Feest! (vangst #52)

Tweeënvijftig weken al stelt de redactie van Aanlegplaats voor u een vangst samen, beste lezer. Een heel eerste jaar lang.

Tijd voor feest! En bedankjes. Aan u uiteraard, die de weg naar onze haven steeds meer en beter vindt, aan de blogschrijvers allerhande, de gastvissers, en aan voormalige redactieleden ianthe Cooreman en Dennis Pauwels, zonder wie Aanlegplaats niet zou bestaan.

Er is plaats voor nieuwe leden, aan onze redactietafel. Voelt u zich geroepen? U bent het, ook al lijkt Marjon Meijer te suggeren dat het er niet altijd even gezellig is. Conflict! Gevecht in regel! Waarop Jo Komkommer er vandoor gaat naar Gent om er de plaatselijke John Prine te interviewen, en – preventie is belangrijk – Dirk Van Boxem zich de les rond al dan niet gerechtvaardige verlangens inprent.

U merkt het, bij dit eerste verjaardagsfeest kijken we voor één keer in eigen boezem en blog.

Veel leesplezier!

Wat niemand weet, is dat ik nog altijd niet door heb hoe je iemand eruit stuurt. Ik moet snel een alternatief bedenken. Ik baan mijn weg door de tussenkomst en neem de twee jongemannen mee naar buiten. Ik laat ze tegen elkaar vertellen waarom ze boos zijn. Wat een groot risico is. Er zit nog vuur in hun ogen, ze kunnen ieder moment opnieuw beginnen. Dat gebeurt gelukkig niet. Rechts snapt nog altijd niet waarom links zo boos werd: “Ik heb toch niet gezegd dat ik jouw moeder ging neuken ofzo?” Nee allicht, als iedereen die dat zei zou worden belaagd, stond ik helemaal nergens met mijn invuloefening. Ik vraag ze of ze zin hebben om verder te gaan met de les. De een wel, de ander niet. Ideaal.

Uit: Gevecht van Marjon werkt

‘De urenlange wandeltocht door Gent bracht me naar boekenwinkel Paard van Troje waar ik opmerkte dat de boeken van Wannes Van de Velde en Lieven Tavernier broederlijk naast elkaar stonden. Verder gluurde ik binnen in de Mokabon maar herkende geen besnord silhouet. Maar in een zijstraat van de Vrijdagmarkt zag ik een man op een te grote fiets, die vaagweg leek op een délégué van Sporting Lokeren uit de tijd dat de wonderspons nog medische mirakels verrichtte. De man op de fiets hield halt en zei: ‘Vriendje…’

Het was effectief de grote Gentse zanger die, ergens in het Niemandsland tussen John Prine en Georges Brassens, een geheel eigen universum heeft geschapen waarin verlangen en weemoed hand in hand gaan. En waarin de herfst altijd doorschemert en de liefde soms een vraagteken blijft.‘

Uit: De grootmeester van het stil verdriet van Komkommerdagen

Een arm die zich nog net niet helemaal strekt, bekroond met een wapperend handje dat geen vuist wil worden – dat was het eerste woord van Raketman. We noemen het hier ten huize Bijgekleurd de keizerlijke handbeweging.

(…)

Het is een sleutelmoment, zoals alle momenten in de ontwikkeling van een kind, waar ik met een vergrootglas naar probeer te kijken, vloekend op mijn eigen rusteloosheid, die me weglokt van het hier en nu van de keizerlijke. Mijn ouderlijke taak is het om het gebaar te beantwoorden met een eindeloos en genuanceerd ja en neen, zodat de jongen leert dat niet elk verlangen gerechtvaardigd is, en niet elk gerechtvaardigd verlangen zo maar kan worden ingewilligd. 

Uit: Willem du Gardijn van Bijgekleurd

(r) Tanja Wentzel – de Rode Valies

De vangst van Selma Franssen (#51)

Het fijne aan lezen is dat je het haast overal kan doen. Thuis op de zetel, in de rij voor de kassa, op de tram, of, zoals ik vroeger deed, tijdens de wiskundelessen met een boek op mijn schoot, half verstopt onder de schooltafel. Hoewel je een boek met je kan meedragen en het verhaal zich in je hoofd ontvouwt, kan het je juist ook verbinden met een specifieke plek in de stoffelijke wereld. Zo werkt mijn geheugen toch: zeg me welk boek ik las en ik kan je precies vertellen waar ik toen was.

