In de week dat het gros van de schrijvers uit de Lage Landen opnieuw in God ging geloven, wandelden wij rond de abdij van Westmalle en dronken een trappist met de zoon van een schrijver uit een generatie die zich juist van de ketens van het geloof had weten los te maken. Die zoon vertelde enkele smakelijke anekdotes uit het leven van de tweede grootste fabulant van de Vlaamse letteren. En dat brengt ons naadloos bij de allergrootste fabulant: Tom Wouters. Op Netflix loopt nu de goede serie Supersex over de legendarische Italiaanse pornoster Rocco Sifredi. Zwoel en sensueel in beeld gebracht, mede dankzij de feministische scenariste Francesca Manieri – de bedenkster van de reeks. Maar lang niet zo sensueel als het verhaal Blootsbloemen van Tom Wouters.
Pascal Cornet van Pascal Digital – de enige blogger die al langer dagelijks blogt dan Vitalski – stelde in de week dat ik de biografie van Frans Pointl uitlas een interessante vraag: is elk leven de moeite van het opschrijven waard of enkel die levens waarin voldoende rode draden, spanningsbogen en hoogtepunten verweven zitten? Het is een aanzet tot mooie mijmeringen over de beproevingen die zijn moeder op haar pad aantrof. Het miezerige bestaan van Frans Pointl – de joods Amsterdamse schrijver die tot zijn 56ste en de publicatie van zijn debuut De kip die over de soepvloog in de marge leefde – was in al zijn kleinheid zo ontroerend, beklemmend en schoon dat ik er met plezier de biografie van een Titaan, die meer dan een halve eeuw in de schijnwerpers stond, voor opzij legde.
Afsluiten doen we, zoals wel vaker, met Marieke Groen. Ergens doet haar verhaal over een mysterieuze meneer Goudoever me aan de wereld van Frans Pointl denken en dankzij haar vertelkracht laat Marieke nogmaals zien dat zo goed als alles de moeite van het opschrijven waard is. Zolang het maar, en dat gaf Pascal Cornet al aan, met de juiste pen gebeurt.
Voor iedereen die van goede pennen houdt: lees de vangst van de week. En lees nadien De kip die over de soep vloog, het meesterlijke debuut van Frans Pointl.
‘Wat het mooiste eraan is: in onze familie ben ik de eerste die in de adelstand verheven is. Voor de keizer er was, leek het voor het geslacht Wouters onhaalbaar om ooit een eretitel, wapenschild of lintje te krijgen voor bewezen diensten. Ik ben het gaan nakijken in de stamboom die ooit door een oom werd opgesteld: in de 76 generaties die onze familie heeft gekend was er niemand ooit de held.’
‘Elke levensloop is een plot – alleen is het vaak jammerlijk voorspelbaar. In het geval van mijn moeder nam de voorspelbaarheid in de loop der jaren toe. Ze startte onvoorspeld: ze was ‘een achterkomer’. De oorlogsjaren vormden het laatste grote avontuur in onze contreien en zij maakte dat avontuur mee. Zij ontsnapte aan het keurslijf van haar zeer voorspelbare omgeving: boers, katholiek, provinciaal, Zuid-West-Vlaams. Zij belandde in een maalstroom van rampspoed, calamiteiten, ongeluk. ‘
‘Ik besloot het Dagblad van het Noorden te bellen. Een vriendelijke vrouw met een vet Fries accent nam op. Ik zette mijn onderdanigste stem op, want, dacht ik, daar in het Noorden denken ze dingen van mensen uit Amsterdam. Ik vertelde over de facturen voor meneer Goudoever en dat ik nooit iemand met die naam gekend had. Ik dikte het een beetje aan, misschien was ik bang dat de vrouw me niet zou geloven, dat ze zou gaan denken dat ik Goudoever had verstopt in mijn kledingkast.‘
De haven van Aanlegplaats stel ik me het liefste voor als de Vieux-Port van Marseille. Je kan ze betreden langs de toeristische, naar zeep geurende, smalle straatjes, langs de moderne mastodonten van het Mucem waar de Europese visie voor je klaar ligt, of via het heuvelachtige Romeinse parcours.
Het liefst van al bezoek ik mijn vaste favorieten, die je als toerist misschien wil vermijden, zo kan ik niet passeren zonder binnen te glippen bij Jo Komkommer, Caro van Thuyne, Tom Wouters, Bijgekleurd, de werkplek van Marjon of Katrien Scheir, maar die lezen we allemaal al wel.
Verder werd ik gecharmeerd door de (tegenwoordig) woordeloze Pluus, die me nog steeds met haar lijfelijke Bodies, Drawings & Sculptures doet hopen op een woordelijk vervolg. Ook wilde ik een touw werpen naar de charmes van de observaties uit het ondermaanse van Pieter Van der Schoot, maar diens boot was niet aangemeerd.
Ik liet me loodsen door het toeval en stootte willes nilles uit op een triumviraat waarin de fysica een glimps laat zien via het meest menselijke en ontdekte daarmee wederom de kracht van Aanlegplaats, waar het altijd veilig thuiskomen is.
In de origami ontvouwt Rein Hannik een oude vriendschap aan de hand van een google-zoekopdracht, een reis door Griekenland en koude, maar kleurrijke metaalkunst. Zijn gedachten cirkelen als eenzame hadronen door de ruimte, op zoek naar botsingen met zichzelf en de ander.
Ik leerde B. halverwege de jaren ’80 kennen. Hij was een even bescheiden als opvallende verschijning in het Rotterdamse: boomlang en broodmager, met diepe stem en zachtaardige persoonlijkheid. Hij had het aura van een nachtburgemeester. B. maakte kunst. Geen gezellige kliederkunst, nee, hij vervaardigde strakke constructen waarin je het hart van een ingenieur hoorde kloppen. Ik zou zijn objecten later omschrijven als ‘existentialistische origami’.
Marjanne Sevenant gebruikt in De kaart de ouderwetse, papieren stafkaart als middel om niet alleen hoogte te krijgen van het veranderende landschap, maar ook van de trekkende mens. Tussen de vouwen en door nagels ingekraste lijnen kijkt ze verder dan de huid, beklimt ze schoonheid en wandelt ze door de dalen van onze gedachte.
[I]n het bijzonder wil ik me één ontmoeting rond de kaart herinneren, en wat ze aan mijn wereld toevoegde. Ongevraagd en zonder introductie kwam hij zich tussen mijn koffie en bosbessentaartje wurmen. Of hij even mijn kaart mocht bekijken, vroeg hij niet. Hij trok alles naar zich toe. Zijn tegenbod was een stafkaart van een recenter jaar (2008) dan de mijne (1991), en een A4-tje, al zo gefrommeld als zijn bruine handen die het vasthielden, met vlakken in regenboogkleuren en gekrabbelde notities.
In tweeëndertig woorden beschrijft René van Densen een wereld die je van een overprikkelde metrohalte, tot bij Stephen Hawking of zelfs de resonanties van Gérard Bodifee brengt, of toch, dat doet hij in mijn hoofd, maar wat doen zijn woorden met dat hoofd van jou?
Aanlegplaatsinterviews hebben grotere slaagkans in etablissementen met een nautische kwinkslag, daarmee dat we deze maand opgetogen in café De Gouden Vis in Mechelen plaatsnamen voor een gesprek met gastvisser én voormalig redactielid Dennis Pauwels.
