert Vincent Merckx.

En vroeg of laat gaan ze ook nog eens dood. En verdwijnen. Als een wolk in het water, zoals de vader van Victor Frölke.

Het is nog even wachten op Pasen.

Maar eerst dus:

Bij teveel openlijke liefde voor de natuur, zo zei Van Iperen bijna letterlijk, had je te maken met naarlingen die voor ‘een sterke leider’ waren. Ik voelde de neiging opkomen keihard in lachen uit te barsten, maar het devote en muisstille publiek dwong me het binnen te houden.

Uit ROXANE VAN IPEREN Maakt van broddelig essay een nóg broddeligere theatershow op De Nieuwe Contrabas

… hij surplacete zo lang mogelijk voor het stoplicht, alles om toch maar geen voet op de grond te moeten zetten. Toen de zwaartekracht leek te zullen winnen, begon hij een rondje te draaien rond zijn as, ook hij wist dat het belangrijk is om in beweging te blijven.

Uit Soep op Vrijdag

nu zijn we helemaal van je af pap
je bent los
er is niets meer van je over


Lees Laatste Uitvaart verder bij Viktor Frölke

De blogger die hardop nadenkt (vangst #161)

Ik wil geen schrijver meer lezen, waarbij men het aanvoelt dat hij een boek wilde maken, maar alleen een wiens gedachten onvoorzien tot een boek werden.

Dit citaat van Nietzsche vormt het motto van de blog vijf voor twaalf van Johan Bosmans. Deze week in onze vangst: drie bloggers die hun gedachten laten stromen.

Te beginnen met Bosmans zelf: hij begint met een logboekje van zijn grootvader en eindigt met een uitvoerige analyse van het werk van Wittgenstein.

Soms denk ik over een tekst van Wittgenstein hetzelfde als wat ik denk over een tekst van mezelf die ik na verloop van tijd  herlees: “wat had die kerel toen gedronken zeg?” Wat op het moment van het schrijven nog zo helder leek als het water van een klaterend bergriviertje, lijkt bij nader inzien zo troebel als een traag meanderende stroom bij de monding. Alleen al de ontelbare teksten die over het werk van Wittgenstein geschreven zijn maken dat duidelijk. Als het allemaal zo gemakkelijk te begrijpen was, zouden die volstrekt overbodig zijn.

Uit: De vriend op vijf voor twaalf

Ook Els Claessens denkt hardop na deze maand. ‘Wanneer spreekt men van een mislukking?’ ‘Hoe had ik me zo in zijn stugheid kunnen vergissen?’ ‘Ik was er bijna, maar wat is dat waard?’ Er is in haar huishouden duidelijk iets anders gelopen dan gepland. Maar wát..??? We komen het niet te weten en de uitstapjes die haar brein maakt, helpen hoegenaamd niet.

Bijna is nog niet half, en een koe is geen kalf. Dat deed me aan het verhaal van de oude boer Hendrick en zijn koeien denken. Boer Hendrick was in een ver verleden te weten gekomen dat ze in Japan hun koeien masseerden en bier te drinken gaven om zo het vlees malser te krijgen. Hij had het zelf ook een paar maanden geprobeerd, maar dat was geen succes geweest. De kalveren werden dronken en zijn vrouw jaloers. 

Uit: De nabeschouwing op Gebeur-te-lijke ongevallen

Tenslotte de koning van de stream of consciousness, zij het ingekookt tot smaakbommetjes van overpeinzingen: Don Vitalski. In zijn state of being van 19 maart behandelt hij in drie alinea’s de thema’s geld, quality time en geluk.

vooral snachts kan ik niet tegen geluiden op straat. draaiende motoren, marokkaanse conversaties… zelfs indien die dingen zich relatief stilletjes voltrekken, is dit een teveel voor my. ’s mensens zegswyze is dan: “jy moet in een bos gaan wonen.” maar: in een bos is het niet beter, daar volstaat dan weêr één voortdurend blaffende, jankende waakhond in de tergende verte.

    het dorp is nog minder een optie. doctor dirk, bezyden lies robbeneiland, woont in een dorp (hoogstraten) – doch: hy rent weg richting de ardennen, omdat zyn buurman in de tuin daarneven graâg zyn radio heeft spelen…

    de mooiste tyd van myn leven was die allereerste, aller stevigste lockdown, mei 2021. toén was ik echt gelukkig.

Uit: State of being 19 maart op Vitalskiblog