Wanneer ik me de titel en cover van een gelezen boek voor de geest haal, weet ik weer welk jaargetijde het was, welke muziek ik in die periode draaide, hoe ik me voelde, naar welk café of park ik ging om te lezen. De schrijvers van de vangst van deze week weten literatuur ook met plaats te verbinden, elk op hun eigen manier. Tanja krijgt boekentips uit een Brusselse kringwinkel, Rob van Essen ontdekt met enige tegenzin de Parijse boekwinkel Shakespeare & Co en Sofia de Valk wordt al dichtend de rivier het IJ.

Op de terugweg liggen verdorde kerstbomen te wachten tot ze worden opgehaald. Op een vensterbank staat een lege doos van roomijs met afgedankte champagneglazen. Hoeveel jaar zouden ze zijn meegegaan? Hoeveel feesten hadden ze beleefd, overleefd? Wiens lippen hadden er allemaal aan genipt? De dingen zwijgen, maar vertellen ons soms zo veel. 

Uit: Mist van De Rode Valies

Ik aarzel, is het niet een beetje een tourist trap, het is niet het oude oorspronkelijke Shakespeare and Co, niet en nooit geweest zelfs, de Amerikaan die deze tweede winkel heeft opgericht is inmiddels ook al overleden en kijk eens hoe druk het binnen is, er staat een lange rij voor de kassa, allemaal jonge instabiele Amerikanen die hier hun Sylvia Plaths, Hemingways en Kerouacs komen afrekenen – maar ze wil graag dat ik het zie en ik ga met haar mee naar binnen en als we eenmaal door de eerste drukke en smalle ruimtes door zijn (met kasten vol boeken van diverse lost generations) zie ik wat het is: gewoon een grote Engelstalige boekhandel.

Uit: dagboekfragmenten, januari, parijs van reddend zwemmen

Ik had nog nooit zo’n woeste menigte gezien, 

daar tussen de stad en het land erboven, 

zo klotsend tegen haar dijen, tegen de dijen van de gvb

Uit: Stukje zonder opzet van Babel Magazine

Selma Franssen, het interview

Selma Franssen is auteur, presentatrice en programmamaker. In 2019 publiceerde ze het non-fictieboek ‘Vriendschap in tijden van eenzaamheid’ bij Houtekiet. Ze schreef artikels voor nationale en internationale kranten en tijdschriften (lees hier waarom ze daar grotendeels mee gestopt is), presenteert events voor o.m. Huis van de Mens, deBuren, Muntpunt en Passa Porta Festival en werkt als programmamaker voor o.a. het Festival van de Gelijkheid en de lezingenreeks Moeilijke Dingen Makkelijk Uitgelegd. 

Heb je zelf een blog?

Samen met vriendin Linda A. Thompson heb ik een nieuwsbrief die een beetje voelt als een blog: de Friendly Freelancer. Dit begon als een reeks persoonlijke stukjes over het leven als freelancer – hoe we soms onderbetaald worden, maar ook hoe we onze werkuren zelf bepalen en alles kunnen uitproberen waar we zin in hebben; inmiddels doen we ook interviews met andere freelancers. We zochten een klankbord, of misschien zelfs wel: collega’s.

Wat brengt die nieuwsbrief jou?

Het is voor mij een plek om te ventileren. Er staan véél hysterische GIF-jes op; niemand die me tegenhoudt. Ik kom in contact met andere freelancers, waarmee ik uitwissel over zaken die herkenbaar zijn en waarvan ik nieuwe ideeën oppik. Via dit platform raak ik buiten mijn eigen kringetje. En er staat ook een knop op om ons een koffie te doneren, die wordt best vaak gebruikt.

Wat is voor jou een goede blog?

Een blog die ik uit mezelf opzoek; waar ik een band mee heb. Zo ben ik bijvoorbeeld uitgekomen op de blog van de Sea Library in Jūrmala, Letland.

Ik volgde al langer een andere heel mooie blog, The Island Review over kunst, literatuur en eilanden – ik ben geobsedeerd door kleine eilanden. Daar las ik een post over een vrouw in Letland, Anna Iltnere, die in haar kelder een bibliotheek was begonnen met enkel boeken die over de zee gaan. Fictie, non-fictie, poëzie, kinderboeken, vanalles. Haar blog ben ik dan ook beginnen te volgen. Ze schrijft persoonlijke stukjes, recensies en interviews – allemaal vanuit passie voor boeken en de zee. Schrijvers en kunstenaars, maar ook lokale zeelui passeren er.

