De lente is hard werken, dit jaar (vangst #59)

Misschien lijkt het anders, met die stralende zon en de mondmaskerloze gezichten, en de planten en de dieren die als vanzelf weer aan een cyclus beginnen.

Maar het is hard werken, de lente.

Deze lente. Want ook in de lente woedt de verschrikking van de oorlog, ook in de zomer wordt straks bloed vergoten (Katrien Scheir). Wordt de haperende levensdrang opgesloten in buisjes en machines (Caro Van Thuyne) en blijkt het onmogelijk om alle regenwormen te sparen (Anne Broeksma).

Op klare dagen hoor je de vogels weer, voor de zonsopgang bespreken ze de dagtaak en ’s avonds evalueren ze. Elk jaar is het wennen. Op de dag van het zomeruur ben ik melancholiek. Natuurlijk schuw ik het voorjaar niet maar als kind moest ik te vroeg naar bed. Uren lag ik wakker en buiten was het feest. In mijn kamer vervormden de schilderijen. Het portret van mijn grootmoeder kroop uit het kader om mijn grootvader aan de andere kant een sneer te geven.

Uit Schuilen in de lente van Katrien Scheir

In de hoge bomen achter het ziekenhuis huist een roekenkolonie. Daar heb ik afgesproken met mijn vogelman. De roeken zijn actief en luidruchtig, het tegenovergestelde van de IC. Hun stemmen zijn onmiskenbaar, als kinderen die met kazous spelen. Hun zware kale bleke snavels lichten op in de zon. Waarin verschillen ze nog van hun neven de kraaien, vragen we elkaar. Vliegt een kraai niet net iets sierlijker, met die lange gespreide vingers aan het eind van die traag golvende vleugels? Zijn de vleugels van een roek niet wat breder en stomper? En lijkt zijn vliegen niet meer op roeien? De roeken huppen rond in de toppen van de nog kale bomen, of springen in een nest tot grote consternatie van de vogel die er al zit, ze vliegen weg of keren terug, ze schudden verleidelijk met staarten, vertellen elkaar luidkeels dingen die wij niet begrijpen.

Uit Drinkende ogen, vogels rondom van Caro Van Thuyne

Maar toch was het vandaag even slikken toen ik in de tuin kwam. Ik begin écht weer van voor af aan. Elke meter met een klein schepje loswoelen. Er zijn vast efficiëntere methodes, maar het voordeel is dat je zo alle regenwormen persoonlijk kan begroeten. Je moet er toch opnieuw weer een beetje een relatie mee opbouwen, met die grond.

Uit Moestuin overzicht 2021 van Anne Broeksma

(r) Katrien Scheir

Zullen we er gewoon mee stoppen? (vangst #58)

Eén van de meest interessante lessen uit de menswetenschap die economie heet, is toch wel dat je een uitgave nooit mag verantwoorden door de investering die al gedaan is. Een slecht boek lees je best niet uit, ook al heb je er al 210 pagina’s op zitten. Twijfels over de aanleg van een dure tunnel? De miljarden die al uitgegeven zijn aan onderzoek, consultants en communicatie mogen nooit de reden zijn om dat project dan toch maar uit te voeren. Enzovoort. Doorzetten wordt zwaar overgewaardeerd.

Vaak is het heel verstandig om het bijltje erbij neer te leggen, de handdoek in de ring te gooien of de pijp aan Maarten te geven. Onze bloggers weten dat. Tammie Schoots stopt met haar media-carrière. Jan-Paul van Spaendonck stopt met doen alsof zijn archief hem zal laten voortleven na de dood. Jan-Willem Lubbers roept op om te stoppen met het nastreven van idealen.

Alhoewel ik nooit echt gelukkig ben geweest, verkeer ik nog steeds in de illusie dat ook ik een fijn leven kan leiden. Na die ene radio-aflevering, dan word ik gezien. Na die ene talkshow, dan gaat mijn prins op het witte paard me benaderen. Als ik maar hard genoeg werk gaat iemand vanzelf zeggen: wij bieden je een baan. Elk optreden zou een bouwsteen naar dat fijne leven moeten zijn, het wil maar niet gebeuren.