Dennis gebruikt online liever pseudoniemen, enerzijds omdat hij zich graag verschuilt achter de pluimen van een ander, anderzijds omdat het een voortschrijdend onderzoek is naar het geurverschil bij literaire rozen. Hij is een millennial, vader van een zoon, professioneel actief binnen het Brussels Nederlandstalig onderwijs, liefhebbend passief binnen de LaagLandse literatuur. Hij is geplaagd met een nostalgische ziel die houdt van keukenpsychologie, artificiële intelligentie, experimenten op de Scovilleschaal; en uiteraard Tom Gauld-cartoons.
We legden hem dezelfde drie vragen voor die we iedereen stellen – waarom sleutelen aan een winnend format? Gelukkig blijkt Dennis zelf ook een fan van regelmaat. “Blogs moeten regelmatig verschijnen, ja. Zelfs in een boek beginnen nieuwe hoofdstukken voor mij best om een vast aantal pagina’s.”
Waarom ben je ooit met een blog begonnen?
Omdat ik vader werd. Mijn eigen vader is gestorven toen ik jong was en de herinneringen die ik van hem heb zijn aangepast en gekleurd door degenen die ze mij hebben verteld. Toen ik zelf vader werd, ben ik een blog gestart als een manier om na te denken over mezelf, over vaderschap en over mijn kind. Hij gaat het misschien nooit lezen, dat hoeft ook niet, maar dan is het er in elk geval – iets dat zegt hoe en wat ik momenteel denk, voor het geval ik ooit onverhoopt moest verdwijnen of sterven. Iets dat nuance brengt.
In mijn blog probeer ik vragen die me bezighouden, te beantwoorden. Mijn laatste blog bijvoorbeeld, gaat over het lichaam. Waarom pieker ik over hoe ik eruit zie? Ik trek me er toch niet écht iets van aan? Van zo’n idee maak ik een notitie van op mijn GSM. Die vul ik aan met associaties in de weken die volgen en vervolgens schrijf ik de blog – die op dat moment in mijn gedachten eigenlijk al helemaal gevormd is.
Ik lees al blogs vanaf 1995, toen ik elf was. Het prille begin van het internet. Ik was helemaal weg van The Simpsons en een van de producers had een blog: een blik achter de schermen van de productie, met stemmen, muziek, animatie en scenario’s. Het eerste wat ik opzocht als het eindelijk was gelukt om verbinding te maken; alles ging heel traag toen. Tien jaar later begon ik zelf mijn eerste blog: gefictionaliseerde belevenissen van een Belgische jongen die in New York woonde. Het was gebaseerd op mijn persoon, op wat ik meemaakte, maar dan gefictionaliseerd en uitvergroot en zat ik in een dorpje in de Limburgse Kempen en niet in New York. Op een dag werd mijn blog opgepikt door een zekere Pietel, ook een blogger – “Kijk, zo interessant, een Belg in New York!” – en opeens had ik er duizend lezers bij. Toen ben ik met deze blog gestopt. Ik leid aan succesangst, om niet te zeggen zelfsabotage.
Wat maakt een blog in jouw ogen goed?
Authenticiteit vind ik heel belangrijk. Dat mensen dicht bij zichzelf blijven. Ik denk dat het Jan Ducheyne was die in zijn interview Joost Vandecasteele prees. Ik zie de literaire kwaliteit van Vandecasteele wel, maar ben geen fan. En dat komt door dat gebrek aan authenticiteit. Hij begint bij een mening, die waarschijnlijk wel van hemzelf is, maar die hij vervolgens gigantisch oppompt. Dan wordt het voor mij te gechargeerd, fake. En ook – en dat brengt ons direct bij mijn tweede vereiste voor een goede blog: het mist complexiteit. Blogs gaan vaak over meningen. Ik zie een mening als een gedachte die niet volledig is. Ik heb zelf ook meningen, maar hoe sterker mijn mening, hoe sterker mijn vermoeden dat ik er niks over weet.
Een laatste criterium voor mij is ‘het onaffe’. Ik lees heel graag kunstboeken en mijn favoriet is Unfinished – thoughts left visible van Kelly Baum. Dit boek gaat in op de gedachte die een kunstenaar heeft bij het maken van een kunstwerk. Ik ben geïnteresseerd in die gedachte, meer dan in het bewonderen van iets. In een blog kun je iets stelligs zeggen en het de zin erna weer onderuit halen. Daarom vind ik blogs vaak interessanter dan columns, die veel meer ‘af’ zijn. De blogs van Arnon Grunberg bijvoorbeeld, lijken een voorbereidend denken op zijn columns. Ik las die blogs veel liever dan zijn columns. Het publiek voor blogs is kleiner, dus er mag meer. Het hoeft niet af te zijn. Bij blogs is het proces belangrijker dan de argumentatie.
Waarom is dat aantrekkelijk? Is het herkenbaar, geeft het meer ruimte aan de lezer?
Ik weet niet precies wat het is, maar ik denk dat het echt met taal te maken heeft. Ik luister bijvoorbeeld ook heel graag naar gesproken interviews; in The New Yorker Fiction Podcast wordt er elke maand een kortverhaal voorgelezen met een bespreking achteraf. Ik wil die bespreking eerst horen. Ik houd van spreektaal. Van het ritme, de herhaling, … Ik heb het gevoel dat dat beter pakt in mijn hersenen.
Betekent dat ook dat je geen taalpurist bent?
Ik was er een, tot ik mezelf hierin onuitstaanbaar begon te vinden. Ik herinner me een voorval met de cello. De Taalunie besloot dat we geen sjello meer mochten zeggen, zoals de Italianen, maar dat het sello moest zijn. Dat ging zo tegen mijn gevoel in, dat ik ben moeten afstappen van hetgeen ik dacht te zijn.
Dus gevoel is belangrijk bij taal?
Ja, zeker. Daarom houd ik zo van Caro Van Thuyne; zij schrijft heel gevoelig, heel lijflijk, ze is alles wat ik niet ben. Zij vindt dat ik te rationeel in het leven en in het schrijven sta. Heel soms vindt ze dat niet. Ik heb nog zo’n vriend, een dichter: als ik iets zeemzoets heb geschreven krijg ik van hem ook direct een bericht dat hij het fantastisch vindt.
Ben je veel met je publiek bezig?
Ja en nee: ik ben heel erg met een publiek bezig, alleen heb ik geen verwachtingen meer van ze. Ik probeer zo goed en correct mogelijk te schrijven voor een zo breed mogelijk publiek, maar schrijf het tegelijk enkel voor mijn zoon. Dat wil zeggen dat ik bepaalde zaken niet concreet zal maken, of verduidelijken, die voor mijn zoon later wel duidelijk zullen zijn, maar voor de modale lezer niet.
De laatste vraag: wie zou wat jou betreft zeker een blog moeten beginnen?
Mensen die ik vaker zou willen horen of lezen. Coetzee geeft te weinig interviews, daar zou ik graag meer van weten. Bregje Hofstede, héél interessant; de filosoof Martha Claeys en bij uitbreiding alle filosofen: hoe zijn ze tot hun inzichten gekomen, ‘wat speelt zich af aan de achterkant van de filosofie?’ – Slavoj Žižek doet dat op een podium, ter plekke nadenken, dat zou heel goed werken in blogvorm. Cees Nooteboom, die ik zo goed vind dat ik er bijna een beetje verliefd op ben en Connie Palmen natuurlijk. Dan de dichter Maarten Inghels; alle beeldend kunstenaars, met name Michaël Borremans: wat hij maakt is zo fantastisch. En hij zou het goed kunnen, hij heeft het muzikale, het beeldende… Er zijn kunstenaars die schrijven, Gerhard Richter deed dat vroeger, hij had ook een strip. Vandaag doet de Cubaans-Amerikaanse kunstenaar Cesar Santos het, ook interessant. Dus ja, alle kunstenaars. En dan bij uitbreiding iedereen eigenlijk. Iedereen zou moeten bloggen. Maar ik ga ze niet allemaal lezen, natuurlijk. Alleen als ik denk dat hun ongeziene kant de moeite zou kunnen zijn.