Toen ik een klus kreeg als ghostwriter en nood had aan twee weken isolement, kwam ik op het idee om naar Letland te gaan. Eenmaal daar, heb ik Anna gecontacteerd met de vraag of ik op bezoek mocht komen. Dat vond ze leuk. Het klikte: ik nam een stapel boeken mee die ik die weken las, we wisselden literatuurtips uit en het contact houdt nog altijd stand. Af en toe sturen we elkaar per post boeken op. Ze doet dat niet alleen met mij trouwens, ze heeft op die manier een heel netwerk rond zich verzameld.

Ik vind dat zo’n leuk idee, een themabibliotheek aan huis. Anna was geïnspireerd door het verhaal van de boekenwinkel Shakespeare & Co in Parijs. Toen ik er een tijdje terug passeerde, heb ik een ansichtkaart gestuurd; ze was er zelf nog nooit geweest.

Wie moet volgens jou dringend een blog beginnen?

Mag een wat ook? Bij mij om de hoek in de Marollen zit het Arabisch cultuurcentrum Langrange Points. Een organisatie die wordt gerund door vrijwilligers, met een enorme boekencollectie en plek om heel de dag rond te hangen. Zeer interessant, maar ik weet niks van Arabische literatuur! Een blog zou leuk zijn, om het toegankelijk te maken.

Foto (c) Sarah Van Looy

De dinsdag na blauwe maandag (vangst #50)

Families: we dragen ze altijd met ons mee. In de vangst van deze week spelen ze een grote rol. Soms op de achter- en soms op de voorgrond. Zoals in het echte leven, quoi. In een lillend stuk vol ingehouden woede deelt Anton Voloshin rake klappen uit aan politici van diverse pluimage, de Vlaamse volksaard, mensen die zich verheven voelen boven de Shanayas van deze wereld en aan zichzelf. Isaura Fluit was onder de indruk van de film – en het boek – The Lost Daughter van Maggy Gyllenhaal en neemt de gelegenheid te baat te filosoferen over de moederrol en waarom vrouwen, als ze het opvoedkundig spoor bijster raken, er niet met een tattoo vanaf komen. Zelfs niet met een grote. Tot slot doet Bart Moeyaert me telkens opnieuw zin krijgen weg te vluchten in de door hem aangeprezen boeken en, net als hij, de familie Boltoni te omarmen. Gedaan met luisteren!

‘Want: we hadden thuis diverse spelconsoles! Vervang het door een smartphone, een televisie of een nieuwe auto, en daar heb je dat eeuwige, domme argument tegen financiële onzekerheid: “geef toch geen geld uit aan X, dan zou je Y kunnen doen!”. “Als je niet zou roken, had je al een Ferrari kunnen kopen van al dat geld!” Ja, en waar de fuck is jouw Ferrari, dan?‘

Uit: waar-de-fuck-is-jouw-ferrari-dan van Anton Voloshin

‘Voor vaders is het anders. Die kunnen gerust verdwijnen, voor hun carrière of omdat ze toevallig wel even andere dingen te doen hebben. Zij komen er vanaf met een grote tattoo en veel begrip.’

Uit: het-mislukte-moederschap van Isaura Fluit

‘Ze schrijft witty. Ik kan niet anders dan het Engelse woord gebruiken, omdat het naar mijn gevoel haar toon beter vat dan met humor. Ze verstaat de kunst om schijnbaar licht te schrijven, maar ondertussen een heel scala van grotere, serieuze emoties tussen de regels te weven. Dit boek leeft. Als je Jagtenberg aanvoelt, wordt er tijdens het lezen van Wandert. De laatste jongen die naar zijn ouders luisterde een bijzondere familie aan je familie toegevoegd.’

Uit: Liever-niet-braaf van Bart Moeyaert

Het bloeiende zachte vlees (vangst #49)

Wat is groot en wat is klein? Waarom geloven we toch zo makkelijk dat groot beter is dan klein, ver beter dan dichtbij? Sarah De Grauwe brengt het thema aan, en als vanzelf is daar ook het kwetsbare, en de troostrijke vergankelijkheid van wat we belangrijk vinden. Ruud Verwaal zorgt voor een gepaste kwatrijn interpretatie van Proust, en Jan van Mersbergen herinnert ons eraan dat ook monumenten jong, gretig en onzeker zijn begonnen.

Een rusteloos leven lijkt vaak een succesvol leven, en niets mag té lang goed genoeg zijn. Maar door onszelf zo bezig te houden met die onbereikbare uitmuntendheid, zien we de meer bescheiden genoegens, dichter bij huis, vaak over het hoofd. 

Uit: Pleidooi voor het kleine leven van Sarah De Grauwe

Het zachte vlees dat nu nog volop bloeit,
zal in een verre toekomst zijn verdord.
Je ziet aan moeder wat het later wordt:
lichaam en geest zijn op één leest geschoeid.