Uit: Ik stop ermee van Babel Magazine

Ik zie hoe hij kijkt naar mijn uitpuilende boekenkasten. Naar mijn archieven. Een plank vol met dit, een doos vol met dat. Voorbije jaren, vastgelegd in brieven, dagboeken en memorabilia. Afkeurend kijkt hij. Of in elk geval ongemakkelijk, vol onbegrip. Ik begrijp dat er van hem niets te verwachten valt als het aankomt op het behoeden van wat ik beschouw als mijn erfenis.

Uit: Voorheen Rookzangers Notitieblog (33) van Jan-Paul van Spaendonck

Laten wij onze waarden niet meer baseren op geprojecteerde werkelijkheden die niet bestaan of waar we slechts vage vermoedens van denken te hebben (geen hemel en hel of nirwana, geen spirituele sprookjeswerelden), niet meer op boeken (Bijbel, Koran, Daodejing, Das Kapital …), historische perioden (Oudheid, Renaissance, Verlichting …) of personen (Jezus, Mohammed, Lao Zi, Marx …). Geen beloften meer van betere of paradijselijke werelden achter een verre horizon in tijd en ruimte, geen verlangen meer naar zuiverheid. Geen idealen meer, maar de acceptatie van een imperfecte en voortdurend transformerende wereld.

Uit: #1855   honderd woorden (25) van Jan-Willem Lubbers

Jan-Willem Lubbers: Prinses Margrietlaan, 20 juli 2021

De terugkeer van de luchtschipbouwers (vangst #57)

Iedereen die jong was in de jaren zeventig en niet uit overtuiging met een Volga reed, herinnert zich nog de angst voor de Russen. Het was volop Koude Oorlog. Atoombommen stonden klaar in achtertuinen aan beide kanten van de ideologische grens. Maar het meest afschrikwekkende wapen van de communisten was toch de kussen vol op de mond waarmee Secretaris-Generaal Leonid Brezjnev politieke vrienden verwelkomde. Het was de tijd dat dissidenten mondjesmaat aan de greep van het IJzeren Gordijn wisten te ontsnappen – wat bij Wim Kan de opmerking ontlokte: ‘Ik denk wel dat de Russen komen, maar één voor één.’

De zwaarte van die tijd weet Marieke Groen heel knap te vatten in haar stuk ‘Terug’. Ook in de twee andere blogposts schemert l’heure bleu door. Dagvinder haalt op subtiele wijze herinneringen op aan een recent overleden tante. En enpassantdotblog brengt de verwarrende zoektocht van een kind naar een palindroom op geestige wijze onder woorden.

‘Als ik als kind niet kon slapen, dan zocht ik naar palindromen, alsof het eerste deel van die samenstelling nietszeggend was, en ik me er bijgevolg ook wel wat nachtrust mee kon winnen. Ik herinner me taartstraat en droommoord, en de frustratie als het net niet klopte. Alsof het universum een Nederlandstalig raadsel was dat bijna opgelost kon worden door een negenjarige in pyjama.’

Uit: palindroommoord van enpassantdotblog

‘Voor mijn eindexamenvak tekenen schilderde ik twee voeten die schopten tegen een bal. Aan de ene voet zat een Nike, aan de andere een sneaker (‘gymschoen’) met een hamer en sikkel als logo. De bal was een wereldbol en hij was zojuist aan stukken geschopt. Ik was verbaasd dat ik geen tien kreeg voor mijn werkstuk, zo briljant vond ik het zelf.’

Uit: terug van Marieke Groen

‘Mijn tante zit aan de overkant en ik kijk naar haar door mijn kinderogen. Ik zie hoe zij mij niet ziet, en dat is normaal, want ik ben een kind. Tussen haar vingers verdwijnt traag een sigaret. Uit haar mond ontsnappen woorden, rook, leven.’

Uit: maandag-7-maart van Dagvinder

Uittreksels.

Soms moet het.

Voor Fien moet het.