Het is altijd wat met schrijvers. U houdt ze best wat op afstand: soms zijn ze ziek, soms hebben ze een ongeval, en vaak kunnen ze geen andere mensen verdragen. Het volstaat om hun teksten te lezen, daarin schuilt de liefde. Groots of klein. Voor de wereld en ook wel een beetje voor zichzelf.
Gelukkig maar.
Ingrid van der Graaf zoekt soelaas in de herinneringen aan A.L. Snijders, dat werkt altijd tegen misantropie. Eliane De Bleser komt weer boven water dankzij – en dat verbaast ons geenszins – de lectuur van Kant en Wal #1, onze onvolprezen en nog steeds te verkrijgen debuutbundel. Viktor Frölke tenslotte moet het helaas zonder cappuccino stellen op zijn verjaardag. Maar hij schrijft wel een gedicht.
Het komt wel eens voor dat ik geen mensen verdraag. Dat het al teveel is wanneer ze langs mijn keukenraam voorbij lopen. Ik trek dan de voordeur open en roep: ‘U bent de zoveelste vandaag. Kunt u alstublieft ergens anders voorbij gaan lopen.’ En dat de nietsvermoedende wandelaar, ‘Oh, dat spijt me’, zegt, vind ik mooi.
Ik gaf de planten water. Keek rond. Ging zitten. Startte de laptop maar zette hem dadelijk weer af. Ik keek nog eens rond. ‘Wachten op Godot’, daar moest en wou ik in voortdoen. Ik nam het vast, deed het niet open en legde het opzij. Wat lag er nog op mijn altijd veel te volle tafel? Ik viste een ander niet al te dik boek vanonder de oude getrouwe Zomer van Pavese. Kant en Wal # 1.
vorige week op mijn 57ste verjaardag kwam ik hard fietsend door de regen op de weg terug van de supermarkt waar ik melk had gehaald voor een cappuccino ik vond dat ik daar wel recht op had onder een bus
Hoe het verder gaat leest u op Melk bij Viktor Frölke
ps we menen het, he, als u nog geen exemplaar in huis hebt van Kant en Wal #1, grijp alsnog uw kans – nu met bewezen genezend effect.
Deze week serveren wij u blogs die op het eerste zicht niets met elkaar gemeen hebben. Droogjes somt Caro Van Thuyne op wat er allemaal van de ander moet. De lijst is taai en lang. Met als ondertoon de dooddoener ‘doe maar al gewoon’. Wat zou er gebeuren als al dat moeten vervangen wordt door ‘willen’?
Bruno Willaert beschrijft de bijzondere geschiedenis van de voetbalploeg van Oostende. Van Kamagurka tot roem in Johannesburg en inbraak in de grotten van Han. Die grotten hebben blijkbaar ook een kantoor. En zo leert een mens nog iets bij als het over voetbal gaat.
Gerbrand Bakker vraagt openhartig de hulp van het volk bij een creatie van een roman of een blog. Een sujet en een plaats om te beginnen, een plannetje zoals bij het Billyboekenrek van Ikea is voor later.
je moet beter je best doen je moet toch begrijpen dat je moet dat anders bekijken je moet jezelf niet zo je moet niet altijd denken dat je moet denken aan je moet aan jezelf denken
Plots kwam de wereldpers over de vloer in Oostende, terwijl het duidelijk was dat de ploeg een vogel voor de kat was in Eerste Klasse. De volgende die Oostende naar de hoogste afdeling bracht was de ook al ex-keeper Gilbert Bodart. Die viel door de mand eens hij tegen zijn eigen ploeg begon te gokken. Later zou hij ook nog opgepakt worden na een inbraak in de kantoren van de Grotten van Han, waar hij toen werkte.
Tot slot een ongewone maar wel gemeende vraag: wie heeft een idee voor een roman? Ik heb zin om een roman te schrijven (de romans van bevriende schrijvers vliegen me om de oren) maar zoals gebruikelijk een gebrek aan verbeelding. Het liefst een idee met twee elementen, zoals in De omweg Wales en dat gedicht van Emily Dickinson en in De kapperszoon die gevaarlijk verliefde kapperszoon en de vliegramp op Tenerife. De plek is ook van belang, daar moet ik mee uit de voeten kunnen. Misschien is een betere vraag: waar zouden jullie – de lezers van dit blog – zin in hebben?
In de vangst van deze week bespreken we het fenomeen tijd en de beleving van parallelle werelden. Deze krenten in de filosofische pap door de eeuwen heen, worden door ons team omgebakken tot hapklare brokken advies waar je als drukbezet modern mens iets mee kunt – of beter, iets mee bent. Gewoon, in de brooddoos!
Er is te weinig leven in dit leven om alle levens te leiden die een mens wil leiden. Dingen en mensen komen te vroeg of te laat op je pad. Mogelijke werelden sterven als koude golven in het rooster van de zwemkom. Daar ligt de troost van het multiversum van Hugh Everett III – de pa van E van eels overigens. Die levens zijn er wél, zegt hij, maar je ziet ze niet omdat de menselijke ervaring tekortschiet om de kwantummechanica ten volle te beleven.
De menselijke ervaring misschien, ja – maar niet de wereld van de blogs! Je hoeft maar twintig minuten in de haven van Aanlegplaats rond te dobberen of je weet (voelt!) hoe het is om een bestsellende schrijver, een ex-rockzanger of een hysterische jonge moeder te zijn.
Dat we niet moeten wachten om aan onze gedroomde levens te beginnen, argumenteert ook Isaura Fluit, die het boek 4000 weken van Oliver Burkeman las. “4000 weken, dat is hoe lang een gemiddeld mensenleven duurt. Het klinkt ontstellend kort, en dat is het ook.” Het is een pleidooi om dingen te doen waar we blij van worden. Gelukkig neemt Herman ons mee naar het afscheidsconcert van De Brassers.
Aan Els Claessens hoeven we het ook niet meer te zeggen. Zij werkt (schrijft!) een “speciale” kennis die niets anders lijkt te kunnen dan haar (ons!) te beledigen, uit haar leven.
En het is nog maar vrijdagmorgen.
Je abonnement op de krant opzeggen. Een saaie subsidieaanvraag invullen. Een afspraak regelen bij de tandarts. Op de één of andere manier leven we allemaal (enfin, jullie misschien niet, maar het was voor mij wel heel herkenbaar) in de kinderlijke illusie dat we ooit, ergens in de toekomst ‘vrij’ zullen zijn. Dat er een magisch moment zal komen – als we groot zijn, als we dichter bij huis kunnen werken, als de kinderen het huis uit zijn, als we met pensioen kunnen gaan – waarop het leven niet meer grotendeels zal bestaan uit geregel en gedoe. Dàt zal het ogenblik zijn waarop we aan al onze gedroomde levens zullen kunnen beginnen, dàn maken we werk van alles wat we tot nu toe hebben uitgesteld en opzij geschoven. Alleen bestaat dat moment niet.