Uit: De Recherche in kwatrijnen (15) van Ruud Verwaal

Zijn trots en frustraties, zijn hoop en zijn angsten, zijn liefde en zijn haat, alles wat in zijn jonge leven speelde wierp hij de zaal in, zoals hij dat nog altijd doet, en juist van één van die avonden, zo rond mijn geboortejaar, aan de kust van New Jersey, waar de jonge Springsteen voor een klein publiek in een klein zaaltje speelde, daar zal ik van dromen 

Uit: rottumerplaat van Jan van Mersbergen

Een toemaatje. De Springsteen waarover het gaat, jong, en met de showafsluiter uit die tijd: Thundercrack, een song waarin de kiem ligt van zowat alles wat Springsteen later deed.

Wat je moet doen als je ontvoerd bent (vangst #48)

Veel lijstjes deze periode! Voor wie maken we die eigenlijk? Wie zegt het ‘voor zichzelf’ te doen, komt bedrogen uit, weten we na het lezen van Thijs Feuth. Hij claimt dat ons zelfbewustzijn in feite zelfbedrog is. Alleen de ander bestaat. “In werkelijkheid bestaan we alleen voor de vos die ons ruikt en voor de minnaar en zijn of haar gestreelde zinnen.” Onverhoopt geroken door de vos? Marieke Groen komt met goed advies in haar lijstje ongepubliceerde stukjes. “Altijd je blik op de vloer richten, nederig doen, duidelijk maken wie de baas is.” De ander dus. Maar: als we zelf niet bestaan, wie laat Philippe Clerick dan zo onvoldaan voelen als hij niet vier maar drie zure hosties eet? Als we onze oplader zonder telefoon in de prise laten zitten? Als we kopiëren, zonder te plakken.    

Het is te laat. Voortaan is het voor hem ondenkbaar dat hij niet bestaat. Hij is ongeneeslijk ziek, de vinger op de borst is een onmiskenbaar symptoom. Hij kan niet meer anders dan geloven in dat gevaarlijke drogbeeld van de ik. De vos heeft gelijk: alleen de ander bestaat. De ik is een verleidelijk verzinsel want als ik voor jou besta en jij voor mij, dan moet ik ook voor mezelf bestaan. Het lijkt een eenvoudige optelsom die ons eigen bestaan onweerlegbaar vaststelt, maar in feite is het dialectiek die ons op een dwaalspoor zet.

Uit: De ingebeelde ik van Thijs Feuth

Ik luisterde een aflevering van de podcastserie This American Life terug die me altijd was bijgebleven. Het ging over ontvoeringen. Wat je moest doen als je ontvoerd was. Als je ontvoerd bent moet je meteen duidelijk maken dat er bij jou niks te halen valt, je familie is arm, jij hebt geen cent. Als ze doorhebben dat er bij jou niks te halen valt ben je niet meer interessant voor je ontvoerders. Ook moet je ervoor zorgen dat ze je als mens gaan zien. Je kunt een paar woorden in hun taal leren, als ze een vreemde taal spreken, en proberen gesprekjes met ze aan te knopen. Niet te opdringerig, niet te joviaal. En altijd je blik op de vloer richten, nederig doen, duidelijk maken wie de baas is. 

Misschien is het niet handig dat ik deze tips vrijgeef, nu gaat iedereen ze natuurlijk toepassen en kidnappers zijn ook niet achterlijk. 

Uit: De outtakes van 2021 – stukjes die ik niet postte dit jaar van Marieke Groen

Ik las ergens dat van alle snoepjes, de zure ouwels, ook wel ‘zure hosties’ genoemd, het minste calorieën bevatten. Er staat een doos van zulke hosties in onze bergruimte. Af en toe haal ik er vier tegelijk uit en eet die onmiddellijk na elkaar op. Laatst deed ik het weer, terwijl ik de de keuken aan het opruimen was. Achteraf liep ik vijf minuten met een onvoldaan gevoel in het huis rond. Wat was er aan de hand? Nader onderzoek leerde mij dat ik tijdens mijn keukenwerkzaamheden één van de hosties ongenuttigd op het aanrecht had laten liggen. Drie of vier, het maakt een wereld van verschil.

Uit: Kortjes van Philippe Clerick

De vangst van Jan Scheidtweiler (#47)

Het moeten niet altijd doortimmerde meningen of een gevatte reactie op het coronabeleid te zijn. Soms beleef je meer plezier aan een goed geschreven tranche de vie dan aan een indrukwekkend essay over Spinoza. Dat lijkt ook de insteek van de Sprekershoek te zijn. In zijn jongste blogpost weet blogger Erik zelfs van een writers block een sprankelend stukje te maken. Hij zit vast. ‘De bron van de letteren staat droog.’ Maar dan gaat Erik naar buiten en dat levert goed vertelde, filmische scénes op.