Ik schreef en ik schrijf en ik schrap en ik frustreer me. In het schrijven ontmoette ik een woeste woede waarvan ik niet wist dat ik ze in me had. Woede om hoe weinig geneeskunde over vrouwenlichamen kan zeggen, woede om dokters die me verschillende hormoonsuppletie voorschrijven en dreigen met kanker bij elkaars raadgevingen, woede om de wachtrijen,woede om de afwezigheid van begeleiding tenzij voor een fertiliteitstraject, woede om de dreiging met onvruchtbaarheid op de pakjes sigaretten die ik kocht uit woede omwille van het voorgaande, woede om vriendschappen die wegvallen omdat ik het leven met de voeten vooruit leef woede om vriendschappen die wegvallen als ik het leven niet met de voeten vooruit leef, woede om mezelf, woede om de walging voor mijn eigen woede.

Daar hebben we, hier bij Aanlegplaats, alleen maar respect voor.

Dikwijls doe ik eenvoudigweg niets en luister naar stilte.

Wat Jan Willem Lubbers dan hoort in die stilte, of in de momenten dat hij toch bij het alledaagse leven aansluit, verwerkt hij tot twijfelende stukken tekst, want ik heb enkel mijn vermoedens. Dat gaat dan over waarden en normen, en het verval daarvan, en de kwetsbare weerloosheid van de pacifist, die deze wereld die mij afwijst niet begrijpt, nooit zal begrijpen en die ook niet meer wil begrijpen.

Omdat getallen mooi zijn, beperkt hij die vaak tot honderd woorden, en dat, zo vinden wij, is vaak moeilijker dan je denkt.

Kipkap (vangst #56)

Onze haven is vooralsnog een veilige plek, maar het stormt daarbuiten, en wanneer we onze ogen sluiten (of is het openen?) zien we hoe het water zich stilaan vermengt met het bloed van de wereldpolitiek.

Er valt helaas niet aan de geschiedenis te ontsnappen, en alhoewel er nog geen oorlog in onze netten gevangen werd, schudde de wereldorde ook voordien al op zijn grondvesten.

Zo leert Herman Loos ons via Emmanuel Carrère dat mensen ook in vredestijd allesbehalve vrij zijn. Een vaststelling die Merel de Vilder Robier, door de overheid en Corona (wat oorzaak en wat gevolg is, laten we gemakshalve maar open) gedwongen om een job buiten de kapot geslagen kunsten te zoeken, ons ten overvloede illustreert. We worden al versmacht, zegt Marc Reugebrink, door die neoliberale ideologie. Of hij het over varkens en stikstof heeft, of over ons, ook dat laten we in deze tijden van vertwijfeling graag open.

Wat Carrère doet, is via zijn personages – het is non-fictie maar voor het gemak beschouw ik ze als personages – kipkap maken van bepaalde liberale ideeën die je zou kunnen samenvatten onder de noemer voluntarisme: de idee dat mensen vrije individuen zijn die op vrijwillige basis contracten aangaan en geen overheid nodig hebben om hen te beschermen. Het probleem met de zuivere logica van het liberalisme – of neoliberalisme, om een beetje pedant te doen – is dat contracten niet symmetrisch zijn. In de regel worden ze gesloten vanuit een machtsverschil en bestendigen dat.

Uit: Kipkap van het liberalisme van Here comes Herman

Dus, VDAB vénéré, in wiens vervloekte armen die vurte corona mij gedreven ‘eeft, Shauni was geen oplossing. Shauni die zelf totally lost achter haar computer zat. Niet wetend wat met mij, noch met haarzelf aan te vangen. Shauni van Jobfixers, te lange nagels om te typen, te veel make-up op haar babyface, te weinig erwten achter haar voorhoofd, te veel “huh?” om vertrouwen in te boezemen.

Uit: Notitie van 1 februari van Merel de Vilder Robier

Wat overbleef, was het ideologisch gemotiveerde protest: tegen een denkwijze die in Europa en bij nationale regeringen al decennia de boventoon voerde. Méér, schaalvergroting, megastallen, winstmaximalisatie, efficiëntie, het varken al bij leven voorgesneden tot zo-en-zoveel kilo kotelet, zoveel pond varkenshaas, zoveel gram filet; het dier als een in zijn stal geïmmobiliseerde, maar nog net ademende vleesvitrine. Kortom: het inmiddels wat sleets klinkende verhaal over hoe de Goddelijke Markt alles dicteert, vermaalt en stuksnijdt. En dat in een tijd dat ideologie zogezegd niet meer bestond.