Dan viel haar oog op mijn oorbellen: ‘Zelf gemaakt?’ ‘Nee,’ zuchtte ik, ‘gekocht op een ambachtelijke markt.’ ‘Dat zie je,’ zei ze. ‘Artisanaal. Had je zelf ook gekund, toch?’ In dubio of dit nu een compliment was, of net niet, begon het me te dagen waarom we elkaar al zo lang niet meer gezien hadden. Toch, ik kon haar niet meteen buitenwerken. Niet alleen omdat dat buitengewoon onbeleefd zou zijn, ik had ook een berg eten klaargemaakt.
Aanlegplaats heeft, als ik goed geteld heb, 89 bloggers in haar haven en daar moet ik er 3 uitkiezen. Graag had ik iets gekozen van de oude soixant-huitard Flor Vanderckhove, maar zijn veelkantige blog De laatste Vuurtorenwachter, is nog niet in het aanbod opgenomen. Nog liever had ik iets gekozen van Joachim Stoop die wel in het aanbod voorkomt. Ik ken Joachim van de hilarische ‘rare gedachten’ die hij soms op Facebook plaatst – hij is al aan deel 7 toe. Maar Joachim verwaarloost zijn blog en laat na van die ‘rare gedachten’ een meer duurzaam onderkomen te bieden. En liefst van allemaal had ik een korte arabeske van Tom Wouters gekozen, maar die plaatst helaas alleen zijn langere stukken op zijn blog, en die worden al geregeld gekozen door andere vissers. Tom vergist zich in elk geval als hij denkt dat zijn korte stukjes – vaak niet meer dan één alinea – minder goed zijn dan zijn lange.
Laat mij beginnen met iets makkelijks. Op de lijst van de 89 neemt Marc Vanfraechem, als ik goed geteld heb, de 56ste plaats in. Ik heb, voor ik mijzelf aan het bloggen zette, gedurende meer dan een maand alle toen verschenen stukjes van Marc meerdere keren gelezen. Ik wou iets in die richting doen. Met name zijn polemiek met Vlaamse opinieschrijvers was altijd geestig en scherp, scherper dan ik ooit zou durven. Marc citeert en vertaalt ook veel: schrijvers van vorige eeuwen, artikels uit de Franse pers, interviews die hij nauwkeurig getranscribeerd heeft. In een van zijn oude stukjes vertelt hij hoe hij op een oudejaarsavond, begin de jaren ’80, in de Hotsy Totsy aan het kaarten raakt met Hugo Claus en zijn broers. Kort na middernacht had de Grote Dichter gezegd: ‘Zoeme ’t eerste spelleke van ’t jaar niet doen?’
Ik meen dat het iets over tweeën moet zijn geweest, dat Hugo terloops naar de stand vroeg. Hij stond een goede vijfduizend frank in het rood en begon zich luid te beklagen over de goden die hem ongunstig gezind waren. En toen maakte Odo, die geen dichter was, een ongelukkige opmerking: “Mor Hugo, ge kent gi niet van kaarten ook, hé.” Hugo stond op, grabbelde zes briefjes uit zijn broekzak, gooide die op tafel en liet ons beduusd achter in de feestvreugde. Dat heb ik altijd erg kunnen appreciëren van hem, die plotse kolere.
Wie ik ook altijd lees, is Pascal Cornet, de nr 82 op de lijst als goed geteld heb. Zijn blog Het leven als voorlopige oplossing bevat zowel teksten als eigen foto’s, heeft aparte secties die bestaan uit autobiografische fragmenten, commentaren bij A la recherche du temps perdu, boekbesprekingen, filmrecensies, enzovoort. Er is zelfs een handleiding voor het lezen van de blog. Ik ben het zelden met Cornet eens. Hij is links en ik ben rechts. Hij is tegen consumptie en ik ben voor. Hij beslist om de film L’année dernière à Marienbad mooi te vinden terwijl ik de film in alle opzichten een draak vind. Toch ben ik onder de indruk van – en het volledig eens met – de pijnlijk nauwkeurige beschrijving die Cornet van Marienbad in zijn recensie geeft..
De laatste tijd schrijft Cornet vooral korte stukjes van 100 woorden. Laatst eentje over Niels Destadsbader (en Helmut Lotti). En daar heb je het weer. Er is in dat stukje, waarvan ik hieronder 58 woorden citeer, geen hoofd- of bijzin waar ik het mee eens ben. Maar ik word getroffen door de zuivere eenvoud van de formulering die alle mooischrijverij ver achter zich heeft gelaten.
Het lucht op, je vooroordelen te herkennen en bij te werken. Ik beken: ik heb de neiging om voor mijn beurt te oordelen. Maar ik heb er ook geen moeite mee mijn meningen te herzien waar nodig. Zo leerde ik nu Niels Destadsbader te appreciëren. Ik heb het niet over zijn exorbitant hoge salaris, maar over zijn talent.
Hoog tijd om iets nieuws verkennen. Ik begin voor mij onbekende blogs aan te klikken en daar stukjes te lezen. Een blog die mij eerst in verwarring brengt, is die van Philippe Diepvents. Ik zie geen tekst, geen titeltjes, alleen cirkelvormige illustraties. Maar als ik met de muisaanwijzer over die illustraties beweeg, verschijnen titeltjes, en als ik klik verschijnen teksten.
‘Stapvoets’ bijvoorbeeld is een erg geestig en onderkoeld verslag van een korte opname in een ziekenhuis. ‘Een plakje ernst over kunst en crisis’ is een originele beschouwing bij het schilderij De Medusa van Géricault. Ik leer de auteur kennen als een linkse jongen: ‘Ongelijkheid ontspoort … ongeziene concentratie van rijkdom … fascisme steekt zijn lelijke kop op in de Westerse wereld.’ Daar moet ik mij bij neerleggen. Er zijn nu eenmaal verstandige mensen die zo denken. Ik ga daar geen discussie over aangaan, want ik ben niet gek: Diepvents is directeur van de studiedienst van het ABVV, die praat mij zo onder tafel.
In de blogpost ‘Iets anders’ geeft Diepvents heel kort drie ervaringen weer: een dag shoppen in Antwerpen met een gewezen Oegandese kindsoldate, een impressie uit Kosovo kort na de oorlog aldaar, en een monoloogje van een paracommando. Als ex-paracommando herken ik mij niet in monoloogje. Dat drie minuten boksen was in mijn tijd (48 jaar geleden) al afgeschaft en overleefde alleen nog in verhalen. Ik was bij een parachutesprong niet erg bang. Een sprong uit een vliegtuig weigeren was ongeveer onmogelijk – (je kon echter wel weigeren vanuit een helikopter of ballon te springen). En die truuk, gewoon als eerste uit het vliegtuig springen, zoiets kon je niet zomaar zelf beslissen. Maar hoe fris is het monoloogje weergegeven!
‘Ik weet nog’, vertelt hij me, ‘ik weet nog de eerste keer dat ik klaar stond om uit een C-130 te springen. Honderd keer heb ik dat misschien wel gedaan. Dat hoort bij paracommando zijn. We werden hard getraind. We waren de elite. Soms moesten we drie minuten met elkaar boksen, zonder handschoenen en je mocht niet afweren. Deed je het toch, dan begon de klok opnieuw.’
‘Ik was enorm zenuwachtig, toen ik in de rij stond voor die eerste sprong. Twee jongens voor mij durfden niet. Dat maakte het erger, want in volle vlucht moesten zij aan de kant schuifelen, plaats maken voor de volgende. Chaos en geroep van de sergeant. Later leerde ik een truuk om ermee om te gaan. Je moet gewoon altijd als eerste springen. Wat ze ook zeggen, ook soldaten zijn bang.’