‘Alles zou inspiratie moeten zijn maar dat is het niet. De vriendelijke dame aan de balie van het hotel. De kinderen op de schaatspiste in het stadcentrum. De vrouw die je op de kerstmarkt een braadworst verkoopt. Ze ratelt aan een stuk door, je begrijpt geen jota van wat ze zegt, knikt van si en oui. Tot ze vraagt welke saus je op je broodje wil en je antwoordt met: ‘Je viens d’ Anvers.’ Het ratelen sputtert, de vrouw morrelt plots met overgave in de grote pan met uien. Ze wijst naar een bordje, zes euro, nu begrijpen jullie elkaar.’

Uit: a-cause-de-nous van de Sprekershoek van de Schrijverij

Het leven als voorlopige oplossing is één van de ondertitels van Pascal Digital, de blog van de productieve schrijver-fotograaf Pascal Cornet. Pascal was in een vroeger leven nog redacteur bij De Standaard der Letteren, het literaire supplement van de krant De Standaard. Zo leerde hij ook Bernard Dewulf kennen, de geliefde dichter die op 23 december overleed. In een intrigerend stukje schrijft Pascal over één van die ontmoetingen, in een keldercafé in Barcelona. ‘Daar waren we allebei, elk voor een andere krant, naartoe gestuurd om er verslag uit te brengen van een poëziemanifestatie met Vlaamse en Nederlandse schrijvers.’ Voor Pascal was het een zeldzaam, en niet geheel geslaagd uitstapje met het kruim van de Nederlandstalige literatuur. Maar ook voor Bernard was de café-avond geen onverdeeld succes.

‘Samen met Bernard keek ik toe hoe Leonard een al wat tipsy jazzriedel uitprobeerde op de buffetpiano, terwijl Connie met haar uitslaande piekhaar zat te flikflooien, net niet op Hugo’s schoot. Even had ik het gevoel dat ik mij schroeide aan het epicentrum van de Nederlandstalige bellettrie. Misschien was ik té dicht genaderd. Ik had de indruk dat Bernard niet onder de indruk was. En ik moet eerlijk zeggen, echt thuis voelde ik mij daar ook niet. We zijn vroeg naar onze respectieve kamers teruggekeerd. ’s Anderendaags was ik blij dat Claus de Nobelprijs, die toen hangende was, nog maar eens niet had gewonnen: dat bespaarde mij het journalistieke stalken dat nu eenmaal nodig is om een obligaat interview af te pingelen en waar ik geweldig tegenop zag. Ik ben dan ook niet lang journalist gebleven.’

Uit: notitie-68 van Pascal Digital

Ook Martin ‘Hoochiekoochie’ Pulaski heeft het over een overleden schrijver. In een eindejaarspost – het is de periode van de lijstjes – somt hij de boeken op waaraan hij eind 2021 goede herinneringen heeft: de ‘bitterzoete’ autobiografie van Bulle Ogier, De Opgang van Stefan Hertmans (‘zijn beste fictie tot nu toe’), een inspirerend boek over kunst van Olivia Laing (Funny Weather) en de in eigen beheer uitgegeven autobiografie van Pascal Cornet, een gewaardeerde driemaster in onze haven van literaire blogs. Maar voor Hoochiekoochie zal 2021 toch het jaar van Joan Didion blijven, de grande dame van de Amerikaanse literatuur die eind december 2021 overleed.

‘Ik ben haar werk veel te laat beginnen te lezen, daartoe verleid door de schitterende documentaire ‘Joan Didion: The Center Will Not Hold’ van Didions neef, Griffin Dunne. Tot voor enkele dagen was ik nog verdiept in Blue Nights, over de dood van haar dochter Quintana en haar eigen aftakeling. Nu is ze er zelf ook al niet meer. Over schrijven deed ze deze opmerkelijke uitspraak: “In many ways writing is the act of saying I, of imposing oneself upon other people, of saying listen to me, see it my way, change your mind. It’s an aggressive, even a hostile act. You can disguise its qualifiers and tentative subjunctives, with ellipses and evasions —with the whole manner of intimating rather than claiming, of alluding rather than stating—but there’s no getting around the fact that setting words on paper is the tactic of a secret bully, an invasion, an imposition of the writer’s sensibility on the reader’s most private space.” [Uit ‘Why I Write’, terug te vinden in de verzamelbundel ‘Let me tell you what I mean’.]