Uit Het varken strikes back op Inwijkeling

De vangst van An Leenders (#55)

Hoppen van blog naar blog, van woord naar woord, van wereld naar wereld en proeven van al het literaire lekkers. Het is heerlijk vertoeven in De Haven van Aanlegplaats. Wat een rijkdom! Kiezen is in dit geval dan ook verliezen. Maar als het echt moet, hier mijn drie favorieten. Maar ga vooral zelf ook eens op verkenning!

Ik smulde van Elke dag wel iets: “een poging tot dagboek”, zoals blogster Sunmoonpisces het zelf omschrijft. Een extra troef bij deze blog vind ik het verrassingseffect. Je klikt op een foto en krijgt een verhaal.  Een beeld van een gehavende vrouwelijke soldaat bracht me naar een stukje over Simone de Beauvoir. Bijzonder actueel.

Verder vertoefde ik ook graag op Wings and wonders van Joke Vander Laenen. Het wonder begint al bij het binnenvaren op haar blog. Je krijgt ‘chocolate chips’ geserveerd en ook een fijne uitnodiging voor haar nieuwsbrief. Iemand met aandacht voor het kleinste detail zodat het plaatje helemaal klopt, daar houd ik van. Het stukje ‘Alle menselijk handelen is pogoën’ is een gelaagde en bijzonder geslaagde beschouwing over een zoveelste dag in lockdown.

En dan genoot ik ook intens van de poëtische parels van Arne Schoenevuur. “Dit hoeft niets te worden”, staat er bovenaan zijn blog. Een uitnodiging om te nemen wat je aanstaat. Ik nam ‘Ampersand’ en laat mijn gedachten dwalen op de vragen die hij stelt. Hij creëert een stille plek, waar het fijn verdwalen is.

De laatste tijd ben ik er achter gekomen dat ik de tijd na de oorlog veel interessanter vind dan de oorlog zelf. Ja, de jaren van strijd zijn moeilijk en lastig en er is heldendom en lafheid, en alles is uitvergroot. Maar wat er na komt is de tijd die alles terug naar menselijke proporties herleidt en de vraag stelt naar verzoening en heropbouw. Hoe moet een volk terug leren leven op het ritme van elke dag, terwijl de wonden en de trauma’s nog verre van geheeld zijn? De oorlog stopt niet omdat er een vredesverdrag werd ondertekend. De naoorlogse jaren zijn nog duizend keer complexer en ingewikkelder dan de jaren die eraan voorafgaan.

Uit Oorlog is saai, op Elke dag wel iets

Op straat is het mondmasker terug, met meerdere functies: oorbel, ringbaardbavet. Mensen dragen het zelfs op de fiets, lekker warm. Examens van toekomstige soorten over deze mislukte roaring twenties worden makkelijk: “Ah op de foto wezens met mondvod, dat moet 2020 of later zijn. Amai zeg, toen had ‘de mens’ nog seizoenen.“

Uit Alle menselijk handelen is pogoën van Joke Vander Laenen

…

Wie gaat

Met wie

Z’n eigen weg

Wie neemt wie

Mee en wie

Laat wie achter

Wie weet

En wie vergeet

Wie blijft

…

Uit Ampersand van Arne Schoenvuur

An Leenders, het interview

Al sinds mensenheugenis (enfin, toch sinds 2002, het geboortejaar van de organisatie) is An Leenders directeur van en drijvende kracht achter Creatief Schrijven. Ze studeerde Slavische talen, communicatie en cultuurmanagement, maar het zijn partnerschappen, samenwerkingen en vooral veel zotte ideeën die de organisatie hebben gebracht waar ze nu staat: hét steunpunt en kansenplatform voor wie schrijven niet laten kan.

Talloos zijn de schrijvers, in onze haven en ver daarbuiten, die ooit een of andere cursus uit het aanbod van Creatief Schrijvers tot hun voordeel hebben benut.

En ondanks haar motto “Spreken is zilver, schrijven is goud.” konden we haar toch een paar antwoorden ontfutselen.

Heb je zelf een blog?