De allereerste keer dat ik een stuk van Philippe Clerick las, dacht ik dat Karel van het Reve uit het dodenrijk was opgestaan en naar het Vlaamse hinterland was verhuisd. Philippe hanteert namelijk dezelfde ironische schrijfstijl als de Geleerde Broer van Gerard en weet zijn lezers voortdurend te verrassen met originele gedachten en onvoorspelbare invalshoeken. Al na enkele paragrafen sloeg mijn leesplezier om in bewondering, want Philippe kan wat ik nooit zou kunnen: goed onderbouwde beschouwende stukken over de actualiteit schrijven en die larderen met heerlijke uitweidingen en faits divers uit zijn persoonlijk leven.
Hoewel er uitzonderingen zijn voelt het lezen van opiniebijdragen voor mij meestal aan als huiswerk, maar niet zo bij Philippe Clerick – wat in zekere zin ironisch is omdat hij vijfentwintig jaar lang in het onderwijs stond en zeer beslagen was in het uitdelen van huiswerk. Wat had ik graag van hem les gekregen, zeker als zijn verstrooidheid hem naar zijsporen voerde en hij zijn leerlingen verhalen opdiste over de grote en mindere grote namen uit de culturele wereld.
Op een zaterdag in januari belde ik aan bij het appartement van het echtpaar Clerick op de zeedijk in Oostende en een goedlachse zestiger verwelkomde me hartelijk. In een hoek wachtte een piano op de ultieme versie van de aria uit de Goldbergvariaties. In de bibliotheek stonden – naast werken van o.m. Willy Spillebeen en Arthur Schopenhauer – alle boeken van Karel van het Reve en toch miste ik iets…
‘Thuis in Keerbergen heb ik uiteraard ook de zeven delen van zijn Verzameld Werk staan’, stelde Philippe mij gerust over de opvallende lacune in zijn bibliotheek.
‘Wil je koffie drinken?’
Ik knikte bevestigend en Philippe toog aan het werk. Waar een doordeweekse barista genoegen zou nemen met het op de man af te vragen of je je koffie met melk of suiker drinkt, onderscheidde Philippe zich van gewone stervelingen door eerst met een zwarte kop koffie uit de keuken te voorschijn te komen en pas nadien te vragen of ik melk wenste. Eens dat vraagstuk opgelost, verscheen hij opnieuw ten tonele, sloeg op zijn voorhoofd en vroeg of ik misschien suiker in mijn koffie wilde. Pas na het derde bisnummer nam Philippe plaats en terwijl we beiden naar de Noordzee tuurden en Engeland achter de horizon zagen verdwijnen, vuurde ik de eerste vraag af.
Waarom ben je ooit met een blog begonnen?
‘Het idee voor de blog rijpte in de tijd dat ik voor de klas stond en enthousiast vertelde over schrijvers en literatuur. Mijn leerlingen vroegen me regelmatig: ‘Meneer: schrijft u zelf niet?’ Mijn antwoord was steevast: “Ik kan dat niet. Ik kan wel een zin op papier zetten, maar als ik die dan herlees wil ik mezelf ophangen omdat ik het zo slecht geformuleerd vind.” Voor mijn lessen moest ik echter veel didactisch materiaal schrijven. Hetzelfde gold voor de opdrachten waarmee ik de leerlingen belastte. Als ze een opstel moesten maken, gaf ik hen een door mezelf gecomponeerde tekst als model mee. Jaarlijks herschreef ik die en langzaam maar zeker merkte ik dat ik de neiging om mezelf op te hangen kon onderdrukken, dat ik misschien niet zo goed kon schrijven, maar wel nogal goed kon verbeteren, en zelfs dat ik in staat was een tekst zo te verbeteren dat die aanvaardbaar werd voor mij. Dat was de eerste stap in de richting van een blog: het besef dat ik iets kon schrijven dat voor mezelf min of mee door de beugel kon.’
‘Het tweede is de formule van de blog. Door er spontaan tegen te komen en ze te lezen geraak je er vertrouwd mee. Acht jaar geleden ben ik metClericks Weblog begonnen. Ja, zo recent pas. Ik weet het nog goed want de titel van een van mijn allereerste stukjes luidde: ‘Ik ben nu zestig’ en vandaag ben ik achtenzestig. Toen is het begonnen. Eerst louter op Facebook. Maar ik wilde het beter kunnen vasthouden. Een blog situeert zich een beetje tussen het boek en Facebook. Het heeft een iets permanenter karakter. Lezers kunnen bepaalde zaken opzoeken en terugvinden. Alvorens er zelf een te beginnen heb ik eerst alles van Marc Van Fraechem gelezen. Ik was hem tegengekomen via Karel van het Reve omdat hij op zijn blog wel eens Karel vermeldde. Hij is – net als ik – een grote Karel van het Reve-bewonderaar. Een maand lang heb ik dagelijks stukjes van hem gelezen en na die maand dacht ik dat die formule me wel zou liggen – ook zijn lay-out heb ik grotendeels overgenomen.’
‘In het begin schreef ik erg korte stukjes. Ik wist nog niet helemaal zeker welke richting ik met mijn blog wilde uitgaan. De eerste maanden schreef ik hoofdzakelijk anekdotisch. Zoals bijvoorbeeld een verhaal dat mijn vader elke kerstnacht vertelde over een bepaalde gebeurtenis uit het leven van Marie Antoinette. Ik zocht uit hoe het precies in elkaar zat en schreef het neer zodat ik het zelf beter kon onthouden. Langzaam maar zeker evolueerden de stukjes. En ik denk dat het concept waarbinnen ik schrijf nog steeds aan verandering onderhevig is. Ondertussen heb ik voor mezelf wel een beeld gekregen van wat ik kan en wat ik zeker niet kan. Waar ik goed in ben zijn beschouwende stukjes. Non-fictie. Iets anders moet ik niet proberen.’
‘Binnen het beschouwende genre kan ik goed springen. Al schrijvend associaties maken en verbanden leggen tussen de meest uiteenlopende onderwerpen zoals film, literatuur, familie-herinneringen en die dan allemaal samenbrengen. Soms ben ik gedreven door een bepaalde logica en zie ik niet direct een opening om te springen. Maar ik denk dat mijn geest in het algemeen wel springerig werkt. Ik zal niet zeggen dat ik een ADHD’er ben – hoewel mijn zoon er een is, dus ik zal het wellicht ook in een lichte vorm hebben. Het van de hak op de tak springen van de geest kan een nadeel zijn, maar je kan het ook in je voordeel ombuigen.’
‘Of er mensen zijn die tijdens het schrijven in gedachten over mijn schouder meelezen? In de eerste plaats Karel van het Reve. Zeker op het vlak van taal. Wanneer ik twijfel over een bepaalde term denk ik: ‘Oei, is dat een woord dat hij zou gebruikt hebben?’ Indien het zo is, weet ik voor mezelf dat het zuiver Nederlands is, want van thuis uit ben een dialectspreker. En dus moet ik oppassen. Ook Herman Jacobs leest in gedachten mee.’
‘Soms gebruik ik, ondanks de meewarige blik van Herman Jacobs, graag Engelse of Franse en zelfs – mocht ik ze toevallig kennen – Duitse woorden of slagzinnen. Maar niet het Engels uit de managementwereld. Enkel die woorden die ik zou gebruiken als ik met mijn vrouw of met mijn zoon aan het converseren ben. Woorden die in het Nederlands bestaan, maar sneller in het Engels bij me opkomen. Maar ik ga zeker niet kids in plaats van kinderen schrijven (lacht).’