Uit: over-lezen-in-tijden-van-covid-19-2021 van Martin Pulaski

Jan Scheidtweiler, het interview

Er zijn mensen met familienamen waarvan je hoopt dat ze het tot ambassadeur in veraf gelegen koninkrijken gaan schoppen. Jan Scheidtweiler heeft zo’n naam. Maar een brede interesse in economie en journalistiek voorkwam een schitterende carrière in de diplomatie en zorgde ervoor dat het Belgische corps zich in het buitenland met minder welluidende namen als Fernand De Kerckhove d’Exaerde Borluut moet zien te behelpen.

De Vlaamse media verwelkomden Jan met open armen en na zijn studies economie begon hij tijdens zijn legerdienst als freelancer voor de Brusselse redactie van de Gazet van Antwerpen te werken. Na omzwervingen bij De Standaard – waar halverwege de jaren negentig een bezadigde sfeer hing en pijprokende mannen weigerden dt-fouten te maken – belandde hij op de economie-redactie van de toen hipste krant van West-Europa: De Morgen. Hij schreef er jarenlang een gesmaakte  beurscolumn die ook door Warren Buffet aandachtig werd gelezen. 

Om meer tijd voor zijn opgroeiende kinderen te hebben, maakte Jan Scheidtweiler in 2003 de overstap naar De Tijd. Daar werkte hij als freelancer en schreef verhalen over de opkomst & ondergang van Vlaamse ondernemers. Op een dag vroeg een redacteur of iemand interesse had om een culinaire rubriek te starten. De aanwezige journalisten keken verstoord op, lieten hun desinteresse blijken en gingen verder met het bestuderen van de oplopende Belgische staatsschuld. Enkel Jan stak zijn vinger op en zei: ‘Ja!’. Sindsdien schrijft hij zeer gesmaakte kritieken over het wel en wee van de Belgische restaurantwereld. Hij doet dat met een frisse en nieuwsgierige pen die vaak op een nog hoger niveau staat dan de sterrenzaken die hij bezoekt.

Maar wat trekt hem in blogs aan?

1) Waarom ben je ooit met een blog begonnen?

‘Weinig mensen weten dit maar in een ver verleden heb ik, zij het zeer kort, een blog gehad. Als naam had ik Zest (zoals de dunne schil van citrusvruchten) bedacht. Ik begon ermee in februari 2007 en nauwelijks drie maanden later, in april van hetzelfde jaar, hield ik er al mee op. Oorspronkelijk was het mijn bedoeling om culinaire stukjes te schrijven omdat ik al enkele jaren als restaurantcriticus werkte. Maar na vier posts besefte ik dat het mijn ding niet is. Of toch zeker niet in de vorm die ik toen voor ogen had. De stukjes die ik schreef – zoals over kaas, El Bulli, of de Franse Michelingids – lagen in het verlengde van de artikels die ik in de krant publiceerde. Door die blog besefte ik dat ik een broodschrijver ben. Ik vind het prettig om in opdracht te schrijven, maar dan is er in mijn hoofd na de werkuren geen ruimte meer voor iets anders.’ 

‘Verder had ik er ook totaal niet over nagedacht hoe ik lezers zou kunnen warm maken voor Zest. Het idee om volgers te hebben streelde zeker mijn ijdelheid – zo was er een heel populaire blog die ik volgde van een Amerikaans meisje die in Parijs woonde en over haar avonturen in de lichtstad schreef. Maar een man van middelbare leeftijd die vanuit Edegem over Vlaamse restaurants schrijft, daar is mondiaal minder interesse voor. Bovendien zaten de sociale media nog in hun kinderschoenen en het is pas achteraf dat ik me bedacht dat ik aan De Tijd had kunnen vragen om op hun website een link naar mijn blog te plaatsen, zoals ze voor de wijnrubriek van Frank Van der Auwera hebben gedaan. Ik ben onvoorbereid aan het avontuur begonnen en Zest stierf een stille dood.’

‘Of ik opnieuw met een blog zou willen beginnen? De zin om het te doen is er zeker. Want ik hou enorm van kleine verhalen die zich in de marge afspelen. En elke dag gebeuren zaken die het opschrijven waard zijn, maar die zich niet voor een krantenartikel lenen. Laatst zat ik met fotograaf Diego Franssens in restaurant Nuance in Duffel en ik vind het zo boeiend om het leven achter de schermen van een restaurant te observeren en daar dan kort iets over te schrijven. Een ander voordeel van een blog is dat je een zekere afstand kunt bewaren en niet hoeft mee te deinen op de golven van de waan van de dag. Ik heb A la recherche du temps perdu van Marcel Proust nooit gelezen maar iemand vertelde me dat – hoewel grotendeels tijdens de Eerste Wereldoorlog geschreven – er in het meer dan drieduizend pagina’s tellende boek slechts één verwijzing naar de Grote Oorlog staat. Eén keer hoor je in de verte kanongebulder. C’est tout. De blogs die ik graag lees verstaan de kunst om met een eigen blik verhalen te belichten die zich in de schaduw afspelen. Het hoeft niet over corona te gaan. Want onvermijdelijk sluipt in alles wat je doet toch de tijdsgeest binnen.’

2) Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?

‘Bij mij ligt dat sowieso in het verlengde van mijn werk. Voortdurend ontmoet ik mensen die zo entertainend en interessant vertellen dat ik denk: als die een blog beginnen, kan het niet anders dan boeiend zijn. Een naam die spontaan in me opkomt is bijvoorbeeld Luc Hoornaert. Die had ooit een column in de Gazet van Antwerpen waarin hij op zoek ging naar ‘Wie heeft de beste frieten van ’t Stad?’ of: ‘Wie verkoopt de beste zwarte pensen?’. En dan ging hij op honderd verschillende adressen pensen eten alvorens een streng maar rechtvaardig oordeel te vellen. Luc is ook een larger-than-life-figuur. Een Antwerpse versie van Ilja Leonard Pfeijffer. Hij is groot en breed en zeer aanwezig. En hij heeft het altijd over de culinaire geneugtes van het leven, maar tegelijkertijd schuilt er een enorme culturele finesse in hem. Zo vertelde hij me zaken over schilder Mark Rothko die ik bij niemand anders heb gehoord. En hij mixt al die kennis tot een zeer lezenswaardig en origineel geheel.’

‘Verder denk ik aan mensen die voor de krant schrijven en die ik graag lees, zoals Rik Van Puymbroeck. De ‘Nergens Onderweg’-reeks in De Tijd, waarbij Rik ergens in een zevenknoopsgat een foto van een afgebladerde gevel maakt en er in enkele verhalende zinnen een prachtig verhaal rond bouwt, heeft iets tijdloos. Zoiets is werkelijk de moeite waard om in een blog bewaard te blijven.’

‘Ook zijn voorganger Koen Meulenaere – onder De Tijd-lezers beter bekend als Kaaiman – had natuurlijk de perfecte pen om een trouwe schare blog-volgers aan zich te binden; maar ik vrees dat die, nu hij gepensioneerd is, geen letter meer op papier gaat zetten. Meulenaere was, in de beste zin van het woord, een broodschrijver.’

‘Iemand waarvan ik absoluut hoop dat hij gaat beginnen bloggen is boekhandelaar en columnist Steven Van Ammel. Zijn stukjes ‘Van de boekhandel geen nieuws’ die wekelijks in DSL staan, getuigen van zoveel belezenheid en humor.’

3) Wat maakt dat voor jou een blog echt goed is?

‘Een goede blog doet voor mij juist niet wat kranten doen: de actualiteit bespreken en erop reflecteren. Een goede blog brengt voor mij een persoonlijk verhaal. Ook al ken je de schrijver niet, na het lezen van enkele stukken moet ik het gevoel krijgen dat ik iemand beter heb leren kennen. Zo las ik naar aanleiding van het overlijden van Joan Didion een knappe tekst op de blog Hoochiekoochie van Martin Pulaski. Veel in memoriams in de reguliere media brachten het bekende verhaal met alle hoogte- en dieptepunten, maar hij gaf er een persoonlijke twist aan; er werd iets mee gedaan; het viel buiten de krijtlijnen van het verwachte stramien.’

‘Weet je, het is zoals naar goede kunst kijken. Een kunstenaar die je inspireert is een kunstenaar die je met een andere blik leert kijken. Dat is samengevat wat ik in een goede blog zoek: eigenzinnige verhalen uit de marge die met een eigen blik worden verteld.’

De dag dat het zonlicht uit het koninkrijk verdween (vangst #46)

Omdat het de week is waarin de duisternis nog meer dan anders onze dagen kleurt, vond ik het moment opportuun om stukken te kiezen die baden in vrolijke tristesse. In een aangrijpend verhaal over zingeving, blikt Jan Devriese van deweekvandevriese terug op de tijd dat hij als gediplomeerde werkloze in de rij stond om zijn werklozenkaart te laten afstempelen. Evenzeer gestrand, maar dan op het treinstation van Marchienne-au-Pont – waar de marginaalste uitwassen van de jaren negentig nog welig tieren – filosofeert Lennart Vanstaen over leven in een buitenwijk waar de toekomst definitief voltooid verleden tijd is. Als slotakkoord een machtig mooie blogpost van voormalig redactielid ianthe Cooreman (met kleine i) van Het Noodreservoir waarin ze twijfelt over de echtheid van alles. Net zoals ik twijfel of het ooit nog goed komt met dat zonlicht in ons koninkrijk.