Wel, ik heb er lang geleden één gehad, met de zeer poëtische titel: zwerftochtvoorbijzonsopgang. Toen mijn man en ik voor een jaar op huwelijksreis waren. Een ongelooflijk avontuur. We zijn in Antwerpen op onze motors gestapt en via Oost-Europa, Iran, India en de zogenaamde “stans” (Oezbekistan, Turkmenistan, Kazachstan) naar Mongolië gereden. Er was in die tijd nog geen mobiel internet. We reisden met landkaarten en onze neus achterna. Ik noteerde onze indrukken en avonturen in een notaboekje en brouwde daar ’s avonds blogstukjes van. We verzamelden er ook de juiste foto’s bij. Als we aankwamen in een grotere stad gingen we op zoek naar het lokale internetcafé en daar tipte ik de teksten over en bewerkte mijn man de foto’s een beetje en zo verschenen de stukjes dan online. Het was dé manier om het thuisfront op de hoogte te houden. Heel fijn om te doen, zowel de reis als de blog. Helaas is de blog door omstandigheden offline gehaald.

Het bloggen blijft wel kriebelen. Het staat al langer op mijn lijstje om er terug één te beginnen, over het reilen en zeilen van ondernemen in een creatieve sector, het concept moet nog wat meer vorm krijgen. Sowieso is het altijd redelijk druk in mijn hoofd. Dingen van me af schrijven is zeker een manier om zaken te verwerken en rust te vinden. Een blog zou dus een prima uitlaatklep zijn.

Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen?

Een paar jaar geleden lieten we met Creatief Schrijven op de Boekenbeurs een boom aan het woord. Het was een gekapte plataan van op de Antwerpse leien die daar zijn verhaal vertelde. Een rijke geschiedenis over shrapnels in zijn stam en een huizenhoge olifant die op een dag zomaar passeerde en zijn kruin streelde. Hoe fijn zou het zijn, moesten we de verhalen van bomen kennen. Een boom in het Antwerpse stadspark bijvoorbeeld: welke mensen ziet die dagelijks passeren?  Wie rent, fietst en zoeft er langs zijn stam? Overdag en ’s nachts? Hoe heeft de boom de stad zien veranderen? Wat denkt die boom over ons?  Ik zou het zo boeiend vinden om dat te weten! Wat denkt de natuur nu eigenlijk over het mensenras?

Wat is voor jou een goede blog?

Tja, dat is ook heel persoonlijk, denk ik. Een beetje afhankelijk ook van wat je op een blog zoekt. Voor mij begint het al bij de kop en de intro. Start de blogpost met een beklijvende situatie, een anekdote of een beeld waardoor ik als lezer geprikkeld wordt? Indien ja, dan lees en scrol ik verder en dan moet het met het lijf van de blog ook goed zitten. Dan spelen elementen als schrijfstijl, een persoonlijke stem en structuur een belangrijke rol. Wordt er gespeeld met witruimte en alinea’s? En ja, het oog wil zeker ook wat. Dus de vormgeving van de blog, voldoende beelden of foto’s die de tekst ondersteunen, en niet louter een plaatje bij het praatje zijn, vind ik ook wel nodig.  En dan de staart op het einde, hoe legt de blogger zijn verhaal of post neer? Is er eventueel een uitnodiging aan de lezer om te reageren. Blijft er voldoende ruimte voor de verbeelding van de lezer om nog zaken in te vullen? Het hele blogwezen, van kop tot staart, moet voor mij dus voor 100% kloppen om over een echt goede blog te kunnen spreken.

(r) Sophie Nuytten

Pas op voor overstekende mindfucks (vangst #54)

Wij blogbunnies hebben de neiging teveel in ons hoofd te zitten. Verslaafd aan de valse belofte dat elk woord ons slimmer, geestiger, ja zeg maar gerust beter zou maken, plooien we ons slappe lijf om de laptop en dommelen we in tussen scherpe zinsneden en goed gevonden plotwendingen. Holistische sirenen uit de haven wekken ons deze week. Zeg! Hecht niet teveel belang aan uw hersenactiviteit!