‘Hoeveel voldoening ik uit mijn bloggen haal? Dat is een moeilijke vraag, want het is tegelijkertijd telkens verschrikkelijk afzien. Terwijl ik schrijf sta ik voortdurend op en loop rond in de woonkamer. Maar het feit dat ik het doe bewijst dat ik het graag doe. Het herlezen van oude stukjes schenkt me voldoening, net als het voortdurend redigeren en herschrijven. Ach ja: ik ben eigenlijk een tevreden mens, een beetje een vulgaire optimist (lacht). Waar ik steeds naar streef is dat mijn teksten moeiteloos lezen en daarom steek ik er veel tijd in, want ik schrijf ontiegelijk traag. Het is maar door er lang over te tobben en in gedachten veel te schrappen dat ik tot het uiteindelijke resultaat kom. Kortom: het is hard werk.’
‘Ik blijf aan mijn teksten schaven. Soms pas ik ze zelfs jaren later aan. Het motto van de blog – ‘Op de fiets valt je van alles te binnen’ – geldt nog steeds, hoewel ik nu minder fiets dan vroeger. Ik ga ervan uit dat iedereen voortdurend in een monologue intérieur met zichzelf verwikkeld is – wat James Joyce in Ulysses heeft proberen te vatten. Als kind was ik een verstrooide professor die voortdurend aan banale dingen dacht en de monologue intérieur uit mijn kindertijd is nog steeds niet gestopt. Zo noteer ik aan de lopende band losse invallen, maar voor ik ze op papier zet, kan er behoorlijk wat tijd overheen gaan.’
‘Daarom zijn die ‘kortjes’ een dankbare vorm voor mij. Niet elke inval leent zich tot een langer verhaal. Zo zal ik ook nooit recensies over films of boeken schrijven, want dan moet je het geheel vatten. Meestal ga ik enkel een bepaalde gedachte – die een recensent in een alinea zou stoppen – uitwerken. En ook – en dat geldt voor de meeste onderwerpen waarover ik schrijf zoals bijvoorbeeld het Limitarisme van Ingrid Robeyns – zal ik niet proberen de hele filosofie onderuit te halen, want dat zou ik niet kunnen. Ik ga beginnen knagen aan een bepaald onderdeel daarvan. Zoals Karel van het Reve heeft gedaan met zijn kritiek op de evolutietheorie (opmerkzame lezers zullen gemerkt hebben dat voor ons elk excuus goed is om de naam Karel van het Reve te laten vallen, nvdr). Veel meer moet ik niet proberen, want veel meer kan ik niet. Ik ben niet geïnteresseerd in dossierkennis. Feiten interesseren mij slechts als ze het globale overzicht betreffen of als ze een theorie of vooroordeel onderuit halen.’
‘Hoeveel lezers ik heb? Per maand zit ik aan een tien- tot vijftienduizend, twintigduizend in een erg goede maand. Ooit was het een pak meer, maar dat hangt van de algoritmes van Facebook af. Op een bepaald moment heb ik mijn lezers op één dag zien halveren. Dat moet een verandering in het algoritme geweest zijn waardoor mijn zichtbaarheid verminderde. Vroeger had ik per stukje ongeveer zevenhonderd lezers en nu zit ik gemiddeld aan een tweehonderdvijftig. Wat mijn ijdelheid streelt is dat ook de oude stukjes blijven leven. Ze worden nog steeds gelezen.’
‘Wat ik waardeer bij anderen en waar ik zeker naar streef is: het moet redelijk geschreven zijn. Daar werk ik aan, hoewel nu minder dan vroeger. In het verleden trachtte ik bijvoorbeeld zoveel mogelijk ‘als-zinnen’ te vermijden. Nu heb ik zoiets van: ‘God ja: er staan drie ‘als-zinnen’ in en desondanks vertrouw ik erop dat de wereld gewoon blijft verder draaien. Maar ik wil natuurlijk wel helderheid en daarom schrijf ik er vaak iets bij. Dat heb ik van Charles Murray geleerd. Als je bij het herlezen van je tekst merkt dat er iets hapert, schreef hij, betekent het dat er iets ontbreekt. Wie Charles Murray is? Een Amerikaanse socioloog. Een libertariër die veel met statistieken werkt en toevallig ook het boekje Raadgevingen van een oude knorrepot heeft uitgegeven waarin hij een hoofdstuk aan de kunst van het schrijven wijdde. Naast helderheid heb ik ook graag dat het origineel is. Dat is wat ik zou verwijten aan twee totaal verschillende columnschrijvers: Marc Reynebeau aan de ene kant van het spectrum en Johan Sanctorum aan de andere kant. Ik heb geen probleem met wat ze schrijven, maar het ligt allemaal zo voor de hand. De kans dat er iets instaat waarvan je denkt: “tiens, hoe verrassend” is verwaarloosbaar klein.’
‘Als je iets probeert te weerleggen moet je het argument van je opposant enigszins au sérieux nemen. Je kunt ermee spotten, of er al badinerend mee aan de haal gaan. Maar je moet steeds de argumentatie zelf voor ogen houden. Je mag het belachelijk maken, maar je moet tegelijk het argument in zijn waarde laten.’
‘Ik wil sowieso blijven bloggen. Of ik mezelf nog ga verrassen? Ik heb al een zekere leeftijd, hè Jo. Wat ik bij mezelf wel apprecieer is mijn springerige geest en het kunnen leggen van onverwachte verbanden. Daar heb ik echt schik in. Het is een van de belangrijkste onderdelen van humor. Twee zaken met elkaar in verband brengen die eigenlijk normaal gezien niet bij elkaar passen.’
Wie zou er absoluut een blog moeten beginnen en waarom?
‘Over die vraag heb ik lang nagedacht. Wat mis ik? In de eerste plaats zaken die in mijn verlengde liggen: opiniestukjes…’
‘Een eerste naam die me te binnen schiet is die van Luc Van Braekel. Hij is een liberale Vlaming. In de pioniersjaren startte hij met de blog LVB.net waarin hij eigen stukjes publiceerde en artikels van anderen opnam. Nadien emigreerde hij naar Amerika waar hij tegenwoordig als zelfstandig ingenieur werkt. Luc is iemand die bijzonder verstandig is en een ontzettend goed geheugen voor feiten heeft. Hij denkt ook een beetje hetzelfde zoals ik. Ik zou graag hebben dat hij af en toe iets over Amerika schrijft – tot nu toe heeft hij het maar enkele keren gedaan. Als hij zou schrijven: ‘Kijk, bij nader inzien verkies ik Trump boven Biden’ dan zou ik dat ook doen (lacht). Luc Van Braekel maakt nooit redeneerfouten en ziet, dankzij zijn logische ingenieursgeest, onmiddellijk de redeneerfouten bij iemand anders.’
‘Een tweede naam uit mijn ideeënwereld waarvan ik zou willen dat hij met een blog begint is Boudewijn Bouckaert. Regelmatig schrijft Boudewijn korte dingetjes op Facebook en die zijn vaak agressief van toon en worden ontsierd door scheldtirades, maar als hij een groter stuk schrijft – op Doorbraak bijvoorbeeld – is het juist heel afgewogen. Veel afgewogener dan wat ik zou schrijven.’
‘Er zijn er ook een paar die uit de doden zouden mogen opstaan. Spontaan denk ik aan Koenraad Goudeseune. Dagelijks verblijdde hij zijn Facebook-lezers met een sonnet en hoewel ik geen gedichtenlezer ben, las ik die van hem ontzettend graag.’