‘Ik ben ooit werkloos geweest. In de tijd dat je nog iedere dag je stempeltje moest halen, in het gemeentehuis, op een tijdstip dat je pas een dag van tevoren werd meegedeeld. Eerst stond je dan in een lange rij op het plein voor het gemeentehuis aan te schuiven, zodat de weldenkende goegemeente je eens grondig kon monsteren, in al je nutteloosheid. Binnen wachtte je achter een troosteloos loketraampje de aanblik ener ambtenaar wiens job jij probleemloos véél beter had gedaan, die met een verveeld gezicht een vakje op je kaart vulde en je daarbij aankeek alsof je een soort van korstmos was.

Uit korstmos van Jan Devriese

‘Aan de buitenkant, voor het station, hangt een metalen plaatje waarop alle informatie staat over tickets. Ik lees dat ‘er geen tickets op de trein worden verkocht, behalve met een toeslag’ en dat ‘men zich tot het loket moet wenden om een ticket te kopen’. Ondertussen sta ik binnen en kijk ik naar het bewuste loket, dat niet zomaar gesloten is, nee nee, het wordt veel dramatischer. Ik lees: FERMÉE DEFINITIVEMENT.’

Uit: stranden-in-marchienne-au-pont van Lennart Vanstaen

‘Mijn naam is Grieks voor viooltje, maar dat is natuurlijk niet echt. Ik ben geen echte bloem, je kan me niet plukken, ik knak niet echt. Symbolisme is voor Seminaries, en ik woon in België, een land waar niemand Grieks verstaat, en iedereen mijn naam schrijft zonder ‘h’, want die hoor je niet in het Vlaams.’

Uit: column-net-echt van ianthe Cooreman

’s Nachts, als het donker is (vangst #45)

Er is nooit zoveel nacht op een dag als vandaag, 21 december. Nooit zoveel plezier, zoveel spannends, zoveel engs.

Joke Vander Laenen herinnert zich wat ze vroeger zoal deed, al gaat haar stuk (lees het!) vooral over vandaag en over straks, Julie Cafmeyer heeft het over wat niet zou mogen gebeuren en Katrien Scheir over wat misschien zou kunnen gebeuren – de nacht is de moeder van alle dingen.

“Alle menselijk handelen is pogoën.”, predikte mijn vader ooit. Ik was achttien, zat net op kot en vroeg mij verschrikt af hoe hij wist wat ik ’s nachts deed. En vooral hoe hij dat woord kende. Ik had het verkeerd verstaan. Hij had pogen gezegd. 

Uit Alle menselijk handelen is pogoën op Wings & Wonders

Sinds de nieuwsberichten over de verkrachtingen heeft ze dromen over armen die vanuit de grond tevoorschijn komen. Uit winkelstraten, zeeën, woestijnen, bossen en ijsvlaktes, handen die een vuist maken. Een collectieve, massale woede. Na een tijdje ontspannen de handen zich, de handen worden teder, bewegen zich naar de grond. Uit de aarde halen ze een vocht uit de wortels van geheimzinnige planten. De handen glinsteren dankzij het zalfje. De handen zijn klaar om meisjes in te wrijven met een geneeskrachtige crème. Meisjes die worden gestreeld over hun hals, hun buik, hun benen. De droom komt elke nacht terug.

Uit: De nacht is van ons van Julie Cafmaeyer

In dit vagevuur waar elk verhaal meteen verdween, sleet ik uren. Aan de stoplichten hing een pijl naar Spanje, alsof het paradijs bestond.
Op zekere dag ontdekte ik dat er hier toch nog een verhaal mogelijk was. Op de eerste verdieping aan de overkant in een keukenraam ontspon het zich traag voor mijn ogen. Het verdrongen verhaal in de bladzijde van een raam kwam naar de voorgrond.
De protagonist verving soms een vuilniszak, droeg een trainingspak, zat aan de tafel. Misschien dealde hij of miste hij de minnares die hem verlaten had. Er was geen spanningsboog op het eerste zicht. Maar spannend was de stilte van het verhaal terwijl de hazen door het beeld schoten als schaduwen op de vlucht.

Uit: Raamvertelling op catherinecisseaux

(c) Katrien Scheir