Minister van Hysterie Laura Buelinckx en haar female energy winden zich op over storytellers en cursussen digital detox op Instagram. An Olaerts beeldt zich in dat haar vriendin wordt gediagnosticeerd met een ingebeelde ziekte. Vitalski ziet geen graten in de ontwikkeling van een volmaakt zelfbewustzijn door computers.

Nu, genoeg daarover, straks denkt het mens nog dat ik niet goed in m’n female energy zit en het op haar gemunt heb. Niets is minder waar. Ben bijvoorbeeld oprecht blij voor haar dat ze dankzij een of andere holistische workshop verlost is van haar glutenintolerantie en terug een croissant kan smikkelen zonder diarree te krijgen achteraf. Nee nee, ik was nog maar net bekomen van bovenstaande hetze, of ik zag volgende mindfucks passeren die me een zoveelste zenuwinzinking bezorgden.

Een cursus om mentale rust te vinden.

Op Instagram.

Uit: Instagramschap van Ministerie van Hysterie

De brief riep op tot een echografie. Met vraagtekens had de huisarts er lever en gal bijgeschreven. Achter hypochonder stond gewoon een punt. We waren alletwee benieuwd hoe dat stuk machoverdriet zich daar ging uitlullen. Nee, het zou zijn beste dag niet zijn, aldus de hypochonder.

Uit: Hypochonder van Kladschriften

de gentse filosoof frank vande veire beweert dus dat het onmogelyk is dat computers of robots ooit werkelyk aan zelfreflectie zouden kunnen doen, dat ze nooit echt aan ironie zullen kunnen doen. wat een kortzichtigheid! kyk byvoorbeeld wat de virtuele assistent “siri” vandààg al kan; rocco james conan vraagt aan die computer: “waarom steken kuikens de straat over?” en die machine antwoordt: “omdat die dieren zich in het midden van de straat niet veilig voelen.” ik vind dit al tamelyk ver gaan.

Uit het schriftje van Vitalskiblog

Met de volumeknop op 1 (vangst #53)

De drie blogposts die deze week door de havenmeester van dienst werden opgevist zijn odes. Een ode aan een vriendschap. Een ode aan 4’33’’ stilte. En een ode aan wilde dromen.

In een ontroerend mooi stuk schrijft Martin Pulaski over Rita, een dierbare vriendin die is gestorven. In enkele beklijvende paragrafen schetst hij hoe waardevol hun vriendschap is geweest en terugblikkend heb je als lezer het gevoel deelgenoot te zijn aan talrijke momenten van moeiteloos geluk.

Jan Devriese gebruikt zijn sterkste wapen, een scherpe pen, om voor eens en voor altijd duidelijk te maken dat Radio Klara moet blijven. En dat niet alles wat fijnbesnaard is naar Digitalië dient verbannen te worden. 

Tot slot is het weer heerlijk toeven in de ongebreidelde fantasie van Julie Cafmeyer. Ze neemt het in het casino op tegen grote mannen, krijgt een aalmoes van Pablo Picasso en hult zich van kop tot beschilderde teennagels in het oranje. 

‘We vierden ons weerzien met veel frisse wijn van de streek op een terras op het Wenceslausplein. Het leek erop of dergelijke momenten zich nog vaak zouden voordoen. Het leek erop alsof de tijd niet bestond en dat het leven geen einde kent. Het leek erop dat Rita er voor altijd zou zijn.’

Uit: de stem van rita van Martin Pulaski

‘Laat Klara met rust, barbaren. Anders organiseer ik een konvooi van gepimpte patsersbakken die naar Brussel rijden terwijl ze allemaal loeihard 4’33” van John Cage door de speakers laten knallen.’

Uit: polonaise van Jan Devriese

‘In een droom die daarop volgt, speel ik roulette in een casino. Mijn tegenstanders zijn keer op keer belangrijke, mannelijke kunstenaars. Bij elke ronde krijg ik een nieuwe tegenstander. Hun lijf blijft hetzelfde, maar de hoofden veranderen. Luc Tuymans, René Magritte en Pablo Picasso nemen het tegen mij op. Hoewel ik steeds het winnende nummer heb, winnen de mannelijke kunstenaars al het geld.’

Uit: droom van Julie Cafmeyer