‘Verder mogen er gerust nog opinieschrijvers die liberaal of libertarisch denken beginnen bloggen. Want pas op, Jo, je kan wel zeggen dat we niet lezen om ons in onze overtuiging bevestigd te zien, maar ik vind het weleens leuk hoor, om iets te lezen dat me bevestigt in mijn overtuiging. Als ik de opiniepagina’s van De Standaard doorneem, staan daar weinig bijdragen in die mijn grote gelijk onderschrijven. Dat is ook niet altijd even prettig.’
‘Hoe mijn overtuiging bondig samen te vatten? Als ik het in één woord zou moeten definiëren is het: centrum-rechts. Al lang speel ik met het idee om een lijst op te stellen van allemaal zaken die ofwel links ofwel rechts zijn. Een verzameling van concepten als het ware zoals: jeugd: links; ouderdom: rechts. Als ik mijn filosofie iets uitgebreider moet verwoorden zou ik zeggen: op economisch vlak zo liberaal als het kan. Maar als het over de cultuurstrijd gaat dan denk ik dat ik in het midden sta, hoewel veel van mijn stukjes die over die thematiek handelen tegen woke gericht zijn. Op cultureel vlak ben ik een centrist, hoewel het niet uit mijn stukken blijkt, want die zijn niet evenwichtig verdeeld. Zo vroeg Tessa Vermeiren me eens waarom ik altijd reageer op de opiniestukken van De Standaard en zelden of nooit ageer tegen Doorbraak. Ze had natuurlijk gelijk, maar het is nu eenmaal niet mijn bedoeling om evenwichtig te zijn, misschien wel in mijn argumentatie, maar zeker niet in mijn doelwitten. Ik moet me achter mijn klavier vooral amuseren. En de mensen moeten ook niet uitsluitend mijn mening lezen.’
‘Qua sympathie ben ik in wezen een libertariër. Hoewel ik met het klimmen der jaren daarin iets gematigder ben geworden. Zoals je weet lees ik dolgraag P.J. O’Rourke. Hij is, samen met Karel van het Reve, voor mij een van de belangrijkste schrijvers geweest om me uit het communisme te trekken. Nadat Karel van het Reve het Geloof der Kameraden had afgezworen, stemde hij de rest van zijn leven socialistisch, maar in zijn diepste kern is hij een libertariër. Maar mijn libertarisme (politiekefilosofie die individuele vrijheid en zelfbeschikking als kernwaarden ziet,nvdr) wordt getemperd door conservatisme. Beide stromingen zijn niet hetzelfde. De wereld zit nu eenmaal niet libertarisch in elkaar. Je moet je bij bepaalde zaken neerleggen.’
‘Al lang speel ik met de gedachte om een stuk te schrijven over mijn problemen met het ultra-libertarisme, Wat doet me soms terugschrikken voor de extreem doorgedreven variant ervan? Dat terugschrikken is ingegeven door een conservatieve reflex. Om het met een eenvoudig voorbeeld te illustreren: in onze maatschappij begin je aan een laag startersloon en dat stijgt met je anciënniteit. De negentiende eeuw was op dat vlak libertarischer. Willem Elsschot heeft het eens beschreven: je loon steeg tot je op het hoogtepunt van je productiviteit stond en daarna daalde het weer omdat je minder productief was. Vanuit libertijns-filosofisch standpunt gezien is dat juist. Maar ergens diep in mij voelt dat niet zo goed (lacht). In die zin sta ik graag op de rem. Die anciënniteit-regel is al bij al zo slecht nog niet.’
‘Een opinieschrijver die ik met plezier lees en die gerust zou mogen bloggen is Joël De Ceulaer. Hij zal nooit het aura van een senior writer hebben, daarvoor is hij veel te veel een kwajongen. Maar De Ceulaer kan je verrassen en je zowel langs links als langs rechts inhalen.’
‘Er zijn veel mensen die op Facebook schrijven waarvan ik denk dat ze een blog zouden mogen hebben. Pierre Plum bijvoorbeeld las en lees ik steeds met groot genoegen. Zijn langere stukken van vroeger waren fantastisch.’
‘Wie ik ook graag lees is de districtsburgemeester van Antwerpen… Paul Cordy. Ah, hebben jullie nog samen gestudeerd? Zijn stukjes over geschiedenis zijn meestal zeer goed. Soms een beetje saai – soms iets te veel een geschiedenisles. Maar vaak ook heel onderhoudend en origineel.’
‘Geert Peersman in De Standaard over economie vond ik fantastisch. Helaas ontdekte ik hem pas net voor hij definitief stopte. Peersman hanteerde altijd de globale visie en pikte er niet zomaar een detail uit dat in zijn kraam paste. Hij argumenteerde glashelder. Je kon er geen speld tussen krijgen. En hij is gestopt om meer tijd vrij te maken voor fundamenteel onderzoek – waaruit blijkt dat hij ook echt hard aan zijn opiniebijdragen werkte en ze niet uit de losse pols schreef, blind vertrouwend op zijn vakmanschap.’
‘Iemand die van mij zeker een blog zou mogen beginnen is Eddy Daniëls. Hij is net als ik een gewezen Amada/PVDA-sympathisant. Ik heb hem een paar keer ontmoet op redactiedagen van Doorbraak. Zijn boek De open samenleving en haar nieuwe vijanden, van 2005 al, heeft me over een aantal zaken anders en vrijer doen denken.’
‘En verder ben ik van mening dat iedereen die er plezier aan beleeft een blog moet beginnen.’
Wij, bij Aanlegplaats, zoeken er al een tijdje naar, en we krijgen het maar niet scherp: wat maakt dat een blog echt goed is?
‘In de eerste plaats moet het minstens redelijk goed geschreven zijn. Je moet je best doen. Er zijn mensen die het talent hebben om in één geut iets helder neer te schrijven. Maar als je dat talent ontbeert, moet je aan je teksten werken.’
‘Ten tweede moet het een beetje origineel zijn. Persoonlijk los ik dat op door een bepaalde kant van de zaak te belichten en niet de volledige zaak – want dan zou ik in algemeenheden verzinken.’
‘En dan heb ik graag dat het goed geargumenteerd is. Ik zal je een negatief voorbeeld geven. Zo lees ik op Facebook met plezier de stukjes van Ton van Reen, een gepubliceerd auteur. Hij is bijzonder goed in het ophalen van jeugdherinneringen en kan lang uitweiden over een bepaalde lentedag toen hij zeven jaar oud was. In hoeverre het effectief herinneringen zijn of fantasie valt niet te achterhalen, maar het zijn prachtige stukjes. Soms schrijft hij echter ook een opiniërende tekst – bijvoorbeeld dat Godsdienst onzin is – en dan vind ik hem onredelijk. Onredelijk is niet het juiste woord. Dan ontbreekt het hem aan genuanceerde argumentatie… Nochtans ben ik jaloers op de manier waarop hij het formuleert – want zonder nuance schrijven kan ook een voordeel zijn. Want het gebeurt dat ikzelf me in nuance verlies. Van Reens opiniestukken zijn zeer vloeiend geschreven en toch ontgoochelt mij het gebrek aan originele argumenten.’
‘Kortom: ik heb graag een combinatie van die drie factoren: Dat het redelijk geschreven is, met een originele invalshoek en goed geargumenteerd. Tenminste: als het over opiniërende blogs gaat. Je hebt natuurlijk ook de verhalende blogs, zoals die van jou, maar dan hou ik ervan dat ze een beetje geestig zijn. En je hebt de poëtische blogs die goed vertegenwoordigd zijn op Aanlegplaats. Het zijn bijna gedichten die in woorden een bepaald moment of gevoel proberen te vatten.’
‘In jullie haven staat ook de blog Het ongerijmde van Tom Wouters, die jij ooit de Franz Kafka van Grobbendonk hebt genoemd. Tom Wouters…’ en hier spreidde Philippe zijn handen hemelwaarts, ‘…is wereldklasse.’
‘Humor in een blog: daar ben ik voor. Bij mij heeft humor te maken met ironie. Ik denk dat je me ooit een homo ironicus hebt genoemd. Toch weet ik niet of ik het echt van mezelf heb. Waarschijnlijk is het deels een reactie op mijn dogmatisch kantje. Het feit alleen dat ik indertijd in het Marxisme en de PVDA ben gestapt – en dan vooral dat ik er zo lang in ben blijven hangen – want op je zeventiende communist zijn is niet zo bijzonder. Je had de tijdsgeest mee; het was in de mode; iedereen was het, behalve de mooie meisjes want die zaten bij de trotskisten. Maar het feit dat ik er zo lang ben bij gebleven wijst enerzijds op mijn partizaan karakter en mijn zin om strijd te voeren en anderzijds op mijn dogmatische aanleg. En dan vraag ik me af of mijn ironie en mijn scepticisme niet deels een reactie daarop zijn en dat die ironie en het scepticisme daarna gevoed zijn geworden door mijn ontdekking van Karel van het Reve.’
‘Nog een koffietje, Jo?’
Opnieuw hanteerde Philippe zijn door mindere barista’s afgunstig bekeken systeem en na nauwelijks acht minuten was de koffie klaar. Twee springerige geesten genoten van het uitzicht en wisselden wijsheden van Karel van het Reve uit en de tijd stroomde nog sneller voorbij dan het water naar de Noordzee.
Ik heb een zwak voor schrijvers met een uitnodigende stijl en daarom weet de pen van Jan Devriese, waarin echo’s van Godfried Bomans weerklinken, me telkens opnieuw te verleiden. Zijn stukje over de herinnering aan een witte kerst in een ver verleden toen Lotte Lambert nog de aanvalsleider van Club Brugge was, is echt vintage Bomans – pardon Devriese. Meesterlijk hoe de Brugse Haarlemmer hier humor, melancholie en milde maatschappijkritiek moeiteloos in elkaar verweeft. Bij het lezen van de slotzin schoot ik zelfs luidop in de lach.
Dennis Pauwels is geen veelschrijver, maar de brieven die hij in zijn onvolprezen blog Brieven aan mijn zoon tot zijn jonge zoon richt raken me. Zijn niet van ironie gespeende zelfkritiek is even hard als het neonlicht in een operatiezaal. Hij weet met kleine toetsen een groot emotioneel canvas te bespelen. In het verhaal Dat lichaam schrijft Dennis over zijn deelname aan het programma Stukkenvan mensen en over de verkoop van zijn Banksy en over hoe de buitenwereld en vooral zijn verre vrienden en vage kennissen van vroeger zijn uitdijende lichaam zullen ervaren. The Whale in Mechelen. Met een door AI gegenereerd zelfportret om het te bewijzen.
Al vanaf haar eerste blogverhaal keek ik uit naar het grote debuut van Julie Cafmeyer. Het wachten duurde meer dan tien jaar maar in de loop van 2024 verschijnt dan eindelijk haar roman De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer. In haar column met de al even heerlijke titel Tekens van luiheid viert Julie het recht op nietsdoen en wacht ze, samen met haar Russische onderbuurvrouw wiens echtgenoot ervandoor ging met een putana uit Moskou, op de komst van een slotenmaker. Of – bij gebrek aan slotenmaker – op de komst van een sterke man.
‘Bovendien vroor het steevast dat het kraakte en strompelden we al na enkele meters met een bevroren snotkegel van wel tien centimeter uit onze neus naar school. Daar moesten we dan eerst een halfuur ontdooien bij een chauffage die ofwel niet werkte ofwel kokend heet was, vooraleer we les kregen over Afrika, waar de arme zwartjes op het zilverpapier van onze chocoladerepen zaten te wachten. We snapten er niks van: chocolade was toch slecht voor onze tanden?’
‘De opnames voor de uitzending werden een jaar eerder al gemaakt. Ik was nog niet lang uiteen, had grote financiële zorgen, een lichaam dat nooit eerder zwaarder was geweest en ik had bovendien te veel spullen op zolder om een gewone verzamelaar te zijn. De Banksy was een easy fix. Hij moest plaats maken voor geld en daar zou de TV bij helpen.’
‘Over het algemeen ontvang ik liever geen bezoek omdat het hier niet is opgeruimd. Ik ben onder de indruk van mijn rommel, alles ligt hier precies hoe ik het wil, mijn wanorde.’
Schrijvers, zo is algemeen geweten, schrijven om hun diepste angsten op afstand te houden en – dat is het gekke eraan – ze tegelijkertijd heel dichtbij te halen. Voortdurend steken ze het hoofd door de tralies van de leeuwenkooi, pen in de aanslag.
Soms keren ze daarvan terug, zoals Ivo Victoria in een werkelijk hemels stuk beschrijft, soms maken ze de angst klein door andere, nog grotere angsten op te roepen, zoals Rein Hannink in een godverlaten grot. En soms, het is niet anders, zien ze het onder ogen: ‘Tsja, wat zal ik zeggen. Ik zal er toch een keer mee moeten ophouden.’ zo legt Ingrid Van der Graaf Remco Campert in de mond.
Want het is de angst voor de dood, die tegelijkertijd – schrijvers koesteren nu eenmaal hun innerlijke tegenstrijdigheden – de angst voor het leven is.
‘Ik was zo dichtbij mijn onderwerp gekomen als maar kon, en nu stond ik daar te staan, en te kijken, en me in te beelden hoe hij daar stond en keek, en er gebeurde niets, en gek genoeg was dat prima. Er kwam geen quasi-diepzinnige platitude in me op die van pas kon komen op een literair avondje. Geen slimmig thema om bezopen te debiteren in een halflege kroeg ten behoeve van een eenzame kunstschilder. Er gebeurde niets.‘
‘Nu ontdekken ze een passage naar het droge stelsel. Ze vinden voetafdrukken. En stuiten op Peters lichaam. Hij blijkt… verhongerd. Zijn fles bevat voldoende zuurstof voor de duik terug, maar dan had hij de kabel moeten vinden. Dat risico heeft hij kennelijk niet aangedurfd. In nauwe passages worden sporen van hem aangetroffen. In een grotwand is zijn afscheid aan loved ones gekrast. Drie weken heeft Peter het uitgehouden. In complete duisternis. Omringd door geesten van de oermens.‘
‘Er stond een tafel bedekt met een kleed waarop een enorme hoeveelheid boeken en manuscripten. Daartussen zag ik de dichter. Achter een typemachine. Hij was gekleed in een kamerjas met goudglans, zijn haren zorgvuldig over zijn schedel gedrapeerd. Ik wilde hem vragen of schrijven zijn levenselixer was en of het dan wel verantwoord is ermee te stoppen. Maar ik durfde niet. Zelfs in dromen kan domme bescheidenheid mij parten spelen. Wel dorst ik zwijgend een bundel papieren, wat een manuscript leek, van een hoek van de tafel te pakken. Er stond geen woord in.